[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"$f8RhjdLipM0X5YIYV2UCaNvgVIp2VfWhS4GIvvXNaGs8":3},{"id":4,"document_id":5,"title_full":6,"title_short":7,"date_published":8,"source_url":9,"submitters":10,"is_palestine_relevant":17,"relevance_score":18,"relevance_keywords":19,"relevance_excerpt":22,"ai_summary":23,"frontend_url":24,"content_html":25,"pdf_url":26,"relevance_keyword_chips":27},184281,"sf-br-2026Z15740","Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Mededeling EU Anti-Racism Strategy 2026-2030 (Kamerstuk 22112-4285)","Antwoorden op vragen over Fiche: Mededeling EU Anti-Racism Strategy 2026-2030 (Kamerstuk 22112-4285)","2026-07-03","https:\u002F\u002Fwww.tweedekamer.nl\u002Fkamerstukken\u002Fbrieven_regering\u002Fdetail?id=2026Z15740&did=2026D35299",[11],{"person":12,"functie":15,"actor_naam":16},{"fullname":13,"slug":14},"Pieter Heerma","pieter-heerma","minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties","P.E. Heerma",true,2,[20,21],"Antisemi","NCAB","Daarbij wordt voortgebouwd op eerdere gezamenlijke acties met de Unesco ter bestrijding van racisme en \u003Cmark>antisemi\u003C\u002Fmark>tisme in het onderwijs.","De minister beantwoordt Kamervragen over het Nederlandse standpunt ten aanzien van de EU Anti-Racism Strategy 2026-2030. Het kabinet onderschrijft de aanpak van discriminatie en racisme en ziet de EU-strategie als aanvullend op bestaand Nederlands beleid, onder meer door invoering van de Wet bijstand bij discriminatie en uitbreiding van gelijkebehandelingswetgeving naar alle overheidshandelen. Het kabinet stelt zich positief op tegenover de strategie, waarbij nationale beleidsruimte behouden blijft en geen bindende verplichtingen ontstaan.","\u002Fdocumenten\u002Fbrief-regering\u002F184281-verslag-van-een-schriftelijk-overleg-over-het-fiche-mededeling-eu-anti-racism","\u003Cdiv class=\"brief-regering\">\n\u003Cp>22112\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inbreng verslag van een schriftelijk overleg\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vastgesteld 3 april 2026\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Binnen de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief inzake het kabinetsstandpunt ten aanzien van de Mededeling EU Anti-Racism Strategy 2026-2030 (Kamerstuk 22112-4285).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De voorzitter van de commissie,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kisteman\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De adjunct-griffier van de commissie,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Van der Haas\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>IVragen en opmerkingen vanuit de fracties\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>IIAntwoord \u002F reactie van de minister\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederlandse positie t.a.v. het voorstel\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Beoordeling + inzet\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe kijkt de minister naar de toegankelijkheid van het doen van meldingen van discriminatie, en wat moet er gebeuren om de meldingsbereid te vergroten? Welke kansen ziet hij voor Europees beleid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ik erken dat de toegankelijkheid van het melden van discriminatie nog beter kan en dat het vergroten van de meldingsbereidheid aandacht vraagt. Daarom werk ik aan de versterking van het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen door middel van het voorstel voor de Wet bijstand bij discriminatie, dat recentelijk openstond voor consultatie. Dit wetsvoorstel voorziet in de oprichting van een centrale organisatie die meldingen van discriminatie opneemt en opvolgt. Door deze centralisatie kunnen middelen gerichter worden ingezet en wordt een professionaliseringsslag gemaakt, zodat meldingen zorgvuldiger worden afgehandeld en melders beter worden ondersteund.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast zet ik in op het vergroten van de meldingsbereidheid door middel van brede publiekscommunicatie. Deze communicatie richt zich op het vergroten van kennis over discriminatie en Discriminatie.nl, het versterken van het vertrouwen in het nut van melden en het beter aansluiten bij de behoeften van mensen die discriminatie ervaren. Deze aanpak is gebaseerd op onderzoek uit 2024 naar effectieve gedragsveranderingsstrategieën. Een publiekscampagne, met inzet van verschillende media, maakt hier onderdeel van uit en staat gepland voor het najaar van 2026.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In Europees verband zijn de twee richtlijnen met betrekking tot normen voor gelijkebehandelingsorganen (equality bodies) van belang. De richtlijnen geven minimumnormen over onder meer bevoegdheden en onafhankelijkheid van de gelijkebehandelingsorganen. De richtlijnen zijn in 2024 in werking getreden en moeten in juni 2026 in nationale wet- en regelgeving van de lidstaten zijn geïmplementeerd. De Nederlandse wet- en regelgeving met betrekking tot het College voor de Rechten van de Mens en de antidiscriminatievoorzieningen voldoen hier al grotendeels aan. In het conceptwetsvoorstel Bijstand bij discriminatie wordt de voorgestelde landelijke antidiscriminatievoorziening ook als gelijkebehandelingsorgaan in de zin van de richtlijnen aangewezen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke lessen trekt hij uit het Nederlandse beleid rond antidiscriminatievoorzieningen en het conceptwetsvoorstel ter versterking daarvan, dat inmiddels in consultatie is gebracht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De huidige antidiscriminatievoorzieningen spelen een cruciale rol in de lokale aanpak van discriminatie. Zij staan dicht bij de samenleving en kunnen met hun expertise vaak echt het verschil maken voor iemand die discriminatie ervaart. Of het nu gaat om het geven van bijstand aan een slachtoffer van een lhbtqia+-haatmisdrijf (hate crime) of het voeren van een bemiddelingsgesprek tussen een werknemer en een werkgever, de consulenten van antidiscriminatievoorzieningen zijn in staat om op maat passende dienstverlening te leveren aan melders.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Echter, antidiscriminatievoorzieningen lopen binnen het huidige stelsel ook tegen knelpunten aan. Deze zien met name op de inrichting, het takenpakket en de financiering. Met het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie beoog ik deze knelpunten weg te nemen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden lezen dat de minister schrijft over overwegingen om tot een wetgevingsinitiatief te komen ter harmonisatie van definities van online haatmisdrijven. Zij merken in dat kader op dat de Europese Commissie heeft voorgesteld om haatmisdrijven aan te merken als ‘Eurocrime’, EU-misdrijf. Hoe beoordeelt de minister dit voorstel?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het voornemen van de Europese Commissie (de Commissie) om haatmisdrijven aan te merken als Eurocrime heeft een voorgeschiedenis. Eind 2021 publiceerde de Commissie reeds een mededeling en een voorstel voor een Raadsbesluit inzake de opname van haatzaaiende uitlatingen als strafbaar feit en haatmisdrijven in artikel 83, eerste lid, VWEU. De Commissie stelt nu dat, aangezien er geen vooruitgang ten aanzien van het voorgestelde Raadsbesluit is geboekt, overwogen wordt direct tot een wetgevingsinitiatief te komen. Hiermee zou tevens gevolg worden gegeven aan aanbevelingen van het burgerpanel over de bestrijding van haat in de samenleving. Ten aanzien van het eerdere voorstel uit 2021 heeft het toenmalige kabinet zich in een fiche aan uw Kamer uitgelaten. Echter, het voorstel voor een Raadsbesluit uit 2021 noch de nu voorliggende antiracismestrategie bevat een concreet wetgevingsvoorstel waarover ik mij reeds kan uitlaten. Ik stel me op het standpunt dat ik een wetgevingsvoorstel met belangstelling tegemoet zie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Overig\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan de minister uiteenzetten op welke manier momenteel op Europees niveau wordt ingezet op herstel van de brede doorwerking van het koloniale en slavernijverleden, bijvoorbeeld via onderwijs en cultuur?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ik verwijs de leden van de D66-fractie naar pagina 5 van de strategie, waar de Europese Commissie aandacht besteedt aan de manier waarop zij momenteel inzet op herstel van de brede doorwerking van het koloniale en slavernijverleden via onderwijs:\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>“(…) Slavernij, genociden en de Holocaust zijn ingebed in de Europese geschiedenis en hebben ingrijpende gevolgen voor de samenlevingen van vandaag, waar onderwijs en historische kennis nodig zijn om de wortels van racisme te begrijpen. De Commissie zal in 2026 een gezamenlijk project met de Unesco starten om het onderwijs tegen racisme te versterken in overeenstemming met de prioriteiten van het strategisch kader voor de Europese onderwijsruimte en de EU-strategie voor jongeren. Daarbij wordt voortgebouwd op eerdere gezamenlijke acties met de Unesco ter bestrijding van racisme en antisemitisme in het onderwijs. Het doel van het project is het bevorderen van onderwijs tegen racisme op nationaal niveau, aan de hand van de educatieve dimensie van nationale actieplannen tegen racisme en antisemitisme.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De media spelen een cruciale rol bij het vormgeven van het beeld van mensen die door racisme kunnen worden getroffen. De Commissie zal een reeks seminars organiseren over de bestrijding van racisme in de media, waaronder sociale media, waaraan journalisten, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van door racisme getroffen gemeenschappen zullen deelnemen. De Commissie zal ook een EU-brede communicatiecampagne over de Unie van gelijkheid lanceren om het publiek te betrekken bij het bevorderen van inclusie en het bestrijden van discriminatie.”\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ziet hij ruimte voor Nederland om een initiërende rol aan te nemen in het pleiten voor intensiever Europees beleid, gericht op herstel van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het expliciet erkennen van het koloniale en slavernijverleden en het verbinden daarvan aan hedendaagse ongelijkheid kan dienen als voorbeeld voor andere lidstaten, zonder dat dit direct leidt tot uniform Europees beleid, omdat historische contexten per land verschillen. Ruimte voor een initiërende rol is er. Deze ruimte ligt echter vooral in het inspireren en verbinden, niet in het opleggen van beleid. Door nationaal stevig te investeren in gemeenschapskracht en tegelijkertijd Europees het gesprek te voeren, kan Nederland geloofwaardig invulling geven aan de beoogde rol. Daarbij geldt dat ik mij met het kabinet inzet voor de bestrijding van discriminatie en racisme, onder meer door aandacht te hebben voor historische oorzaken en hun doorwerking in de huidige samenleving.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden merken tot slot op dat de Europese Anti-Discrimination Directive sinds 2008 op de plank ligt doordat enkele lidstaten in de Europese Raad het voorstel tegen lijken te houden. Deze leden zijn groot voorstander van dit voorstel, dat veel kan betekenen in de strijd tegen discriminatie. Deelt de minister de mening dat het wenselijk is dat het voorstel spoedig het daglicht ziet? Kan de minister uiteenzetten hoe hij voornemens is zich ervoor in te spannen dat het voorstel voorbij de besluitvorming van de Europese Raad komt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ik ben voorstander van dit richtlijnvoorstel en hoop op snelle aanname. De Europese Commissie was van plan om dit voorstel in te trekken, maar het Europees Parlement en een grote groep lidstaten, waaronder Nederland, heeft er succesvol voor gepleit dat dit voornemen niet wordt uitgevoerd. De blokkade in de Europese Raad is helaas echter nog overeind. Ik hoop dat de blokkerende lidstaten op korte termijn steun kunnen uitspreken voor de richtlijn. Het kabinet blijft bij deze landen om steun vragen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de VVD-fractie staan achter de insteek van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) om in te zetten op betere toepassing van bestaande regels in plaats van nieuwe bindende wetgeving. Deze leden vinden dat antiracismebeleid en -wetgeving vooral nationaal geregeld moeten worden. Tegen deze achtergrond vragen zij hoe de minister de huidige handhaving van antidiscriminatiewetgeving in Nederland beoordeelt. Waar ziet hij ruimte voor verbetering?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) fungeert in Nederland als onafhankelijk toezichthouder van de mensenrechten. Het College belicht, beschermt en bevordert de mensenrechten in Nederland. Onderdeel van de taken van het College is toezicht houden op de naleving van de gelijkebehandelingswetgeving. Het College kan daartoe op verzoek oordelen geven over individuele gevallen waarin iemand stelt gediscrimineerd te zijn. De oordelen van het College zijn niet bindend, wel gezaghebbend: zo’n 74% van de oordelen leidt tot het treffen van maatregelen aan de zijde van de verwerende partij. Het College kan daarnaast gevraagd of ongevraagd een oordeel geven over een handelwijze of het beleid van organisaties. De toegang tot het College is gratis en desgewenst kan (eveneens gratis) bijstand worden verkregen voorafgaand en tijdens de procedure door een antidiscriminatievoorziening.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De gelijkebehandelingswetgeving is op dit moment met name van toepassing op private organisaties: op werkgevers, winkels, ziekenhuizen en scholen bijvoorbeeld. Op de overheid is deze wetgeving niet van toepassing, behalve als de overheid optreedt als werkgever of in het geval van discriminatie op grond van ‘ras’ bij de toekenning van sociale voordelen (zoals bijstandsuitkeringen of toeslagen). Hier is ruimte voor verbetering. Hoewel overheidsorganisaties zich al moeten houden aan artikel 1 van de Grondwet, is het onwenselijk dat de gelijkebehandelingswetgeving maar voor een beperkt deel van het handelen van de overheid van toepassing is. En dat burgers niet terecht kunnen bij het College met een klacht over de overheid, behalve in de hierboven genoemde gevallen. Daarom heeft dit kabinet recent het voornemen kenbaar gemaakt om een wetsvoorstel in te dienen om de gelijkebehandelingswetgeving van toepassing te verklaren op al het overheidshandelen. De voorbereidingen daarvoor worden momenteel getroffen. Het streven is om het wetsvoorstel in de eerste helft van 2027 in consultatie te brengen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Verder hebben de antidiscriminatievoorzieningen een belangrijke rol bij het bevorderen van de naleving van de gelijkebehandelingswetgeving: zij kunnen advies en bijstand bieden aan mensen die zich gediscrimineerd voelen. Het huidige stelsel van antidiscriminatievoorzieningen kent enkele knelpunten ten aanzien van inrichting, takenpakket en financiering. Daarom heb ik het conceptwetsvoorstel Bijstand bij discriminatie in consultatie gebracht. Het doel van dat wetsvoorstel is om de knelpunten weg te nemen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Naast het College en de antidiscriminatievoorzieningen vervullen ook de politie, het Openbaar Ministerie en de (straf)rechtspraak een belangrijke rol in het handhaven antidiscriminatiewetgeving, wanneer het gaat om de strafrechtelijke aanpak van discriminatie. Denk bijvoorbeeld aan de vervolging en het veroordelen van verdachten voor groepsbelediging (art. 137c Sr) of het aanzetten tot haat en discriminatie (art. 137d Sr).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op grond van artikel 22 van de Wet College voor de Rechten van de Mens (WCRM) stelt het College iedere vijf jaar een rapport op van zijn bevindingen ten aanzien van de werking in de praktijk van de antidiscriminatiewetgeving. Uit de laatste evaluatie, van oktober 2023, die ziet op de periode 2017-2022, volgt dat het College geen knelpunten ziet ten aanzien van de handhaving van de antidiscriminatiewetgeving.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer discriminatie niet effectief wordt geadresseerd, kunnen voorstellen tot versterking van sancties worden gedaan, zo lezen deze leden. Zij vragen welke sancties dit (mogelijk) kunnen zijn. Ook lezen zij dat wordt overwogen om de definitie van online haatmisdrijven te harmoniseren en zij vragen hoe de minister hierin staat.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Mogelijke sancties zijn – afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval – boetes, taakstraffen, gevangenisstraffen of het moeten betalen van een schadevergoeding. Voor een overzicht van alle mogelijke sancties in Nederland (en de overige lidstaten) wordt verwezen naar het onderzoek naar sancties dat vorig jaar in opdracht van de Europese Commissie is uitgevoerd. In dat onderzoek worden onder andere de mogelijke soorten sancties in beeld gebracht. Voor een schematisch overzicht daarvan per lidstaat, verwijs ik u naar p. 52 van het onderzoek.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ten aanzien van de vraag over het voornemen van de Europese Commissie om te komen met een wetgevingsvoorstel dat onder andere ziet op de harmonisatie van de definitie van online haatmisdrijven, verwijs ik naar bovenstaand antwoord op een vraag vanuit de D66-fractie over dezelfde thematiek (p. 3).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het kader van een voorstel voor een Raadsaanbeveling voor het tegengaan van uitsluiting van kwetsbare personen op de woningmarkt, vragen de leden van de VVD-fractie in hoeverre hier in Nederland al beleid voor is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ik onderschrijf het belang dat ook kwetsbare groepen toegang hebben tot passende en betaalbare huisvesting. Hiervoor is reeds een breed palet aan wet- en regelgeving en beleidsinstrumenten beschikbaar, waarbij de Wet versterking regie volkshuisvesting een centrale rol speelt. Met deze wet wordt de regie van overheden op de volkshuisvesting versterkt, onder meer door het verplicht stellen van volkshuisvestingsprogramma’s waarin gemeenten, provincies en het Rijk afspraken maken over de realisatie van voldoende en passende woonruimte. Daarbij is expliciet aandacht voor de huisvestingsopgave van aandachtsgroepen, waaronder mensen in een kwetsbare positie op de woningmarkt. Onderdeel hiervan is ook de verplichting voor gemeenten om verplichte urgentiecategorieën (verbijzondering van de aandachtsgroepen) vast te stellen, zodat kwetsbare groepen met voorrang dienen te worden gehuisvest. Ook wordt van gemeenten verlangd dat zij onderling in de woningmarktregio komen tot een evenwichtige verdeling van deze groepen mensen, met als doel de centrumgemeenten te ontlasten en de leefbaarheid in de wijk te bevorderen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast worden via woondeals en straks met de invoering van de Wet versterking regie volkshuisvesting middels het volkshuisvestingsprogramma afspraken gemaakt, over de realisatie van betaalbare woningen en de evenwichtige huisvesting van aandachtsgroepen binnen woningbouwregio’s, met als doel een evenredige verdeling te bevorderen en concentratie van kwetsbare groepen te voorkomen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tot slot wordt steeds sterker ingezet op een integrale benadering van wonen, zorg en ondersteuning, zodat ook mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag passend kunnen wonen in de wijk. Dit sluit aan bij de bredere inzet op leefbaarheid en inclusieve buurten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gezamenlijk vormt dit een samenhangend beleidskader dat gericht is op het tegengaan van uitsluiting op de woningmarkt en het bevorderen van gelijke toegang tot passende huisvesting voor kwetsbare groepen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met betrekking tot de arbeidsmarkt onderschrijven de leden van de VVD-fractie het belang van een divers personeelsbestand en gelijke kansen op de arbeidsmarkt. In hoeverre is er binnen de Europese samenwerking aandacht voor het tegengaan van concrete vormen van arbeidsdiscriminatie, zoals zwangerschapsdiscriminatie? Wanneer wordt verwacht dat de concrete maatregelen voor de plannen (Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024-2030, Plan van Aanpak online discriminatie en Versterkte aanpak veiligheid LHBTIQ+) rond zijn?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Binnen de EU zijn er diverse diversiteitshandvesten (Diversity Charters) actief die zich inzetten voor meer inclusie en diversiteit op de werkvloer. SER Diversiteit in Bedrijf voert de Nederlandse Charter Diversiteit uit. Dit charter maakt deel uit van het EU-platform van diversiteitshandvesten (EU Platform of Diversity Charters), waarin 27 Charters kennis en ervaring uitwisselen op het gebied van diversiteit en inclusie, en het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie. Elk Charter opereert op nationaal niveau en is afgestemd op de specifieke behoeften en uitdagingen van het eigen land. Tegelijkertijd zijn ze verbonden met het Europese diversiteitshandvest (EU Diversity Charter), dat streeft naar een inclusiever en diverser Europa. Daarnaast wordt er gewerkt aan de EU Gendergelijkheidsstrategie (Gender Equality Strategy 2026-2030), waarin ook expliciete aandacht is voor gelijke beloning.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Strategie Bestrijding Antisemitisme bevat geen maatregelen op het gebied van een divers personeelsbestand en gelijke kansen op de arbeidsmarkt. De enige maatregel tot dusver die betrekking heeft op de arbeidsmarkt zijn de handleidingen voor werkgevers die advies geven over omgang met polarisatie op de werkvloer. Het kabinet heeft op 10 april 2026 een voortgangsrapportage aan uw Kamer verstuurd over de uitvoering van de maatregelen die zijn opgenomen in de Strategie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aan het Plan van aanpak tegen online discriminatie wordt reeds uitvoering gegeven. Zo wordt onder meer ondersteuning geboden aan trainingen voor organisaties om beter om te leren gaan met online haat. Daarnaast start deze zomer de eerste hybride landelijke dialoog over sociale normen rondom online discriminatie. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een online platform waar mensen kunnen meepraten en zullen gesprekken plaatsvinden op fysieke locaties verspreid door het land.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Kamerbrief over de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid 2026-2029 is eind vorig jaar verschenen. In deze brief staan de maatregelen voor het jaar 2026. Deze maatregelen worden momenteel uitgevoerd. Op dit moment wordt gewerkt aan de plannen voor de jaren 2027 tot en met 2029. In de voortgangsrapportage die in het vierde kwartaal van dit jaar verschijnt, wordt ingegaan op de maatregelen voor 2027 en (deels) 2028 en 2029.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de VVD-fractie lezen dat onderwijs, kunst en cultuur volgens de minister een belangrijke bevorderende rol kunnen spelen in het verstevigen van sociale gelijkheid. Deze leden vragen de minister om nader toe te lichten wat deze rol volgens hem concreet inhoudt en welke taken en verantwoordelijkheden de minister daarbij ziet voor onderwijsinstellingen en culturele organisaties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet ziet voor onderwijs, kunst en cultuur een rol om mensen dichter bij elkaar te brengen. Door mensen met elkaar in contact te brengen, het gesprek aan te gaan met verschillende groepen met verschillende perspectieven, een podium te geven aan stemmen die in het debat vaak worden genegeerd en door elkaars kennis te vergroten over uiteenlopende perspectieven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een onderwijsinstelling is bij uitstek de plek waar scholieren en studenten leren om het gesprek te voeren met elkaar en respect te hebben voor verschillende standpunten en perspectieven. Cultuur is een goed middel om met elkaar in gesprek te gaan, om ruimte te maken voor reflectie en dialoog.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de VVD-fractie vinden het goed dat de minister het belang van geharmoniseerde definities in het online domein benadrukt en vragen naar de status van de uitvoering van de motie-Michon-Derkzen (Kamerstuk 29754, nr. 758). Wat is al gedaan en wat moet er nog gebeuren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de motie-Michon-Derkzen wordt de regering verzocht om tot een werkbare definitie van extremistische content te komen. Op dit moment wordt door de minister van Justitie en Veiligheid gevolg aan de motie gegeven. De gevoerde gesprekken met relevante ketenpartners hebben het beeld bevestigd dat er een brede behoefte is aan verduidelijking ten aanzien van de afbakening van ‘extremistische content’, maar dat er ook aanzienlijke uitdagingen zijn om tot een eenduidige, werkbare definitie te kunnen komen op zowel nationaal als Europees niveau. Het gesprek met relevante ketenpartners krijgt verder vervolg.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook op Europees niveau spant de minister van Justitie en Veiligheid zich in om een werkbare definitie van extremistische content als onderwerp op de Europese agenda te plaatsen. Dit zal hij onder de aandacht van de Europese Commissie brengen. Eind 2026 zal uw Kamer geïnformeerd worden over de opbrengst van deze verkenning middels de voortgangsbrief over de Versterkte Aanpak Online.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de VVD-fractie lezen dat de Commissie onderzoek wil doen naar de rol van sociale media in het vormen van de houding van jongeren. Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot nieuwe beleidslijnen of aanvullende regelgeving, in plaats van tot concrete verbetering in de aanpak van online discriminatie. Zij vragen daarbij hoe wordt ingezet op effectieve handhaving en het aanspreken van platforms op hun verantwoordelijkheid, en welke concrete resultaten dit tot nu toe heeft opgeleverd. Hoe beoordeelt de minister de effectiviteit van de Digitaledienstenverordening (DSA)?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals ook benoemd in het BNC-fiche, is het voor het kabinet belangrijk dat onderzoek vanuit de Europese Commissie aanvullend is op bestaande beleidslijnen en regelgeving. Het kabinet ziet het onderzoek als een welkome toevoeging aan de kennis over de houding van jongeren ten aanzien van sociale media. Het uitvoeren van bestaand Nederlands beleid, zoals het Plan van aanpak tegen online discriminatie en het beschermen van digitale kinderrechten, blijft leidend. Het kabinet zal altijd kritisch beoordelen of aanvullend beleid en regelgeving noodzakelijk is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor effectieve handhaving en het aanspreken van platforms op hun verantwoordelijkheden zijn allereerst de toezichthouders aan zet. Het kabinet werkt nauw samen met de Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt om de uitvoering en naleving van de DSA zo goed mogelijk te laten verlopen. Daarbij vertrouwt het kabinet op de toezichthouders in hun onafhankelijke roluitoefening en ondersteunt het kabinet waar mogelijk. Tot nu toe heeft de Europese Commissie meerdere onderzoeken lopen naar overtredingen van de DSA door grote platformen en heeft zij ook al boetes uitgedeeld. De (effectiviteit van de) DSA en de Uitvoeringswet DSA worden in 2027 geëvalueerd. Daaruit moet blijken of de wetgeving voldoende effectief is en of aanpassingen wenselijk zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tot slot lezen deze leden over vrijwillige gedragscodes. Zij vragen de minister wat de verwachting is met betrekking tot de effectiviteit van deze gedragscodes als deze vrijwillig zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoewel het naleven van de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online+ vrijwillig is, verbinden de ondertekenaars zich aan de afspraken die daarin worden gemaakt. Op grond van artikel 45 van de DSA kunnen de Europese Commissie en de dienstenraad hen op die naleving aanspreken. Het vergemakkelijkt de naleving en de doeltreffende handhaving van de DSA.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat op alle terreinen die de EU-antiracismestrategie 2026–2030 beslaat reeds beleidsinzet plaatsvindt op het gebied van preventie, signalering, monitoring en sanctionering ten aanzien van verschillende discriminatiegronden. Kan worden voorzien in een precies overzicht per afzonderlijke Commissieaanbeveling welk(e) preventieve en\u002Fof repressieve doel(en) de minister zich stelt, waaruit de beleidsinzet concreet bestaat en op welke termijn de inzet gerealiseerd dient te zijn?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het voert te ver om hier een uitputtend overzicht per afzonderlijke Commissieaanbeveling uiteen te zetten. Met de tekst in het BNC-fiche wordt bedoeld dat er vanuit Nederland breed aandacht is voor discriminatieaanpak en dat deze verschillende beleidsterreinen bestrijkt. Dit is vervat in het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme (Nationaal Programma) uit 2022 en 2023 en in de denkrichtingen voor een Nationaal Programma met meerjarenagenda die in december 2025 aan uw Kamer zijn verzonden. Het kabinet bekijkt momenteel hoe vormgegeven kan worden aan een nieuw overkoepelend programma dat onder meer inzicht biedt in de brede aanpak van discriminatie. Daarnaast zijn er de eveneens in het BNC-fiche genoemde programma’s op specifieke onderwerpen, zoals de Versterkte aanpak veiligheid LHBTIQ+, het Actieplan arbeidsmarktdiscriminatie of het Plan van aanpak tegen online discriminatie. De Groenlinks-PvdA-fractieleden worden dan ook verwezen naar het Nationaal Programma en deze specifieke programma’s voor een integraal overzicht van de rijksbrede aanpak.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Commissie vraagt aandacht voor structurele vormen van discriminatie en online discriminatie. Daarnaast wordt er aandacht gevraagd voor specifieke vormen van discriminatie, zoals moslimdiscriminatie, antizwartracisme, antisemitisme en antiziganisme. Voor deze specifieke groepen richt de preventieve aanpak zich vooral op kennisopbouw over deze specifieke vormen van discriminatie via onderzoek naar triggerfactoren en de doorwerking van het (koloniaal) verleden in vooroordelen en maatschappelijke verhoudingen in het heden. Betrokkenheid en dialoog met de verschillende gemeenschappen is hierbij ook een belangrijk instrument om signalen op te halen. Door de mechanismen van deze specifieke vormen beter te begrijpen, kan de inzet (op verschillende domeinen) op het tegengaan van vooroordelen en uitsluiting versterkt worden, en kan hier meer maatschappelijk bewustzijn over ontstaan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ten aanzien van het versterken van de sociale gelijkheid en cohesie, en het uitbouwen van belangrijke partnerschappen zijn deze leden benieuwd met welke maatschappelijke partners al dan niet structureel samengewerkt wordt. Zijn er, alles overziend, hiaten in de aanpak te ontwaren in de Nederlandse aanpak?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In algemene zin wordt met enige regelmaat samengewerkt met partners uit het maatschappelijk middenveld. Daarbij zijn geen hiaten te ontwaren in onze aanpak.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op het gebied van moslimdiscriminatie, antisemitisme en antiziganisme zijn er bijvoorbeeld regelmatig overleggen met vertegenwoordigers vanuit de betreffende gemeenschappen. Op het gebied van de aanpak van antizwartracisme wordt samengewerkt met organisaties vanuit, c.q. gelieerd aan, gemeenschappen van Afrikaanse afkomst in Nederland. Op het gebied van het (hoger) onderwijs wordt bijvoorbeeld samengewerkt met organisaties als Moslim Studenten Associatie (MSA), Universiteiten Nederland (UNL), Vereniging Hogescholen (VH), Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb). Ook is het Intersectioneel Netwerk Co-creatie (INC) opgericht. INC is erop gericht om adviezen op te halen bĳ experts op het gebied van discriminatie en racisme in het onderwĳs, de wetenschap, de media en de kunst, en de cultuursector. Verder wordt ook warm contact onderhouden met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR), die op hun beurt allebei waardevolle connecties met talloze maatschappelijke partners onderhouden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden zijn benieuwd hoe in EU-verband zal worden samengewerkt in het bieden van een optimaal beschermingsniveau tegen racisme, discriminatie, antisemitisme en antiziganisme en hoe verzekerd wordt dat individuele EU-lidstaten elkaars goede voorbeelden kunnen overnemen. Hoe wordt met het oog hierop de voortgang van de implementatie van deze strategie gemonitord en gestimuleerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Commissie kent diverse werkgroepen met betrekking tot de aanpak van discriminatie, waarin alle lidstaten zijn vertegenwoordigd. Een van deze werkgroepen is de NAPAR working group. In deze werkgroep komen lidstaten twee keer per jaar bij elkaar om hun implementatie van het EU Anti-Racism Action Plan 2020-2025 (en inmiddels ook) van de EU Anti Racism Strategy 2026-2030 te bespreken. Lidstaten delen in deze werkgroep good en best practices met elkaar en presenteren hun nationale actieplannen\u002Fprogramma’s. Op deze wijze leren lidstaten van elkaars goede voorbeelden en inspireren zij elkaar. Tegelijkertijd wordt door regelmatig bij elkaar te komen ook gemonitord hoever de verschillende lidstaten zijn met hun implementatie. Lidstaten die achterlopen met de implementatie worden gestimuleerd om dat alsnog te doen en worden waar nodig ondersteund door de Commissie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche en hebben daarbij enkele vragen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie geloven dat, naast een taak voor overheden, ook voor de samenleving een grote rol en verantwoordelijkheid is weggelegd om racisme te bestrijden. Deze leden vragen in hoeverre dit terugkomt in de bestaande en voorgenomen Europese inzet ten aanzien van racismebestrijding.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dat er ook voor de samenleving een grote rol en verantwoordelijkheid is weggelegd om racisme te bestrijden, wordt ook op Europees niveau erkend. Zo zal de Commissie bijvoorbeeld een reeks seminars organiseren over de bestrijding van racisme in de media, waaronder sociale media, waaraan journalisten, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van door racisme getroffen gemeenschappen zullen deelnemen. Ook zal de Commissie een EU-brede communicatiecampagne over de Unie van Gelijkheid lanceren om het publiek te betrekken bij het bevorderen van inclusie en het bestrijden van discriminatie. Verder benadrukt de Commissie het belang van een maatschappijbrede aanpak en de actieve betrokkenheid en samenwerking van alle belanghebbenden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie constateren dat veel van de door de Commissie aangedragen handvatten goed aansluiten bij bestaande Nederlandse beleidsinzet. Deze leden vragen wat precies het verschil is tussen het huidige Nederlandse beleid en hetgeen dat voortkomt uit deze EU-strategie. Tevens zijn zij benieuwd of de minister verwacht dat hij nadere stappen zal moeten zetten naar aanleiding van de mededeling en, zo ja, welke dat zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Nederlandse beleid is vormgegeven door de verschillende betrokken departementen, in samenwerking met de NCDR, die hiervoor ook inbreng vanuit de samenleving heeft opgehaald. Het is daarmee gericht op de Nederlandse context. Momenteel wordt door het kabinet bezien hoe vervolg gaat worden gegeven aan de rijksbrede inzet en hoe de aanbevelingen van de Commissie daar een versterkende rol in kunnen hebben. De EU-strategie is als zodanig supplementair aan de Nederlandse aanpak.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ik kan nu nog niet inschatten welke nadere stappen gezet zullen moeten worden naar aanleiding van de mededeling. Zoals in het BNC-fiche echter al is uiteengezet, bestaat reeds beleidsinzet op alle beleidsterreinen die de strategie beslaat. De verwachting is dan ook dat er geen grote stappen enkel en alleen naar aanleiding van de EU-strategie gezet zullen worden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie hebben behoefte aan een nadere specificatie van de bevoegdheid van de EU ten aanzien van het voorstel. Deze leden begrijpen dat discriminatie steeds vaker plaatsvindt op online platforms en dat Europese samenwerking noodzakelijk is om dat effectief aan te pakken. Zij constateren daarnaast ook dat er in de mededeling geen regelgeving aangekondigd wordt. Zij vragen waar wat de minister betreft de grens van de bevoegdheid van de EU ligt op dit onderwerp.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het BNC-fiche is reeds een paragraaf gewijd aan de bevoegdheid van de EU ten aanzien van deze specifieke mededeling. Waar de grens ligt in algemene zin, moet per geval beoordeeld worden. De Commissie gaat naar het oordeel van het kabinet haar bevoegdheid met deze strategie niet te buiten. De Commissie benut reeds bestaande bevoegdheden door te focussen op juiste en tijdige implementatie. Bovendien wil de Commissie lidstaten verder ondersteunen met behulp van aanbevelingen en door het faciliteren van kennisuitwisseling. De grondhouding van het kabinet hiertegenover is positief. Als er bij het uitvoeren van de strategie wel sprake is van het uitbreiden van bevoegdheden, dan zal ik per geval beoordelen of harmonisatie nodig en wenselijk is. Daarbij is de grondhouding van het kabinet, zoals gezegd, dat optreden op EU-niveau in beginsel wenselijk is gelet op het grensoverschrijdende karakter.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Algemeen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de JA21-fractie vragen waarom de minister in het fiche in overwegend positieve termen spreekt over deze strategie, terwijl het hier gaat om een nieuwe poging van de Commissie om via zachte sturing invloed uit te oefenen op typisch nationale beleidsterreinen zoals onderwijs, zorg, huisvesting, sport en cultuur.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het geschetste beeld van JA21 herkent het kabinet niet. De aanpak van alle vormen van discriminatie en racisme, ook online, is een prioriteit voor het kabinet. Het kabinet verwelkomt daarom de aanvullende EU-strategie op dit gebied, waarbij op alle terreinen die de strategie beslaat, reeds Nederlandse beleidsinzet plaatsvindt. Met deze antiracismestrategie draagt de EU opnieuw een antiracismenorm uit, wat waardevol is voor lidstaten en andere actoren op het gebied van discriminatiebestrijding. De bestrijding van discriminatie in al haar vormen is een grote en urgente opgave, die constante aandacht vraagt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden lezen dat de strategie formeel niet bindend is, maar dat tegelijk sprake kan zijn van indirecte beleidsdruk en feitelijke EU-sturing. Zij vragen hoe de minister enerzijds kan benadrukken dat de strategie niet bindend is, maar anderzijds accepteert dat de Commissie via monitoring, vergelijking tussen lidstaten en nationale actieplannen alsnog druk kan opbouwen om nationaal beleid te wijzigen. Is dit niet precies de bekende methode van eerst soft law en daarna hard law? Zij vragen voorts of de minister kan bevestigen dat de voorliggende antiracismestrategie niet mag leiden tot nieuwe bevoegdheden voor de Commissie, noch direct, noch indirect via monitoring, richtsnoeren, benchmarks of subsidievoorwaarden. Zij vragen daarnaast of de minister erkent dat een strategie die officieel niet bindend is, maar wel de opmaat kan vormen naar strengere sancties, aangescherpte slachtofferrechten, harmonisatie van definities en eventuele nieuwe wetgeving, in feite functioneert als een politiek voorportaal voor verdere bevoegdheidsuitbreiding.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Commissie kan deze mededeling van een strategie uitvaardigen uit hoofde van haar rol als hoedster van de Verdragen, zoals bedoeld in artikel 17 VEU. Zij handelt hierin binnen de haar gegeven bevoegdheden. Het betreft hier ook geen concrete regelgeving. Met deze mededeling wil de Commissie een strategie uitrollen die zich richt op het bestrijden van racisme in de EU. Daartoe doet zij diverse aanbevelingen voor de lidstaten als wel concrete stappen voor de Commissie zelf. Zij laat daarbij ruimte aan de lidstaten voor eigen taken, verantwoordelijkheden en beleidskeuzes.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wel verwijst de Commissie in de aangekondigde strategie naar reeds aangenomen wetsvoorstellen, evenals naar aankomende wetsevaluaties en mogelijke toekomstige initiatieven die zij overweegt. Het kabinet volgt nieuwe voorstellen consequent en met aandacht, en onderwerpt deze aan een zorgvuldige bestudering. Daarbij geldt als uitgangspunt dat elk voorstel afzonderlijk wordt beoordeeld op subsidiariteit en proportionaliteit, waarbij tevens telkens wordt bezien of nieuwe voorstellen passen binnen het bestaande EU-verdragsrechtelijke kader van bevoegdheden en competenties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarbij staat het kabinet, zoals aangegeven in BNC-fiche, reeds positief tegenover de meeste aanbevelingen. Zo vindt het kabinet de Europese aandacht voor haatmisdrijven (hate crimes) bijvoorbeeld positief. Het kabinet ziet het te verwachten Commissierapport over de Rasrichtlijn met belangstelling tegemoet, evenals de overwegingen om tot een wetgevingsinitiatief te komen ter harmonisatie van definities van online haatmisdrijven. Daarmee benadrukt het kabinet het belang van geharmoniseerde definities in het online domein, hetgeen tevens tot uitdrukking komt in de inzet om, conform de motie van het lid Michon-Derkzen, te komen tot een werkbare definitie van online extremistische content in Europees verband.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Institutioneel en structureel racisme\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de JA21-fractie vragen of de minister erkent dat begrippen als institutioneel racisme, structureel racisme en intersectionaliteit geen neutrale juridische begrippen zijn, maar sterk ideologisch geladen concepten uit een activistisch politiek kader. Deze leden vragen waarom Nederland zou moeten meebewegen in pogingen om dergelijke begrippen beleidsmatig te verankeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals in het BNC-fiche aangegeven, prijst het kabinet de aandacht van de Commissie voor structurele vormen van racisme, alsook de aandacht voor intersectionaliteit. Dit sluit aan op het Nederlandse beleid, zoals ook opgenomen in eerdere Kamerbrieven, bijvoorbeeld over de aanpak van institutionele discriminatie en de Nationale Programma’s tegen Discriminatie en Racisme. Het kabinet beschouwt deze begrippen niet als ideologisch geladen concepten, maar als aanduidingen van feitelijke en wetenschappelijk veelvuldig beschreven vormen van discriminatie. Ook de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme wijst op het bestaan van deze vormen van discriminatie in haar eindrapport Discriminatie doorbreken van 8 juni jl.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden vragen de minister ronduit of hij bereid is zich te verzetten tegen elke gezamenlijke Europese definitie van institutioneel of structureel racisme. Acht de minister het aanvaardbaar dat de Commissie via zulke definities impliciet een politiek oordeel velt over nationale instituties, uitvoeringsorganisaties en overheidsbeleid in lidstaten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In haar antiracismestrategie stelt de Commissie voor om de ontwikkeling van een werkdefinitie van structureel racisme door de lidstaten te faciliteren. Nederland maakt deel uit van de deskundigengroep die nadenkt over deze werkdefinitie. Aandacht voor de aanpak van structureel racisme lijkt mij een belangrijke stap en ik zie geen reden tot zorgen. Bovendien sluit dit ook aan op het onderzoek van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme in haar derde voortgangsrapportage Keer op keer, waarin wordt geconcludeerd dat cumulatieve discriminatie in vergelijking met andere Europese landen in Nederland vaker voorkomt. In de strategie wordt geen voorstel gedaan om een gezamenlijke Europese definitie voor institutioneel racisme op te stellen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zij vragen tevens of de minister erkent dat hier niet slechts sprake is van discriminatiebestrijding, maar van een veel bredere ideologische agenda waarin diversiteit, inclusie, bewustwordingscampagnes, gedragsbeïnvloeding en ideologische sturing steeds vaker in beleidsvorm worden gegoten. Waarom kiest de minister er niet voor deze agenda explicieter af te wijzen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het BNC-fiche is het standpunt van het kabinet ten aanzien van de strategie opgenomen. Zoals hierboven ook al aangegeven, is de aanpak van alle vormen van discriminatie en racisme, een prioriteit voor het kabinet. Ik verwelkom daarom de aanvullende EU-strategie op dit gebied. Ik steun het doel van racismebestrijding en het creëren van een ‘Unie van Gelijkheid’, waarin verschillende gelijkheidsstrategieën samenhangen. Dit sluit aan bij onze nationale inzet op het terrein van discriminatiebestrijding.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nationale beleidsruimte en actieplannen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de JA21-fractie vragen of de minister kan toezeggen dat Nederland zich zal verzetten tegen iedere koppeling tussen nationale actieplannen en Europese monitoring, ranking, rapportages of financiële voorwaarden. Waarom zou Nederland zich langs een Europese meetlat moeten laten leggen op een terrein dat primair nationaal is?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden vragen daarnaast hoe de minister aankijkt tegen nationale actieplannen als instrument, nu uit de stukken blijkt dat deze in de praktijk kunnen uitgroeien tot een middel voor indirecte sturing door de Commissie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zij vragen verder of de minister bereid is in Brussel expliciet uit te dragen dat Nederland geen voorstander is van Europese aansturing van nationaal diversiteits-, inclusie- en antidiscriminatiebeleid en geen behoefte heeft aan een Unie van Gelijkheid als politiek project wanneer dat in de praktijk neerkomt op ideologische uniformering, bemoeizucht en beperking van het vrije debat.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uit de vragen van de JA21-fractie spreekt de vrees voor inhoudelijke sturing vanuit Europa op de nationale aanpak van discriminatie. Ik kan deze vrees wegnemen door erop te wijzen dat de antiracismestrategie geen bindend instrument is. Evenmin geeft de strategie enige opdracht tot het ontwikkelen van nationaal beleid. Er is geenszins sprake van enige vorm van Europese aansturing op inhoud. De strategie laat lidstaten de ruimte om in hun nationale programma’s\u002Factieplannen eigen (beleids)keuzes te maken, zonder dat dit in enige vorm van rangschikking resulteert.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de JA21-fractie constateren dat de Commissie inzet op verdere aandacht voor online hate speech, hate crime en harmonisatie van definities van online hate crime. Deze leden vragen of de minister helder uiteen kan zetten waarom Nederland zich niet zou moeten laten meeslepen in een model waarin steeds vagere en verder oprekbare begrippen worden gebruikt om uitingen strafrechtelijk of bestuurlijk te problematiseren. Zij vragen de minister expliciet of hij bereid is zich te verzetten tegen Europese harmonisatie van definities van hate speech en hate crime, juist omdat zulke begrippen in de praktijk elastisch en politiek rekbaar blijken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ten aanzien van de vragen over de verdere aandacht voor online hate speech, hate crime en harmonisatie van definities van online hate crime, verwijs ik naar bovenstaand antwoord op een vraag vanuit de D66-fractie over dezelfde thematiek.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan de minister bevestigen dat scherpe, confronterende of impopulaire politieke meningsuiting in een vrije samenleving beschermd moet blijven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja. Het recht op vrijheid van meningsuiting biedt ook bescherming voor uitingen die scherp, confronterend of impopulair zijn. Het recht op vrijheid van meningsuiting is echter niet onbegrensd. Bepaalde uitingen zijn strafbaar gesteld, zoals ook uitingen die aanzetten tot haat of discriminatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zij wijzen erop dat in het Verenigd Koninkrijk het debat over non-crime hate incidents heeft laten zien hoe snel zulke categorieën kunnen uitlopen op politiële registratie van niet-strafbare uitingen, met zorgen over een chilling effect op de vrijheid van meningsuiting en mogelijke gevolgen bij screenings en antecedentenchecks. Zij vragen of de minister kan bevestigen dat Nederland die kant niet op moet willen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor een effectieve aanpak van discriminatie is het van belang om te beschikken over goede cijfers. Daarom worden ook in Nederland discriminatiecijfers bijgehouden, door zowel de politie als door andere instanties met een wettelijke of officiële taak, zoals de gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, Meld.Online Discriminatie, het College voor de Rechten van de Mens, de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman. Het gaat daarbij zowel om discriminatie als strafbaar feit als om overige vormen van discriminatie. Op 15 april jl. zijn de cijfers over 2025 aan uw Kamer aangeboden. Met de leden van de JA21-fractie ben ik het in algemene zin eens dat we met elkaar scherp moeten blijven op een mogelijk chilling effect op de uitingsvrijheid, maar ik merk hier graag nog eens op dat in beginsel alle vormen van discriminatie verboden zijn, strafbaar of niet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zij vragen hoe het de minister voorkomt dat onder verwijzing naar online haat ook legale meningsuiting, religiekritiek, systeemkritiek, migratiekritiek, satire en andere scherpe politieke uitingen steeds verder uit het publieke debat worden gedrukt via platformbeleid, gedragscodes en druk vanuit de Commissie. Acht de minister dit risico reëel, mede gezien de nadruk in de stukken op DSA-handhaving, vrijwillige gedragscodes en de aanpak van schadelijke maar legale content?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet spant zich in om online haat, waaronder online discriminatie, tegen te gaan. Voor een vrije democratie is het van essentieel belang dat ruimte is voor uitingen, ook als die kritisch zijn. Religiekritiek, systeemkritiek, migratiekritiek, satire en andere scherpe politieke uitingen vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Opgemerkt moet worden dat deze uitingsvrijheid niet onbegrensd is. Haatzaaien, ook online, is ook op dit moment al strafbaar. Het is dus van belang om scherp te zijn op het onderscheid tussen of juist het samenvallen van kritiek uiten en strafbaar haatzaaien. De DSA bevat regels waarbij een balans is gevonden tussen enerzijds het tegengaan van illegale content en anderzijds het beschermen van de vrijheid van meningsuiting. Het bevat bijvoorbeeld naast verplichtingen voor platformbedrijven ook mogelijkheden om moderatiebeslissingen aan te vechten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zij vragen bovendien of de minister erkent dat opvattingen over vrijheid van meningsuiting, religiekritiek, systeemkritiek, satire, discriminatie en racisme in belangrijke mate cultureel, historisch en juridisch bepaald zijn en daarom sterk verschillen tussen de lidstaten. Juist daarom vragen zij of vergaande Europese harmonisatie van begrippen als hate speech, hate crime, structureel racisme en institutioneel racisme niet onwenselijk is. Zij vragen zich verder af of de EU, als zij diversiteit werkelijk serieus neemt, dan niet juist zou moeten erkennen dat deze verschillen tussen lidstaten bestaan en gerespecteerd moeten worden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het EU-verdrag is een uniform kader neergelegd van waarden die de lidstaten moeten eerbiedigen. Het gaat om de eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren (artikel 2 VEU). Naast verschillen kan er ook overeenstemming bestaan tussen de lidstaten over wat kwalificeert als haatspraak. Het is dus niet per definitie onwenselijk om de definitie van haatmisdrijven verder te harmoniseren. Het kabinet stelt zich op het standpunt dat het een wetgevingsvoorstel met belangstelling tegemoet ziet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Digitalisering, toezicht en gelijkheidsgegevens\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de JA21-fractie vragen hoe de minister waarborgt dat de DSA, de AI-verordening en antidiscriminatieregels niet samen een Europees censuur- en toezichtcomplex gaan vormen, waarin platforms, algoritmen en gebruikers steeds intensiever worden gemonitord op politiek en maatschappelijk gevoelige uitingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de leden van de JA21-fractie deel ik het belang van vrij maatschappelijk debat, ook online. In algemene zin moet daarom terughoudend worden omgegaan met monitoring van de online omgeving. In de regelgeving zitten dan ook waarborgen om de vrijheid van meningsuiting online te beschermen. Zo is bijvoorbeeld in de DSA expliciet geregeld dat er geen verplichting bestaat tot monitoring van de diensten op zoek naar illegale inhoud. Tegelijk hecht ik eraan te benadrukken dat discriminatie onacceptabel is, ook online. Discriminatie op welke grond dan ook is niet toegestaan. Het is niet slechts een gevoelige uiting, zoals de leden van de JA21-fractie lijken te suggereren, het is een illegale uiting. Met het Plan van aanpak tegen online discriminatie spant het kabinet zich om online discriminatie tegen te gaan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden vragen verder hoe de minister aankijkt tegen de ontwikkeling van gelijkheidsgegevens, monitoringinstrumenten en vergelijkende rapportages. Welke waarborgen ziet de minister tegen een steeds verdergaande bureaucratische classificatie van burgers, groepen en instellingen langs identitaire lijnen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onder gelijkheidsgegevens (equality data) worden gegevens begrepen die de overheid kan verzamelen om de mogelijk discriminatoire gevolgen van beleid in kaart te brengen, om beleidsdoelen op te stellen of om gevoerd antidiscriminatiebeleid te evalueren. In een recent advies van 16 maart 2026 doet de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme aanbevelingen om het vergaren en gebruiken van gelijkheidsgegevens wettelijk te verankeren. Op dit moment wordt niet op systematische wijze gelijkheidsgegevens verzameld. Een uitgebreide inhoudelijke reactie op dit advies zal het kabinet meenemen in de reactie op het eindrapport van de Staatscommissie, dat is gepubliceerd op 8 juni 2026.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het BNC-fiche geeft het kabinet wel al aan dat het eventuele Europese richtsnoeren voor het verzamelen van gelijkheidsgegevens verwelkomt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de leden van de JA21-fractie deel ik het belang van privacywaarborgen bij de verzameling en het gebruik van deze gegevens. De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is van toepassing op dataverzameling. Daarnaast zal ik in de EU aandacht vragen voor concrete waarborgen op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens van burgers bij het verzamelen van equality data.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zij vragen daarnaast of de minister wil voorkomen dat de EU lidstaten richting steeds meer dataverzameling en categorisering duwt in het kader van diversiteits- en inclusiebeleid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De staatscommissie heeft in haar rapportage gewezen op de voordelen van het verzamelen van gelijkheidsgegevens. Het verzamelen van equality data is op dit moment geen standaard werkwijze. Daar kleven ook praktische en formele bezwaren aan, onder meer gelet op de privacy van burgers. In het BNC-fiche geeft het kabinet aan dat het eventuele Europese richtsnoeren die kunnen helpen deze bezwaren weg te nemen, verwelkomt. Het kabinet merkt wel op dat kostbare enquêtes voor bedrijven en burgers zoveel mogelijk moeten worden vermeden. De voorkeur is om aan te sluiten bij bestaande monitoringskaders.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Financiering en indirecte druk\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de JA21-fractie constateren dat de voorliggende strategie nadrukkelijk de link legt met financieringsinstrumenten zoals het Citizens, Equality, Rights and Values-programma (CERV) en dat in het fiche zelfs wordt genoemd dat EU-financiering afhankelijker kan worden gemaakt van de bescherming van grondrechten door lidstaten. Deze leden vragen of de minister het aanvaardbaar acht dat de EU via subsidierelaties en begrotingsdruk ideologische beleidsvoorkeuren afdwingt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zij vragen tevens of de minister bereid is zich principieel te verzetten tegen het conditioneren van Europese middelen aan antiracisme- of inclusiebeleid volgens Brusselse definities.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet staat, zoals gecommuniceerd aan de Kamer, positief tegenover het voorstel van de Commissie voor het programma AgoraEU, met daarin het onderdeel CERV+ (Citizens, Equality, Rights and Values), dat het bestaande CERV-programma opvolgt. Het CERV+-programma heeft tot doel maatschappelijke organisaties en projecten in brede zin te ondersteunen die, vanuit uiteenlopende doelstellingen en benaderingen, bijdragen aan de bescherming en bevordering van fundamentele rechten, gelijkheid, ondersteuning van slachtsoffers van geweld, democratische participatie en de rechtsstaat. Daartoe worden aan de hand van uiteenlopende thema’s financieringsaanvragen mogelijk gemaakt. Zo draagt het wezenlijk bij aan de strategie voor het versterken en beschermen van het maatschappelijk middenveld. Gelet op de geconstateerde druk op Europese waarden en verminderde politieke en financiële steun aan maatschappelijke organisaties, onderstreept het kabinet het belang van het voortzetten van directe financiering vanuit de EU.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Lidstaten maken als zodanig dus geen gebruik van de financiering of dienen daar verantwoording over af te leggen. Het zijn uiteenlopende actoren (maatschappelijke organisaties, verschillende sectoren en eventueel regionale en lokale overheden) die zich aanmelden voor subsidies binnen het programma, en daarnaast de Europese Commissie, om in lijn met bestaande en gezamenlijk overeengekomen Europese regelgeving, fundamentele waarden en in het voorstel aangegeven kaders, verantwoording af te leggen over de gebruikte en uitgekeerde middelen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Impact assessment en rode lijnen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de JA21-fractie vragen waarom voor deze strategie geen impact assessment is opgesteld, terwijl de stukken zelf wijzen op mogelijke gevolgen voor wetgeving, handhaving, uitvoeringslasten, monitoring, gegevensverzameling en financieringsvoorwaarden. Moet juist het ontbreken van zo’n impact assessment de minister er niet toe brengen zich extra terughoudend en kritisch op te stellen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet blijft zich ervoor inzetten dat de Commissie de mogelijke gevolgen van haar voorstellen middels een deugdelijke effectbeoordeling in kaart brengt. De Commissie heeft ter voorbereiding van de strategie in 2025 een openbare consultatie uitgezet. De strategie bevat echter geen bindende verplichtingen. Het is aan de lidstaten om eigen taken, verantwoordelijkheden en beleidskeuzes te maken om eigenstandig en verdergaande maatregelen te nemen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden verzoeken de minister ten slotte om per element van deze strategie aan te geven waar Nederland daadwerkelijk een streep trekt, dus niet in algemene bewoordingen over nationale beleidsruimte, maar concreet op de punten definities, online speech, actieplannen, monitoring, gelijkheidsgegevens, workshops, subsidievoorwaarden, harmonisatie van sancties en mogelijke nieuwe wetgeving.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het standpunt van het kabinet is momenteel vastgelegd in het BNC-fiche. Het kabinet heeft, net als alle andere lidstaten, de beleidsruimte om naar aanleiding van de door de Commissie gedane aanbevelingen nieuw beleid te maken, maar is daartoe niet verplicht. Uw Kamer zal tijdig over de eventuele implementatie van nieuw beleid tijdig worden geïnformeerd middels de daarvoor gangbare wijzen (voortgangsbrieven etc.). Eventueel nieuw beleid zal in beginsel voortborduren op bestaand beleid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inzet minister\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de JA21-fractie vragen welke concrete processuele en politieke stappen de minister zal zetten om te voorkomen dat deze niet-bindende strategie alsnog uitgroeit tot bindende sturing vanuit de EU.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals uit de strategie zelf volgt, betreft het geen bindende wetgevingshandeling (zoals een richtlijn of verordening). Dat is ook in het BNC-fiche benadrukt. De strategie bevat geen bindende verplichtingen en de daarin opgenomen maatregelen zullen ook niet via monitoring kunnen uitgroeien tot verplichtingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden vragen zich af of de minister in de Raad expliciet bezwaar gaat maken tegen harmonisatie van definities, tegen koppeling van nationale actieplannen aan monitoring en financiering, en tegen iedere uitwerking die de vrijheid van meningsuiting raakt? Zij vragen zich af of de minister kan toezeggen dat Nederland zich op deze punten niet zal beperken tot kritische kanttekeningen, maar daadwerkelijk een streep zal trekken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het BNC-fiche is aangegeven wat het kabinetsstandpunt is ten aanzien van de strategie, alsook in het bijzonder ten aanzien van de door de JA21-fractie aangehaalde punten. Het kabinet zal de komende tijd, bij het bepalen van de nationale rijksbrede aanpak, bezien welke aanbevelingen uit de EU-strategie het daarbij wenst te betrekken. Wat betreft ‘de harmonisatie van definities, het koppelen van nationale actieplannen aan monitoring en financiering, en iedere uitwerking die de vrijheid van meningsuiting raak’, wordt verwezen naar de hierboven gegeven antwoorden.\u003C\u002Fp>\n\u003C\u002Fdiv>","\u002Fmedia\u002Fbrieven_pdfs\u002Fsf-br-2026Z15740.pdf",[28,30],{"label":29,"term":20},"antisemitisme",{"label":21,"term":21}]