[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"$fhO8dWD6sWVXt7wE7pQyjB6jeYrVsHg1FkKtRYAuDrcA":3},{"id":4,"document_id":5,"title_full":6,"title_short":6,"date_published":7,"source_url":8,"submitters":9,"is_palestine_relevant":16,"relevance_score":17,"relevance_keywords":18,"relevance_excerpt":20,"ai_summary":21,"frontend_url":22,"content_html":23,"pdf_url":24,"relevance_keyword_chips":25},184198,"sf-br-2026Z15691","Verzamelbrief moties en toezeggingen over het funderend onderwijs","2026-07-02","https:\u002F\u002Fwww.tweedekamer.nl\u002Fkamerstukken\u002Fbrieven_regering\u002Fdetail?id=2026Z15691&did=2026D35111",[10],{"person":11,"functie":14,"actor_naam":15},{"fullname":12,"slug":13},"Judith Tielen","judith-tielen","staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap","J.Z.C.M. Tielen",true,1,[19],"Antisemi","Met de uitvoering van de Strategie Bestrijding \u003Cmark>Antisemi\u003C\u002Fmark>tisme en het Nationaal Plan Holocausteducatie zet het kabinet in op het versterken van onderwijs over de Holocaust.","De staatssecretaris informeert de Tweede Kamer over voortgang bij verschillende onderwijsthema's, waaronder de oprichting van stichting Ziezon (inwerkingtreding uitgesteld naar 1 augustus 2027), ondersteuning voor leerlingen met PAIS\u002Fpost-covid, en bestuurlijke afspraken voor toelating en bekostiging van leerlingen met ernstige meervoudige beperkingen. Daarnaast worden onderzoeken gepresenteerd naar onderwijsachterstandsindicatoren, deelname vierjarigen, en inschrijvingsprocedures, alsmede maatregelen rond holocausteducatie, mobiele telefoons in scholen en curriculumonderhoud.","\u002Fdocumenten\u002Fbrief-regering\u002F184198-verzamelbrief-moties-en-toezeggingen-over-het-funderend-onderwijs","\u003Cdiv class=\"brief-regering\">\n\u003Cp>De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>2500 EA DEN HAAG\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>Datum\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2 juli 2026\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Betreft\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Verzamelbrief moties en toezeggingen funderend onderwijs\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Directoraat-generaal Funderend Onderwijs\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Rijnstraat 50\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Den Haag\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2500 BJ Den Haag\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Contactpersoon:\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onze referentie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>65046896\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bijlagen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bijlage 1. Onderzoek: Een nieuw verdeelmodel onderwijsachterstandenmiddelen in het gespecialiseerd onderwijs\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bijlage 2. Onderzoek: Herijking risico-indicator onderwijsachterstanden basisonderwijs\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bijlage 3. Onderzoek: Onderwijsdeelname vierjarigen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bijlage 4: Onderzoek: Inschrijving en toelating\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bijlage 5: Onderzoek: Verkenning veranderende rol leerplichtambtenaar\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang op verschillende thema’s binnen het funderend onderwijs, inclusief een update over de uitvoering van verschillende aangenomen moties en toezeggingen die zijn gedaan en resultaten van enkele onderzoeken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de bijgevoegde verzamelbrief wordt ingegaan op de volgende thema’s:\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen &amp; stichting Ziezon\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Toezegging leerlingen met PAIS\u002Fpost-covid\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het opnemen van onderwijs aan jongeren in de jeugdzorg in de Staat van het Onderwijs\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Toelaatbaarheid en bekostiging voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Toezicht op samenwerkingsverbanden passend onderwijs\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onderwijsachterstandenindicator gespecialiseerd onderwijs\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Herijking onderwijsachterstandenindicator po\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbieding onderzoek onderwijsdeelname vierjarigen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbieding rapport Inschrijving en toelating\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Proces wijzigingsregeling vormingsonderwijs\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Structurele financiering curriculumonderhoud SLO\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Holocausteducatie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Landelijke afspraken mobiele telefoons in de klas\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Toezegging verkenning deelname financiële geletterdheid PISA- 2029\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>MDT als begeleidingsinstrument in het kader van de Wet van School naar Duurzaam Werk\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Motie Moorman c.s. over funderend onderwijs bij de portefeuilleverdeling niet ondergeschikt maken aan hoger onderwijs\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Procesupdate bredere verkenning handhaving leerplicht\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Conform de toezegging in het debat over het wetsvoorstel onderwijsondersteuning zieke leerlingen (hierna: ozl) informeer ik uw Kamer over de stand van zaken van de oprichting van de nieuwe stichting die verantwoordelijk wordt voor ozl. Het wetsvoorstel ozl is op 12 mei aangenomen door de Eerste Kamer. Gepland was de oprichtingsakte van stichting Ziezon eind juni bij de notaris te laten passeren, dit is tijdelijk on hold gezet na vragen van Uw Kamer bij de voorhangprocedure. Ten tijde van de Tweede Kamerbehandeling was beoogd de wet in werking te laten treden per 1 januari 2027. De Eerste Kamerbehandeling heeft langer geduurd dan waarmee oorspronkelijk rekening was gehouden en na oprichting van de stichting moeten nog veel voorbereidingen worden getroffen. Daarom heb ik besloten dit ruim half jaar op te schuiven, zodat de stichting voldoende tijd heeft voor de opbouw van de organisatie en een zorgvuldige voorbereiding van de overgang van personeel (inclusief individueel maatwerk waar nodig). De inwerkingtreding van de wet, en daarmee de start van de wettelijke taak door stichting Ziezon, zal zijn op 1 augustus 2027.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uw Kamer verzocht om een stevige landelijke regie op de transitie te waarborgen (motie Rooderkerk (D66) c.s.). Kernopgave is dat de onderwijsondersteuning aan zieke leerlingen ononderbroken doorgaat, ondanks overgang naar een landelijke organisatie (stichting Ziezon).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In nauwe samenwerking met de consulenten ozl en hun werkgevers wordt dit momenteel voorbereid. Ik ben hen daar erkentelijk voor.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De directeur-bestuurder start na oprichting van de stichting in functie als kwartiermaker, ondersteund door een kwartiermakersorganisatie. Behoud van de bezetting door de huidige consulenten ozl is een belangrijke voorwaarde voor continuïteit. Na oprichting is de stichting verantwoordelijk voor de goede ontvangst van de medewerkers en de realisatie van alle noodzakelijke randvoorwaarden voor start van de organisatie (uitvoering implementatieplan).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Conform de motie Westerveld (PRO) c.s. en demotie Rooderkerk (D66) c.s. zal ik er onder meer via de subsidievoorwaarden op sturen dat de stichting voor die consulenten die niet vallen onder overgang van onderneming ruimhartig omgaat met de mogelijkheid tot combibanen en detachering. Zo kunnen zoveel mogelijk consulenten hun ozl-werk voortzetten. Een informele belangstellingsinventarisatie, door het CAOP uitgevoerd in april 2026, toont dat de mogelijkheid tot detachering voor een deel van de consulenten belangrijk is om hun werk voort te zetten. Daadwerkelijke personele inpassing en het maken van individuele personele afspraken kan alleen de stichting zelf. Dit proces start in september.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ik informeer uw Kamer aan het einde van het jaar verder over uitvoering van de motie Ceder (CU) en Beckerman (SP), de moties Westerveld (PRO) c.s., motie Beckerman (SP) c.s. en motie Boomsma (JA21). In die brief zal ik ook ingaan op de toezegging KlasseContact, waarover de gesprekken tussen KPN Mooiste Contact Fonds en netwerk Ziezon nog lopen. Ook ontvangt uw Kamer later in het jaar de kaderbrief, waarin de financiële en inhoudelijke kaders voor de nieuwe stichting beschreven staan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Toezegging leerlingen met PAIS\u002Flongcovid\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uw Kamer vroeg met de motie van de leden Ceder (CU) en Westerveld (PRO) om landelijke richtlijnen voor scholen over PAIS\u002F post-covid. In de brief over de transitie naar inclusief onderwijs van 20 mei en in de brief die de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport voornemens is voor het zomerreces te versturen, geef ik aan wat er al mogelijk is voor leerlingen die te maken krijgen met ziekte.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ik zet in op meer flexibiliteit in (onderwijs)oplossingen als kinderen dreigen uit te vallen of uitgevallen zijn. Tijdens het debat over het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim op 26 maart jl. heb ik toegezegd uw Kamer voor de zomer te informeren over de gesprekken over onderwijs voor kinderen met chronische ziektes zoals PAIS\u002Fpost-covid. Begin juni heb ik samen met ouders, leerlingen, deskundigen en het onderwijsveld besproken wat de mogelijkheden vanuit het onderwijs zijn (zoals digitaal afstandsonderwijs) en wat er nog ontbreekt. De komende periode informeren we scholen actief over de mogelijkheden voor leerlingen met PAIS\u002Fpost-covid om ervoor te zorgen dat deze leerlingen geen achterstand ontwikkelen. Ook streven we ernaar om informatie zoveel mogelijk vanuit een centrale plek te ontsluiten. Uw Kamer wordt voor het einde van dit jaar geïnformeerd over de verdere uitvoering van deze motie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de motie van de leden Haage en Westerveld (beide PRO) heeft uw Kamer gevraagd om de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) te vragen voortaan ook onderwijs aan jongeren in de jeugdzorg mee te nemen in de Staat van het Onderwijs. De inspectie heeft in de Staat van het Onderwijs 2026 opnieuw een passage over het onderwijs aan deze groep jongeren opgenomen en aangeven dit in toekomstige publicaties jaarlijks te doen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Naar aanleiding van de motie Westerveld (PRO) heb ik beleidsopties verkend voor de toelating en bekostiging van leerlingen met een ernstige meervoudige beperking (hierna: EMB), waaronder landelijke indicatiestelling, landelijke aanmelding en rechtstreekse bekostiging via het Rijk. Daarbij zijn gesprekken gevoerd met onder meer vertegenwoordigers van het gespecialiseerd onderwijs, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, ouders en leerlingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals ik heb toegelicht tijdens het commissiedebat passend onderwijs van 27 mei 2026, vind ik het belangrijk dat voor deze leerlingen snel stappen worden gezet. Voor EMB-leerlingen zijn eerder al landelijke afspraken gemaakt met partijen. Het gaat daarbij om het gebruik van het landelijk aanvraagformulier, een toelaatbaarheidsverklaring (hierna: tlv) voor de duur van de schoolloopbaan en een tlv in de hoogste bekostigingscategorie. Om snel effect te bereiken, maak ik met de betrokken partijen, waaronder in ieder geval ONSwv en de Sectorraad GO, bestuurlijke afspraken om deze drie lijnen te herbevestigen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Omdat deze afspraken in de praktijk niet overal worden nageleefd en monitoring en opvolging destijds onvoldoende zijn uitgewerkt, maak ik met de betrokken partijen nieuwe bestuurlijke afspraken. Hierin worden deze drie lijnen herbevestigd en worden afspraken gemaakt over de wijze waarop naleving wordt gevolgd en hoe partijen elkaar daarop aanspreken. Daarbij verken ik ook met de inspectie hoe zij afwijkende uitvoeringspraktijken kunnen signaleren binnen hun bestaand toezicht op scholen en samenwerkingsverbanden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Als blijkt dat deze aanpak onvoldoende verbetering oplevert, doe ik alsnog een voorstel voor hoe de bestaande landelijke afspraken wettelijk kunnen worden vastgelegd. Een wetswijziging kost naar verwachting enkele jaren; de verdergaande beleidsopties die naar aanleiding van de motie zijn verkend hebben daarnaast ingrijpende gevolgen voor de uitvoering in het veld en bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO), en vergen mogelijk nog meer tijd. Juist daarom kies ik nu voor een aanpak waarmee op kortere termijn verbetering kan worden bereikt voor de leerlingen. Ik stuur uw Kamer na de zomer een afschrift van de bestuurlijke afspraken over de toelating en bekostiging van EMB-leerlingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De samenwerkingsverbanden passend onderwijs hebben tot doel om een dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen te realiseren, zodat alle leerlingen een passende plek in het onderwijs krijgen. Zoals toegezegd in het Commissiedebat passend onderwijs van 27 mei 2026 ben ik in gesprek met de inspectie over de handhaving van de wettelijke taak van samenwerkingsverbanden om een dekkend netwerk te realiseren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De afgelopen jaren heeft de inspectie vrijwel alle samenwerkingsverbanden onderzocht en hierbij de kwaliteit van de uitvoering van wettelijke taken beoordeeld, zoals beschreven in het onderzoekskader voor samenwerkingsverbanden. In de periode van 2022 tot en met 2025 heeft de inspectie 132 samenwerkingsverbanden onderzocht. 116 samenwerkingsverbanden (87%) werden als voldoende of goed beoordeeld op het onderdeel dekkend netwerk, 16 samenwerkingsverbanden (12%) werden als onvoldoende beoordeeld. De inspectie heeft deze samenwerkingsverbanden een herstelopdracht gegeven en na de hersteltermijn opnieuw onderzocht of de kwaliteit op orde is. Bij 14 van de 16 samenwerkingsverbanden bleek dat de tekortkomingen na de hersteltermijn waren opgelost.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de twee samenwerkingsverbanden die hier niet in slaagden, heeft de inspectie besloten om geen financiële sanctie op te leggen maar een termijn te geven. De inspectie doet dat omdat er externe factoren zijn waardoor het een samenwerkingsverband niet lukt om een dekkend netwerk te realiseren of omdat zij zien dat het samenwerkingsverband al verbeteringen heeft doorgevoerd en het op korte termijn wel zal lukken om een dekkend netwerk te realiseren. In deze gevallen lost een financiële sanctie het probleem niet op of is het geen doelmatig middel. Ook geldt dat zelfs als een samenwerkingsverband een dekkend netwerk realiseert, er helaas nog steeds leerlingen kunnen zijn die niet of niet volledig naar school gaan. Dat kan bijvoorbeeld omdat er brede problematiek is in het gezin of niet op tijd jeugdhulp is. Hiervoor kan een samenwerkingsverband niet verantwoordelijk worden gehouden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het gespecialiseerd onderwijs worden de onderwijsachterstandsmiddelen nu verdeeld op basis van de CUMI-systematiek. Deze systematiek is verouderd en sluit onvoldoende aan bij bredere sociaaleconomische kenmerken die samenhangen met het risico op onderwijsachterstanden. Daarom heb ik SEO Economisch Onderzoek en Sardes onderzoek laten doen naar een alternatieve onderwijsachterstandenindicator voor het gespecialiseerd onderwijs.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Partijen uit het veld zoals de sectorraad GO, Simea en de PO-Raad en verschillende kansengelijkheidsexperts zijn hierbij via een begeleidingscommissie betrokken geweest. Het onderzoeksrapport is afgerond en wordt met deze brief aan uw Kamer aangeboden. Ik bekijk op dit moment welke partij de toepassing van de indicator en de verdeling van de middelen op zich kan nemen. Ik informeer u hierover en over de planning van de invoering van de nieuwe systematiek na de zomer nader.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het onderwijsachterstandenbeleid heeft als doel om kansenongelijkheid te verminderen en te voorkomen dat kinderen met een risico op een onderwijsachterstand, gedurende hun schoolloopbaan verder achteropraken. Binnen dit beleid vervullen zowel gemeenten als basisscholen een belangrijke rol en beide ontvangen hiervoor extra middelen, gemeenten via een specifieke uitkering en scholen via extra bekostiging.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Sinds 2019 worden deze middelen verdeeld op basis van een indicator die het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) heeft ontwikkeld. Gebruik van deze indicator zorgt ervoor dat de middelen terechtkomen waar ze het meest nodig zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de Kamer is afgesproken de indicator periodiek te herijken, om deze actueel te houden. In 2021 heeft een eerste herijking plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar de coëfficiënten en schaalwaarden van het model. Tussen 2023 en begin 2026 heeft het CBS een uitgebreide herijking uitgevoerd, waarbij ook de gebruikte achtergrondkenmerken tegen het licht zijn gehouden. Deze herijking is begeleid door een breed samengestelde commissie met daarin de volgende partijen: de wetenschap, de planbureaus, de inspectie, de PO-raad en de VNG. Met deze brief bied ik u het onderzoeksrapport van het CBS over de herijking aan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het CBS is opnieuw nagegaan welke achtergrondkenmerken het meest bepalend zijn voor een risico op onderwijsachterstand bij een kind of leerling. In de herijkte indicator wordt naar meer achtergrondkenmerken gekeken dan nu. Er wordt bijvoorbeeld ook gekeken naar de gezinsstructuur waarin een kind opgroeit. Daarnaast heeft het CBS opnieuw berekend hoe zwaar elk kenmerk meetelt voor een achterstandsscore.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gebruik van de herijkte indicator leidt tot een meer genuanceerd beeld. Bij scholen zien we dat circa 10% meer scholen budget zullen ontvangen. Bij gemeenten zien we dat vooral in middelgrote gemeenten en gemeenten in krimpregio’s het risico op onderwijsachterstand toeneemt als gevolg van de herijking. Daardoor ontvangen deze gemeenten ook meer middelen..\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De herijkte indicator zal dit jaar worden gebruikt voor het berekenen van de voorlopige achterstandsscores voor 2027 voor scholen en gemeenten. Rond Prinsjesdag worden dan de bedragen bekend die scholen en gemeenten zullen ontvangen op basis van hun score.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Via een brochure en een webinar zullen de scholen en gemeenten uitgebreider worden geïnformeerd over de herijking en wat dit betekent voor het budget dat zij ontvangen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In Nederland maken veel kinderen een goede start. Deelname aan voorschoolse educatie is hoog (78% van de doelgroeppeuters) en bijna alle ouders schrijven hun kind op vierjarige leeftijd in op school (98%). In de beleidsreactie op het onderzoek ‘Kansen op een goede start’ heeft mijn voorganger aangegeven dat het gewenst is een nauwkeuriger beeld te krijgen van de huidige deelname van vierjarigen aan het onderwijs, zodat we een antwoord kunnen geven op vragen als: hoe is het gesteld met de aanwezigheid van vierjarigen op school, om welke redenen zijn zij afwezig en zijn er bepaalde groepen die duidelijk meer afwezig zijn? Met deze brief bied ik u het onderzoek aan. Ik neem de uitkomsten mee in mijn reeds toegezegde brief over de samenwerking rondom het jonge kind tussen kinderopvang, onderwijs en zorg dit najaar.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De inspectie heeft deze maand het rapport Inschrijving en toelating opgeleverd. Dit rapport geeft inzicht in de afspraken die gemeenten en schoolbesturen maken over inschrijvings- en toelatingsprocedures van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Volgens de Regeling Inspectie van het Onderwijs (RIO) bied ik het rapport aan de Tweede Kamer aan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de zomer van 2025 heeft uw Kamer het evaluatierapport ‘Het vormingsonderwijs in Nederland’ ontvangen, met daarbij een voorstel voor een wijzigingsregeling voor de regeling op basis waarvan het vormingsonderwijs wordt gesubsidieerd. De regeling treedt per 1 augustus 2026 in werking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Per abuis was de wijzigingsregeling niet voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) voor een toets regeldruk en aan de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (hierna: DUS-I) voor een uitvoeringstoets. Dit is inmiddels alsnog gedaan. De ATR heeft afgezien van een formeel advies en DUS-I heeft aangegeven de wijzigingsregeling uit te kunnen voeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Recent heeft SLO de onderhoudskalender voor periodiek curriculumonderhoud opgeleverd. De kalender is een langjarige planning en maakt inzichtelijk welk leergebied en vak wanneer aan curriculumonderhoud toe is. Dit biedt helderheid en voorspelbaarheid voor scholen, leraren, ontwikkelteams en andere betrokkenen. In de onderhoudskalender staan daarnaast ook de evaluatiemomenten. De onderhoudskalender is te vinden op de website van SLO. De werkzaamheden voor dit periodiek onderhoud worden in lijn met de Wet Subsidiëring Landelijke Onderwijsondersteunende Activiteiten (WetSLOA) structureel belegd bij SLO. Vanaf 2027 wordt daarom 6 miljoen euro aan incidentele middelen bedoeld voor SLO omgezet in structurele financiering van SLO voor de structurele taak van curriculumonderhoud. Het totale bedrag aan subsidies voor SLO blijft ongewijzigd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme en het Nationaal Plan Holocausteducatie zet het kabinet in op het versterken van onderwijs over de Holocaust. In 2025 is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar belemmerende en bevorderende factoren bij Holocausteducatie. Daarmee is uitvoering gegeven aan motie van de leden Struijs en Bromet. Op basis van de uitkomsten van de docentenpeiling en de verkenning naar bezoeken aan Holocaustlocaties is nieuw beleid ingezet. Voor 2026 en 2027 stel ik daarnaast jaarlijks €180.000 beschikbaar voor een pilot met Stichting na de Oorlog die persoonlijke verhalen over de Holocaust beter toegankelijk maakt voor leerlingen. De pilot zal educatief aanbod realiseren voor het primair, voortgezet en speciaal onderwijs. Daarnaast maak ik jaarlijks € 70.000 vrij voor de Junior-bus op wielen, gericht op het versterken van basiskennis over de Holocaust in het primair onderwijs. De inzet van deze middelen wordt nog afgestemd met de betrokken organisaties en kan daarom nog wijzigen. Hiermee geeft het kabinet opvolging aan de uitkomsten van de docentenpeiling en de verkenning naar bezoeken aan Holocaustlocaties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De resultaten van het nieuw ingezette beleid worden in 2027 betrokken bij de midterm van de strategie antisemitismebestrijding. Daarbij wordt ook bezien onder welke voorwaarden structurele financiering van educatief aanbod met persoonlijke Holocaustverhalen mogelijk is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vanaf 1 januari 2024 gelden de landelijke afspraken om mobiele telefoons niet langer in de klas te gebruiken. In de zomer van 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de effecten van deze afspraak. Deze zijn positief. Daarom heeft dit kabinet zich in het coalitieakkoord voorgenomen om deze afspraken aan te scherpen tot een richtlijn ‘thuis of in de kluis’. Ik heb de partijen die eerder de landelijke afspraken hebben gemaakt uitgenodigd deze nogmaals tegen het licht te houden en gezamenlijk aan te scherpen, ook op basis van de ervaringen tot nu toe. Het gesprek hierover loopt en partijen geven aan dat ze hier positief tegenover staan. Ik hoop dat de sector in de tweede helft van dit jaar tot een nadere uitwerking komt die snel door scholen geïmplementeerd kan worden. Waar dat al vooruitlopend op de onderlinge afspraken gebeurt, juich ik dat toe. Hiermee geef ik invulling aan de motie van de leden Boomsma (JA21), Rooderkerk en Van der Werf (beiden D66) die de regering verzoekt haast te maken met een strengere mobieltjesrichtlijn. Ik zal uw kamer, samen met de Staatssecretaris van Digitale Zaken en Soevereiniteit, informeren over de nadere uitwerking in het vierde kwartaal van dit jaar.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Toezegging verkenning deelname financiële geletterdheid PISA-2029\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Er is verkend of financiële geletterdheid meegenomen kan worden bij PISA-2029, zoals toegezegd. Op basis van deze verkenning is besloten niet deel te nemen aan deze optionele toets.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In PISA-2015 en PISA-2022 heeft Nederland aan financiële geletterdheid meegedaan (in de huidige PISA ronde, waarvan het rapport in september verschijnt, heeft de OESO dit onderwerp niet onderzocht). Beide rapporten geven een vergelijkbaar positief beeld als het gaat om de prestaties van de Nederlandse 15-jarigen op dit gebied. Zij behoren tot de wereldtop en scoren ruim boven het OESO-gemiddelde. Voor deelname aan financiële geletterdheid zijn meer scholen en leerlingen nodig, terwijl het juist de laatste jaren steeds lastiger bleek om genoeg deelnemers te werven en de vereiste ondergrens te behalen. Deze zorg wordt gedeeld door de onderzoekspartijen in het PISA-2025 consortium. Het niet behalen van genoeg respons kan betekenen dat Nederland niet of slechts deels in het internationale PISA-2029 rapport wordt meegenomen. In dit rapport wordt ook over de basisvaardigheden gerapporteerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Maatschappelijke Diensttijd kan voor jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt een mogelijkheid zijn om op een laagdrempelige manier talenten en interesses te ontdekken. Door vrijwillig iets te doen voor een ander en\u002Fof voor de samenleving komen jongeren in aanraking met nieuwe vormen van kennis, ontwikkelen jongeren sociale en communicatieve vaardigheden en probleemoplossend vermogen. Dit kan hun zelfvertrouwen vergroten en hen beter toerusten voor hun schoolloopbaan of oriëntatie naar werk.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het programmaplan Maatschappelijke Diensttijd 2026 – 2030 is daarom opgenomen dat we de koppeling tussen de Maatschappelijke Diensttijd en belangrijke onderwijsthema’s – zoals voortijdig schoolverlaten (VSV), thuiszitters, burgerschap en LOB – verder intensiveren en concretiseren en dat we daarbij aansluiten bij bestaande initiatieven, waaronder de uitvoering van de Wet van school naar duurzaam werk.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast is de Maatschappelijke Diensttijd in de regeling Regionaal programma en Doorstroompuntfunctie 2026-2029 nadrukkelijk benoemd. Scholen, het Doorstroompunt en gemeenten worden gestimuleerd in hun regionaal programma afspraken te maken over MDT als instrument dat kan bijdragen aan het voorkomen dat jongeren uitvallen of de terugkeer naar onderwijs of duurzaam werk te bevorderen. In communicatie naar uitvoerende partijen van deze wet is op diverse manieren actie ingezet. Zo is de mogelijkheid om MDT op deze wijze in te zetten langs verschillende wegen onder de aandacht van gemeenten en scholen gebracht. Hiermee is invulling gegeven aan de motie Krul (CDA) en Ceder (CU)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De motie Moorman c.s. roept op om funderend onderwijs in de verdeling van portefeuilles niet ondergeschikt te maken aan het hoger onderwijs. De gelijkwaardigheid van het belang van zowel funderend als hoger onderwijs wordt in dit kabinet zowel in financiële middelen als in het benoemen van twee bewindspersonen onderstreept. De minister en ik nemen onze verantwoordelijkheden daarbij even serieus en zetten ons met gedrevenheid, ambitie en betrokkenheid in voor beide. Daarmee beschouw ik de motie als afgedaan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>18 december 2025 is uw Kamer geïnformeerd over een verkenning naar de Leerplichtwet, schoolverzuim en strafrecht. Deze bredere verkenning heeft betrekking op alle vormen van schoolgang en schoolverzuim: reguliere schoolgang, vrijstellingen, absoluut verzuim en relatief verzuim, waaronder specifiek ook luxeverzuim. Met de verkenning zijn scenario’s voor preventie en dwangmaatregelen in kaart gebracht en getoetst. Deze scenario’s worden op dit moment verder uitgewerkt. In de verkenning hebben vanuit het Ministerie van Onderwijs en dat van Justitie en Veiligheid verschillende activiteiten plaatsgevonden, waaronder enkele (werk-)sessies met de praktijk en wetenschap, een uitvraag onder andere landen naar de vormgeving van leerplicht en handhaving en een door KBA Nijmegen uitgevoerd onderzoek naar de veranderende rol van de leerplichtambtenaar dat mede op verzoek van uw Kamer is uitgevoerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het eindrapport van dat onderzoek is te vinden in de bijlage (‘Verkenning veranderende rol leerplichtambtenaar’). Uw Kamer ontvangt voor het einde van het jaar een eindrapportage van de brede verkenning naar de handhaving van de leerplicht met daarbij enkele scenario’s die verder worden uitgewerkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoogachtend,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Judith Zs.C.M. Tielen\u003C\u002Fp>\n\u003C\u002Fdiv>","\u002Fmedia\u002Fbrieven_pdfs\u002Fsf-br-2026Z15691.pdf",[26],{"label":27,"term":19},"Antisemitisme"]