[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"$fAgKmCqS2Kk51OmHkxZoMViaTm1fIxSUB9XNeHOe6DmU":3},{"id":4,"document_id":5,"title_full":6,"title_short":6,"date_published":7,"source_url":8,"submitters":9,"is_palestine_relevant":16,"relevance_score":17,"relevance_keywords":18,"relevance_excerpt":20,"ai_summary":21,"frontend_url":22,"content_html":23,"pdf_url":24,"relevance_keyword_chips":25},187961,"sf-br-2026Z17394","Antwoorden op vragen commissie over de geannoteerde agenda informele Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 31 augustus en 1 september 2026 (Kamerstuk 21501-28-308)","2026-08-28","https:\u002F\u002Fwww.tweedekamer.nl\u002Fkamerstukken\u002Fbrieven_regering\u002Fdetail?id=2026Z17394&did=2026D39699",[10],{"person":11,"functie":14,"actor_naam":15},{"fullname":12,"slug":13},"Dilan Yeşilgöz-Zegerius","dilan-yesilgoz-zegerius","minister van Defensie","D. Yeşilgöz-Zegerius",true,1,[19],"Israël","De afspraken uit de resolutie, inclusief volledige ontwapening van Hezbollah, zijn het Nederlandse uitgangspunt voor een duurzaam bestand tussen \u003Cmark>Israël\u003C\u002Fmark> en Libanon.","De minister beantwoordt schriftelijke vragen van de vaste commissie voor Defensie over de informele Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 31 augustus en 1 september 2026. De vragen betreffen onder meer Nederlandse inzet op versterking van de Europese defensie-industrie en steun aan Oekraïne, ruimtecapaciteiten, maritieme veiligheid, de Russische schaduwvloot en mogelijke EU-missies in Libanon.","\u002Fdocumenten\u002Fbrief-regering\u002F187961-antwoorden-op-vragen-commissie-over-de-geannoteerde-agenda-informele-raad","\u003Cdiv class=\"brief-regering\">\n\u003Cp>&gt; Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>de Voorzitter van de Tweede Kamer\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>der Staten-Generaal\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bezuidenhoutseweg 67\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2594 AC Den Haag\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Datum\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>28 augustus 2026\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Betreft\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Beantwoording schriftelijk overleg over de Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 31 augustus en 1 september 2026\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ministerie van DefensiePlein 4MPC 58 BPostbus 207012500 ES Den Haagwww.defensie.nlOnze referentieMINDEF20260060366Datum vaststelling28 augustus 2026Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Geachte voorzitter,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hierbij ontvangt u de antwoorden op de schriftelijke vragen zoals gesteld namens de vaste commissie voor Defensie over de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) Defensie op 31 augustus en 1 september in Ierland.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoogachtend,\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>DE MINISTER VAN DEFENSIE\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>Dilan Yeşilgöz-Zegerius\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>Binnen de vaste commissie voor Defensie hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Defensie over de informele Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 31 augustus en 1 september.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De voorzitter van de commissie,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Paternotte\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De adjunct-griffier van de commissie,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Manten\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inhoudsopgave\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>II Antwoord \u002F Reactie van de minister\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 1\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De oorlog in Oekraïne laat zien dat militaire steun alleen vol te houden is als Europa ook zijn eigen productiecapaciteit vergroot. Dat geldt in het bijzonder voor luchtverdediging en munitie. Welke inzet kiest het kabinet om ervoor te zorgen dat de vrijgekomen middelen niet alleen bijdragen aan de ondersteuning van Oekraïne op korte termijn, maar ook aan een structurele versterking van de Europese defensie-industrie? Welke rol ziet de minister daarbij voor Nederland om samen met andere lidstaten het initiatief te nemen, zo vragen de leden van de D66-fractie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland zet actief in op het versterken van de samenwerking met de Oekraïense defensie- industrie. Voortzetting van Oekraïne steun blijft het centrale doel, maar steun biedt ook kansen voor de eigen krijgsmacht en het opschalen en versterken van de Nederlandse en Europese industrie. Om de samenwerking tussen Nederlandse en Oekraïense bedrijven te versterken en te leren van de kennis en innovatie van Oekraïne, zetten we in op coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven. Coproductie past hiermee naadloos in het creëren van een win-win-win, waarbij de Oekraïense krijgsmacht steun ontvangt, de Nederlandse krijgsmacht voordeel heeft en de Nederlandse industrie versterkt wordt. Ook de EU-lening voor steun aan Oekraïne (Ukraine Support Loan) biedt zowel steun aan Oekraïne als kansen voor de Europese defensie-industrie. Voor het deel van de lening dat bestemd is voor militaire steun (€60 miljard) gelden criteria die stimuleren dat Oekraïne investeert in Europees defensiematerieel. De uitvoering van de lening is momenteel in voorbereiding. Nederland zet erop in dat de besteding zo goed mogelijk aansluit bij de behoeften van Oekraïne en positioneert tegelijkertijd de Nederlandse defensie-industrie om hiervan te profiteren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Europese Commissie zet met de nieuwe dronedeal een belangrijke stap om de samenwerking met Oekraïne te versterken. Nederland vervult tegelijkertijd een leidende rol binnen de Priority Capability Area voor drones en counterdrones. Hoe zorgt het kabinet ervoor dat beide trajecten elkaar versterken in plaats van langs elkaar heen te werken? Zet het kabinet zich ervoor in dat deze initiatieven samen worden gebracht tot één samenhangende Europese aanpak op het gebied van drones en counterdrones?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De doelstellingen van de nieuwe dronedeal van de Europese Commissie worden meegenomen in de doelstellingen van de PCA drones en counterdronesystemen, mede doordat Oekraïne lid is van deze PCA en de Europese Commissie toehoorder is. Zo wordt de samenhang geborgd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 3\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de D66-fractie constateren dat na ruim vier jaar oorlog ook de ondersteuningsbehoefte van Oekraïne verandert. De volgende fase van EUMAM vraagt daarom niet alleen om training, maar ook om het beter benutten van de kennis en ervaring die in Oekraïne zelf is opgebouwd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is de inzet van dit kabinet bij de strategische herziening van EUMAM? Is het mogelijk om Oekraïense instructeurs en trainingsfaciliteiten een grotere rol te geven, zodat de missie beter aansluit bij de operationele behoeften van Oekraïne én Europese krijgsmachten sneller kunnen leren van de ervaringen uit Oekraïne?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland acht EUMAM Oekraïne een succesvolle EU-missie die een belangrijke bijdrage levert aan de training van Oekraïense militairen. In dat licht heeft Nederland de bijdrage aan EUMAM recent geïntensiveerd door de Nederlandse trainingscapaciteit die eerder werd ingezet binnen operatie Interflex over te hevelen naar EUMAM (Geannoteerde Agenda RBZ Defensie 12 mei 2026, Kamerstuk 21501-28, nr. 301, d.d. 28 april 2026).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De veranderende omstandigheden op het slagveld en de ontwikkeling van de Oekraïense krijgsmacht vragen erom dat de missie zich blijft aanpassen. Nederland zet daarom in op een ambitieus en toekomstgericht mandaat voor EUMAM, waarbij de missie niet alleen blijft voorzien in de huidige trainingsbehoefte, maar zich ook voorbereidt op mogelijke toekomstige scenario’s, waaronder een situatie na een eventueel staakt-het-vuren. Nauwe afstemming met de Coalition of the Willing acht het kabinet daarbij van belang.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast staat voor Nederland voorop dat de missie zo goed mogelijk aansluit bij de noden en wensen van Oekraïne. Daarbij is het benutten van de kennis en ervaring die Oekraïne zelf heeft opgedaan van groot belang. Nederland steunt daarom een aanpak waarbij lessen uit de oorlog in Oekraïne worden benut voor de verdere ontwikkeling van de trainingsactiviteiten en waarbij, waar mogelijk, de samenwerking met Oekraïense instructeurs en trainingscapaciteiten wordt versterkt. Het verzamelen, delen en toepassen van geleerde lessen is daarbij essentieel, zowel voor de ondersteuning van Oekraïne als voor het versterken van de eigen krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zodra de strategische herziening van EUMAM is gepubliceerd, zal het kabinet de Kamer in meer detail informeren over de bevindingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 4\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De oorlog in Oekraïne laat zien hoe snel nieuwe technologieën zich ontwikkelen en direct worden toegepast op het slagveld. Europa kan daar veel van leren, juist ook bij de verdere ontwikkeling van de eigen defensie-industrie. Hoe wordt ervoor gezorgd dat innovaties uit Oekraïne sneller worden vertaald naar de verdere ontwikkeling van Europese krijgsmachten? En hoe zorgt het kabinet ervoor dat de samenwerking tussen de Oekraïense en Europese defensie-industrie verder wordt versterkt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daartoe zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt daartoe actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en onze krijgsmacht en industrie krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. In Europees verband heeft Nederland een leidende rol binnen de PCA drones en counterdronesystemen. Oekraïne is lid van deze PCA en neemt daarnaast ook deel aan een subsidieaanvraag op het gebied van drones onder het Europees Defensie-Industrie Programma (EDIP). Nederland heeft samen met vier andere landen (Letland, Kroatië, Denemarken en Spanje) een voorstel gedaan voor drones en counterdronesystemen dat ziet op gezamelijke aanschaf en het opzetten van drone technology hubs Indien dit wordt aangemerkt als Europees Defensieproject van Gemeenschappelijk Belang (European Defence Project of Common Interest of ‘EDPCI’) ontvangt het een EU-subsidie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De oorlog in Oekraïne laat volgens de leden van de D66-fractie duidelijk zien dat ruimtecapaciteiten een randvoorwaarde zijn geworden voor moderne militaire operaties. Europa investeert fors, maar veel investeringen vinden nog steeds nationaal plaats. Daardoor dreigt versnippering, terwijl juist meer samenhang nodig is. Waar ziet het kabinet de grootste Europese capability gaps in het ruimtedomein? En welke keuzes zijn volgens het kabinet nodig om te komen tot gezamenlijke Europese ruimtecapaciteiten, in plaats van een verzameling nationale initiatieven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ruimtecapaciteiten zijn een essentiële randvoorwaarde voor militaire operaties. Nederland investeert in eigenstandige satellietcapaciteit en draagt bij aan een sterk, zelfvoorzienend Europa dat gezamenlijk kan opereren. Een sterke industrie en een hoge mate van innovatie draagt bij aan militair vermogen. Zoals in de kabinetsreactie op het advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken ‘Regie op veiligheid’ geschreven, is de Nederlandse inzet gericht op nauwe afstemming tussen NAVO-doelstellingen, EU-initiatieven en programma’s van de European Space Agency (ESA). Nederland pleit voor een structurele dialoog tussen de EU en NAVO om complementariteit en interoperabiliteit te versterken. In het kader van de herziening van EU Raadsbesluit 698 zet Nederland zich in voor NAVO betrokkenheid bij EU-crisisoefeningen om het gezamenlijke beeld van de dreigingscontext in het ruimtedomein en de benodigde capaciteiten te versterken. Dit verbetert procedures, communicatie en voorbereiding voor een geïntegreerde respons op crises waarbij beide organisaties betrokken zullen zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Lidstaten werken nauw samen om Europese capability gaps in het ruimtedomein te identificeren en samenwerkingsprojecten op te starten, onder andere binnen het ruimtedomein en het European Project for Common Interest (EDPCI). De geïdentificeerde capability gaps kunnen echter niet gedeeld worden in een openbaar document, vanwege de operationele veiligheid en de veiligheidsbelangen van Nederland en zijn bondgenoten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast wordt er gezamenlijk gewerkt aan het vergroten van de Europese strategische autonomie in het ruimtedomein. Nederland verwelkomt daartoe gemeenschappelijke initiatieven en samenwerkingsmogelijkheden met andere lidstaten, onder meer via het EU Satellite Center (SatCen). Ook via het EU Space Surveillance &amp; Tracking consortium wordt het inzicht in het ruimtedomein versterkt en wordt er ingezet op datadeling met de NAVO, ESA, waar aan technologieontwikkeling wordt gewerkt, en andere relevante partners. Op deze manier wordt een gefragmenteerd landschap van nationale initiatieven voorkomen en wordt een gezamenlijke, schaalbare en toekomstbestendige ruimtecapaciteit bewerkstelligd die de veiligheid van Europa en de operationele effectiviteit van de strijdkrachten versterkt, met oog op interoperabiliteit met NAVO-bondgenoten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 6\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de missie in Libanon vanaf het begin onderdeel is van een bredere Europese inzet, waarin veiligheid, diplomatie, hervormingen en de versterking van de Libanese instituties elkaar versterken? Nederland benadrukt terecht dat een toekomstige missie realistisch moet zijn. Juist daarom is het belangrijk vooraf duidelijke keuzes te maken over het mandaat, de beschikbare capaciteit en de voorwaarden voor een verantwoorde beëindiging van de missie. Welke taken ziet het kabinet nadrukkelijk als onderdeel van de missie en welke juist niet? En welke voorwaarden moeten volgens het kabinet zijn vervuld voordat de missie verantwoord kan worden afgebouwd, zo vragen de leden van de D66-fractie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de gesprekken over een nieuwe missie in Libanon benadrukt Nederland het belang van een brede en geïntegreerde aanpak die samenhangt met andere instrumenten die bijdragen aan duurzame stabiliteit in Libanon, zoals bijvoorbeeld diplomatie en ontwikkelingssamenwerking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Stabiliteit in Libanon is essentieel voor stabiliteit in de regio. Het kabinet steunt de Libanese strijdkrachten bilateraal met trainingen en financiële steun en ziet hiervoor een rol weggelegd voor de EU. Het kabinet onderzoekt mogelijkheden voor een kleinschalige bijdrage aan deze missie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de nieuwe missie benadrukt Nederland het belang van een haalbaar en realistisch mandaat, lokaal eigenaarschap, aandacht voor het absorptievermogen van de veiligheidsdiensten en voorwaarden voor voortgang. Een mogelijke EU GVDB-missie is nadrukkelijk geen vervanging voor UNIFIL in Libanon, maar zou zich moeten richten op trainingsactiviteiten met als doel lokale veiligheidsactoren in staat te stellen hun taken uit te voeren. De EU spreekt momenteel nog over het operationeel plan voor de missie, waarbij Nederland een duidelijke end-state en exit-strategie voorstaat.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 7\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Verder blijft Europa volgens de leden van de D66-fractie voor een aantal cruciale ruimtecapaciteiten afhankelijk van derde landen (landen buiten Europa). In de huidige geopolitieke context is dat niet alleen een technologische, maar ook een strategische kwetsbaarheid. Het is van groot belang deze afhankelijkheden te verkleinen. Wat is de inzet hierop vanuit het kabinet en erkent de minister dat hierin meer inzet getoond moet worden? Welke rol ziet het kabinet voor Nederland om samen met Europese partners de ontwikkeling van deze capaciteiten te versnellen? Welke ruimtecapaciteiten verdienen volgens het kabinet de hoogste prioriteit om deze afhankelijkheden te verkleinen? Denkt het kabinet daarbij ook aan Space Situational Awareness, Positioning, Navigation and Timing en veilige satellietcommunicatie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet onderschrijft het belang om Europese ruimtecapaciteiten in het ruimtedomein te ontwikkelen en daarmee afhankelijkheden te verkleinen. Nederland werkt intensief samen met Europese partners om de ontwikkeling van de benodigde capaciteiten te versnellen. Hierbij is aandacht voor Space Situational Awareness, Positioning, Navigation and Timing en veilige satellietcommunicatie, onder andere door actieve bijdrage aan een aantal Europese projecten dat de Europese strategische autonomie versterkt. Dit gebeurt onder meer door een geïntegreerd European Space Surveillance &amp; Tracking netwerk ten behoeve van Space Situational Awareness en door een versterkte en autonome Positioning, Navigation and Timing constellatie met Galileo. Defensie onderzoekt daarnaast de mate van relevantie van IRIS2 voor militaire toepassingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 8\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Europese ruimtestrategie ligt er inmiddels enkele jaren. De uitdaging is niet langer om nieuwe ambities te formuleren, maar om die ook gezamenlijk te realiseren. Welke concrete voorstellen wil het kabinet tijdens deze Raad doen om de uitvoering van de Europese ruimtestrategie te versnellen? En hoe zorgen we ervoor dat samenwerking tussen de EU, ESA en de NAVO daadwerkelijk leidt tot gezamenlijke ontwikkelingen en investeringen, minder versnippering en meer Europese slagkracht, zo vragen de leden van de D66-fractie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Kabinet stelt dat het ruimtedomein een onmisbare pijler van de Europese veiligheid is en dat het beschermen van satellietdiensten tegen ongewenste inmenging en dreigingen daarom essentieel is. De NAVO is de primaire entiteit die verantwoordelijkheid draagt voor de militaire doelstellingen van Europese krijgsmachten. De uitvoering van de Europese ruimtestrategie van 2023 vindt dan ook niet enkel plaats binnen het mandaat van de Europese Commissie. Voor Europese slagkracht zijn nationale investeringen leidend. Deze investeringen worden op basis van NAVO-doelstellingen vormgegeven. EU-initiatieven en beschikbare investeringsfondsen dragen hieraan bij, bijvoorbeeld middels het Europees Defensie Agentschap (EDA). In de nationale aanpak van interoperabele ruimtecapaciteiten versterken we de coördinatie en complementariteit met strategische, gelijkgestemde partners, zowel bilateraal als multilateraal. Het is hierbij noodzakelijk om de barrières die de uitwisseling van formele documenten en vereisten tussen de EU en de NAVO belemmeren weg te nemen, zodat de dringend benodigde samenwerking optimaal verloopt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De oorlog in het Midden-Oosten laat opnieuw zien hoe kwetsbaar internationale handelsroutes en kritieke maritieme infrastructuur zijn. Vrije doorvaart is daarmee niet alleen een economisch belang, maar ook een strategisch veiligheidsbelang. Tegelijkertijd is het Europa voor de zomer niet gelukt om gezamenlijk op te trekken in de Straat van Hormuz. Dat onderstreept dat Europa sneller en eensgezinder moet kunnen optreden wanneer onze gezamenlijke veiligheidsbelangen onder druk staan. Wat is de inzet van het kabinet om maritieme veiligheid een stevigere plaats te geven binnen het Europese veiligheidsbeleid, zo vragen de leden van de D66-fractie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De EU Maritieme Veiligheidsstrategie biedt sinds 2014 een breed kader voor samenwerking tussen lidstaten en EU-instituties Om de EU-belangen voor maritieme veiligheid, ook buiten Europa, te borgen. De strategie faciliteert gezamenlijke planning, risicomanagement, crisismanagement en respons in het maritieme domein binnen de EU. De strategie identificeert kritieke maritieme infrastructuur als een van de belangen op zee die beschermd dienen te worden. Ook binnen de International Maritime Organisation trekken Europese landen steeds meer samen op en komt er – naast ‘maritime safety’ – steeds meer aandacht voor ‘maritime security’.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Sinds 2020 werkt de Europese Commissie aan de ontwikkeling van de Richtlijn betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten (CER) en de Richtlijn over maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie (NIS2). Deze wetgeving draagt bij de aan de bescherming van kritieke infrastructuur op zee. Beide richtlijnen zijn inmiddels vastgesteld. De CER-richtlijn is middels Wet weerbaarheid kritieke entiteiten omgezet in nationale wetgeving. De NIS2-richtlijn is middels de cyberbeveiligingswet omgezet in nationale wetgeving.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 10\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De ontwikkelingen in de Golfregio laten zien dat Europese veiligheid niet los kan worden gezien van de veiligheid in omliggende regio&#x27;s. Samenwerking binnen de EU blijft essentieel, maar vraagt ook om sterke partnerschappen met landen die een sleutelrol spelen bij de bescherming van belangrijke strategische vaarroutes. Welke mogelijkheden ziet het kabinet om de samenwerking met partners in de Golfregio verder te verdiepen, bijvoorbeeld op het gebied van Maritime Domain Awareness, bescherming van kritieke infrastructuur en informatie-uitwisseling? Ziet het kabinet daarbij een rol voor Nederland om binnen Europa het initiatief te nemen bij het versterken van deze strategische partnerschappen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland ziet het toenemende belang van veiligheidssamenwerking met de Golflanden. Deze samenwerking past bij de bredere partnerschappen waar op bilateraal vlak aan wordt gewerkt. Daarnaast wordt middels het NAVO Zuidflankbeleid ingezet op intensivering van de veiligheidssamenwerking, bijvoorbeeld via de vlaggenschipprojecten die bij de NAVO top in Ankara zijn gepresenteerd. Ook de EU heeft sinds 2022 ingezet op een partnerschap tussen de EU en de landen van de Golf Cooperation Council (GCC), waar veiligheidssamenwerking een onderdeel van is. De recente agressie door Iran richting de Golfstaten toont eens te meer het belang van een gedeelde inzet op veiligheid op onder andere het maritieme domein en op het gebied van energiezekerheid. Tegelijkertijd moet, zeker in Europese context, realistisch worden gekeken naar welke vormen van samenwerking wederzijds voordeel kunnen opleveren. De EU-GCC top in het najaar kan hier een nieuw ijkpunt in vormen. Nederland zal zich binnen de Unie proactief inzetten voor mogelijke en concretisering van de veiligheidsdialoog met de GCC-landen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 11\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het is goed dat het kabinet stappen zet om de mogelijkheden om op te treden tegen de Russische schaduwvloot uit te breiden. De aangekondigde wetswijziging is daarbij een belangrijke stap. Maar de praktijk laat zien dat een effectieve aanpak alleen mogelijk is als lidstaten gezamenlijk optrekken. Kan de minister bevestigen dat Nederland tijdens deze Raad zal aandringen op een gezamenlijke Europese aanpak van de Russische schaduwvloot? Welke aanvullende afspraken zijn volgens het kabinet nodig om de samenwerking en handhaving tussen lidstaten verder te versterken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De aanpak van de schaduwvloot is een belangrijk onderwerp voor de EU. In opeenvolgende sanctiepakketten heeft de EU hiertoe maatregelen genomen. Nederland heeft hierin een belangrijk aandeel in gehad en het kabinet blijft zich hier voor inspannen. De aanpak van de schaduwvloot is ook onderdeel van de EU Maritieme Veiligheidsstrategie (EUMSS). De EUMSS bevordert de activiteiten op zee, informatie-uitwisseling en samenwerking met partners. Zo voert de EU operatie Irini boardingoperaties uit tegen valsgevlagde schepen op de Middellandse Zee.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het ontbreekt de EU- en de lidstaten niet aan de wil om de schaduwvloot aan te pakken, maar lopen aan tegen geringe handhavingsmogelijkheden op zee buiten de territoriale wateren. Internationaal recht voorziet hier slechts in geringe mate, en het ontbreekt veel landen aan adequate nationale wetgeving die dit hiaat opvult. Het wetsvoorstel dat het kabinet binnenkort aan uw Kamer beoogt aan te bieden, biedt hiervoor additionele ruimte.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 31 augustus. Wel hebben deze leden nog enkele vragen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 12\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PVV-fractie constateren dat er een groot tekort is aan Patriot-interceptoren en dat wordt gekeken naar versnelde productie in Europa. Nederland neemt inmiddels het voortouw bij de oprichting van een Europese onderhoudsfaciliteit voor PAC-3-raketten. Waarom blijft het bij onderhoud en zet de minister niet concreet in op het onder licentie produceren van Patriot-interceptoren in Nederland? Is de minister bereid zich hiervoor actief in te zetten bij de Verenigde Staten en de producent? Zo nee, waarom niet? Welke belemmeringen staan productie in Nederland momenteel in de weg?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De productie van geavanceerde raketsystemen, zoals de Patriot PAC-3, is afhankelijk van een complexe internationale toeleveringsketen. Defensie onderhoudt nauw contact met de fabrikanten van verschillende typen munitiesoorten over de versnelde opschaling van de productie, waarin ook de Nederlandse industrie doormiddel van coproductie op componenten niveau een bijdrage kan leveren om de knelpunten in de huidige plannen voor opschaling te mitigeren. Voor sommige minder complexe systemen bestaan al mogelijkheden voor volledige coproductie in Europa, zoals bij de STINGER. Daarnaast Nederland heeft zich samen met andere bondgenoten gecommitteerd aan een haalbaarheidsonderzoek voor de coproductie van AMRAAM, eveneens aangekondigd tijdens de NAVO-top in Ankara.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 13\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan de minister daarnaast garanderen dat Nederland geen essentiële luchtverdedigingsmiddelen levert indien dit ten koste gaat van de operationele gereedheid van onze krijgsmacht of onze NAVO-verplichtingen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie weegt continu de belangen van enerzijds de steunvoorziening aan Oekraïne en anderzijds de gevolgen voor de operationele gereedheid van de eigen krijgsmacht. Gezien het Nederlands belang van een veilig Europa worden de effecten van de geleverde steun op de gereedheid van de Nederlandse strijdkrachten en op het behalen van de NAVO-capaciteitsdoelen als significant, maar acceptabel beoordeeld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 14\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PVV-fractie lezen dat na het opheffen van de Hongaarse blokkade 6,6 miljard euro uit de Europese Vredesfaciliteit beschikbaar is gekomen en dat Nederland pleit voor een combinatie van compensatie voor eerdere steun, nieuwe steun en financiering van de EU-trainingsmissie. Is de minister het met de leden van de PVV-fractie eens dat Nederland, gelet op de omvangrijke militaire steun die ons land reeds heeft geleverd, maximaal moet inzetten op compensatie voor reeds geleverd Nederlands materieel? Zo nee, waarom niet? Welk bedrag verwacht Nederland via deze weg terug te kunnen ontvangen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland zet inderdaad in op een combinatie van compensatie voor reeds geleverde militaire steun, nieuwe steun en het reserveren van voldoende middelen voor EUMAM. Deze verdeling langs drie sporen is in lijn met eerder gemaakte afspraken in EU-verband. Hoewel het kabinet belang hecht aan compensatie van reeds geleverde militaire steun ziet het kabinet ook meerwaarde in steun aan EUMAM en gelden die direct worden ingezet voor nieuwe steun aan Oekraïne om aan de meest urgente Oekraïense noden te voldoen. Het besluitvormingsproces in Brussel over de besteding van deze 6,6 miljard euro aan European Peace Facility (EPF)-gelden zit in de eindfase. De Tweede Kamer zal worden geïnformeerd over de hoogte van de Nederlandse ontvangsten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 15\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PVV-fractie lezen dat wordt gesproken over de verdere invulling van de Ukraine Support Loan van 90 miljard euro, waarvan 60 miljard euro is bestemd voor militaire steun. Kan de minister aangeven welk aandeel Nederland in deze lening draagt, welke financiële verplichtingen en risico&#x27;s hieruit voor Nederland voortvloeien en wat de maximale financiële blootstelling van Nederland is? Kan Nederland als gevolg van toekomstige besluiten met aanvullende financiële verplichtingen worden geconfronteerd? Welke zeggenschap heeft Nederland over de besteding van deze miljarden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De middelen voor de Ukraine Support Loan (USL) worden door de Europese Commissie, namens de EU, op de kapitaalmarkt geleend. De Europese Commissie op zijn beurt, leent deze middelen door aan Oekraïne, zonder daarbij de rentekosten aan Oekraïne door te belasten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De lening die de Europese Commissie namens de EU aangaat wordt gegarandeerd door de ruimte die hiervoor beschikbaar is onder de plafonds van het Eigenmiddelenbesluit (EMB), ook wel de headroom genoemd. Nederland staat garant voor het Nederlands BNI-aandeel in deze headroom. Het Nederlandse aandeel in de garantie is 6,6% van de hoofdsom van maximaal 90 mld. euro. Daarmee staat Nederland garant voor ca. 6 mld. euro. Deze garantie is opgenomen op artikel 4 van de begroting van het ministerie van Financiën. Het aandeel van de deelnemende lidstaten is iets hoger dan het reguliere BNI- aandeel, aangezien Tsjechië, Hongarije en Slowakije niet deelnemen aan het akkoord.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De rentekosten die ontstaan doordat er namens de EU leningen worden aangegaan op de kapitaalmarkt komen voor de rekening van de EU-begroting. De Europese Commissie heeft in het voorstel voor de jaarbegroting 2027 deze rentekosten volledig gedekt binnen de Europese begroting. De dekking van de rentelasten voor de periode na 2027, worden meegenomen in de onderhandelingen over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de besteding van de middelen is vastgelegd dat Oekraïne jaarlijks een financieringsstrategie zal indienen. De Europese Commissie beoordeelt deze strategie en legt bij een positieve beoordeling een uitvoeringsbesluit aan de Raad voor, waar Nederland samen met de andere lidstaten vertegenwoordigd is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 16\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland behoort al jaren tot de landen die relatief veel steun aan Oekraïne leveren. Wat gaat de minister concreet doen om ervoor te zorgen dat landen die tot nu toe minder hebben bijgedragen een groter deel van de steun voor hun rekening nemen? Welke landen gaat de minister hier specifiek op aanspreken? Is de minister bereid erop in te zetten dat andere landen hun bijdrage substantieel verhogen, zodat Nederland zijn eigen financiële en militaire steun aan Oekraïne substantieel kan afbouwen en deze middelen weer aan Nederland en de Nederlanders kunnen worden besteed? Zo nee, waarom niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet zet zich consequent in voor eerlijke en evenredige lastenverdeling, onder meer door dit onderwerp te agenderen in EU-, NAVO-, Ukraine Defense Contact Group (UDCG)-, Coalition of the Willing en G7-verband, als ook tijdens bilaterale ontmoetingen met collega-bewindspersonen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 17\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Europese Commissie stelt 1 miljard euro beschikbaar voor een dronedeal met Oekraïne en bekijkt daarnaast of tot 10 miljard euro aan ongebruikte SAFE-middelen voor drones kan worden ingezet. Hoe verhoudt deze dronedeal zich tot de reeds bestaande Priority Capability Area voor drones en counterdronesystemen, die mede door Nederland wordt geleid? Waarom is hiervoor een nieuw Europees initiatief noodzakelijk? Kan de minister aangeven in hoeverre Nederlandse defensiebedrijven van deze investeringen zullen profiteren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De doelstellingen van de nieuwe dronedeal van de Europese Commissie worden meegenomen in de doelstellingen van de PCA drones en counterdronesystemen, mede doordat Oekraïne lid is van deze PCA en de Europese Commissie toehoorder is. Zo wordt de samenhang geborgd. Er is nog geen financiering verstrekt aan bedrijven, daarom is het niet mogelijk om een inschatting te maken in hoeverre Nederlandse bedrijven profiteren van deze investeringen. Maar de leidende rol op de PCA drones maakt het mogelijk om beter te sturen op de uiteindelijke projecten die financiering ontvangen. Er ligt nog geen voorstel van de Europese Commissie om de resterende leningen vanuit het EU-leningenprogramma ‘SAFE’ in te zetten voor steun aan Oekraïne.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 18\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PVV-fractie constateren dat de Europese Unie zich op steeds meer onderdelen van het defensiebeleid begeeft, waaronder veiligheid en defensie in de ruimte. De leden van de PVV zijn geen voorstander van verdere defensiesamenwerking vanuit de Europese Unie. Deelt de minister de mening dat de NAVO de hoeksteen van onze collectieve verdediging is en moet blijven en dat deze rol niet door de Europese Unie mag worden overgenomen, beperkt of gedupliceerd? Kan de minister uitsluiten dat Nederland instemt met verdere overdracht van nationale defensiebevoegdheden aan de EU en met stappen richting een Europees leger of andere zelfstandige Europese militaire structuren? Zo nee, waarom niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NAVO is en blijft de hoeksteen van onze collectieve verdediging. Binnen de NAVO maken we Europa sterker. Dat doen we door een versnelde opbouw van Europese defensiecapaciteiten en verstevigde Europese samenwerking. De EU speelt hierbij een belangrijke rol, door de defensie-industrie te versterken, de militaire mobiliteit te bevorderen en wetgeving te versimpelen met het oog op defensiegereedheid. Daarnaast helpt de EU lidstaten met leningen om hun defensiegereedheid te bevorderen. Ook zijn meer samenwerking en interoperabiliteit nodig. Nederland benadrukt het belang van een heldere taakverdeling tussen de EU en de NAVO en het voorkomen van onnodige duplicatie tussen beide organisaties. De zeggenschap over de inzet van de Nederlandse krijgsmacht blijft te allen tijde bij de Nederlandse regering liggen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 19\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet een nieuwe driejarige EU-missie in Libanon steunt, terwijl tegelijkertijd wordt gesproken over de noodzaak van een realistische scope, exitstrategie en capaciteit. Waarom steunt het kabinet deze missie al terwijl hierover kennelijk nog vragen bestaan? Voorziet de minister Nederlandse deelname aan deze missie? Zo ja, in welke vorm en tegen welke geraamde kosten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Stabiliteit in Libanon is essentieel voor stabiliteit in de regio. Het kabinet steunt de Libanese strijdkrachten en ziet hiervoor een rol weggelegd voor de EU. Het kabinet onderzoekt mogelijkheden voor een kleinschalige bijdrage aan deze missie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de nieuwe missie benadrukt Nederland in de gesprekken in EU verband het belang van een haalbaar en realistisch mandaat, lokaal eigenaarschap, aandacht voor het absorptievermogen van de veiligheidsdiensten, voorwaarden voor voortgang, een duidelijke end-state en exit-strategie. Een mogelijke EU GVDB-missie is nadrukkelijk geen vervanging voor UNIFIL in Libanon, maar zou zich moeten richten op trainingsactiviteiten met als doel om lokale veiligheidsactoren in staat te stellen hun taken uit te voeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>NL spreekt, als bij alle EU missies, in EU verband mee over de opzet en de plannen. Er is nog geen operationeel plan, en nog geen besluit genomen. Indien het kabinet besluit tot een Nederlandse bijdrage, wordt de Kamer hierover geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hierbij zal uw Kamer zoals gebruikelijk ook worden geïnformeerd over de geraamde kosten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 20\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De missie moet mede bijdragen aan het verzwakken van Hezbollah, terwijl de EU tevens 100 miljoen euro beschikbaar stelt voor het Libanese leger. Welke garanties bestaan er dat Europees geld, materieel of training niet direct of indirect bij Hezbollah terechtkomt? Is de volledige vernietiging en\u002Fof ontwapening van Hezbollah voor het kabinet een doelstelling van de Europese betrokkenheid in Libanon? Zo nee, waarom niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Lebanese Armed Forces (LAF) is de aangewezen actor om Hezbollah te ontwapenen gezien zij als een van de weinige nationale instituties in Libanon wordt gezien als geloofwaardige vertegenwoordiger van de Libanese staat en alle bevolkingsgroepen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aan de EU steun zijn voorwaarden en controlemechanismen verbonden, waaronder registratie van materieel, rapportage over gebruik en inventaris en controles ter plaatse. Bij niet-naleving kan de steun worden opgeschort of beëindigd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De afspraken uit de resolutie, inclusief volledige ontwapening van Hezbollah, zijn het Nederlandse uitgangspunt voor een duurzaam bestand tussen Israël en Libanon. Het kabinet verwelkomt de inzet van de Libanese autoriteiten om Hezbollah te ontwapenen en steunt de inzet op het herstel van het geweldsmonopolie door de Libanese autoriteiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 21\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PVV-fractie lezen dat geen overeenstemming is bereikt over inzet van EU-operatie Aspides in de Straat van Hormuz, terwijl onder leiding van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk al een multinationale militaire missie wordt voorbereid waaraan Nederland bijdraagt. Welke meerwaarde heeft inzet van Aspides daarnaast nog? Ligt uitbreiding van het mandaat van Aspides voor het kabinet nog op tafel? Zo ja, waarom en onder welke voorwaarden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet richt zich met voorrang op het Frans\u002FBritse initiatief, omdat deze militaire plannen het verst gevorderd zijn en kunnen bogen op steun en inzet van een brede internationale coalitie. De sluiting van de Straat van Hormuz is een wereldwijd probleem en vraagt daarom om een zo breed mogelijk gedragen internationale inzet. De beoogde coalitie bestaat reeds uit 40+ landen, waaronder ook Aziatische en Golflanden. Daarmee is op dit moment sprake van een brede internationale basis voor de benodigde inzet en is aanvullende inzet via ASPIDES van beperkte meerwaarde.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tegen deze achtergrond acht het kabinet het op dit moment van belang om de inzet te concentreren op het Frans\u002FBritse initiatief en verdere duplicatie van internationale militaire inspanningen te voorkomen. Een eventuele aanpassing of uitbreiding van het mandaat van ASPIDES blijft evenwel onderdeel van de bredere Europese strategische afweging. Daarbij is met name van belang of een dergelijke inzet daadwerkelijk aanvullende militaire meerwaarde biedt ten opzichte van het Frans\u002FBritse initiatief, alsmede of hiervoor voldoende Europese militaire capaciteiten en politieke steun beschikbaar zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 31 augustus en 1 september 2026. Deze leden hebben hierover enkele vragen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 22\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie lezen dat de toekomst van EUMAM Oekraïne wordt besproken. Welke aanpassingen van het mandaat of de werkwijze van EUMAM acht het kabinet nodig om beter aan te sluiten bij de actuele behoeften van de Oekraïense krijgsmacht? Kan het kabinet daarbij ingaan op de schaal, snelheid en locatie van de trainingen? De leden van de CDA-fractie vragen tevens of hierbij ook nog de mogelijkheid wordt besproken Oekraïense militairen binnen Oekraïne zelf te trainen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet vindt het van belang dat EUMAM Oekraïne zich blijft aanpassen aan de veranderende behoeften van de Oekraïense krijgsmacht en dat de missie effectief blijft bijdragen aan de militaire ondersteuning van Oekraïne. In aanloop naar de herziening van het mandaat en het door ontwikkelen van de EUMAM trainingen zijn verschillende aspecten van belang, waaronder de schaal, snelheid en inhoud van de trainingen. De trainingsbehoefte van Oekraïne ontwikkelt zich voortdurend en vraagt om een flexibele aanpak waarbij EUMAM in staat is om snel in te spelen op nieuwe behoeften. Daarbij blijft het belangrijk dat trainingen zoveel mogelijk aansluiten bij de inzetpraktijk van de Oekraïense krijgsmacht en dat ervaringen uit het slagveld en geleerde lessen structureel worden meegenomen in de verdere ontwikkeling van de missie. Ten aanzien van de locatie van trainingen geldt dat Nederland het van belang vindt dat wordt bezien welke vorm van training en locatie het meest effectief en passend zijn gegeven de operationele behoeften en de veiligheidssituatie. De mogelijkheid om trainingen dichter bij Oekraïne of in Oekraïne zelf te organiseren wordt in bredere Europese discussies over de toekomst van de missie betrokken. Daarbij moeten de meerwaarde, uitvoerbaarheid en veiligheidsaspecten zorgvuldig worden gewogen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zodra de strategische herziening van EUMAM is gepubliceerd, zal het kabinet de Kamer over de bevindingen informeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 23\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie steunen de inzet van het kabinet voor een eerlijke verdeling van de lasten tussen Europese lidstaten. Tijdens de vorige informele RBZ Defensie benadrukte Nederland al dat Europese steun de bilaterale militaire steun van lidstaten niet mag vervangen. Kan het kabinet aangeven op welke wijze het landen die relatief weinig bilaterale steun leveren hier concreet op wil aanspreken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet zet zich consequent in voor eerlijke en evenredige lastenverdeling, onder meer door dit onderwerp te agenderen in EU-, NAVO-, UDCG- en G7-verband, als ook tijdens bilaterale ontmoetingen met collega-bewindspersonen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 24\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tot slot onderschrijven deze leden dat naast militaire steun ook de druk op Rusland verder moet worden opgevoerd. Zij vragen welke aanvullende sanctiemaatregelen het kabinet nu als meest kansrijk en effectief beschouwt. Klopt het dat de Hoge vertegenwoordiger voor het buitenlandse beleid van de Europese Unie, Kaja Kallas, voor heeft gesteld het aantal gesanctioneerde Russische entiteiten met een volgend Europees sanctiepakket met een derde te willen laten stijgen? Wanneer komt dit voorstel voor formele besluitvorming voor te liggen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet pleit er in Europees verband voor om de druk op Rusland voortdurend verder te verhogen met nieuwe sanctiepakketten die het Russisch militair-industrieel complex ondermijnen, het financiële stelsel isoleren en sanctie-omzeiling aanpakken. In dit kader verwelkomt het kabinet de inspanningen van de Hoge Vertegenwoordiger Kaja Kallas. Het is op dit moment niet mogelijk te zeggen wanneer akkoord bereikt kan worden voor een nieuw sanctiepakket. Hiervoor is een unaniem besluit nodig van de Raad.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 25\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tijdens de informele RBZ zal worden besproken welke ruimtecapaciteiten de EU-lidstaten nodig hebben om een internationale macht in het ruimtedomein te zijn. De leden van de CDA-fractie vragen welke kansen het kabinet hierbij ziet voor de Nederlandse ruimtevaart-, defensie- en technologiesector. Hoe wordt ervoor gezorgd dat Nederlandse innovatieve bedrijven en kennisinstellingen een volwaardige rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van nieuwe Europese militaire ruimtecapaciteiten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de publicatie van de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (DSII) in april 2025 heeft Defensie een aantal prioritaire focusgebieden aangewezen, waaronder ruimtetechnologie. Deze focusgebieden sluiten aan bij de Nederlandse technologische en industriële basis (NLTIB).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de in de DSII opgenomen ambitie geeft Defensie richting aan de toekomstige capaciteitsbehoefte. Dit biedt Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen de mogelijkheid hun kennis, technologieontwikkeling en innovatie daarop af te stemmen. Een nadere uitwerking van deze ambitieplaat wordt in het najaar met de Kamer gedeeld bij de publicatie van het Nationaal Programma Defensie Industrie en InnovatieNPDII.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waar mogelijk treedt Defensie op als eerste afnemer voor innovatieve Nederlandse technologie. Daarmee kunnen bedrijven en kennisinstellingen relevante referenties opbouwen, hun technologie verder ontwikkelen en zich positioneren voor deelname aan Europese samenwerkingsprojecten. Concreet ontwikkelt Defensie met Nederlandse industrie de PAMI satelliet en andere operationele satellieten als vervolg op de experimentele BRIK-2 satelliet. Op die manier zet het kabinet erop in dat de Nederlandse ruimtevaart-, defensie- en technologiesector een volwaardige rol kan spelen bij de ontwikkeling van nieuwe Europese militaire ruimtecapaciteiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 26\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland het opstarten van een nieuwe EU-missie in Libanon steunt, bestaande uit zowel een militaire als een civiele pijler. Deze leden begrijpen het belang van stabiliteit in Libanon, maar hechten er wel aan dat bij een nieuwe internationale missie vooraf duidelijk is wat het doel is, welke middelen daarvoor nodig zijn en wanneer een missie geslaagd is. Deze leden vragen daarom of het kabinet daarom nader kan uiteenzetten wat het beoogde mandaat en de concrete doelstellingen van deze EU-missie zouden moeten zijn. Welke taken worden voorzien voor het militaire deel van de missie en welke voor het civiele deel?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland is nauw betrokken bij de gesprekken in EU verband over een nieuwe missie in Libanon. Nederland benadrukt het belang van een brede en geïntegreerde aanpak, in samenhang met andere instrumenten die bijdragen aan duurzame stabiliteit in Libanon, bijvoorbeeld als ontwikkelingssamenwerking en diplomatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Stabiliteit in Libanon is essentieel voor stabiliteit in de regio. Het kabinet steunt de Libanese Strijdkrachten en ziet hiervoor een rol weggelegd voor de EU. Het kabinet onderzoekt mogelijkheden voor een kleinschalige bijdrage aan deze missie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de nieuwe missie benadrukt Nederland in de gesprekken in EU verband het belang van een haalbaar en realistisch mandaat, lokaal eigenaarschap, aandacht voor het absorptievermogen van de veiligheidsdiensten en voorwaarden voor voortgang. Een mogelijke EU GVDB-missie is nadrukkelijk geen vervanging voor UNIFIL in Libanon, maar zou zich moeten richten op trainingsactiviteiten met als doel om lokale veiligheidsactoren in staat te stellen hun taken uit te voeren. De EU spreekt momenteel nog over het operationeel plan voor de missie, waarbij Nederland een duidelijke end-state en exit-strategie voorstaat.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 27\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Om de dreigingen van de Russische schaduwvloot adequaat aan te pakken, verwelkomt Nederland dat lidstaten zoeken naar versterkte handhavingsmogelijkheden, onder meer via aanpassing van nationale wetgeving. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet aan kan geven of naast aanpassing van Nederlandse wetgeving ook wordt gewerkt aan een gezamenlijke Europese aanpak voor controle, handhaving en informatie-uitwisseling rond de Russische schaduwvloot. Welke verdere mogelijkheden ziet het kabinet om binnen het internationaal recht de kosten en risico&#x27;s voor schepen uit de Russische schaduwvloot daadwerkelijk te verhogen? Hoe wordt daarbij samengewerkt met de NAVO, mede met het oog op de bescherming van kritieke infrastructuur op de Noordzee?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De aanpak van de schaduwvloot is een belangrijk onderwerp voor de EU. Ook in het 21e sanctiepakket maakt de aanpak van de schaduwvloot een belangrijk deel uit van de maatregelen. De aanpak van de schaduwvloot blijft zich ook verbreden. Zo zijn in het 21e pakket voor het eerst sancties opgelegd aan een bemanningsbureau dat steun verleent aan de schaduwvloot. Het kabinet blijft bijdragen aan sancties om het verdienmodel van de schaduwvloot aan te pakken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De aanpak van de schaduwvloot is ook onderdeel van de EU Maritieme Veiligheidsstrategie (EUMSS). De EUMSS bevordert de activiteiten op zee, informatie-uitwisseling en samenwerking met partners, zoals de NAVO.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals gezegd in antwoord op vraag 11 belemmeren de geringe handhavingsmogelijkheden buiten de territoriale wateren het optreden tegen de schaduwvloot. Internationaal recht voorziet slechts in geringe mate in ruimte voor optreden en het ontbreekt veel landen aan adequate nationale wetgeving die het hiaat in internationaal recht opvult. Het wetsvoorstel dat het kabinet binnenkort aan uw Kamer beoogt aan te bieden biedt hiervoor additionele ruimte.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 28\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onlangs is bekendgemaakt dat er een Europees politiek akkoord is gesloten over de zogeheten defensie omnibus. De leden van de CDA-fractie vragen wat momenteel de status van deze omnibus is, en wanneer de Kamer over de precieze afspraken wordt geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In juni jl. zijn het Europees Parlement en de Europese Raad tot een voorlopig politiek akkoord gekomen. Momenteel vindt de vertaling van defensie omnibus door de jurist-linguïsten plaats. De officiële aanname van de defensie omnibus is begin oktober voorzien, waarna de omnibus in werking treedt en wordt geïmplementeerd. De Kamer zal dan ook nader worden geïnformeerd worden over de afspraken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vraag 29\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie vragen ten slotte wat de belangrijkste mijlpalen zijn voor de komende twaalf maanden als het gaat om de uitbreiding van de Europese defensie-industrie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In EU-verband wordt verder gewerkt aan de uitwerking van het Europees Defensie Industrie Programma (EDIP) waar Nederland een actieve rol in speelt, gekoppeld aan de leidende rol die Nederland vervult met betrekking tot onbemenste systemen. Ook zal Nederland samen met andere EU lidstaten het werkprogramma van AGILE gaan vormgeven, dat in het voorjaar van 2027 gepubliceerd wordt voor indiening. Nederland beziet momenteel hoe de Nederlandse industrie hier het beste voor kan worden ingezet. In NAVO-verband wordt de komende periode gewerkt aan de implementatie van de strategie over samenwerking tussen de NAVO en de industrie en maatregelen om innovatie te versnellen, zoals overeengekomen tijdens de recente NAVO-top in Ankara.\u003C\u002Fp>\n\u003C\u002Fdiv>","\u002Fmedia\u002Fbrieven_pdfs\u002Fsf-br-2026Z17394.pdf",[26],{"label":19,"term":19}]