[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"$fdK8sksHDG_SSzc0w3XClaQl5KExeIoPuueCLZnGaxsw":3},{"id":4,"document_id":5,"title_full":6,"title_short":6,"date_published":7,"source_url":8,"submitters":9,"is_palestine_relevant":16,"relevance_score":17,"relevance_keywords":18,"relevance_excerpt":36,"ai_summary":37,"frontend_url":38,"content_html":39,"pdf_url":40,"relevance_keyword_chips":41},187924,"sf-br-2026Z17346","Beantwoording vragen commissie inzake het tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden (Kamerstuk 23432-749)","2026-08-27","https:\u002F\u002Fwww.tweedekamer.nl\u002Fkamerstukken\u002Fbrieven_regering\u002Fdetail?id=2026Z17346&did=2026D39571",[10],{"person":11,"functie":14,"actor_naam":15},{"fullname":12,"slug":13},"Tom Berendsen","tom-berendsen","minister van Buitenlandse Zaken","T.B.W. Berendsen",true,17,[19,20,21,22,23,24,25,26,27,28,29,30,31,32,33,34,35],"PLO","BDS","IHRA","Palest","Israël","Gaza","Westelijke Jordaanoever","Westbank","Oost-Jeruzalem","Jeruzalem","Antisemi","Gewelddadige kolonisten","IHRA-definitie","Hamas","IGH + sancties","genocide + Zuid-Afrika","nederzetting + illegaal","…antwoorden er zijn) De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 22 mei 2026 inzake het Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door \u003Cmark>Israël\u003C\u002Fmark> bezette gebieden (23432, nr.","De minister van Buitenlandse Zaken beantwoordt 136 vragen van de commissie voor Buitenlandse Zaken over het Tijdelijk sanctiebesluit dat op 22 september 2026 in werking treedt. Dit besluit verbiedt de invoer, aankoop en verkoop van producten uit onrechtmatige Israëlische nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden en de Golanhoogvlakte, gericht op naleving van internationale rechtelijke verplichtingen van Nederland. Het kabinet zet zich in voor een EU-breed importverbod en zal handhavingsresultaten openbaar maken.","\u002Fdocumenten\u002Fbrief-regering\u002F187924-beantwoording-vragen-commissie-inzake-het-tijdelijk-sanctiebesluit","\u003Cdiv class=\"brief-regering\">\n\u003Cp>23432-749De situatie in het Midden-Oosten\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>nr. Lijst van vragen en antwoorden\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vastgesteld (wordt door griffie ingevuld als antwoorden er zijn)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 22 mei 2026 inzake het Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden (23432, nr. 749).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De daarop door de minister gegeven antwoorden zijn hierbij afgedrukt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voorzitter van de commissie,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klaver\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Adjunct-griffier van de commissie,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Muller\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nr\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bijlage\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Blz. (van)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>t\u002Fm\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u nader toelichten wat precies bedoeld wordt met &quot;tussenhandeldiensten&quot;?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de context van het Tijdelijk sanctiebesluit wordt met ‘tussenhandeldiensten’ bedoeld het onderhandelen over of regelen van transacties met het oog op de invoer, aankoop of verkoop van goederen afkomstig uit een onrechtmatige nederzetting in de door Israël bezette gebieden, ook wanneer deze transacties ertoe strekken dat deze goederen niet in Nederland maar in een andere lidstaat van de Europese Unie worden ingevoerd, aangekocht of verkocht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is doorvoer met overlading op Nederlands grondgebied verboden onder het Tijdelijk Sanctiebesluit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee. Er is gekozen om doorvoer niet te verbieden in het Tijdelijk sanctiebesluit. De achterliggende gedachte is dat Nederland zich met een doorvoerverbod indirect zou mengen in beleidskeuzes van andere landen. Bovendien is een dergelijk verbod op doorvoer praktisch niet handhaafbaar en zijn er beperkingen in het Unierecht voor de reikwijdte van een dergelijk verbod.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is doorvoer zonder overlading op Nederlands grondgebied verboden onder het Tijdelijk Sanctiebesluit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee. Er is gekozen om doorvoer niet te verbieden in het Tijdelijk sanctiebesluit. Zie het antwoord op vraag 2.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>4\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt de herkomst van producten geverifieerd, wetende dat er structureel fraude wordt gepleegd bij de herkomstaanduiding van producten afkomstig uit illegale Israëlische nederzettingen, zoals blijkt uit het rapport van Global Echo?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De herkomst van producten wordt bepaald aan de hand van oorsprongsregels. De Douane houdt toezicht op de juiste toepassing van de niet-preferentiële en preferentiële oorsprongsregels bij invoer. Wanneer de Douane twijfelt of goederen voldoen aan de voorwaarden, kan zij van de aangever eisen om dit nader te onderbouwen of, in geval van preferentiële oorsprong, de Israëlische autoriteiten verzoeken de oorsprong van de goederen te verifiëren in het kader van de administratieve samenwerking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe bent u voornemens om omzeiling tegen te gaan?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het Sanctiebesluit is een omzeilingsverbod voorzien. Het tegengaan van omzeiling van sanctiemaatregelen is een belangrijke prioriteit van de Douane. Op basis van risicoprofielen selecteert de Douane aangiften om te controleren. Een deel van deze risicoprofielen is ook gericht op het tegengaan van omzeiling. Bij een overtreding van één van de verboden in het Sanctiebesluit, waaronder het omzeilingsverbod, kan strafrechtelijke vervolging plaatsvinden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bent u voornemens om het aantal onderschepte zendingen van goederen uit illegale nederzettingen publiekelijk te delen? Zo nee, waarom niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja. Deze aantallen zullen op een geaggregeerd niveau openbaar gemaakt worden nadat het besluit minimaal een jaar in werking is getreden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>7\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Verstaat het kabinet de handel in diensten en investeringen onder &#x27;economic or trade dealings&#x27; zoals naar verwezen in de Adviesopinie artikel 278 van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024? Zo nee, waarom niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet verstaat onder de termen ‘economic or trade dealings’ uit het IGH advies van 19 juli 2024 economische -en handelsrelaties. Dit omvat naast handel in goederen de handel in diensten en investeringen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>8\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke juridische analyse beroept het kabinet zich bij de stelling dat er voor een verbod op diensten en investeringen nog geen &#x27;evidente grondslag&#x27; is gevonden, terwijl juristen tijdens het rondetafelgesprek in de Tweede Kamer op 27 jl. stelden dat er duidelijke juridische grondslag beschikbaar is in art. 65 en 347 VWEU?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De handel in goederen, diensten en directe investeringen valt onder de gemeenschappelijke handelspolitiek van de EU. Voor nationale maatregelen is derhalve een uitzonderingsgrond in het Unierecht vereist. Voor een nationaal importverbod voor goederen bestaat een evidente grondslag in het Unierecht, namelijk de openbare orde exceptie in de invoerverordening (Verordening (EU) nr. 2015\u002F478). Voor diensten en directe investeringen ontbreekt deze openbare orde exceptie onder de gemeenschappelijke handelspolitiek, een beleidsterrein waarop de EU exclusief bevoegd is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Artikel 347 VWEU bevat een noodclausule om in een aantal uitzonderlijke situaties af te wijken van het Unierecht. Deze bepaling leent zich volgens het EU-Hof niet voor een brede uitleg (zaak C-222\u002F84, Johnston, punten 26-27). De drempel voor toepassing van dit artikel is hoog. Artikel 65 VWEU bevat een openbare orde-exceptie voor beperkingen op het vrij verkeer van kapitaal. Op grond daarvan kunnen alleen indirecte investeringen worden verboden, zoals portfolio beleggingen. Directe investeringen daarentegen vallen onder de gemeenschappelijke handelspolitiek.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Erkent de minister dat artikel 65 VWEU lidstaten ruimte geeft om kapitaalverkeer te beperken op gronden van openbare orde of openbare veiligheid? Zo nee, waarom niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja, voor zover het gaat om indirecte investeringen. Deze vallen onder het vrij verkeer van kapitaal dat ook in relatie tot derde landen en gebieden geldt. Directe investeringen daarentegen vallen onder de gemeenschappelijke handelspolitiek, een exclusieve bevoegdheid van de Unie. Voor een verbod op directe investeringen biedt artikel 65 VWEU geen grondslag. Zie het antwoord op vraag 8.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>10\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Erkent het kabinet dat artikel 347 van de VWEU ruimte biedt voor nationale maatregelen ter naleving van verplichtingen gericht op het handhaven van vrede en internationale veiligheid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Artikel 347 VWEU erkent het recht van een lidstaat om maatregelen te nemen waartoe die lidstaat zich genoopt kan voelen in drie uitzonderlijke situaties, waaronder het voldoen aan de verplichtingen van die lidstaat met het oog op het behoud van de vrede en internationale veiligheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Artikel 347 VWEU heeft echter het karakter van een noodclausule waarmee lidstaten in een aantal uitzonderlijke situaties kunnen afwijken van het Unierecht. Deze bepaling leent zich volgens het EU-Hof niet voor een brede uitleg (zaak C-222\u002F84, Johnston, punten 26-27). De drempel voor toepassing van deze bepaling is hoog.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>11\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke juridische en praktische argumenten ziet het kabinet tegen het opnemen van diensten en investeringen in een nationaal verbod?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vanuit juridisch oogpunt ontbreekt een evidente grondslag in het Unierecht voor een nationaal verbod op de handel in diensten met de onrechtmatige nederzettingen en directe investeringen in deze nederzettingen. Zie het antwoord op de vragen 8, 9 en 10. Het kabinet verwacht uw Kamer op korte termijn te kunnen informeren over de verkenning ten aanzien van diensten en investeringen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>12\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat betekent de maatregel voor de al aanwezige voorraden in Nederland, in bijvoorbeeld kerken (denk aan olijfolie en wijn) en supermarkten? Wat mag wel en wat mag niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer het Tijdelijk sanctiebesluit op 22 september in werking treedt, is de verkoop van aanwezige voorraden van gesanctioneerde goederen direct verboden, ook in kerken en supermarkten. Aanwezige voorraden van gesanctioneerde goederen mogen dan nog wel voor niet-commerciële doeleinden worden gebruikt (zoals eigen gebruik of bijvoorbeeld tijdens een kerkdienst het uitdelen van goederen).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>13\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe gaat u de maatregel communiceren onder de Nederlandse bevolking?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Tijdelijk sanctiebesluit is op 21 juli 2026 gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 2026, 222). Ook is de maatregel gecommuniceerd via een nieuwsbericht op Rijksoverheid.nl en is er in media op verschillende momenten aandacht voor (geweest). Daarnaast wordt het bedrijfsleven geïnformeerd via een aparte informatiepagina op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), een verwijzing op de RVO-landenpagina over zakendoen met Israël, de RVOnieuwsbrief en via organisaties als VNONCW en MKBNederland. Ook de Douane heeft informatie over het besluit op haar website geplaatst. Bedrijven met vragen kunnen contact opnemen met RVO en het Douane Contact Center.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>14\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Staat het kabinet garant voor inkomstenderving die uit de maatregel voortvloeien?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee. Een compensatiemechanisme maakt geen deel uit van de nationale maatregel. Dit is ook niet gebruikelijk bij sanctiemaatregelen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>15\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn de gevolgen voor particulieren die al goederen hebben die onder de maatregel vallen? Mogen die goederen nog wel na inwerkingtreding geconsumeerd worden? Welke straf staat erop niet-naleving door bijvoorbeeld alsnog een glaasje wijn te drinken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Na inwerkingtreding van het besluit op 22 september 2026 mogen particulieren gesanctioneerde goederen die al in hun bezit zijn, niet meer verkopen of in Nederland invoeren. Aanwezige voorraden van gesanctioneerde goederen mogen dan nog wel voor niet-commerciële doeleinden, zoals voor eigen consumptie, worden gebruikt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>16\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke communicatielijn hanteert het kabinet als er vragen uit andere EU-landen komen over de maatregel?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet onderstreept in gesprekken met EU-landen dat een dergelijke maatregel in EU-verband voor Nederland de voorkeur heeft en dat het kabinet zich hiervoor blijft inzetten. Omdat voldoende draagvlak hiervoor op dit moment ontbreekt zet Nederland nationaal stappen om nadere invulling te geven aan de internationaalrechtelijke verplichting om niet bij te dragen aan de instandhouding van de onrechtmatige situatie in de bezette gebieden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>17\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vermoedt u dat handelsstromen tussen Israël en derde landen (in plaats van Nederland) stijgen, doordat de handel verschoven wordt? Kan de gemaakte analyse van verschuivende handelsstromen naar de Kamer worden gestuurd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Over het algemeen wordt naar alternatieve afzetmarkten gezocht wanneer handelsbeperkingen worden opgelegd. Het kabinet heeft in dit geval geen analyse over handelsverlegging gemaakt en kan deze derhalve ook niet delen. Het is niet aan het kabinet een inschatting te maken welke andere afzetmarkten beschikbaar zouden kunnen zijn voor de betreffende producenten. Wel is duidelijk dat deze handelsbeperking beperkte volumes betreft hetgeen betekent dat ook het handel verleggend effect beperkt zal zijn. Deze maatregel verandert bovendien niets aan de handelsrelatie tussen Nederland en Israël binnen de internationaal erkende grenzen van 1967.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>18\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke manier wordt volgens u met de sanctiemaatregel de Europese rechtsorde en rechtseenheid versterkt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de maatregel beoogt Nederland nadere invulling te geven aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht. Hiermee versterkt Nederland de eerbiediging van fundamentele rechten en van de internationale rechtsorde. Eerbiediging van de fundamentele rechten en van de internationale rechtsorde worden ook door de EU beoogd (zie artikel 2 VEU, artikel 3, lid 5 VEU, artikel 21, leden 1 en 3 VEU, artikel 205 VWEU, artikel 207, lid 1, tweede zin, VWEU).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>19\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan het kabinet alle juridische verkenningen die ten grondslag liggen aan dit besluit delen met de Kamer?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De juridische onderbouwing van het Tijdelijk sanctiebesluit is weergegeven in de nota van toelichting, specifiek in de paragrafen 3 (hoofdlijnen van het sanctiebesluit), 5 (verhouding tot hoger recht) en 6 (verhouding tot nationaal recht).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>20\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is de reden dat het bijna een jaar heeft geduurd voordat het tijdelijk sanctiebesluit naar de Kamer is gestuurd, na de uitspraken van toenmalig minister Veldkamp in een debat op 21 augustus 2025, waarbij hij aangaf de mogelijkheid te hebben onderzocht ‘of [het embargo] niet op zeer korte termijn, zeer onmiddellijk, zou kunnen ingaan’? Was een dergelijke termijn van een jaar intern al op 21 augustus 2025 bekend?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet heeft zich vanaf de zomer van 2025 ingezet voor een zo spoedig mogelijke totstandkoming van de nationale maatregelen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de effectiviteit en gedegenheid van de maatregel. De opstellingstermijn was op voorhand niet bekend. De duur ervan kan verklaard worden door het feit dat een dergelijke maatregel nog niet eerder door Nederland genomen is en het kabinet zich daarmee op onontgonnen terrein bevond. De juridische en handhavingselementen van de maatregel droegen bij aan de complexiteit van het vraagstuk en vereisten nauwe afstemming met de betrokken uitvoeringsorganisaties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>21\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat minister Veldkamp in het debat op 21 augustus 2025 aangaf dat de sanctiemaatregel kon worden ingevoerd middels een ministeriële maatregel gevolgd door een AMvB? Klopt het dat deze route nu niet wordt gevolgd? Waarom niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Artikel 7 van de Sanctiewet 1977 biedt de mogelijkheid om vooruitlopend op een AMvB een ministeriële regeling vast te stellen als een gewichtige reden een onmiddellijke voorziening eist. Gelet op de complexiteit van de maatregel heeft het kabinet afgezien van het vaststellen van een ministeriële regeling. Het kabinet heeft ervoor gekozen om – met spoed – een AMvB vast te stellen, waarover ook de Afdeling advisering van de Raad van State advies heeft kunnen uitbrengen. Ook de geldigheidsduur speelde een rol bij de keuze voor een AMvB. Op grond van de Sanctiewet 1977 geldt een ministeriële regeling maximaal 10 maanden, terwijl een AMvB drie jaar geldt en de mogelijkheid tot verlenging kent.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>22\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe leeft het kabinet art. 80 van het VN-Handvest na door het IGH-advies over te nemen? Bent u van mening dat artikel 80 van het VN-handvest nog steeds onverkort uitgevoerd zou moeten worden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Artikel 80 van het VN-Handvest gaat over de rechten van een staat of volk in een mandaatgebied. Het overnemen van het IGH-advies staat los van de uitvoering van artikel 80 van het VN-Handvest en voor zover dat aan Nederland is, leeft het kabinet beide na.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>23\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe voorkomt het kabinet dat het standpunt niet wordt beschouwd als oproep tot etnische zuivering door enkele andere lidstaten waaronder Israël zelf, aangezien niet de jure, maar de facto wel alleen Israëliërs en daarbij specifiek met name Israëliërs met een Joodse achtergrond tot gedwongen verhuizing worden aangezet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet werpt de suggestie dat het besluit beschouwd zou kunnen worden als een oproep tot etnische zuivering verre van zich. Het kabinet geeft met de maatregelen nadere invulling aan de internationaalrechtelijke verplichting van staten om niet bij te dragen aan de instandhouding van de onrechtmatige situatie in de bezette gebieden. Daarnaast zijn de maatregelen gericht op de oorsprong van goederen, niet op bevolkingsgroepen of de nationaliteit of religieuze overtuiging van exporteurs of producenten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>24\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onderschrijft het kabinet de IHRA-definitie van antisemitisme? Klopt het dat het volgende voorbeeld van antisemitisme valt onder de IHRA-definitie van antisemitisme, dat wordt onderschreven door het kabinet: ”Met twee maten meten, in die zin dat van de Staat Israël een bepaald gedrag wordt geëist dat niet van andere democratische naties wordt verwacht of verlangd.”?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet ziet de werkdefinitie van antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) als een niet-juridisch bindend hulpmiddel.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet geeft met de maatregelen nadere invulling aan de internationaalrechtelijke verplichting van staten om niet bij te dragen aan de instandhouding van de onrechtmatige situatie in de bezette gebieden. Er is hier geen sprake van antisemitisme en het kabinet verwerpt deze suggestie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>25\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan het kabinet aangeven van welke andere staat momenteel de facto volledige evacuatie wordt verlangd van een specifieke bevolkingsgroep? Hoe is er volgens het kabinet sprake van een andere situatie dan het voorbeeld in de IHRA-definitie wat het meten met 2 maten als antisemitisch beschouwd? Is er een ander precedent te vinden van de nationale maatregel zover bekend in de parlementaire geschiedenis behalve de huidige sanctiemaatregel ten aanzien van de Staat van Israël?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden en de Syrische Golanhoogvlakte en de nederzettingen aldaar zijn onrechtmatig. Het kabinet schaart zich achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet hanteert geen dubbele standaarden, maar beoordeelt elke situatie op zijn eigen merites. Zie ook het antwoord op vraag 24.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>26\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is het de bedoeling dat met de maatregel de facto anderen worden geraakt die een niet-joods geloof belijden? Zo ja, welke groepen meent het kabinet hiermee nog meer te raken? Zo nee, hoe verhoudt deze maatregel zich tot (de schijn van) een discriminatoire maatregel gebaseerd op een geloofsgroep?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Tijdelijk sanctiebesluit is gericht op de oorsprong van goederen, niet op bevolkingsgroepen of de nationaliteit of religieuze overtuigingen van exporteurs of producenten. Het kabinet wil met de maatregel voorkomen dat Nederlandse economische activiteiten bijdragen aan het bestendigen van een situatie die strijdig is met het internationaal recht. Hiermee geeft het kabinet nadere invulling aan een internationaalrechtelijke verplichting van Nederland.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>27\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wordt het nog mogelijk voor Nederlandse christenen om olijfolie in Jeruzalem te kopen, geproduceerd in Bethlehem door Israëliërs? In welke gevallen wel en welke niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een dergelijke aanschaf door een Nederlander in Jeruzalem is mogelijk, omdat het Tijdelijk sanctiebesluit van toepassing is op de aankoop van goederen op de markt van de Europese Unie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de invoer naar Nederland geldt het volgende: voor zover het producten die geheel of gedeeltelijk verkregen zijn uit of geproduceerd zijn in een postcodegebied dat op de EU-postcodelijst staat, valt het product onder de reikwijdte van het Tijdelijk sanctiebesluit en is de invoer van dat product in Nederland verboden. Een uitzondering geldt voor goederen die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling in overeenstemming met artikel 64 van het Douanewetboek van de Unie. Bij invoer naar Nederland gaat het bij het bepalen of een product onder de reikwijdte van het Tijdelijk sanctiebesluit valt dus om waar een product, zoals olijfolie, geheel of gedeeltelijk wordt geproduceerd, niet waar het ge- of verkocht wordt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor zover het producten betreft die niet geheel of gedeeltelijk verkregen zijn uit, of geproduceerd zijn in een onrechtmatige nederzetting in de door Israël bezette gebieden, genoemd in de EU-postcodelijst, mogen deze worden ingevoerd. Als dit met een commercieel oogmerk is, moet wel een verklaring worden afgegeven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>28\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe verhoudt de maatregel zich tot de grondwettelijke bescherming van religieuze vrijheid van Nederlanders die producten uit voor hen heilige plaatsen willen kopen? Is er een analyse van deze grondwettelijke weging gemaakt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In principe is de aankoop van producten uit plaatsen die als heilig worden beschouwd, objectief gezien geen directe uitdrukking van een godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging in de zin van onder meer artikel 9 EVRM. De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is bovendien niet absoluut. Indien de maatregel deze vrijheid in voorkomend geval wel (indirect, of anderszins) raakt, kan een dergelijke beperking onder bepaalde voorwaarden rechtmatig zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging kan worden beperkt indien aan de daarvoor geldende beperkingsvereisten, zoals het dienen van een legitiem doel en het voldoen aan het proportionaliteitsvereiste, is voldaan. Alle relevante omstandigheden in ogenschouw genomen, is de conclusie getrokken dat geen sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>29\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wordt het nog mogelijk voor Nederlandse christenen die op vakantie in Israël zijn om olijfolie in de Oude Stad van Jeruzalem te kopen van een Israëlische eigenaar? Wanneer wel en wanneer niet? Wat raadt het kabinet de vele bezoekers naar Jeruzalem aan bij hun aankoopbeleid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Oude Stad van Jeruzalem ligt in Oost-Jeruzalem, wat in 1980 door Israël is geannexeerd. Annexatie is in strijd met het internationaal recht. De VNVR heeft deze annexatie ook nietig verklaard. Nederland erkent deze annexatie niet, maar beschouwt Oost-Jeruzalem – tevens conform het advies van het IGH – als onrechtmatig bezet gebied. Israël heeft daarnaast delen van de eigen burgerbevolking naar Oost-Jeruzalem overgebracht, wat in strijd is met het bezettingsrecht. Om deze redenen staat de Oude Stad op de EU-Postcodelijst.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 27, valt de aanschaf van producten buiten de EU niet onder de reikwijdte van het Tijdelijk sanctiebesluit, dus ook de aanschaf in de Oude Stad niet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de invoer naar Nederland geldt het volgende: voor zover het producten die geheel of gedeeltelijk verkregen zijn uit of geproduceerd zijn in een postcodegebied dat op de EU-postcodelijst staat, valt het product onder de reikwijdte van het Tijdelijk sanctiebesluit en is de invoer van dat product in Nederland verboden. Een uitzondering geldt voor goederen die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling in overeenstemming met artikel 64 van het Douanewetboek van de Unie. Bij invoer naar Nederland gaat het bij het bepalen of een product onder de reikwijdte van het Tijdelijk sanctiebesluit valt dus om waar een product, zoals olijfolie, geheel of gedeeltelijk wordt geproduceerd, niet waar het ge- of verkocht wordt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor zover het producten betreft die niet geheel of gedeeltelijk verkregen zijn uit, of geproduceerd zijn in een onrechtmatige nederzetting in de door Israël bezette gebieden, genoemd in de EU-postcodelijst, mogen deze worden ingevoerd. Als dit met een commercieel oogmerk is, moet wel een verklaring worden afgegeven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>30\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat deze maatregel kan gelden voor sommige winkels in de oude stad in Jeruzalem als die gerund wordt door een Israëliër en de producten een Israëlische OPT oorsprong hebben, maar niet voor een nabije koopman geldt, mits die kan aantonen de producten bij een niet-Israëliër in de OPT te hebben ingekocht? Hoe moeten vakantiegangers dat onderscheid voor ogen houden in de praktijk?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij het bepalen of een product onder de reikwijdte van het Tijdelijk sanctiebesluit valt bij invoer naar Nederland, gaat het om waar een product geheel of gedeeltelijk wordt geproduceerd, niet door wie het ge- of verkocht wordt. Bovendien valt aanschaf door Nederlandse (rechts)personen buiten de EU niet onder de reikwijdte van het Tijdelijk sanctiebesluit. Zie ook het antwoord op vraag 27 en 29.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>31\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Erkent Nederland dat de Oslo akkoorden onderdeel zijn van het huidig geldend internationaal recht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Oslo-akkoorden zijn afspraken tussen Israël en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) en gelden als zodanig tussen beide partijen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>32\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe verhoudt de rechtskracht van deze akkoorden zich volgens het kabinet tot het Verdrag van Wenen inzake het verdragsrecht, specifiek artikel 3 en 26 en de rol van Nederland inzake het eerbiedigen van de gemaakte afspraken tussen Israël en de PA?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Verdrag van Wenen gaat over verdragen gesloten tussen twee of meer staten. Artikel 3 van het Verdrag stelt dat het Verdrag geen afbreuk doet aan de rechtskracht van afspraken die niet onder het Verdrag vallen. Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 31, bevatten de Oslo-akkoorden afspraken tussen Israël en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) en gelden deze als zodanig tussen beide partijen. Zoals bevestigd in het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024 doen deze afspraken echter geen afbreuk aan de verplichtingen van Israël onder het internationaal recht die van toepassing zijn in de door Israël bezette Palestijnse Gebieden. Zo is Israël onder het bezettingsrecht onder meer verplicht om het verbod op gedwongen verplaatsing van de lokale Palestijnse bevolking en het verbod op het overbrengen van de eigen bevolking naar bezet gebied te respecteren. Israël is daarnaast gebonden aan het verbod op annexatie afgeleid uit het VN Handvest en moet het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk respecteren. De Oslo-akkoorden doen hier niet aan af. Nederland onderschrijft dit oordeel van het Internationaal Gerechtshof.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>33\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Moet volgens het kabinet een Palestijn die na het aannemen van de Israëlische nationaliteit als Arabische Israëliër woonachting in de Oude Stad ook geëvacueerd worden? Zo ja, welk doel beoogt het kabinet daarmee te bewerkstelligen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hier richt de maatregel zich niet op.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>34\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Erkent het kabinet de verdeling tussen de Area A, B en C ten aanzien van bestuur en militaire aanwezigheid PA en Israël? Zo nee, sinds welke datum wanneer niet meer?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 32, zijn de Oslo-akkoorden afspraken tussen Israël en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) en gelden deze als zodanig tussen beide partijen. Het is niet aan het kabinet om deze afspraken te erkennen. Zie ook het antwoord op vraag 32.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>35\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat het kabinet de Kamer had toegezegd de Kamer eerst te benaderen voordat er een interventie zou worden gedaan bij de lopende genocide IGH-zaak? Klopt het dat het kabinet dit heeft nagelaten? Zo ja, waarom?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit klopt niet. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken op 10 september 2025 toegezegd de Kamer vóór 31 oktober 2025 nader te informeren over de besluitvorming over het eventueel indienen van een verklaring tot interventie bij het Internationaal Gerechtshof in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël. De Kamer is op 21 november 2025 middels een Kamerbrief (Kamerstuk 23 432, nr. 617) geïnformeerd over besluit van het IGH dat de deadline voor indiening was verlengd tot 12 maart 2026. Op 10 maart 2026 besloot het kabinet een verklaring tot interventie in te dienen. Hierover is de Kamer verdere uitleg gegeven middels de Kamerbrief van 17 maart 2026 (Kamerstuk 23 432, nr. 667).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>36\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bent u voornemens om nog voor het commissiedebat in september het tijdelijk sanctiebesluit van kracht te laten worden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Tijdelijk sanctiebesluit is op 13 juli 2026 vastgesteld en op 21 juli 2026 gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 2026, 222). Het besluit treedt ingevolge artikel 9 van het besluit, en overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Sanctiewet 1977, in werking op de dag liggende twee maanden na publicatie, te weten 22 september 2026.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>37\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn er Arabieren met een Israëlisch paspoort die onder een Israëlisch bedrijf producten exporteren? Vallen zij onder het sanctiebesluit als het bedrijf bijvoorbeeld gevestigd is in de Oude Stad in Jeruzalem? Welk effect beoogt u door deze ondernemers te raken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Tijdelijk sanctiebesluit is gericht op de oorsprong van goederen, niet op bevolkingsgroepen of de nationaliteit of religieuze overtuigingen van exporteurs of producenten. Derhalve is enkel de geografische herkomst van goederen bepalend voor de vraag of deze onder het Sanctiebesluit vallen. Voor zover het producten betreft uit een postcodegebied dat op de EU-postcodelijst staat, valt het product in beginsel onder de reikwijdte van artikel 2 van het Tijdelijk sanctiebesluit en is de invoer van dat product in Nederland verboden. Het kabinet wil met de maatregel voorkomen dat Nederlandse economische activiteiten bijdragen aan het bestendigen van een situatie die strijdig is met het internationaal recht. Hiermee geeft het kabinet nadere invulling aan een internationaalrechtelijke verplichting van Nederland. Zie ook het antwoord op vraag 29.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>38\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is de inzet van het kabinet voor de zaak van de Tent of Nations? Erkent u dat in de zaak een beroep wordt gedaan op een eigendomsclaim onder Ottomaans recht? Heeft het kabinet inderdaad als standpunt dat Ottomaanse eigendomsrechten gerespecteerd zouden moeten worden? Hoe verhoudt het bestaan van Ottomaanse eigendomsrechten en claims zich tot de reikwijdte van de sanctiemaatregelen die hier geen onderscheid in maken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland blijft de zaak van Tent of Nations met regelmaat onder de aandacht brengen van de Israëlische autoriteiten, en wijst hen daarbij op hun verantwoordelijkheid om de familie Nassar, hun land en hun gasten te beschermen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De afbakening in het Tijdelijk sanctiebesluit richt zich op de mogelijke oorsprong van goederen uit een onrechtmatige nederzetting in door Israël bezette gebieden. Die oorsprong wordt bepaald aan de hand van de EU-postcodelijst, en is onafhankelijk van de al dan niet rechtmatige eigenaar van een bepaald stuk grond.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>39\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn er Joodse families wiens familie op grond van Ottomaans recht eigendomsclaim hebben op grond in de bezette Palestijnse gebieden? Zo ja hoeveel?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja. Het kabinet beschikt evenwel niet over cijfers hierover.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>40\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn er Joodse families die na 1967 grond hebben gekocht in de bezette Palestijnse gebieden van Palestijnen zelf? Waren deze aankopen rechtmatig volgens het kabinet? Zo ja hoeveel? Respecteert en erkend het kabinet deze eigendomsrechten? Hoe verhouden deze gevallen dit zich tot de reikwijdte van de sanctiemaatregelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Er zijn Joodse families die na 1967 grond hebben gekocht van Palestijnen. Het kabinet beschikt niet over aantallen. Tot voor kort waren dergelijke aankopen onder Israëlisch recht onrechtmatig. De afbakening in het Tijdelijk sanctiebesluit richt zich op de mogelijke oorsprong van goederen uit een onrechtmatige nederzetting in door Israël bezette gebieden, niet op bevolkingsgroepen of de nationaliteit of religieuze overtuigingen van exporteurs of producenten. Die oorsprong wordt bepaald aan de hand van de EU-postcodelijst, en is onafhankelijk van de al dan niet rechtmatige eigenaar van een bepaald stuk grond.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>41\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn er Joodse families die tussen 1948 en 1967 door Jordanië zijn verdreven uit de bezette Palestijnse gebieden? Zo ja, hoeveel? Hebben zij volgens het kabinet recht op terugkeer naar aantoonbare eigendommen? Zo nee, waarom? Hoe verhoudt deze groep zich tot de reikwijdte van de sanctiemaatregelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja, er zijn Joodse families verdreven door Jordanië uit de bezette Palestijnse Gebieden. Het kabinet beschikt niet over aantallen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De afbakening in het Tijdelijk sanctiebesluit richt zich op de mogelijke oorsprong van goederen uit een onrechtmatige nederzetting in door Israël bezette gebieden, niet op bevolkingsgroepen of de nationaliteit of religieuze overtuigingen van exporteurs of producenten. Die oorsprong wordt bepaald aan de hand van de EU-postcodelijst, en is onafhankelijk van de al dan niet rechtmatige eigenaar van een bepaald stuk grond.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland ziet een tweestatenoplossing als de enige duurzame basis voor vrede en veiligheid, waarbij zowel Israëli’s als Palestijnen hun recht op zelfbeschikking kunnen realiseren. Het recht op terugkeer is een internationaal erkend principe dat deel uitmaakt van VN-resoluties, waarvan de praktische invulling in onderhandelingen moet worden uitgewerkt. Uiteindelijk zullen afspraken over vluchtelingen, terugkeer en compensatie onderdeel moeten zijn van een breed vredesakkoord waarin beide partijen hun veiligheid en identiteit gewaarborgd zien. Nederland blijft zich inzetten, samen met de EU en de internationale gemeenschap, om partijen bij elkaar te brengen en rechtvaardige, realistische oplossingen te ondersteunen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>42\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn er Joodse families die op grond van Britse mandaatregistraties een eigendomsclaim hebben op grond in de bezette Palestijnse gebieden? Zo ja, hoeveel? Respecteert het kabinet deze eigendomsrechten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja. Het kabinet beschikt niet over aantallen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>43\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Valt de Oude Stad van Jeruzalem onder de reikwijdte van de nationale sanctiemaatregel? Zijn er uitzonderingen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Oude Stad van Jeruzalem staat op de EU-postcode lijst en valt in die zin onder de reikwijdte van de nationale sanctiemaatregel. Zie verder het antwoord op vraag 29.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>44\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Valt de Klaagmuur van Jeruzalem onder de reikwijdte van de nationale sanctiemaatregelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vraag 43.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>45\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt invulling gegeven aan de motie Ceder\u002F Stoffer (Kamerstuk 26 150, nr. 239) dat het kabinet verzocht het standpunt in te nemen dat Joden nu en in de toekomst altijd welkom en veilig moeten zijn in geheel Jeruzalem en dit standpunt als randvoorwaardelijk helder uit te dragen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De status van Jeruzalem is een van de grote geschilpunten die beslecht moeten worden in een onderhandelde tweestatenoplossing. Uiteindelijk zullen afspraken hierover onderdeel moeten zijn van een breed vredesakkoord waarin beide partijen hun veiligheid en identiteit gewaarborgd zien. Wat het kabinet betreft moeten alle religieuze groepen, waaronder Joden, welkom en veilig zijn in heel Jeruzalem.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>46\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt de motie Ceder\u002F Stoffer (Kamerstuk 26 150, nr. 239) uitgevoerd als het kabinet het standpunt inneemt dat de facto alle Joodse aanwezigheid uit Oost-Jeruzalem verwijderd zou moeten worden om tot een rechtmatige situatie te kunnen komen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit is niet het standpunt van het kabinet. Zie het antwoord op vraag 45.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>47\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn er momenteel gebieden onder Palestijns beheer bekend in de bezette Palestijnse gebieden waar Joden welkom zijn? Zo ja, welke? Zo nee, hoe denkt het kabinet Joodse toegang tot heiligdommen te kunnen garanderen met haar huidig standpunt dat de Oude Stad onder Palestijns gezag zou moeten komen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een van de afspraken uit de Oslo-akkoorden is dat Israëlische burgers Area A niet mogen bezoeken. Daar zijn wel enkele uitzonderingen op, zoals Josephs Tomb waar Israëliërs in afstemming met de Israëlische Civil Administration en de Palestijnse Autoriteit mogen komen. Israël heeft daarnaast nationale wetgeving die Israëlische burgers verbiedt Area A binnen te gaan. Zie verder het antwoord op vraag 45.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>48\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn er juridische waarschuwingen binnengekomen over de maatregel van interne of externe juristen bij het ministerie? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Er zijn geen interne waarschuwingen gekomen. Wel heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken een brief ontvangen van een externe organisatie (Thinc) op 1 juni 2026. Thinc heeft een afschrift van deze brief aan de vaste Kamercommissie van Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer gestuurd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>49\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is er in aanloop van of tijdens het opstellen van het besluit en de Memorie van toelichting gesproken met NGO’s? Zo ja welke?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het ministerie onderhoudt regulier contact met verschillende ngo’s over de Nederlandse inzet ten aanzien van de ontwikkelingen in Israël en de Palestijnse Gebieden, waaronder de gedane toezegging van het kabinet te werken aan het Tijdelijk sanctiebesluit. Deze gesprekken hebben geen invloed gehad op de totstandkoming van de maatregel. Het is een eigenstandig besluit geweest van het kabinet om het Nederlands beleid in lijn te brengen met de internationaalrechtelijke verplichting om niet bij te dragen aan de instandhouding van de onrechtmatige situatie in de bezette gebieden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>50\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan u uiteenzetten op welke punten het tijdelijk sanctiebesluit zowel overeenkomt als verschilt met het Sloveens nationaal verbod?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Sloveense maatregel is niet aangenomen en tekst ervan is nooit openbaar geworden. Het Nederlandse besluit lijkt breder te zijn dan de maatregel die Slovenië voornemens was te nemen. Uit nieuwsberichten kan worden afgeleid dat het Sloveense verbod zich zou richten op goederen en een invoer- en omzeilingsverbod zou omvatten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>51\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is de reden dat Slovenië het nationaal verbod intrekt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet speculeert niet over beweegredenen van andere staten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>52\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is de impact op de Druzen gemeenschap in de Golanhoogte? Kan het kabinet garanderen dat deze gemeenschap niet financieel geraakt wordt? Is het de bedoeling dat ook Druzen geraakt worden door de maatregelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De maatregel is gericht op onrechtmatige Israëlische nederzettingen in bezet gebied, waaronder het door Israël geannexeerde gedeelte van de Syrische Golanhoogvlakte. De afbakening in het Tijdelijk sanctiebesluit richt zich op de mogelijke oorsprong van goederen uit een onrechtmatige nederzetting in door Israël bezette gebieden, niet op bevolkingsgroepen of de nationaliteit of religieuze overtuigingen van exporteurs of producenten. Het kabinet kan niet uitsluiten dat de Druzen gemeenschap geraakt wordt door de maatregel, tegelijkertijd is het onaannemelijk omdat de maatregel richt zich op de onrechtmatige Israëlische nederzettingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>53\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u uiteenzetten of en zo ja, op welke manier de Palestijnse economie wordt geraakt door het tijdelijk sanctiebesluit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het is niet mogelijk om vast te stellen of, en op welke wijze de Palestijnse economie mogelijk geraakt wordt door het Tijdelijk sanctiebesluit. Er zijn geen eenduidige cijfers over de invoer van producten afkomstig uit de onrechtmatige nederzettingen en vervolgens hoe dit al dan niet raakt aan de Palestijnse economie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wel is duidelijk, blijkens onderzoek van de VN (A\u002F80\u002F356 en UNCTAD\u002FGDS\u002FAPP\u002F2026\u002F1), dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden een desastreuze impact heeft op de Palestijnse economie. De totale economische kosten voor de Palestijnse economie van de bezetting gerelateerde maatregelen tussen 2000 en 2024 worden geschat op 212,2 miljard dollar, dat is ruim negentien keer het BBP van de Palestijnse economie in 2024.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>54\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan het kabinet uitsluiten dat Palestijnse families en bedrijven geraakt worden door de maatregel? Zo ja hoe? Zo nee, hoe rechtvaardigt het kabinet deze nevenschade aan de Palestijnse economie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De maatregel is gericht op onrechtmatige Israëlische nederzettingen in bezet gebied en het geven van nadere invulling aan de Nederlandse internationaalrechtelijke verplichting om niet bij te dragen aan deze onrechtmatige situatie. Het kabinet kan niet geheel uitsluiten dat Palestijnse families en bedrijven geraakt worden door de maatregel.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>55\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan het kabinet uitsluiten dat, op grond van besteedbaar inkomen, Palestijnse families die betrokken zijn in de productieketen niet relatief harder geraakt worden dan Israëlische bedrijven? Zo ja, hoe?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee. Dit is niet uit te sluiten, maar tegelijkertijd onaannemelijk omdat de maatregel zich richt op de onrechtmatige Israëlische nederzettingen. Zie ook de antwoorden op vragen 53 en 54.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>56\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk effect beoogt u met het tijdelijk sanctiebesluit en op welke indicatoren kan het kabinet aangesproken worden bij de eerste evaluatie? Kunt u zo nauwkeurig mogelijk de doelstellingen beschrijven die u beoogt met het instellen van het tijdelijk sanctiebesluit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Tijdelijk sanctiebesluit geeft nadere invulling aan de internationaalrechtelijke verplichting van Nederland om maatregelen te nemen om te voorkomen dat (economische) activiteiten bijdragen aan de instandhouding van de onrechtmatige bezetting.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de nota van toelichting wordt ingegaan op het advies van het ATR om de werking van de verklaringsverplichting bij de invoer van goederen van oorsprong uit Israël onder niet-preferentiële voorwaarden te monitoren en deze tussentijds en na maximaal een jaar te evalueren. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal in samenspraak met de Douane bepalen op basis van welke informatie en variabelen de werking van de verklaringsverplichting in kaart kan worden gebracht, zodat monitoring kan plaatsvinden vanaf het moment van inwerkingtreding en er sprake is van betekenisvolle evaluatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>57\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke juridische mogelijkheden zijn er voor bijvoorbeeld importeurs of Israëlische bedrijven om de sanctiemaatregel aan te vechten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Indien daartoe aanleiding zou zijn, staat daarvoor de civielrechtelijke weg open.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>58\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer verwacht u de Kamer te kunnen informeren over uitkomsten van de onderzoeken van de verdere (juridische) mogelijkheden ten aanzien van diensten en investeringen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet verwacht uw Kamer hier op korte termijn over te kunnen informeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>59\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vindt u het proportioneel om Palestijnen te treffen met het tijdelijk sanctiebesluit? Vindt u het doelmatig en doeltreffend om Palestijnen te treffen met het tijdelijk sanctiebesluit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vragen 53-55.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>60\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is uw reactie op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het tijdelijk sanctiebesluit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De regering heeft in een nader rapport gereageerd op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State. Het nader rapport is als bijlage bij de brief van 21 juli 2026 (Kamerstuk 23 432, nr. 772) aan uw Kamer toegezonden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>61\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke punten past u het tijdelijk sanctiebesluit aan na het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het tijdelijk sanctiebesluit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is de nota van toelichting bij het Tijdelijk sanctiebesluit aangevuld met een toelichting op de handhaafbaarheid van de maatregelen (paragraaf 3) en reden voor afzien van internetconsultatie (paragraaf 8.4). Het advies gaf geen aanleiding tot aanpassing van het Tijdelijk sanctiebesluit zelf.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>62\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat het tijdelijk sanctiebesluit de facto (dus niet de jure) vanwege de demografische samenstelling van Israëliërs op de Westbank zich uiteindelijk specifiek richt op etnische Joden in de Westbank en de mogelijkheid om goederen te exporteren? Zo ja, hoe verwerpt het kabinet een mogelijk verwijt dat de maatregel discriminatoir dan wel antisemitisch zou zijn?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Tijdelijk sanctiebesluit is gericht op goederen en geldt onafhankelijk van nationaliteit of religie van de exporteur of producent. Het besluit geeft een nadere invulling aan internationaalrechtelijke verplichtingen. Het kabinet verwerpt dan ook enig verwijt van discriminatie of antisemitisme.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>63\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gaat het bij het sanctiebesluit enkel om mensen die illegaal aan hun bezit zijn gekomen? Hoe definieert het kabinet illegaal in het licht van eigendomsclaims? Stelt het kabinet dat ook Israëliërs wiens familie aantoonbaar eigenaar zijn van grond (danwel aangekocht na 1967 van Palestijnen, dan wel eerder op grond van Ottomaansrecht) illegaal aanwezig zijn? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot het eigendomsrecht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De afbakening in het Tijdelijk sanctiebesluit richt zich op de oorsprong van goederen uit een onrechtmatige nederzetting in door Israël bezette gebieden, niet op bevolkingsgroepen of de nationaliteit of religieuze overtuigingen van exporteurs of producenten. Die oorsprong wordt bepaald aan de hand van de EU-postcodelijst, en is onafhankelijk van de al dan niet rechtmatige eigenaar van een bepaald stuk grond.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>64\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat gebeurt er met het nationale verbod als er steun blijkt te zijn voor een EU-breed importverbod?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet is voorstander van een EU-breed importverbod en zet zich daar onverminderd voor in. Afhankelijk van de inhoud van een EU-verbod, zou de nationale maatregel overbodig kunnen worden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>65\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel tijd gaat er doorgaans overheen voor er een wetgevingsvoorstel van de Commissie ligt? Kan dit ook sneller?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Commissie heeft het initiatiefrecht om met wetgevingsvoorstellen te komen, en is daarbij niet gebonden aan een bepaalde termijn. EU-lidstaten kunnen de Commissie vragen met een voorstel te komen, waarvoor een simpele meerderheid voldoende is. Zoals ook is toegelicht in antwoord op vragen 16, 64, 75 en 114, zet het kabinet zich onverminderd in voor een voorstel voor een EU-importverbod, voor het zo snel mogelijk presenteren van een dergelijk voorstel, en voor het vergroten van draagvlak onder EU-lidstaten om een dergelijke maatregel te steunen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>66\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ziet u andere mogelijkheden om de druk op de Israëlische regering te verhogen? En is de verwachting dat op deze manier de druk verhogen iets gaat veranderen aan de nederzettingenpolitiek van deze regering?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Tijdelijk sanctiebesluit geeft nadere invulling aan de internationaalrechtelijke verplichting die derde staten hebben om maatregelen te nemen om te voorkomen dat (economische) activiteiten bijdragen aan de instandhouding van de onrechtmatige bezetting. Er is daarnaast voortdurende druk op Israël nodig voor het realiseren van een gedragsverandering, met name als het gaat om de humanitaire situatie in Gaza en de steeds verder verslechterende situatie in de Westelijke Jordaanoever. Zoals verzocht via verschillende moties uit de Kamer blijft het kabinet werken aan draagvlak voor de maatregelen die de Europese Commissie heeft voorgesteld naar aanleiding van de evaluatie van de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Ook blijft het kabinet zich inzetten voor aanvullende sancties tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties, en tegen Hamas en Palestinian Islamic Jihad.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>67\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Erkent het kabinet dat er sprake is van gemengde toeleveringsketens bij producten afkomstig uit de bezette Palestijnse gebieden? Klopt het dat sommige producten bevatten grondstoffen, verpakking, opslag of transport waarbij Israëlische en Palestijnse bedrijven samenwerken? Hoe vaak komt dit voor?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja. Het kabinet beschikt echter niet over aantallen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>68\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat veel Palestijnse export verloopt via Israëlische infrastructuur en grensovergangen loopt? Klopt het dat veranderingen in handelsstromen, bijvoorbeeld door risicomijdend gedrag door supermarkten, zo indirect economisch effect hebben op Palestijnse ondernemingen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het klopt dat Israël de grensovergangen, havens en exportprocedures controleert, waardoor Palestijnse producten (gedeeltelijk) de internationale markten bereiken via Israëlische logistieke kanalen. Zie verder ook het antwoord op vragen 53-55.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>69\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>VNVR 465 (1980); Zijn er staten geweest die kort na aanname van deze resolutie in praktische zin gevolg hebben gegeven aan de oproep om geen assistentie te verlenen aan Israël die gebruikt zou kunnen worden in verband met de nederzettingen in bezet gebied? Welke staten zijn dat en wat hebben die staten gedaan?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet beschikt niet over een overzicht van de nationale maatregelen die VN-lidstaten hebben genomen om opvolging te geven aan resolutie 465 van de VN-Veiligheidsraad.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>70\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn er naast de landen die al een importverbod hebben andere landen in de EU die op dit moment een importverbod aan het voorbereiden zijn? Zo ja, welke landen zijn dat?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Spanje heeft reeds een maatregel genomen. Daarnaast doorlopen ook België en Ierland het nationale proces. In België is de nationale maatregel goedgekeurd en voorgelegd aan de Belgische Raad van State. In treedt de maatregel half september in werking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>71\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe verhoudt de voorliggende spoedwet zich tot de nog te behandelen sanctiewet die de sanctiewet van 1977 moet vervangen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Tijdelijk sanctiebesluit vindt zijn grondslag in de Sanctiewet. Het betreft momenteel artikel 2, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 en als het voorstel voor de Wet internationale sanctiemaatregelen tot wet wordt verheven betreft het artikel 2.2.1 van die wet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>72\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat gaat u doen om te voorkomen dat bedrijven proberen onder het importverbod uit te komen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vraag 5.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>73\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is bij het opstellen van de AMvB rekening gehouden met onbedoelde neveneffecten zoals de werkgelegenheid van Palestijnen in de Israëlische nederzettingen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie de antwoorden op vragen 53-55.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>74\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat er sprake zijn van “Turkse kolonisten” die van het vasteland naar bezet Cyprus komen? Hoe verhoudt dat zich tot de situatie in de bezette Palestijnse gebieden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet beoordeelt elke situatie op zijn eigen merites. De situaties in de door Israël bezette gebieden en het noorden van Cyprus zijn niet gelijk en dat geldt ook voor het kabinetsbeleid ten aanzien van deze gebieden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>75\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Goederen die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling op grond van o.a. het associatieakkoord EU-Israël vormen een uitzondering op het toepassingsgebied van dit besluit. Betekent dit dat met dit voorstel de handelsrelatie met Israël niet wordt aangetast? En wat gebeurt er als er alsnog een meerderheid in de EU blijkt te zijn voor opzegging van het handelsdeel van het associatieakkoord?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Tijdelijk sanctiebesluit beoogt de handel in goederen afkomstig uit een onrechtmatige nederzetting in de door Israël bezette gebieden te verbieden. Dat betreft niet goederen van oorsprong uit Israël zoals opgenomen in het Associatieakkoord tussen de EU en Israël. Daarmee wordt de handelsrelatie met Israël niet aangetast, zodat de maatregel de rechten en verplichtingen van de EU en EU-lidstaten uit dit akkoord respecteert.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op dit moment is er binnen de EU geen draagvlak voor het gedeeltelijk opschorten van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord. Het opschorten van het handelsdeel van het Associatieakkoord zou de handelsrelatie met Israël wel raken, omdat het Associatieakkoord van toepassing is op gebieden die volgens de afspraken uit 1967 onder Israël vallen, en handel onder preferentiële voorwaarden niet meer mogelijk zou zijn of beperkt zou worden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>76\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is een particulier die tijdens een verblijf in een nederzetting of in Oost-Jeruzalem een product aanschaft en dit vervolgens meeneemt naar Nederland, strafbaar op grond van het sanctiebesluit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 27, valt de aanschaf van producten buiten de EU niet onder de reikwijdte van het Tijdelijk sanctiebesluit. Voor zover het echter producten betreft uit een postcodegebied dat op de EU-postcodelijst staat, valt dat product in beginsel onder de reikwijdte van dit besluit en is de invoer ervan in Nederland strafbaar.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>77\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn de belangrijkste productcategorieën van goederen afkomstig uit de Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogten die vanuit Nederland worden geïmporteerd, en wat is de geschatte jaarlijkse importwaarde van deze producten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de beschikbare data is het slechts mogelijk om op basis van aannames een inschatting te maken van de handelsstroom in goederen naar Nederland die als oorsprong deze nederzettingen hebben. Een rapport van de Wereldbank kan als startpunt worden genomen. In dit rapport is de inschatting van de Israëlische regering uit 2010 opgenomen dat de goederenexport van de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever naar Europa destijds USD 300 miljoen bedroeg, wat ongeveer 1,5% van de Israëlische goederenexport bedroeg.[1] Recent publiceerde de Israëlische krant Globes de inschatting dat nederzettingsproducten ongeveer 1% van de Israëlische goederenexport zou zijn. [2] De goederenimport van Nederland uit Israël was in 2025 EUR 1,978 miljard.[3] Wanneer deze cijfers als basis voor een ruwe berekening worden gehanteerd kan geschat worden dat de waarde van de import van goederen waarschijnlijk enkele tientallen miljoenen euro bedraagt. Op basis van anekdotisch bewijs lijken de belangrijkste productcategorieën landbouwproducten als olijfolie, citrusvruchten, dadels en wijn te zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>78\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is bij de voorbereiding van het sanctiebesluit overleg gevoerd met de Duitse Bondsregering over de daar gehanteerde aanpak ten aanzien van de Boycot, Desinvestering en Sancties (BDS)-beweging en\u002Fof maatregelen rond producten afkomstig uit nederzettingen? Zo ja, welke inzichten zijn daarbij betrokken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>79\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Heeft de Nederlandse inzet voor handelspolitieke maatregelen op het niveau van de EU tegen de onrechtmatige nederzettingen steeds conform de genoemde motie Van Campen\u002F Boswijk plaatsgevonden, dus gericht op een importverbod op producten uit illegale Israëlische burgernederzettingen in de Westelijke Jordaanoever buiten de Groene Lijn, opgericht zonder wettige grond, vaak op Palestijns privéland en in strijd met internationaal recht, en dit verbod te richten op producten van kolonisten die zich schuldig maken aan landonteigening of andere ernstige misdrijven? Zo nee, waarom niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie onder meer de correspondentie met de Kamer over bijeenkomsten van de Raad Buitenlandse Zaken, waarin de Nederlandse inzet en de aansluiting bij door de Kamer aangenomen moties is toegelicht. Zie ook de nota van toelichting bij het Tijdelijk sanctiebesluit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>80\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is de reden dat het tijdelijk sanctiebesluit afwijkt van het importverbod conform motie Van Campen\u002F Boswijk, dus gericht op producten uit illegale Israëlische burgernederzettingen in de Westelijke Jordaanoever buiten de Groene Lijn, opgericht zonder wettige grond, vaak op Palestijns privéland en in strijd met internationaal recht, en dit verbod te richten op producten van kolonisten die zich schuldig maken aanlandonteigening of andere ernstige misdrijven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Tijdelijk sanctiebesluit is ingericht met het oog op het zo snel mogelijk opzetten van een effectieve en handhaafbare nationale maatregel gericht op het tegengaan van de invoer van producten afkomstig uit de onrechtmatige Israëlische nederzettingen, conform verschillende moties. Het richt zich bewust niet op bevolkingsgroepen, maar op de onrechtmatige Israëlische nederzettingen en de internationaalrechtelijke verplichting voor derde staten om niet bij te dragen aan het in stand houden van die onrechtmatige situatie. Het is hierbij juridisch zuiver om te richten op onrechtmatige nederzettingen en hiervoor worden de door EU vastgestelde postcodelijsten gehanteerd. Het is onwenselijk en onuitvoerbaar om per individu te bepalen of zij onder het besluit zouden moeten vallen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>81\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Was de sanctiemaatregel beter handhaafbaar gewest als deze zou zijn vormgegeven conform de definitie uit de genoemde motie-Van Campen\u002F Boswijk, dan deze variant waarbij niet uitgesloten kan worden dat Palestijnse ondernemers worden geraakt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee, de inschatting is dat dit niet het geval is. Het exacte voorstel zoals gedaan in motie Van Campen\u002FBoswijk bevat veel verschillende elementen en zou vanwege de benodigde bewijslast veel moeilijker handhaafbaar zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>82\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hebben eerdere kabinetten nationale maatregelen getroffen om handel in of economische betrokkenheid bij producten uit gebieden die onder bezetting staan of waarvan de soevereiniteit internationaal wordt betwist, te beperken, zoals de Westelijke Sahara of Noord-Cyprus? Zo ja, welke maatregelen? Zo nee, waarom is daar in het verleden van afgezien?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee. Het kabinet beoordeelt elke situatie op zijn eigen merites. De situaties in de door Israël bezette gebieden, de Westelijke Sahara en het noorden van Cyprus zijn niet gelijk – en dat geldt ook voor het kabinetsbeleid ten aanzien van deze gebieden. Met het Tijdelijk sanctiebesluit geeft het kabinet nadere invulling aan het IGH-advies van 19 juli 2024, en aan aanbevelingen in verschillende VN-resoluties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>83\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onder welke omstandigheden concludeert u dat het besluit onvoldoende handhaafbaar is en aanpassing of intrekking noodzakelijk is?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Handhaafbaarheid vormt onderdeel van de doorlopende gesprekken over de implementatie van het besluit. Indien daartoe aanleiding bestaat, zal het kabinet aanpassingen overwegen. Het kabinet is zich ervan bewust dat het Tijdelijk sanctiebesluit uitdagingen kent op het gebied van de handhaafbaarheid. Het besluit dient, zoals in het antwoord op eerdere vragen gesteld, bovenal om nadere invulling te geven aan internationaalrechtelijke verplichtingen van Nederland.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>84\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke minimale handhavingsresultaten acht u noodzakelijk om te kunnen concluderen dat het besluit meer is dan een voornamelijk symbolische maatregel?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet is zich ervan bewust dat het Tijdelijk sanctiebesluit handhavingsuitdagingen kent, maar onderstreept het belang van de maatregel, zowel op economisch vlak als vanwege het stevige politieke signaal. Het besluit dient, zoals in het antwoord op eerdere vragen gesteld, bovenal om nadere invulling te geven aan internationaalrechtelijke verplichtingen van Nederland. Daarnaast heeft het kabinet middels de in de nota van toelichting genoemde drietrapsaanpak, het invoerverbod, diverse markttoezichtmaatregelen (aankoopverbod, verkoopverbod en het verbod op het verlenen van tussenhandeldiensten) en het omzeilingsverbod, en de verklaringsverplichting de handhavingsuitdagingen zoveel mogelijk proberen te mitigeren. Het kabinet heeft bovendien de handhaafbaarheid bevorderd door zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande systematiek en verplichtingen bij sancties en de handhaving daarvan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>85\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan het kabinet een overzicht geven van handels- en economische maatregelen die de Europese Unie (en haar rechtsvoorgangers) of individuele EU-lidstaten hebben getroffen ten aanzien van producten afkomstig uit gebieden die onder bezetting staan of waarvan de soevereiniteit internationaal wordt betwist?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoewel het geen handelsbeperkende maatregel betreft, dient hier te worden genoemd dat de EU onrechtmatige nederzettingen in door Israël bezette gebieden uitsluit van preferentiële behandeling onder het EU-Israël Associatieakkoord.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Na de Russische annexatie van de Krim in 2014 werd door de EU een maatregel opgesteld ten aanzien van producten uit de Krim, waarbij er een uitzondering was voor producten met een Oekraïens oorsprongscertificaat. Deze maatregelen zijn nadien uitgebreid. In 1982 stelde de Europese Economische Gemeenschap een embargo in tegen import uit Argentinië in reactie op de bezetting van de Falklandeilanden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook heeft een aantal individuele EU-lidstaten maatregelen getroffen. Wat betreft de onrechtmatige nederzettingen in door Israël bezette gebieden hebben Spanje en Ierland een maatregel getroffen en doorloopt België momenteel het nationale proces om de maatregelen in te stellen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>86\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u nader uiteenzetten waarom de nationale maatregel recht doet aan ‘de urgentie van de situatie’?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals ook in paragraaf 1 van de nota van toelichting bij het Tijdelijk sanctiebesluit is verwoord, heeft Israël sinds het uitbrengen van het advies door het IGH op 19 juli 2024 en de aanname van Resoluties ES-10\u002F24 en A-79\u002F90 geen stappen in de juiste richting ondernomen voor wat betreft de naleving van aanbevelingen met betrekking tot de verplichtingen van Israël onder internationaal recht inzake de Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogvlakte. Zo is Israël onder het bezettingsrecht verplicht om het verbod op gedwongen verplaatsing van de lokale Palestijnse bevolking en het verbod op het overbrengen van de eigen bevolking naar bezet gebied te respecteren. Sindsdien is de situatie enkel verslechterd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>87\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe vaak is op grond van de Sanctiewet 1977 gebruikgemaakt van de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur een sanctiebesluit vast te stellen, en in welke gevallen heeft dit geleid tot handels- of economische beperkingen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Van de mogelijkheid om op basis van artikel 2, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 bij algemene maatregel van bestuur een sanctiebesluit vast te stellen met dergelijke handels- of economische beperkingen is niet eerder gebruik gemaakt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>7\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>88\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke goederen komen in aanmerking voor preferentiële behandeling en worden daarmee niet gesanctioneerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In protocol I bij het EU-Israël Associatieakkoord is een overzicht opgenomen van de producten die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling bij invoer in de EU. Dit geldt, zoals opgenomen in Protocol 4 van het akkoord, voor producten waarvan aangetoond kan worden dat ze volledig verkregen, voldoende bewerkt of verwerkt zijn in Israël binnen de grenzen van 1967.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>7\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>89\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op basis van welke parlementaire behandeling, toezeggingen of andere democratische legitimatie is ervoor gekozen om in de AMvB naast een importverbod ook een aankoop-, verkoop- en tussenhandelsverbod op te nemen? Gaat het kabinet, met andere woorden, verder dan waar de Kamer via moties om gevraagd heeft?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op grond van de Sanctiewet 1977 kan de regering ter voldoening aan aanbevelingen van organen van internationale organisaties alle regels stellen die zijn vereist ter voldoening aan die aanbevelingen (artikel 2, eerste lid, en 3, eerste en tweede lid). De maatregelen zijn daarmee gebaseerd op en in overeenstemming met een wettelijke grondslag. Het kabinet geeft invulling aan de moties van de Kamer met het nemen van deze nationale maatregel en maakt het met het verbod op aankoop, verkoop en tussenhandeldiensten de maatregelen beter uitvoerbaar en handhaafbaar dan met een louter invoerverbod.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>8\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>90\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Erkent u dat inmiddels een incongruente positionering van het kabinet is ontstaan ten aanzien van het enerzijds respecteren van geldend internationaal recht en tevens een IGH-advies volledig omarmen dat ten aanzien van de oproep tot volledige evacuatie van Israëliërs uit Area C gebieden en de Oude stad van Jeruzalem? Hoe verhoudt dit zich tot de grondwettelijke taak om de rechtsorde te bevorderen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee. De Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden en de Syrische Golanhoogvlakte en de nederzettingen aldaar zijn onrechtmatig. Nederland heeft als derde staat de internationaalrechtelijke verplichting niet bij te dragen aan de instandhouding van deze onrechtmatige situatie. Het kabinet schaart zich achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet blijft zich inzetten voor een tweestatenoplossing. Dat betekent een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse Staat naast een veilig Israël. De Israëlische nederzettingen zijn een belangrijk twistpunt als het gaat om een toekomstige tweestatenoplossing. Het kabinet kan niet vooruitlopen op de invulling hiervan. Uiteindelijk zullen afspraken hierover onderdeel moeten zijn van een breed akkoord waarin beide partijen hun veiligheid en identiteit gewaarborgd zien. Zie ook het antwoord op vraag 31.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>91\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke capaciteit vergt adequate handhaving van de markttoezichtmaatregelen en is deze voorhanden bij Douane en FIOD?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De capaciteit die voor de handhaving van dit sanctiebesluit wordt ingezet, zal komen uit capaciteit die nu wordt ingezet voor andere handhavingsgebieden waarvoor het ministerie van Buitenlandse Zaken opdrachtgever is. De Douane heeft in zijn uitvoeringstoets aangegeven vanuit het oogpunt van capaciteit geen risico&#x27;s voor de handhaving te zien.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>12\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>92\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt bepaald welke producten precies onder het verbod vallen (bijvoorbeeld bij gemengde productie, botteling in betwiste gebieden, of producten uit Oost-Jeruzalem), en hoe wordt juridisch consistente toepassing gewaarborgd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit wordt bepaald aan de hand van de oorsprongsbepaling in artikel 2 van het Tijdelijk sanctiebesluit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>12\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>93\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt omgegaan met producten van Israëlische bedrijven die al ver voor 1967 bestonden, maar waarvan productie, vestiging of economische activiteiten zich (mede) op de Westelijke Jordaanoever bevinden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze producten kennen geen uitzonderingspositie in het Tijdelijk sanctiebesluit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>12\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>94\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan het aanbieden van producten afkomstig uit de in het sanctiebesluit bedoelde nederzettingen door bijvoorbeeld horecabedrijven, of het verstrekken daarvan aan consumenten, worden aangemerkt als een verboden handeling of als medeplichtigheid aan een verboden handeling?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Als met deze handelingen gesanctioneerde producten worden verkocht op de Europese markt (in het besluit aangeduid als “in de handel worden gebracht” of “op de markt worden aangeboden”), zijn deze handelingen verboden. Dit geldt ook voor pogingen daartoe en medeplichtigheid daaraan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>11\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>95\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wordt consumptie van goederen afkomstig uit nederzettingen ook aangemerkt als een verboden handeling of als medeplichtigheid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>11\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>96\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan juridisch onderbouwd en toegelicht worden hoe ‘de openbare orde’ in het geding is bij het importeren van goederen uit Judea en Samaria? Waarom oordeelt het kabinet dat er bij deze buitenlandpolitieke kwestie sprake zou zijn van een &#x27;voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel maatschappelijk belang&#x27;?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In zijn advies wijst het IGH op de verplichting voor VN-lidstaten om maatregelen te nemen om handels- of investeringsrelaties te voorkomen die bijdragen aan het in stand houden van de onrechtmatige situatie die door Israël is gecreëerd in de bezette Palestijnse gebieden. Met deze maatregel geeft de regering invulling aan deze op Nederland rustende verplichting.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>EU-rechtelijk beroept Nederland zich in dit verband op de openbare orde-exceptie uit de invoerverordening. Een beroep op de openbare orde ter bescherming van de menselijke waardigheid en fundamentele rechten kan door een lidstaat legitiem worden ingeroepen volgens de rechtspraak van het EU-Hof. Ook biedt het Unierecht ruimte voor een beroep op de openbare orde om te voldoen aan internationaalrechtelijke verplichtingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>15\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>18\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>97\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke risico-inschatting heeft het kabinet gemaakt ten aanzien van een mogelijke inbreukprocedure door de Europese Commissie op grond van artikel 258 VWEU wegens strijdigheid met de exclusieve EU-bevoegdheid op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet meent dat van strijd met de exclusieve bevoegdheid van de EU geen sprake is, omdat de EU-invoerverordening voorziet in de mogelijkheid van optreden door lidstaten op dit terrein, ter bescherming van de openbare orde.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>15\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>21\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>98\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe weegt het kabinet, naast het genoemde belang van de vrijheid van ondernemerschap, de negatieve sociaaleconomische gevolgen van het sanctiebesluit voor (Palestijnse) werknemers?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie de antwoorden op vragen 53-55.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>15\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>22\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>99\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Heeft de verwijzing naar bepaalde textielproducten met een eigen invoerregeling betrekking op textielproducten afkomstig uit Xinjiang, waaronder kleding die mogelijk verband houdt met dwangarbeid door Oeigoeren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>23\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>100\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Betekent het ontbreken van overgangsrecht dat goederen die voor de inwerkingtreding van het sanctiebesluit rechtmatig in Nederland aanwezig waren, na inwerkingtreding niet meer mogen worden verkocht of verhandeld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja, dat klopt. De goederen die onder de reikwijdte van de maatregelen vallen mogen na inwerkingtreding van het besluit niet meer worden verhandeld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>31\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>33\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>101\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Maakt het besluit onderscheid tussen het in de handel brengen en op de markt aanbieden van een product en het uiteindelijke gebruik of de consumptie daarvan door een consument?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja. In het besluit wordt het in de handel brengenen het op de markt aanbieden van een goed verboden. De consumptie van de goederen wordt niet verboden in dit besluit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>31\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>35\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>102\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke omstandigheden of ontwikkelingen kunnen aanleiding geven tot het opheffen van de sancties, anders dan het automatisch vervallen van het sanctiebesluit na drie jaar?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland heeft de internationaalrechtelijke verplichting om niet bij te dragen aan het in stand houden van de onrechtmatige Israëlische nederzettingen en heeft beleidsvrijheid om te bepalen op welke wijze daaraan invulling wordt gegeven. Het kabinet kiest ervoor om dit met deze maatregelen te doen. Het kabinet zal in dit kader blijven wegen – mede gegeven de actuele situatie – hoe het omgaat met het Tijdelijk sanctiebesluit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>33\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>103\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat de huidige labelingmaatregelen vooral gericht zijn op handel, maar dat, doordat ook kopen onder de sanctiemaatregel valt, daarmee ook particulieren worden geraakt? Zo ja, hoe gaat de douane om met producten die gekocht zijn door vakantiegangers in Israël? Wat gebeurt er als blijkt dat deze particuliere vakantiegangers het sanctiebesluit overtreden? Welke (cel)straf rust er op hen? Hoe gaat het kabinet dit handhaven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook particulieren zullen zich aan het Tijdelijk sanctiebesluit moeten houden. Producten afkomstig uit de onrechtmatige nederzettingen mogen niet door particulieren Nederland worden binnengebracht of op de markt van de EU worden aangekocht. Eenieder die de handelsverboden schendt, pleegt een strafbaar feit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Als het strafbaar feit opzettelijk is begaan, kan de overtreder bestraft worden met een gevangenisstraf van maximaal zes jaar, een taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie. Ingeval van niet-opzettelijke overtreding geldt een hechtenis van maximaal een jaar, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie. Hierbij wordt volledigheidshalve opgemerkt dat dit maximumstraffen zijn en dat het aan de rechter is om per strafbaar feit, rekening houdend met de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de dader, een passende en proportionele straf te bepalen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>104\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Geldt het importverbod ook voor niet-Nederlanders die op Schiphol landen met producten afkomstig uit de bezette Palestijnse gebieden? Zo nee, klopt het dat voor niet-Nederlandse vakantiegangers een ander regime geldt dan voor Nederlandse vakantiegangers?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het invoerverbod geldt voor alle reizigers die via Schiphol Nederland binnenkomen. Voor transfer-passagiers die via Schiphol doorreizen naar een andere bestemming en Nederland niet binnenkomen, geldt dit verbod niet aangezien geen invoer plaatsvindt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>105\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is de juridische definitie van een kolonist volgens het kabinet in de context van het tijdelijke sanctiebesluit en de nota van toelichting?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De definitie van kolonist is niet relevant voor de nationale maatregel en wordt daarom ook niet gedefinieerd in het Tijdelijk sanctiebesluit. Relevant is de oorsprong van een product.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>4\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>106\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vallen volgens u onder de term ‘kolonist’ in de context van het tijdelijk sanctiebesluit ook andere groepen dan Joodse families?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vraag 105.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>4\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>107\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Erkent het kabinet dat landruil al langer als realistische mogelijk wordt gezien bij een mogelijke definitieve tweestatenoplossing? Op welke manier verhoudt dit gegeven zich tot het door het kabinet omarmde IGH-advies en daarmee het tijdelijk sanctiebesluit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vragen 41, 45 en 90.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>4\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>108\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is Resolutie 181 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties onderdeel van het internationaal recht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Resoluties van de Algemene Vergadering van de VN (AVVN) zijn als zodanig juridisch niet bindend, inclusief resolutie 181. Over het algemeen worden aan AVVN resoluties niet hetzelfde gewicht toegekend als aan verdragen of internationaal gewoonterecht. Desalniettemin worden dergelijke resoluties in de praktijk wel gebruikt om normen als vastgelegd in verdragen of gewoonterecht te interpreteren. Daarnaast worden resoluties ook gebruikt om het bestaan van een internationaalrechtelijke regel vast te stellen. Volgens het Internationaal Gerechtshof is het afhankelijk van de bewoording en totstandkoming (verhouding en resultaat van stemmingen) of aan een AVVN resolutie meer of minder gewicht kan worden toegekend In bepaalde gevallen kan een AVVN resolutie een weerspiegeling vormen van het internationaal recht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>109\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat een IGH-advies niet bindend is? Klopt het dat een niet bindend advies niet gelijkgesteld kan worden aan geldend internationaal recht en bindende en nog steeds geldende afspraken gemaakt tussen twee partijen, zoals de Oslo-akkoorden? Klopt het dat landen die het IGH-advies niet besluiten op te volgen niet in strijd met internationaalrechtelijke verplichtingen handelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Adviezen van het Internationaal Gerechtshof zijn niet juridisch bindend, maar bevatten wel een beschrijving van het geldende internationaal recht. Aan dat geldende recht zijn alle staten gebonden. De Oslo-akkoorden zijn afspraken tussen Israël en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) en gelden als zodanig tussen beide partijen. Zoals bevestigd in het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024 doen deze afspraken geen afbreuk aan de verplichtingen van Israël onder het internationaal recht, waaronder het bezettingsrecht dat van toepassing is in de door Israël bezette Palestijnse Gebieden. Zo is Israël onder het bezettingsrecht onder meer verplicht om het verbod op gedwongen verplaatsing van de lokale Palestijnse bevolking en het verbod op het overbrengen van de eigen bevolking naar bezet gebied te respecteren. Israël is daarnaast gebonden aan het verbod op annexatie afgeleid uit het VN Handvest en moet het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk respecteren. De Oslo-akkoorden doen hier niet aan af.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>110\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is uw reactie op de afwijkende mening (‘dissenting opinion’) van vicepresident Sebutinde, zoals te lezen is in de bijlage bij de samenvatting van het IGH-advies?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een dissenting opinion, zoals die van rechter Sebutinde, geeft niet de opinie weer van de meerderheid van de rechters van het IGH, die het standpunt van het IGH bepaalt. Het kabinet heeft notie genomen van deze mening, maar ziet geen aanleiding op basis hiervan een ander standpunt in te nemen over het geldende internationaal recht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>111\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is de toegang van Joden tot de Klaagmuur nog gegarandeerd als Israël, in lijn met het IGH-advies van 2024, zijn aanwezigheid in de Oude Stad moet beëindigen? Hoe ziet het kabinet voor zich, aangezien in elk gebied waar Palestijnen het momenteel voor het zeggen hebben, Joden niet aanwezig mogen zijn?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vraag 45.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>112\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waarom onthield Nederland zich van stemming bij AVVN-resolutie ES-10\u002F24? Welke overwegingen lagen hieraan ten grondslag?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland was een van de 43 landen die zich op 18 september 2024 onthield van stemming bij AVVN-resolutie ES-10\u002F24. Nederland kon zich in grote lijnen vinden in de aanbevelingen en bewoordingen van de resolutie, maar had enkele tekstuele bezwaren zoals ook toegelicht in de stemverklaring. Daarin heeft Nederland het belang van het IGH benadrukt, maar toegelicht dat de onthouding mede was ingegeven door het feit dat de resolutie geen vermelding maakte van de aanvallen van Hamas en andere groeperingen op 7 oktober 2023. Daarnaast ging de AVVN-resolutie op een aantal punten verder dan het IGH-advies van 19 juli 2024, zoals het stellen van een specifieke tijdsperiode waarbinnen de terugtrekking van Israël uit de bezette Palestijnse Gebieden (inclusief Gaza) moest plaatsvinden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>113\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u een overzicht bieden van alle lidstaten die gehoor hebben gegeven aan de oproepen uit AVVN-resolutie ES-10\u002F24?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet heeft geen overzicht van alle VN-lidstaten die uitvoering hebben gegeven aan deze AVVN-resolutie. Resolutie ES-10\u002F24 verzocht de secretaris-generaal van de Verenigde Naties om binnen drie maanden te rapporteren over de implementatie van de resolutie, inclusief de door lidstaten ondernomen acties. Het op 19 december 2024 gepubliceerde rapport (A\u002F79\u002F588) bevat een overzicht van reacties van 32 VN lidstaten en observers met hun ondernomen acties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>114\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat heeft het zoeken naar samenwerking met andere landen tot nu toe opgeleverd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Mede door Nederlandse inzet om het draagvlak in EU-verband te vergroten, was er op 15 juni jl. een meerderheid in de Raad Buitenlandse Zaken die de Commissie verzocht met opties te komen voor handelspolitieke EU-maatregelen gericht op de nederzettingen. Daarnaast waren de gesprekken die gevoerd zijn met gelijkstemde lidstaten over verschillende overwegingen in het opstellen van een nationale maatregel waardevol in het proces.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>8\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>115\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat het kabinet deze passage uit het IGH-advies uit 2024 volledig overneemt als kabinetsstandpunt: “Israël moet zo snel mogelijk een einde maken aan zijn aanwezigheid in de bezette Palestijnse Gebieden, onmiddellijk stoppen met uitbreiding van de nederzettingen en alle kolonisten in de bezette Palestijnse Gebieden evacueren.”? Zo ja, hoe ziet een volledige evacuatie van aanwezigheid van kolonisten er praktisch uit volgens het kabinet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vragen 41, 45 en 90.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>116\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Betekent het evacueren van alle kolonisten, zoals het kabinet via het IGH advies inmiddels als standpunt hanteert, dat feitelijk alle mannen, vrouwen en kinderen van Israëlische afkomst uit Oost-Jeruzalem inclusief de Oude stad, de Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogte moet vertrekken voordat er sprake kan zijn van een rechtmatige situatie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee. Zie het antwoord op vragen 41, 45 en 90.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>117\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel mannen, vrouwen en kinderen wonen in totaal in de gebieden die volgens het kabinet geëvacueerd zouden moeten worden om tot een voor het kabinet rechtmatige situatie te komen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vragen 41, 45 en 90.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>118\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre verhoudt de afbakening in het tijdelijk sanctiebesluit zich tot de uitspraak van voormalig Kamerlid Boswijk (CDA), mede-indiener van de genoemde motie-Paternotte c.s., de heer Boswijk (CDA): “Dan over de inwoners van Oost-Jeruzalem. Als een joodse Israëliër, een christen of een Arameeër daar aantoonbaar al generaties woont, dan is het natuurlijk overduidelijk dat die mensen niet geraakt worden. Het gaat over de mensen die illegaal aan hun bezit zijn gekomen. Het gaat erom dat we dat onrecht aanpakken.”? Klopt het dat deze afbakening niet gevolgd noch gegarandeerd kan worden door het kabinet met dit besluit? Zo ja, erkent het kabinet dat de motie niet uitgevoerd wordt zoals (in ieder geval) een deel van de indieners voor ogen hadden? Waarom kiest het kabinet hiervoor?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Tijdelijk sanctiebesluit richt zich bewust niet op bevolkingsgroepen, maar op de onrechtmatige Israëlische nederzettingen en de internationaalrechtelijke verplichting voor derde staten om niet bij te dragen aan het in stand houden van die onrechtmatige situatie. Het is hierbij juridisch zuiver om te richten op onrechtmatige nederzettingen en hiervoor worden de door de EU vastgestelde postcodelijsten gehanteerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het is onwenselijk en onuitvoerbaar om per individu te bepalen of zij onder het besluit zouden moeten vallen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>119\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bent u van mening dat het kabinet, totdat het sanctiebesluit van kracht wordt, geen uitvoering heeft gegeven aan VNVR-resolutie 465 (1980)?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee. Met dit besluit beoogt Nederland nadere invulling te geven aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht. Het kabinet veroordeelt het geweld tegen Palestijnse burgers en de uitbreiding van nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever, die volgens het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024 onrechtmatig door Israël wordt bezet. Dit is in lijn met het al jarenlang bestaande kabinetsstandpunt dat de nederzettingen en hun uitbreiding in strijd zijn met internationaal recht. Op initiatief van Nederland bereikte de EU in april 2026 een akkoord over een derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Nederland werkt momenteel aan een vierde pakket sancties. Sinds 2006 voert de Nederlandse regering daarnaast een ontmoedigingsbeleid ten aanzien van economische activiteiten in relatie tot de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden. Door de verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever draagt Nederland dit ontmoedigingsbeleid sinds 15 juli 2025 actiever uit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>120\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Meent u dat middels dit sanctiebesluit volledig uitvoering wordt gegeven aan alle resoluties van de Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering over dit onderwerp? Zo nee, welke maatregelen bereidt het kabinet nog voor?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Er zijn in de afgelopen jaren veel resoluties aangenomen in VN-verband over dit onderwerp. Volledige uitvoering geven aan alle resoluties over dit onderwerp is zeer lastig. Het kabinet blijft afwegen op welke wijze de Nederlandse inzet het effectiefst is en hoe deze kan bijdragen aan verbetering van de situatie in de bezette Palestijnse Gebieden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>121\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waarom heeft het kabinet ervoor gekozen om pas circa 45 jaar na dato uitvoering te geven aan VNVR-resolutie 465 (1980) en VNVR-resolutie 497 (1981)?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie de beantwoording van vraag 119.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>122\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over het aantal afgegeven verklaringen, controles, geconstateerde overtredingen, inbeslagnames, strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen? Zo nee, waarom niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vraag 6.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>12\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>15\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>123\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe denkt u juridisch te kunnen verdedigen dat deze sanctiewet wordt ingevoerd terwijl import uit bezette gebieden een onderdeel is van het gemeenschappelijk handelsbeleid en daarmee een bevoegdheid van de EU? En meer specifiek op welke manier is bescherming van de openbare orde hier aan de orde?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie de beantwoording van de vragen 8, 96 en 97.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>16\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>124\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Heeft u het standpunt dat andere EU-lidstaten te weinig doen en daarmee – meer dan Nederland - bijdragen aan het instandhouden van een internationaalrechtelijke onrechtmatige situatie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De verplichting om niet bij te dragen aan de onrechtmatige bezetting en Israëlische nederzettingen geldt voor alle staten. Hoe staten precies invulling geven aan deze verplichting is aan henzelf. Er komt derde staten een bepaalde mate van beleidsvrijheid toe. Nederland heeft ervoor gekozen met het Tijdelijk sanctiebesluit nadere invulling te geven aan deze verplichting. Als bekend ziet Nederland het liefst een EU-brede maatregel en zet zich daar ook voor in.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>17\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>125\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Sinds welke datum is volledige evacuatie van alle Israëliërs in de bezette Palestijnse gebieden en de Golanhoogte het officiële kabinetstandpunt? Heeft het kabinet de Israëlische regering al officieel toe opgeroepen tot volledige evacuatie? Zo ja, kunt u de relevante stukken naar de Kamer toesturen waaruit dat blijkt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vraag 41, 45 en 90.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>17\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>126\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Meent u dat met het verkopen van producten uit de Westelijke Sahara wordt bijgedragen aan het instandhouden van een internationaalrechtelijke onrechtmatige situatie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ten aanzien van de Westelijke Sahara is het kabinet van mening dat het mogelijk is de geografische reikwijdte van de handelsafspraken met Marokko uit te breiden tot dat gebied, waar Marokko het feitelijk gezag uitoefent. Hierbij geldt als voorwaarde dat de internationaalrechtelijke randvoorwaarden in acht worden genomen, en dat de uitspraak van het EU-Hof van 4 oktober 2024 over handelsafspraken tussen de EU en Marokko ten behoeve van de Westelijk Sahara wordt nagekomen. In dat kader heeft de Europese Commissie vorig jaar met Marokko onderhandeld over aanpassing van handelsafspraken met Marokko. Hiermee is beoogd het Associatieakkoord in lijn te brengen met de uitspraak van het EU-Hof. Het kabinet kon daarmee instemmen gezien hiermee wordt beoogd te voldoen aan de uitspraak van het EU-Hof.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>17\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>127\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de nota van toelichting staat dat de regering het ontmoedigingsbeleid actiever uitdraagt als gevolg van de verslechterende situatie in de westelijke Jordaanoever. Betekent dit dat de situatie in Gaza voor dit importverbod geen enkele rol heeft gespeeld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet heeft deze maatregelen geïntroduceerd om te voorkomen dat Nederlandse economische activiteiten bijdragen aan het bestendigen van een situatie die strijdig is met het internationaal recht. Daarnaast geeft het kabinet hiermee een duidelijk signaal af aan Israël om van koers te wijzigen ten aanzien van de bezette gebieden. Zie verder paragraaf 1 van de Nota van Toelichting van het besluit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>17\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>128\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Verlangt het kabinet in het geval van de Westelijke Sahara ook volledige evacuatie voordat er sprake is van een rechtmatige situatie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>17\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>129\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is de reden dat het sanctiebesluit behoudens eerdere intrekking drie jaar na inwerkingtreding vervalt? Verwacht u dat de rechtsgrond voor het instellen van het sanctiebesluit dan niet meer aanwezig is?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit wordt dwingend voorgeschreven in artikel 6, vierde lid, van de Sanctiewet 1977, de wet waar het Tijdelijk sanctiebesluit op is gebaseerd. Er zal tegen die tijd worden bekeken of het besluit moet worden verlengd (wat mogelijk is op grond van artikel 6, vierde lid, van de Sanctiewet 1977 bij nadere wet).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>18\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>130\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Heeft u informatie ingewonnen over de voorgenomen maatregelen bij de Europese Commissie? Wat is het standpunt van de Commissie over de nationale maatregelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet hecht waarde aan goede samenwerking met de Europese instellingen. Het kabinet heeft de Europese Commissie dan ook geïnformeerd over het voornemen tot het tijdelijk sanctiebesluit. Omdat deze nationale maatregel raakt aan competenties van de EU op het gebied van handel heeft het kabinet bovendien de Commissie formeel genotificeerd over deze maatregel. De Commissie heeft aangegeven dat zij besluiten tot nationale maatregelen (op basis van Unierechtelijke uitzonderingsgronden) bij de lidstaten laat.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>18\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>24\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>131\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe verhoudt het sanctiebesluit zich tot het feit dat het handelsrecht een exclusieve Europese bevoegdheid is, zoals de Europese Commissie in 2021 nog eens bevestigde in reactie op een voorgenomen Iers wetsvoorstel om handel met illegale nederzettingen te verbieden? Wat is er tussentijds juridisch gewijzigd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoorden op de vragen 8, 96 en 97.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>18\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>24\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>132\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Artikel 24 van de Verordening (EU) 2015\u002F478 biedt de mogelijk om verboden in te stellen vanwege de bescherming van de openbare orde; hoe valt de eerbiediging van het internationaal recht hieronder?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uit de rechtspraak van het EU-Hof volgt dat het Unierecht ruimte biedt voor een beroep op de openbare orde om aan internationaalrechtelijke verplichtingen te voldoen (zie zaak 34\u002F79, Henn en Darby, punt 27). Zie ook de antwoorden op de vragen 8, 96 en 97.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>19\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>133\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u toelichten waarom er sprake is van een ernstige bedreiging van een fundamenteel maatschappelijk belang?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het fundamenteel maatschappelijk belang is naar mening van het kabinet gelegen in het voldoen, door Nederland, aan zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, bescherming van de menselijke waardigheid en van fundamentele rechten. De eerbiediging daarvan wordt ook beoogd in de EU-rechtsorde. Zie ook de beantwoording van de vragen 96 en 97.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>20\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>134\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In beide zaken (Omega en Schmidberger) die het kabinet aanhaalt gaat het niet om het nastreven van de internationale rechtsorde; hoe haalt het kabinet alsnog een juridische grondslag uit specifiek beide aangehaalde zaken? Is dit extern juridisch getoetst? Kunnen deze documenten met de Kamer gedeeld worden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de zaken Omega (C-36\u002F02) en Schmidberger (C-112\u002F00) oordeelt het EU-Hof dat bescherming van fundamentele rechten een rechtvaardiging kan vormen voor de beperking van economische vrijheden. Het EU-Hof oordeelt dat een beroep op de openbare orde ter bescherming van de menselijke waardigheid (Omega) en een beroep op de bescherming van fundamentele rechten (Schmidberger) een legitiem belang is dat door een lidstaat kan worden ingeroepen, omdat eerbiediging daarvan ook in de EU-rechtsorde wordt beoogd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de maatregel wordt naleving van de internationale verplichtingen van Nederland nagestreefd, in de context van de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden. Het kabinet meent dat daarmee ook het belang van menselijke waardigheid en fundamentele rechten gediend worden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dat het Unierecht ruimte biedt voor een beroep op de openbare orde om te voldoen aan internationaalrechtelijke verplichtingen volgt uit het arrest Henn en Darby (zaak 34\u002F79, Henn en Darby, punt 27).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet heeft geen extern juridisch advies gevraagd. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op dit punt geen adviesopmerking gemaakt (noch dus bezwaren geuit).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>20\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>21\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>135\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt de openbare orde beschermd als producten uit de bezette Palestijnse gebieden, dan wel niet mede geproduceerd door Palestijnen, worden geweerd en alsnog via derde landen Nederland bereiken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De maatregel bevat een invoerverbod voor producten afkomstig uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden. Dergelijke producten bereiken Nederland dus in beginsel niet. Daarnaast bevat de nationale maatregel een verbod op de aankoop en verkoop van deze producten in de EU. Om onregelmatigheden te voorkomen bevat de maatregel daarnaast een verbod op omzeiling van deze verboden. Al deze verboden zijn ingegeven door bescherming van de openbare orde.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>20\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>21\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>136\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bent u bereid om de evaluatie over de werking van de verklaring met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>30\u003C\u002Fp>\n\u003C\u002Fdiv>","\u002Fmedia\u002Fbrieven_pdfs\u002Fsf-br-2026Z17346.pdf",[42,43,44,45,47,48,49,50,51,52,53,55,56,57,58,60,62,64,66,68],{"label":19,"term":19},{"label":20,"term":20},{"label":21,"term":21},{"label":46,"term":22},"Palestijnse",{"label":23,"term":23},{"label":24,"term":24},{"label":25,"term":25},{"label":26,"term":26},{"label":27,"term":27},{"label":28,"term":28},{"label":54,"term":29},"antisemitisme",{"label":30,"term":30},{"label":31,"term":31},{"label":32,"term":32},{"label":59,"term":59},"IGH",{"label":61,"term":61},"sancties",{"label":63,"term":63},"genocide",{"label":65,"term":65},"Zuid-Afrika",{"label":67,"term":67},"nederzetting",{"label":69,"term":69},"illegaal"]