[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"$fiY5eMmbA5C3zV4fHwdcMFkqjcr3neKNPSQbzNt-s0Dc":3},{"id":4,"document_id":5,"title_full":6,"title_short":7,"date_published":8,"source_url":9,"submitters":10,"is_palestine_relevant":23,"relevance_score":24,"relevance_keywords":25,"relevance_excerpt":28,"ai_summary":29,"frontend_url":30,"content_html":31,"pdf_url":32,"relevance_keyword_chips":33,"relevance_source_bijlagen":39,"qa_pairs":40},190891,"sf-br-2026Z19453","Lijst van vragen en antwoorden over Defensienota 2026 - Samen voorwaarts! (36975-1)","Reactie op vragen commissie over Defensienota 2026 - Samen voorwaarts! (36975-1)","2026-09-21","https:\u002F\u002Fwww.tweedekamer.nl\u002Fkamerstukken\u002Fbrieven_regering\u002Fdetail?id=2026Z19453&did=2026D45116",[11,17],{"person":12,"functie":15,"actor_naam":16},{"fullname":13,"slug":14},"Derk Boswijk","derk-boswijk","staatssecretaris van Defensie","D.G. Boswijk",{"person":18,"functie":21,"actor_naam":22},{"fullname":19,"slug":20},"Dilan Yeşilgöz-Zegerius","dilan-yesilgoz-zegerius","minister van Defensie","D. Yeşilgöz-Zegerius",true,2,[26,27],"Israël","F-35 + onderdelen","5 Wat is het actuele percentage van inkoop van \u003Cmark>Israël\u003C\u002Fmark>ische systemen?","Defensie kocht in 2025 voor €1,13 miljard in bij Israëlische bedrijven voor essentiële militaire systemen zoals antitankwapens, counter-drone systemen en F-35 vliegerhelmen, waarbij dit percentage in 2026 is gedaald naar 5,4%. Deze brief beantwoordt algemeen schriftelijke Kamervragen over de Defensienota 2026, met nadrukkelijke aandacht voor capaciteitsdoelstellingen, personeelsgroei en industrialisering.","\u002Fdocumenten\u002Fbrief-regering\u002F190891-lijst-van-vragen-en-antwoorden-over-defensienota-2026-samen-voorwaarts-36975-1","\u003Cdiv class=\"brief-regering\">\n\u003Cp>&gt; Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>de Voorzitter van de Tweede Kamer\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>der Staten-Generaal\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bezuidenhoutseweg 67\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2594 AC Den Haag\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Datum\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>18 september 2026\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Betreft\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Beantwoording Kamervragen over de Defensienota 2026 – ‘Samen Voorwaarts!’\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ministerie van DefensiePlein 4MPC 58 BPostbus 207012500 ES Den Haagwww.defensie.nlOnze referentieMINDEF20260063777Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Geachte voorzitter,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hierbij bieden wij de antwoorden aan op de schriftelijke vragen die door de vaste commissie voor Defensie (VCD) zijn gesteld over de Defensienota 2026 – Samen Voorwaarts!’. Deze vragen werden ingezonden op 3 september 2026 met kenmerk 2026D40844.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoogachtend,\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>DE MINISTER VAN DEFENSIE\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>Dilan Yeşilgöz-Zegerius\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>Derk Boswijk\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoorden op feitelijke vragen over de Defensienota 26 – Samen Voorwaarts (Kamerstuk met kenmerk 2026D40844 d.d. 3 september 2026)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is het actuele percentage van gezamenlijke inkoop van defensiematerieel? Hoe heeft dit percentage zich de afgelopen drie jaar ontwikkeld en hoe zal dit percentage zich de komende vier jaar ontwikkelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de Stand van Defensie licht Defensie toe hoe deze cijfers zijn opgebouwd. In de eerste helft van 2026 kocht Defensie 59,0% van het totale inkoopvolume (in financiële omvang) voor militaire gereedheid en gevechtskracht in Nederland en Europa. Daarnaast kocht Defensie in de eerste helft van 2026 15,3% van de inkopen gezamenlijk met Europese partners onder Europese leiding. De benoemde percentages hebben zich de afgelopen drie jaar als volgt ontwikkeld:\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inkoop in Nederland en Europa voor militaire gereedheid en gevechtskracht, gebaseerd op de herkomst van moederbedrijven (cf. toegelichte definitie in de Stand van Defensie najaar 2026)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2024\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2025\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2026\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>78,9%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>77,4%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>59,0%*\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gezamenlijke inkoop met Europese partners, onder Europese leiding (cf. toegelichte definitie in de Stand van Defensie najaar 2026)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2024\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2025\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2026\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>15,3%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>20,7%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>15,3%*\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de Stand van Defensie Najaar 2026 bent u hierover nader geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe de percentages zich in de komende jaren ontwikkelen, hangt samen met het tempo waarop Europese alternatieven beschikbaar komen op de defensiemarkt. Defensie onderneemt hiervoor verschillende (beleids)initiatieven, zoals het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie. Met deze initiatieven wenst Defensie de doelstellingen in het coalitieakkoord duurzaam te borgen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>*: De percentages gemeld bij 2026 betreffen de resultaten over de eerste vijf maanden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is het actuele percentage van Europese inkoop van defensiematerieel? Hoe heeft dit percentage zich de afgelopen drie jaar ontwikkeld en hoe zal dit percentage zich de komende vier jaar ontwikkelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 1.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is het actuele percentage van inkoop van Europese licentieproductie van niet-Europese systemen? Hoe heeft dit percentage zich de afgelopen drie jaar ontwikkeld en hoe zal dit percentage zich de komende vier jaar ontwikkelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie beschikt niet over het gevraagde percentage, evenmin over inzichten van de afgelopen drie jaar. Daarom heeft Defensie in de Stand van Defensie kwalitatief inzicht geboden in de ontwikkelingen van de afgelopen periode en aangegeven welke concrete trajecten voor mogelijke co- en licentieproductie in Nederland er momenteel lopen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>4\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is het actuele percentage van inkoop van Amerikaanse systemen? Hoe heeft dit percentage zich de afgelopen drie jaar ontwikkeld en hoe zal dit percentage zich de komende vier jaar ontwikkelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie kocht in de eerste helft van 2026 31,8% van het totale inkoopvolume (in financiële omvang) producten die bijdragen aan de militaire gereedheid en gevechtskracht bij bedrijven die in de Verenigde Staten gevestigd zijn en onderdeel zijn van een eigendomsstructuur in de Verenigde Staten. In 2025 betrof dit 12,8%, in 2024 9,5%. Het volledige percentage van 2026 kan pas aan het einde van 2026 worden bepaald. Trends kunnen vooral over langere perioden worden waargenomen, gezien contracteringen met een grotere financiële omvang kunnen zorgen voor schommelingen tussen verschillende jaren.Hoe de percentages zich in de komende vier jaar ontwikkelen, hangt samen met het tempo waarop Nederlandse en Europese alternatieven beschikbaar komen op de defensiemarkt. Defensie werkt met het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie aan concrete implementatie van de doelen van de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII). Echter, Defensie is hierin ook afhankelijk van andere partijen. Hierdoor kunnen nog geen betrouwbare prognoses worden gedaan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is het actuele percentage van inkoop van Israëlische systemen? Hoe heeft dit percentage zich de afgelopen drie jaar ontwikkeld en hoe zal dit percentage zich de komende vier jaar ontwikkelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie kocht in de eerste helft van 2026 5,4% van het totale inkoopvolume (in financiële omvang) producten die bijdragen aan de militaire gereedheid en gevechtskracht bij bedrijven die in Israël gevestigd zijn en onderdeel zijn van een Israëlische eigendomsstructuur. In 2025 betrof dit 7,9%, in 2024 3,7%.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe de percentages zich in de komende vier jaar ontwikkelen, hangt samen met het tempo waarop Nederlandse en Europese alternatieven beschikbaar komen op de defensiemarkt. Hiervoor is beleid in voorbereiding maar is Defensie ook afhankelijk van andere partijen. Hierdoor kunnen nog geen betrouwbare prognoses worden gedaan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete lessen uit eerdere Defensienota&#x27;s en eerdere evaluaties hebben geleid tot wijzigingen in het beleid zoals opgenomen in de Defensienota 2026?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De beleidsvoornemens en investeringsmaatregelen uit de Defensienota 2026 vormen een samenhangend pakket dat verder reikt dan één kabinetsperiode. Dit is in lijn met het coalitieakkoord en met afspraken binnen de NAVO om 3,5% bbp aan defensie te besteden in 2035. Hierdoor wordt onnodige vertraging in de opbouw van militair vermogen voorkomen en heeft de defensie-industrie meer duidelijkheid en zekerheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarbij is in de Defensienota 2026 ook een duidelijk en vernieuwend krijgsmachtprofiel vastgelegd met negen leidende principes. Deze principes komen onder andere voort uit de lessen die we leren in actuele conflicten, met name de oorlog in Oekraïne. We bouwen hiermee een krijgsmacht die wezenlijk anders is ingericht dan voorheen, die past bij NAVO-verdediging en grotere Europese verantwoordelijkheid. We gaan daarbij uit van de effecten die nodig zijn voor Nederland en de NAVO. We bouwen een schaalbare krijgsmacht die kan vechten, volhouden en vernieuwen, met een slimme mix van hoogwaardige systemen en betaalbare massa. We zetten onbemenste systemen in waar dat kan, innoveren en creëren een voorsprong op het slagveld door digitalisering. En we doen dat samen met internationale partners, met de samenleving en met de industrie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Anders dan in de Defensienota’s 2024 en 2022 zijn waar mogelijk concretere (sub)doelstellingen en ambities geformuleerd, om de vier strategische doelstellingen te realiseren. Dit was één van de aanbevelingen uit de Wetenschapstoets over de Defensienota 2024 (DN24). Verder gaat deze nota dieper dan eerdere Defensienota’s in op samenwerking met de samenleving en de industrie. Dit volgt uiteraard in de eerste plaats de geopolitieke ontwikkelingen en is ook door diverse kennisinstellingen in diverse analyses en door de Wetenschapstoets DN24 aangeraden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>7\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke manier gaat u meten en monitoren of de Defensienota 2026 de slagkracht en paraatheid van de krijgsmacht de komende jaren vergroot?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De voortgang en effecten van die maatregelen worden gemonitord door middel van onder meer managementrapportages, dashboards en voortgangsgesprekken. Wij rapporteren de uitkomsten hiervan halfjaarlijks aan de Kamer in de Stand van Defensie. Ook wordt de Kamer via het Defensie Materieel Proces (DMP) en Defensie Projecten Overzicht (DPO) geïnformeerd over de voortgang van investeringsprojecten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>8\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt slagkracht en paraatheid geoperationaliseerd om meetbaarheid te bevorderen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie maakt de ontwikkeling hiervan inzichtelijk aan de hand van indicatoren voor onder meer personele en materiële gereedheid, geoefendheid en inzetvoorraden. De Stand van Defensie rapporteert hierover periodiek aan uw Kamer. Waar beschikbaar en passend wordt daarbij gebruikgemaakt van kritieke prestatie-indicatoren, kengetallen en kwalitatieve toelichting. De Defensienota 2026 richt de ontwikkeling van de krijgsmacht nadrukkelijker op het operationele effect dat nodig is. Vanuit dit benodigde effect wordt bepaald welke mensen, middelen en manieren van optreden daarvoor nodig zijn. De ontwikkeling van slagkracht en paraatheid moet daarom in samenhang met deze verschillende aspecten worden bezien.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welke projecten zijn of worden kosten-batenanalyses uitgevoerd? Hoe wordt de Kamer hierin meegenomen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij alle materieel- en wapensysteemgebonden IT-projecten die Defensie uitvoert, wordt een zorgvuldige afweging gemaakt tussen kosten en baten. De Kamer wordt conform het Defensie Materieel Proces (DMP) (Kamerstuk 27 830, nr. 431) in de B- of D-brief van de niet-gemandateerde projecten geïnformeerd over de gemaakte afwegingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>10\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn de tussentijdse resultaten van het Programma Defensie Open op Orde (DOO)?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie rapporteert regelmatig over de voortgang en resultaten van het programma DOO (in het meest recente jaarverslag 2025 en de Stand van Defensie voorjaar 2026). Een aantal recente resultaten zijn dat alle decentrale missie-archieven geïnventariseerd, centraal geborgd en geïndexeerd zijn. Met de inzet van slimme technologie wordt missie-informatie voor, tijdens en na inzet beter toegankelijk en betrouwbaar gemaakt, waardoor de informatiepositie en besluitvorming binnen Defensie worden versterkt. Een voorbeeld hiervan vormen de in maart 2025 teruggevonden F-16 videobeelden Hawija (Irak).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast wordt gewerkt aan het structureel verbeteren van de volwassenheid van de informatiehuishouding. Via twaalf actieplannen wordt de voortgang gemonitord en worden verbeteringen doorgevoerd. Daarnaast is een Visie op Informatie(huishouding) opgesteld en wordt blijvend ingezet op bewustwording van het belang van goede informatiehuishouding.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook heeft DOO bijgedragen aan het versterken van de informatievoorziening richting de samenleving en het parlement, onder meer door de realisatie van een robuust communicatieplatform en de succesvolle overdracht van Defensiestukken voor het openbare Tweede Kamer-archief in het kader van de Parlementaire Enquêtecommissie COVID.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tot slot werkt DOO aan de gefaseerde defensiebrede uitrol van het nieuwe documentmanagementsysteem DefDoc, dat in 2027 bij alle defensieonderdelen is geïmplementeerd, en de ontwikkeling van een speciale DefDoc-app voor de stukkenstroom van topfunctionarissen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>11\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt in het kader van het DOO bedoeld met een centrale entiteit die beleids-, inrichtings- en uitvoeringsniveau met elkaar blijft verbinden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met die centrale entiteit wordt de governance-structuur bedoeld die de samenhang tussen beleid, inrichting en uitvoering bewaakt en die binnen het programma Defensie Open op Orde (DOO) is opgezet. Hiermee wordt een defensiebrede werking geborgd, worden werkprocessen geharmoniseerd en blijft tegelijkertijd ruimte voor specifieke aandachtspunten vanuit de defensieonderdelen, zoals de informatiehuishouding tijdens inzet. Door (de taken en activiteiten van) het programma DOO structureel te borgen binnen de lijn versterkt Defensie de integratie tussen beleid en uitvoering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>12\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is de tussenstand van het integraal plan om de regie op het openbaar maken van Defensie-informatie te verwerken, waar de Defensiestaf, de BA en DOO aan werken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het kader van regie op openbaar maken van Defensie-informatie wordt ingezet op een stapsgewijze aanpak. In dit kader van DOO, is in samenwerking met de Beveiligingsautoriteit en de Defensiestaf (DS), een handreiking ‘Regie op openbaar maken van informatie’ opgesteld. Deze handreiking wordt ondersteund door een bewustwordingscampagne om medewerkers te informeren over de risico’s en aandachtspunten die samenhangen met het openbaar maken van informatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast neemt Defensie deel aan de interdepartementale werkgroep Openbaarheid en Nationale Veiligheid, waarin het versterken van de regie op het openbaar maken van informatie een centrale rol speelt. Ook is er een departementale regiegroep ingericht, waarin samenwerken aan vraagstukken rondom openbaarmaking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het verdere proces wordt vooral integratie gezocht bij bestaande initiatieven binnen en buiten het eigen departement.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>13\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn het Defensiebeveiligingsbeleid (DBB) en het rubriceringsproces Vertrouwelijk binnen Defensie veranderd na inwerkingtreding van het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIRBI) eind 2025? Zo ja, hoe?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Defensie Beveiligingsbeleid (DBB) was reeds in lijn met het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIRBI) 2025. Het DBB en het rubriceringsproces zijn niet gewijzigd naar aanleiding van de nieuwe versie van het VIRBI 2025.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>14\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is er een formeel gewijzigd Defensiebeveiligingsbeleid (DBB) vastgesteld of zijn er voornemens om het DBB nog te wijzigen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het koepeldocument Defensiebeveiligingsbeleid (DBB) is recent (Q2 2026) geactualiseerd. Er wordt continu geactualiseerd op basis van diverse ontwikkelingen, waaronder ook gewijzigde Rijksregelgeving, maar ook op basis van internationale regelgeving zoals van de NAVO en de EU. Daarnaast wordt het DBB indien nodig gewijzigd op basis van een gewijzigd dreigingsniveau of andere (technologische) ontwikkelingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>15\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke manier zijn de uitgangspunten, criteria en werkwijzen rondom het rubriceringsproces Vertrouwelijk binnen Defensie concreet aangepast “omdat de vijand meekijkt”?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het is inmiddels niet langer ondenkbaar dat Nederland betrokken raakt bij een grootschalig militair conflict. Daarnaast zien we dat de hybride dreigingen en aanvallen tegen Nederland en onze bondgenoten toenemen. In deze nieuwe realiteit in de grey zone tussen oorlog en vrede kan het delen van informatie over operationele plannen, inzet, gereedheid en het functioneren van de Krijgsmacht niet alleen de belangen van Defensie, onze bondgenoten en partners schaden, maar ook levens in gevaar brengen. Bij het openbaar delen en\u002Fof maken van Defensie informatie moet daarom altijd een afweging gemaakt worden tussen operational security (OPSEC) en het belang van transparantie. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan door te kijken naar juridische of andere externe beperkingen voor het openbaar maken van de informatie, bijvoorbeeld door internationale verdragen of leverancierscontracten. Ook wordt er gecontroleerd of de informatie inzicht geeft in militaire capaciteit of activiteiten; van Nederland en\u002Fof bondgenoten. Informatie zal daarom in voorkomende gevallen vertrouwelijk met uw Kamer worden gedeeld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>16\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welk bedrag kocht Defensie in 2025 in bij Israëlische bedrijven? Hoe ontwikkelt dit zich in 2026-2030?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie kocht in 2025 voor € 1,13 miljard bij bedrijven die in Israël gevestigd zijn en onderdeel zijn van een Israëlische eigendomsstructuur. Zoals aan de Kamer gemeld (Kamerstuk 36915 X, nr. 4), gaan deze verwervingen om essentiële militaire systemen en onderdelen voor de Nederlandse krijgsmacht, zoals antitankwapens, counter-drone systemen, F-35 vliegerhelmen, optische middelen voor marineschepen, PULS raketartilleriesystemen, zelfbeschermingsapparatuur voor diverse vliegtuigen, zelfbeschermingssystemen en optische middelen voor CV90 pantservoertuigen, en (componenten voor) het Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe het beeld zich in de periode 2026-2030 ontwikkelt, hangt samen met het tempo waarop Nederlandse en Europese alternatieven beschikbaar komen op de defensiemarkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>17\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk materieel kocht Defensie in 2025 in bij Israëlische bedrijven? Hoe ontwikkelt dit zich in 2026-2030?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 16.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>18\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welk totaalbedrag kocht Defensie in 2025 in bij Amerikaanse bedrijven? Hoe ontwikkelt dit zich in 2026-2030?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie kocht in 2025 voor € 1,83 miljard aan capaciteiten die bijdragen aan de militaire gereedheid en gevechtskracht bij bedrijven die in de Verenigde Staten gevestigd zijn en onderdeel zijn van een Amerikaanse eigendomsstructuur. Defensie heeft lopende contracten met Amerikaanse wapenproducten en leveranciers voor onder andere leveringen van de F-35 en bijbehorende munitie, Patriot-lanceerinrichtingen en –raketten en radio’s voor het programma Foxtrot (Kamerstuk 36915 X, nr. 4). In het meest recente Defensieprojectenoverzicht (Kamerstuk 27830 nr. 489) is de leverancier genoemd bij projecten zoals de verwerving van Patriot PAC-3 raketten, de Deep Strike Capaciteit Air en de middellange tot lange afstand raket voor de F-35. Defensie kan voor de periode 2026-2030 niet vooruitlopen op verwervingsbesluiten die nog moeten worden genomen. Hierover wordt uw Kamer zoals gebruikelijk via het Defensie Materieel Proces en het Defensieprojectenoverzicht geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>19\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk materieel kocht Defensie in 2025 in bij Amerikaanse bedrijven? Hoe ontwikkelt dit zich in 2026-2030?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 18.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>20\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welk bedrag kocht Defensie in 2025 in bij op Europees grondgebied producerende bedrijven? Hoe ontwikkelt dit zich in 2026-2030?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie kocht in 2025 voor € 11,0 miljard aan capaciteiten die bijdragen aan de militaire gereedheid en gevechtskracht bij bedrijven die in Europa gevestigd zijn (inclusief Nederland) en onderdeel zijn van een Europese eigendomsstructuur. Onder ‘Europees’ wordt geschaard: de landen binnen de toepassingscriteria voor de EU-instrumenten voor opschaling (alle EU-landen plus Noorwegen, IJsland, Zwitserland, Liechtenstein, Oekraïne en het Verenigd Koninkrijk). Enkele voorbeelden van materieel dat Defensie in Europese landen kocht zijn tanks, counterdrone-middelen en aanvullende munitie. Hoe het beeld zich in de periode 2026-2030 ontwikkelt, hangt samen met het tempo waarop Nederlandse en Europese alternatieven beschikbaar komen op de defensiemarkt. Defensie onderneemt hiervoor verschillende (beleids)initiatieven, zoals het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie. Met deze initiatieven wenst Defensie de doelstellingen in het coalitieakkoord duurzaam te borgen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>21\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk materieel kocht Defensie in 2025 in bij op Europees grondgebied producerende bedrijven? Hoe ontwikkelt dit zich in 2026-2030?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 20.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>22\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welk bedrag kocht Defensie in 2025 in bij op Nederlands grondgebied producerende bedrijven? Hoe ontwikkelt dit zich in 2026-2030?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie kocht in 2025 voor € 4,09 miljard aan capaciteiten die bijdragen aan de militaire gereedheid en gevechtskracht bij bedrijven die in Nederland gevestigd zijn en onderdeel zijn van een Nederlandse eigendomsstructuur. Enkele voorbeelden zijn onbemenste systemen (drones) en maritieme capaciteiten. Hoe het beeld zich in de periode 2026-2030 ontwikkelt, hangt samen met het tempo waarop Nederlandse en Europese alternatieven beschikbaar komen op de defensiemarkt. Defensie onderneemt hiervoor verschillende (beleids)initiatieven, zoals het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie. Met deze initiatieven wenst Defensie de doelstellingen in het coalitieakkoord duurzaam te borgen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>23\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk materieel kocht Defensie in 2025 in bij op Nederlands grondgebied producerende bedrijven? Hoe ontwikkelt dit zich in 2026-2030?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 22.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>24\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn de verwachte gevolgen voor mens en materiaal en de financiële consequenties van de inzet op onbemenste systemen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft de ambitie om in 2030 50% van de militaire effecten met onbemenste systemen te bereiken. Defensie heeft de afgelopen jaren al forse stappen gezet in het gebruik van onbemenste systemen. De defensieonderdelen hebben concrete plannen om effecten onbemenst te bereiken en Defensie werkt met industrie en kennisinstellingen om deze plannen in de praktijk te brengen. We leren hierbij nadrukkelijk van de ervaringen in Oekraïne. Deze lessen leren dat militairen voor specifieke operaties niet binnen vijandelijk bereik hoeven te opereren. Voor de uitvoering van onbemenste operaties heeft Defensie een mix van hoog- en laagwaardige systemen nodig heeft, waarvan de laatste categorie in grotere aantallen. Defensie implementeert de doelstelling voor het gebruik van onbemenste systemen binnen de bestaande budgettaire kaders.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>25\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Geeft de uitkomst van de Defensiebarometer 2026, dat bijna de helft van de Nederlanders geen vertrouwen heeft in de besteding van defensie-uitgaven, aanleiding tot aanpassingen of maatregelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uit de Defensiebarometer 2026 van Clingendael blijkt dat een ruime meerderheid voorstander is van de geplande verhoging van de defensie-uitgaven. De besteding van de extra middelen waarover in het Coalitieakkoord en de Defensienota 2026 is besloten, begint pas in 2027 en neemt in de jaren daarna toe. Defensie is zich bewust van de verantwoordelijkheid om deze middelen goed te besteden en te verantwoorden. Defensie is al voortdurend in gesprek met het ministerie van Financiën, de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer over verantwoording van de uitgaven in relatie tot de geldende regelgeving, benodigde snelheid vanwege urgente dreigingen, en afwegingen over openheid en vertrouwelijkheid omwille van (operationele) veiligheid. De uitkomsten van de Defensiebarometer zijn aanleiding om extra aandacht te besteden aan externe verantwoording en transparante communicatie daarover.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>26\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn de meest actuele cijfers ten aanzien van gerealiseerde en nog geplande personele vulling? Zijn daarover ook cijfers per krijgsmachtdeel beschikbaar?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Per 1 september 2026 telt Defensie 84.474 medewerkers: 46.935 beroepsmilitairen, 9.859 reservisten en 27.680 burgers. Voor 2030 is de ambitie 102.000 medewerkers, bestaande uit 57.000 beroepsmilitairen, 20.000 reservisten en 25.000 burgers. De uitsplitsing per defensieonderdeel staat in onderstaande tabel. Hierbij worden beroepsmilitairen en burgers weergegeven bij het onderdeel waar ze werkzaam zijn en reservisten verdeeld naar het operationeel commando waar ze zijn ingedeeld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Streefcijfers 2030 per defensieonderdeel: (huidig \u002F streefcijfer 2030)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensieonderdeel\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Beroepsmilitairen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Reservisten\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Burgers\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Totaal\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>CZSK\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>7.574 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9.493\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2.270 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>4.717\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3.216 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2.983\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>13.060 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>17.193\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>CLAS\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>18.904 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>21.951\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>4.776 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>8.536\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3.816 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3.067\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>27.496 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>33.554\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>CLRS\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>7.871 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>8.766\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1.317 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3.335\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1.500 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>883\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>10.688 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>12.984\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>KMAR\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>7.939 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9.593\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>737 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3.412\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1.056 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>946\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9.732 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>13.951\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>BS\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>1.354 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1.982\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>177 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3.468 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3.111\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>4.999 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>5.093\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>DOSCO\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>2.573 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>4.099\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>563 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>8.123 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>7.911\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>11.259 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>12.010\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>COMMIT\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>720 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1.116\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>19 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6.502 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6.099\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>7.241 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>7.215\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>46.935 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>57.000\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9.859 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>20.000\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>27.680 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>25.000\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>84.474 \u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>102.000\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>27\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke manier werkt Defensie aan de verbetering van vrouwengezondheid binnen de verschillende krijgsmachtonderdelen, gelet op de verwachte hogere instroom van vrouwelijke militairen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie besteedt aandacht aan vrouwengezondheid door te focussen op zowel de specifieke fysieke behoeften als de psychosociale aspecten van vrouwelijke militairen. Dit omvat onder meer het faciliteren van passende medische zorg, zoals ondersteuning bij reproductieve gezondheid en de overgang, en het creëren van een veilige werkomgeving waarin mentale gezondheid en de impact van gender gerelateerd geweld bespreekbaar zijn. Daarnaast zet de organisatie in op het aanpassen van kleding en uitrusting om beter aan te sluiten op de anatomische verschillen tussen mannen en vrouwen, met als doel de inzetbaarheid en het welzijn van alle militairen te optimaliseren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>28\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u aangeven welke NAVO-capaciteitsdoelstellingen Nederland met deze Defensienota volledig verwacht in te vullen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De aan Nederland toegewezen NATO Capability Targets zijn richtinggevend voor de verdere opbouw van de krijgsmacht. Met de Defensienota 2026 zet Defensie belangrijke stappen in de implementatie daarvan, in het bijzonder op de NATO Priority Targets en op gereedheid, personeel, inzetvoorraden, gevechtskracht op land, geïntegreerde lucht- en raketverdediging en slagkracht over lange afstand. In de vertrouwelijke bijlage van de Defensienota 2026 wordt op hoofdlijnen aangegeven in welke mate de defensieplannen invulling geven aan de afzonderlijke Capability Targets. Welke specifieke Capability Targets daarmee volledig worden ingevuld, kan niet openbaar worden aangegeven. De Capability Targets hangen samen met gerubriceerde NAVO-verdedigingsplannen. Over de voortgang wordt Nederland periodiek door de NAVO beoordeeld in de Defence Planning Capability Review (DPCR) en de Kamer wordt daarover vertrouwelijk geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>29\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke NAVO-capaciteitsdoelstellingen kan Nederland naar verwachting in 2035 nog niet volledig invullen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 28.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>30\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u per krijgsmachtdeel aangeven welk deel van de eenheden momenteel voldoet aan de normen voor operationele gereedheid en welke verbetering u in 2030 verwacht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uw Kamer wordt periodiek door middel van het vertrouwelijk deel van de ’Stand van Defensie’ geïnformeerd over de gereedheid van de krijgsmacht. Door het toegenomen dreigingsniveau gaat Defensie zeer terughoudend om met het openbaar delen van informatie over de operationele gereedheid van Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>31\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel mensen werken momenteel bij Defensie volgens dezelfde definitie die wordt gebruikt voor de doelstelling van 102.000 mensen in 2030?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Per 1 september 2026 bedraagt het personeelsbestand 84.474 medewerkers. Dit betreft beroepsmilitairen, reservisten en burgerpersoneel. Zie verder het antwoord op vraag 26.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>32\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke jaarlijkse netto personeelsgroei is nodig om in 2030 102.000 mensen te bereiken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De personeelsplanning voorziet in een groei naar 85.034 medewerkers eind 2026, 89.912 medewerkers eind 2027, 95.150 medewerkers eind 2028, 99.431 medewerkers eind 2029 en 102.000 medewerkers eind 2030. Dit betekent een geplande netto groei van respectievelijk 5.628 medewerkers in 2026, 4.878 medewerkers in 2027, 5.238 medewerkers in 2028, 4.281 medewerkers in 2029 en 2.569 medewerkers in 2030.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>33\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke objectieve indicatoren bepalen binnen het Dienmodel wanneer wordt overgegaan naar meer verplichtende maatregelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het afwegingsmechanisme voor het op- en afschalen binnen het Dienmodel wordt momenteel verder uitgewerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Kamerbrief Inrichting Opkomstplicht d.d. 11 september 2026 (referentie 2026Z18685).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>34\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer verwacht Defensie de benodigde inzetvoorraden voor een grootschalig conflict op het gewenste niveau te hebben?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De komende jaren verhoogt Defensie stapsgewijs de inzetvoorraden munitie, geneeskundige goederen, brandstof, reservedelen, voeding, hygiëne-artikelen en uitrusting (Kamerstuk 2026D43624 SvD Najaar 2026 van 15 september 2026). Gedetailleerde informatie over de inzetvoorraden is operationeel vertrouwelijke informatie. Uw Kamer wordt twee keer per jaar in de vertrouwelijke bijlage van de Stand van Defensie geïnformeerd over de voortgang van de aanvulling van de inzetvoorraden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>35\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke uitgangspunten gebruikt Defensie om te bepalen welk voorraadniveau voor munitie en reservedelen voldoende is?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het voorraadniveau van munitie en reservedelen wordt bepaald aan de hand van verschillende factoren. Hierbij wordt rekening gehouden met de duur en intensiteit van een mogelijk conflict, de geldende NAVO-normen en de groei en opschaling van de krijgsmacht. Op basis van historische verbruiksdata, data verkregen uit simulaties en ervaring van bondgenoten wordt berekend wat het te verwachten dagelijkse verbruik is. Defensie leert hierbij van de oorlog in Oekraïne. Bovendien wordt bij de opbouw van de voorraden rekening gehouden met de beschikbaarheid en verwachte levertijd van munitie en reservedelen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De sterk gestegen mondiale vraag en beperkte productiecapaciteit zorgt voor langere levertijden. Dit geldt voor bepaalde categorieën materieel, reservedelen en munitie, in het bijzonder voor Battle Decisive Munitions (BDM). Daarom zet Defensie ook in op versterking van de Nederlandse en Europese productie- en leveringszekerheid, onder meer via het Nationaal Programma Defensie Industrie &amp; Innovatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gedetailleerde informatie over de inzetvoorraden en de onderliggende uitgangspunten is operationeel vertrouwelijke informatie. Uw Kamer wordt twee keer per jaar in de vertrouwelijke bijlage van de Stand van Defensie geïnformeerd over de voortgang van de aanvulling van de inzetvoorraden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>36\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welke kritieke munitie, reservedelen en grondstoffen is Nederland momenteel afhankelijk van leveranciers buiten Europa?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de aanschaf van defensiematerieel in het buitenland ontstaan onvermijdelijk afhankelijkheden, in het bijzonder ten aanzien van software en reservedelen die meestal alleen de oorspronkelijke fabrikant kan leveren. Ten aanzien van onderhoud maakt Defensie bij de aanschaf afspraken dat de gebruiker het onderhoud grotendeels zelf kan uitvoeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De genoemde afhankelijkheden zijn vooral aan de orde bij wapensystemen met bijbehorende munitiesoorten van Amerikaanse makelij zoals de F-35, Chinook en Apache-helikopters en systemen voor luchtverdediging, waaronder die van marineschepen, alsmede communicatieapparatuur. Ook is dat het geval bij wapensystemen van Israëlische makelij, zoals antitankwapens, counterdrone systemen en raketartilleriesystemen. Het C390 transportvliegtuig dat vanaf volgend jaar de Hercules vervangt, is afkomstig uit Brazilië.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor grondstoffen heeft het kabinet in juli jl. de Nederlandse kritieke grondstoffenlijst vastgesteld als onderdeel van de kabinetsinzet voor de Nationale Grondstoffenstrategie (Kamerstuk 32 852, nr. 426). Deze lijst bevat zeventien grondstoffen die de hoogste mate van onzekerheid kennen voor levering en die bijdragen aan de toegevoegde waarde van de huidige Nederlandse industrie. Het betreft onder andere lithium, kobalt en verschillende zeldzame aardmetalen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>37\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt gemeten of de ambitie wordt gehaald dat over vijf jaar meer dan de helft van de operationele effecten met onbemande systemen wordt bereikt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een operationeel effect is het beoogde of feitelijke resultaat van een militaire actie of operatie die vervolgens weer bijdraagt aan een hoger strategisch doel. De wijze waarop Defensie operationele effecten bereikt is over vijf jaar anders dan nu het geval is. Defensie zet zich daarom stevig in voor het versterken van de operationele slagkracht, door de inzet van onbemenste systemen structureel te integreren in de militaire operaties. Daardoor zullen deze onbemenste systemen de komende jaren steeds meer gaan bijdragen aan de gewenste operationele effecten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>38\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer wordt de Defensie-innovatie- en opschalingsautoriteit operationeel, welke bevoegdheden krijgt zij en over welk budget kan zij beschikken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie beoogt in 2026 nog te kunnen starten met een eerste programma voor de Defensie Innovatie- en Opschalingsautoriteit (DIOA). Op deze manier breidt Defensie haar ervaring met innovatie instrumenten uit, zoals die ook door de uiteindelijke organisatie ingezet gaan worden. Formele start van de organisatie is voorzien in 2027-2028. Meer informatie over het startprogramma, alsmede rondom bevoegdheden en budgetten van DIOA, wordt met uw Kamer gedeeld via het nog te ontwikkelen Nationaal Programma Industrie en Innovatie (Q4 2026).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>39\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke maximale doorlooptijd wil Defensie hanteren tussen het testen van een innovatie en het sluiten van een eerste productiecontract?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie wil de doorlooptijd tussen het testen van een innovatie en het sluiten van een eerste productiecontract verkorten. De maximale doorlooptijd verschilt per traject. Defensie hanteert steeds vaker een innovatiegerichte inkoopaanpak. Bij Strategische Defensie Inkoop Route (SDIR) integreren we experiment en opschaling in één aanpak. Op deze wijze versnelt Defensie en overbrugt Defensie de spreekwoordelijke ‘Valley of Death’, waarin innovaties niet doorgroeien van concept tot aan volwassen product. Binnen het Actieplan Onbemenste Systemen (APOS) heeft Defensie deze werkwijze verschillende malen toegepast. Samen met de industrie en kennisinstellingen heeft Defensie binnen 9 maanden volledig nieuwe operationele capaciteiten gerealiseerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>40\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt gemeten of minimaal 50% van de defensie-uitgaven bij Nederlandse en Europese bedrijven terechtkomt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de Stand van Defensie Najaar 2026 heeft Defensie de totstandkoming, definities en cijfers rond de streefpercentage (40% gezamenlijke inkoop met Europese partners en 50% inkoop in Nederland en Europa) toegelicht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>41\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke defensiecapaciteiten en technologieën wilt u vanwege strategische autonomie specifiek in Nederland behouden of opbouwen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Om de strategische autonomie te vergroten moet de krijgsmacht minder afhankelijk worden van derden voor de vitale technologieën die militair nodig zijn. We richten ons daar waar operationele behoeften en onze Nederlandse technologische kracht samenkomen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De focus ligt daarom op het bouwen en behouden van capaciteiten binnen de volgende gebieden: Quantum, slimme materialen, ruimtetechnologie, intelligente systemen, maritieme high tech en sensoren. Op deze gebieden zal Defensie vaker een smart developer rol innemen, en samen met bedrijven en kennisinstellingen producten ontwikkelen die defensie nodig heeft.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>42\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete maatregelen neemt Defensie om aanbestedingsprocedures te verkorten zonder de toegang voor het mkb te beperken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie verkort het verwervingsproces via verschillende wegen. Deze initiatieven verminderen niet alleen de administratieve lasten van Defensie zelf, maar ook die van het bedrijfsleven. Juist het mkb profiteert verhoudingsgewijs vaak nog meer van deze lastenverlichting dan grote bedrijven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zo zet Defensie zich in voor het aanpassen van de Europese aanbestedingswetgeving. De verwachte aanstaande inwerkingtreding van de Europese Defensie Omnibus versoepelt de richtlijn voor Defensie- en Veiligheidsaanbestedingen, waaronder het significant verhogen van de Europese aanbestedingsdrempelwaardes. Defensie streeft naar het maximaal gebruikmaken van de bestaande ruimte binnen de aanbestedingswetgeving. Dat leidt tot minder Europese aanbestedingsprocedures en als gevolg daarvan meer opdrachten die rechtstreeks gegund kunnen worden. Het inschrijven op Europese aanbestedingsprocedures legt, door de arbeidsintensiviteit en administratieve lasten die daarmee samenhangen, vaak een groter beslag op kleinere ondernemingen dan op grote bedrijven. Dit vergroot de toegankelijkheid van kleinere bedrijven tot Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bovendien identificeert en treft de Taskforce Versnellen Inkoop versnellingsmaatregelen, waarover uw Kamer eerder geïnformeerd is (Kamerstukken II 2024\u002F25, 36600 X, nr. 84). Een belangrijke maatregel is het verhogen van de inkoopmandaten. Hiermee hebben inkopers meer handelingsvrijheid, wat de doorlooptijd van inkoopdossiers met een laag risicoprofiel significant verkort. Deze versnellingsmaatregelen stralen ook uit naar het bedrijfsleven en in het bijzonder naar kleinere ondernemingen, omdat een kortere doorlooptijd vaak beter aansluit op hun bedrijfsvoering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>43\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welke wapensystemen is Nederland voor onderhoud, software, munitie of reservedelen afhankelijk van niet-Europese leveranciers?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 36.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>44\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn momenteel de belangrijkste knelpunten bij het realiseren van het benodigde defensievastgoed?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Netcongestie en wet- en regelgeving op het gebied van onder andere stikstof hebben, naast diverse andere omgevingsfactoren, een vertragende werking op de realisatie van vastgoedprojecten. Voor het realiseren en\u002Fof de exploitatie van (revitalisatie)projecten zijn omgevings- en natuurvergunningen nodig. Dit leidt, mede door de locaties ten opzichte van Natura 2000-gebieden, tot grote vertraging bij de realisatie van projecten. De Wet op Defensiegereedheid (WODG) beoogt vastgoedprojecten mogelijk te maken, die direct of indirect verband hebben met de operationele gereedstelling van Defensie. Het gaat hierbij op specifieke locaties om bijvoorbeeld sloop, renovatie en nieuwbouw van bestaande verouderde infra (niet zijnde monumenten), zoals legeringsgebouwen, kantoorgebouwen en hangars ten behoeve van stalling en onderhoud van luchtvaartuigen. Maar ook om ondergrondse infra, het moderniseren van schietbanen, of het fysiek geschikt maken van opslaglocaties voor veilige opslag van grotere munitievoorraden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie een transitieperiode door van eerdere focus op bezuinigen en concentreren naar groei en versnellen in het kader van opschaling van de Krijgsmacht. Dat is een verandering waarbij in de gehele vastgoedketen vele procesverbeteringen noodzakelijk zijn. Defensie en het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) werken met marktpartijen aan een nieuwe vorm van samenwerking om het realisatievermogen te verhogen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>45\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt het succes van de Nationale Weerbaarheidstraining (NWT) gemeten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het succes van de NWT wordt onder meer bezien aan de hand van instroom, afronding van de opleiding en behoud voor Defensie. Van de deelnemers blijft momenteel circa 90% behouden als reservist en dat is zeer positief.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>46\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel deelnemers had de NWT in 2025?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NWT is in november 2025 gestart, met in 2025 120 deelnemers. Het verwachte aantal deelnemers aan de NWT in 2026 is 850.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>47\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel fte (uitgesplitst op intern en extern personeel) houdt zich specifiek met de NWT bezig?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de uitvoering van de NWT is een nieuw opleidingsinstituut ingericht (het Centraal Defensie Opleidingsconcept (CDOC)), Dit instituut heeft de opdracht om dit jaar meer dan 1.000 NWT-militairen op te leiden, inclusief de bijbehorende logistieke ondersteuning.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hieraan zijn momenteel 46 fte intern personeel verbonden. Deze medewerkers houden zich bezig met de uitvoering, opschaling en ontwikkeling van het programma. Deze capaciteit omvat ook de logistieke ondersteuning van de opleiding.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vanwege de schaarse opleidingscapaciteit binnen defensie, maken we vooral gebruik van externe opleidingscapaciteit. Hiervoor zijn in 2026 tot nu toe 61 personen extern ingehuurd. Daarnaast zijn 11 extra medewerkers aangesteld voor de samenwerking met onderwijs en bedrijfsleven, en voor de additionele instroom die daaruit voortvloeit\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>48\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel procent van de Defensienota is door AI geschreven of met behulp van AI tot stand gekomen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Defensienota 2026 is bedacht, geschreven en vormgegeven door mensen. Voor diverse thema’s hebben rondetafelgesprekken met mensen van verschillende organisaties plaatsgevonden. Conceptstukken zijn gelezen, gecontroleerd, aangepast, aangevuld en geaccordeerd door mensen op diverse niveaus en binnen verschillende onderdelen van Defensie en andere ministeries. De Defensienota is niet door AI geschreven of als zodanig met behulp van AI tot stand gekomen. Wel is er gebruik gemaakt van AI en zoekmachines voor het verzamelen van relevante informatie voor de Defensienota, door bestaande (Kamer)stukken en rapporten op te zoeken en daar relevante informatie uit te selecteren. Tot slot is AI gebruikt voor suggesties voor woordkeuze en zinsbouw, maar de uiteindelijke teksten zijn door mensen geschreven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>49\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke bestaande capaciteitstekorten van de Nederlandse krijgsmacht moeten uiterlijk in 2030 zijn opgelost en welke capaciteitstekorten zullen naar verwachting ook daarna nog bestaan?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tot 2030 ligt de nadruk op het versneld versterken van het militair vermogen. Richting 2035 werkt Defensie toe naar een volledig inzetbare, schaalbare en gevechtsgerede krijgsmacht in alle domeinen, die in staat is gelijktijdig nationale en bondgenootschappelijke taken uit te voeren. Op specifieke tekorten gaat Defensie in een openbaar document niet in, omdat openbaarmaking inzicht kan geven in militaire tekortkomingen en kwetsbaarheden en daarmee de operationele veiligheid en de veiligheidsbelangen van Nederland en zijn bondgenoten kan schaden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>50\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke opgaven kunnen ook bij een besteding van 3,5% niet volledig worden uitgevoerd, aangezien het kabinet aangeeft dat Defensie ook bij een besteding van 3,5% van het bbp niet alle opgaven volledig en gelijktijdig kan uitvoeren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoewel we met 3,5% van het bbp een historisch hoog niveau bereiken, moeten we eerlijk zijn over de schaal van de opgave. Naast het invullen van de NATO Capability Targets moet Defensie ook invulling geven aan onder meer Homeland Defense, Host Nation Support en sustainment. Niet alles kan tegelijk en niet alles kan nu, maar de gekozen maatregelen versterken het militaire vermogen dat Nederland en de NAVO het hardst nodig hebben.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>51\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre zijn de gewenste voorraadniveaus van onder meer munitie, reservedelen en materieel berekend op een langdurig hoog-intensief conflict waarin sprake is van hoge attritie, en welke operationele gevolgen ontstaan wanneer deze voorraadniveaus niet tijdig worden bereikt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie moet beschikken over voldoende voorraad om hun inzet langere tijd vol te houden. De gewenste voorraadniveaus worden bepaald op basis van het te verwachten verbruik in een hoofdtaak 1-scenario en de geldende NAVO-normen. Op basis van historische verbruiksdata, data verkregen uit simulaties en ervaring van bondgenoten wordt berekend wat het te verwachten verbruik is. Defensie leert hierbij van de oorlog in Oekraïne. Bovendien wordt bij de opbouw van de voorraden rekening gehouden met de beschikbaarheid en verwachte levertijd van munitie. Defensie zet ook in op versterking van de Nederlandse en Europese productie- en leveringszekerheid, onder meer via het Nationaal Programma Defensie Industrie &amp; Innovatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een gebrek aan voorraad heeft directe gevolgen voor de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht. In een hoofdtaak 1-scenario bepaalt de mogelijkheid om verliezen, schade en verbruik tijdig aan te vullen in belangrijke mate de duur waarmee operaties worden volgehouden. Zo kunnen tekorten aan munitie de duur en de intentie van het optreden beperken. Tekorten aan reservedelen en materieel zorgen voor langere onderhouds- en hersteltijden, een lagere materiële gereedheid en minder beschikbare wapensystemen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>52\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor hoeveel dagen beschikt de Nederlandse krijgsmacht momenteel over voldoende munitie bij een grootschalig hoog-intensief conflict en welke doelstelling hanteert u voor de toekomstige voorraadniveaus?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie doet om operationele veiligheidsredenen geen openbare uitspraken over het aantal dagen waarvoor de munitievoorraden toereikend zijn. Uw Kamer wordt twee keer per jaar in de vertrouwelijke bijlage van de Stand van Defensie geïnformeerd over de voortgang van de aanvulling van de inzetvoorraden. Het doel is de munitievoorraden op te bouwen tot het niveau dat nodig is voor de eigen en bondgenootschappelijke verdediging, overeenkomstig de geldende NAVO-eisen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>53\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre rekent de Defensienota op reservisten om operationele tekorten op te vangen en hoeveel extra reservisten zijn hiervoor nodig?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Reservisten vormen een structureel en volwaardig onderdeel van de personele capaciteit van de krijgsmacht en zijn bedoeld als schaalbare capaciteit voor het uitvoeren van alle hoofdtaken. Ze worden ingezet voor reguliere, specialistische en operationele functies, nationale taken en Host Nation Support. Defensie streeft naar 20.000 reservisten in 2030. Er wordt gewerkt aan een duidelijke plaatsing van reservisten in de oorlogsorganisatie, met bijbehorende rollen, functies en inzetbaarheid. De benodigde aantallen en functies worden per Defensieonderdeel verder uitgewerkt in de reservistenplannen en komen ook terug in de Stand van Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>54\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre rekent de Defensienota op burgerpersoneel om operationele tekorten op te vangen en hoeveel extra reservisten zijn hiervoor nodig?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie bestaat uit beroepsmilitairen, reservisten en burgermedewerkers. De aard van de werkzaamheden van burgers in de oorlogsorganisatie verschilt voor het grootste deel niet met die in de vredesorganisatie. De aard van de werkzaamheden bepaalt echter wel welke categorie de functie van de burgermedewerker heeft. Als er sprake is van rechtstreeks deelname aan vijandelijkheden, dan betreft het een categorie 1 functie en wordt de burgermedewerker na instemming of lid van de krijgsmacht, of gemilitariseerd of reservist. Als er geen sprake is van deelname aan vijandelijkheden, dan betreft het een burger-categorie 2 functie en verandert er rechtspositioneel niets voor de defensie-burgermedewerker.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast onderzoekt Defensie een aanvullende (flexibele) burgercapaciteit (uit de maatschappij) als schaalbare personele capaciteit. Deze capaciteit kan worden ingezet om in tijden van verhoogde behoefte extra personele capaciteit beschikbaar te maken, maar vervult geen militaire taken en vereist geen militaire opleiding.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De ambitie voor 2030 bedraagt 25.000 burgers en circa 20.000 reservisten. De inzet van burgeredewerkers, aanvullende burgercapaciteit en reservisten is daarmee complementair aan de inzet van beroepsmilitairen, waarbij reservisten juist ook militaire functies in de oorlogsorganisatie kunnen vervullen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>55\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre rekent Defensie voor het opvangen van personele en operationele capaciteitstekorten op de inzet van private organisaties, zoals Triangular Group? Welke taken en functies worden momenteel door dergelijke organisaties voor Defensie uitgevoerd en in hoeverre bent u voornemens deze inzet de komende jaren verder uit te breiden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie werkt steeds intensiever samen met publieke en private partners om aanvullende capaciteit en expertise beschikbaar te maken. Externe capaciteit wordt onder meer ingezet voor schaarse specialistische expertise (instructiecapaciteit), tijdelijke piekbelasting en ondersteuning.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze gekwalificeerde inzet is aanvullend op de eigen personele en militaire capaciteit van Defensie en is niet bedoeld om structureel militaire kerntaken over te nemen. Het is het product van een schaalbare organisatie die Defensie wil zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De verdere inzet van private capaciteit wordt per behoefte en functie bezien. Defensie beoogt deze behoeften centraal te regisseren en decentraal uit te voeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>56\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe is de beoogde personeelsomvang van circa 102.000 in 2030, de verdere groei naar 122.000 en het opschalingsscenario naar maximaal 200.000 bij oorlog of conflict samengesteld uit beroepsmilitairen, reservisten, burgerpersoneel en private organisaties, zoals Triangular Group?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor 2030 bestaat de ambitie van 102.000 medewerkers uit 57.000 beroepsmilitairen, 20.000 reservisten en 25.000 burgers. De nadere samenstelling van de verdere groei naar minimaal 122.000 en het opschalingsscenario (inschatting 200.000 mensen) wordt het komende half jaar concreet uitgewerkt. De mobilisabele personeelscapaciteit in dat scenario zal grotendeels uit reservisten bestaan. Het aantal medewerkers dat nu ingezet wordt door civiele partners voor het verzorgen van opleidingen en trainingen bedraagt 450 VTE.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>57\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onder welke concrete omstandigheden kan binnen het dienmodel worden overgegaan van vrijwillige deelname naar verplichte selectie, keuring of opkomst, wie neemt daarover het besluit, hoeveel personen zouden daarbij naar verwachting worden opgeroepen en op basis van welke selectiecriteria?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het afwegingsmechanisme voor het op- en afschalen binnen het Dienmodel wordt thans uitgewerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Kamerbrief Inrichting Opkomstplicht d.d. 11 september 2026 (referentie 2026Z18685).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>58\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete gevolgen heeft de voortzetting van militaire steun aan Oekraïne voor de operationele inzetbaarheid van de Nederlandse krijgsmacht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het leveren van materieel uit eigen voorraad heeft gevolgen voor de gereedheid van de krijgsmacht. Defensie zal het geleverde materieel uit eigen voorraad waar nodig zo spoedig mogelijk aanvullen of vervangen. Daarbij moet worden opgemerkt dat Defensie nauwelijks meer middelen uit eigen voorraad levert maar aankoopt op de defensiemarkt. Het afgelopen jaar is voor slechts €100 mln. aan middelen uit eigen voorraad geleverd, in totaal is sinds 2022 €12,4 mld. gerealiseerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Anderzijds draagt de ervaring die Nederlandse militairen op doen tijdens het trainen van Oekraïense collega’s bij aan de operationele gereedheid. De effecten van de geleverde steun op de gereedheid van de Nederlandse strijdkrachten worden, gezien het Nederlands belang van een veilig Europa door Defensie als significant, maar acceptabel beoordeeld. Defensie neemt maatregelen om deze gevolgen zoveel mogelijk te mitigeren. Zo zijn er maatregelen om de aankoop van vervangend materieel te versnellen en wordt project- en inkoopcapaciteit versterkt. Ook weegt Defensie continu de belangen van enerzijds de steunvoorziening aan Oekraïne en anderzijds het belang van het opleiden en training van het eigen personeel. Het kabinet zal ook bij toekomstige verzoeken aandacht houden voor de effecten op de gereedheid, gezien de veranderende veiligheidssituatie waarin de Nederlandse krijgsmacht haar operationele gereedheid moet verhogen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>59\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke Nederlandse wapensystemen, munitievoorraden of andere voorraden bevinden zich als gevolg van leveringen aan Oekraïne momenteel onder het door Defensie gewenste niveau en wanneer worden deze tekorten naar verwachting volledig aangevuld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uw Kamer wordt periodiek door middel van het vertrouwelijk deel van de Stand van Defensie geïnformeerd over de gereedheid van de krijgsmacht. Door het toegenomen dreigingsniveau gaat Defensie terughoudend om met het delen van informatie over de operationele gereedheid van de krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>60\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke Nederlandse wapensystemen, munitievoorraden of andere militaire voorraden dreigen als gevolg van toekomstige leveringen aan Oekraïne onder het door Defensie gewenste niveau te komen, om welke tekorten gaat het en wanneer worden deze naar verwachting volledig aangevuld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 59.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>61\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke investeringen in de Nederlandse krijgsmacht worden in de periode 2027 tot en met 2029 vertraagd, verminderd of uitgesteld als gevolg van kasschuiven, ombuigingen of de dekking van militaire steun aan Oekraïne?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet investeert met de Defensienota 2026 in de verdere versterking en toekomstbestendigheid van de krijgsmacht. Daarvoor zijn in het Coalitieakkoord additionele middelen beschikbaar gesteld. Een deel van deze middelen is bestemd voor het continueren van militaire steun aan Oekraïne. Bij het opstellen van de Defensienota 2026 en de uitwerking van de maatregelen is hiermee rekening gehouden. Om die reden is er geen sprake van uitstel, vertraging of vermindering. Onderstaande budgettaire reeks is verwerkt in de Ontwerpbegroting 2027 van Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In mld. euro\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2026\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2027\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2028\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2029\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2030\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2031\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>CA-middelen investering in NAVO-norm defensie 2,8% in 2030 en 3,5% in 2035\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0,6\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>4,3\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6,1\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9,9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>11,7\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Investeringen in NAVO-norm defensie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2,1\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>4,5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>7,1\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9,5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>11,7\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dekking Oekraïne (defensiebegroting)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>-0,5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>-0,8\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>-1,0\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dekking Oekraïne - kasschuif\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>-1,0\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0,566\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0,434\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>62\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke investeringen in de Nederlandse krijgsmacht worden in de periode na 2029 vertraagd, verminderd of uitgesteld als gevolg van kasschuiven, ombuigingen of de dekking van militaire steun aan Oekraïne?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 61.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>63\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat van de €2,1 miljard die in het Coalitieakkoord voor 2027 beschikbaar is gesteld voor extra investeringen in Defensie, na de kasschuif van €1 miljard en de €500 miljoen dekking uit de Defensiebegroting, per saldo €0,6 miljard beschikbaar is voor extra investeringen in Defensie in 2027?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 61.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>64\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke investeringen in de Nederlandse krijgsmacht worden in 2027 vertraagd, verminderd of uitgesteld doordat van de oorspronkelijk €2,1 miljard voor extra defensie-investeringen, na de kasschuif van €1 miljard en de €500 miljoen dekking uit de Defensiebegroting, per saldo €0,6 miljard resteert?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 61.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>65\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke nieuwe taken, bevoegdheden of verantwoordelijkheden op defensiegebied wil het kabinet de komende jaren (deels) op EU-niveau beleggen die momenteel nationaal of binnen de NAVO zijn georganiseerd, en welke gevolgen heeft dit voor de Nederlandse beslissingsbevoegdheid over de eigen krijgsmacht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Besluitvorming over de inzet van de krijgsmacht blijft een uitsluitend nationale bevoegdheid, alleen de Nederlandse regering kan daarover besluiten (cf. art. 97 Grondwet). Het kabinet is niet voornemens taken aan de EU of de NAVO over te dragen. Indien in NAVO- dan wel EU-verband over een militaire missie wordt besloten, zal de regering over de bijdrage vanuit Nederland besluiten en het parlement informeren middels een artikel 100-brief.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>66\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bent u voornemens Nederlandse militaire eenheden of capaciteiten verder structureel te integreren in buitenlandse krijgsmachten? Zo ja, welke?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee, hiervoor zijn momenteel geen plannen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>67\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk percentage wilt u specifiek bij Nederlandse ondernemingen inkopen, aangezien u ernaar streeft ten minste 50% bij Nederlandse en Europese ondernemers in te kopen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie streeft er naar dat het aandeel ‘inkoop bij Nederlandse ondernemingen’ binnen de totale inkoop van Defensie, fors is. Defensie investeert met deze Defensienota nadrukkelijk in de versterking van de Nederlandse Defensiegerelateerde Technologische en Industriële Basis (NLDTIB). Op deze manier zet Defensie niet alleen in op een versterking van de Nederlandse strategische positie in de Europese en mondiale markt voor defensiematerieel, -munitie en –IT, maar ook zet Defensie ook in op positieve neveneffecten van de investeringen in Defensie voor de gehele economie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>68\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk percentage van de totale defensie-investeringen is in 2024 en 2025 daadwerkelijk bij Nederlandse ondernemingen terechtgekomen en welk percentage wordt voor 2026 geraamd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Van de totale inkoop van Defensie voor de militaire gereedheid en slagkracht van de krijgsmacht, investeerde defensie in 2024 en 2025 respectievelijk 27,1% en 43,5% bij in Nederland gevestigde bedrijven die in Nederlandse handen zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>69\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk deel van de circa €2 miljard die in 2030 voor defensie-ecosystemen wordt uitgetrokken, komt naar verwachting terecht bij Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het doel van deze middelen is om onze technologisch voorsprong te houden en versterken, in gevecht en op het wereldtoneel. Dat betekent dat deze middelen primair in Nederland zullen landen of via internationale samenwerking onze positie in internationale waardeketens beduidend moeten versterken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>70\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke drie toonaangevende militaire eindsystemen en welke vijf hoogwaardige kritieke componenten wil Nederland zelf kunnen ontwikkelen en produceren, en wanneer moet die capaciteit beschikbaar zijn?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland beschikt op een aantal domeinen over een technologisch hoogwaardige en internationaal concurrerende defensie-industrie, waaronder de ontwikkeling en bouw van complexe maritieme platformen en de bijbehorende reservedelen, wereldwijd toonaangevende radarsystemen, geavanceerde sensorcomponenten en innovatieve onbemenste systemen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Andere mogelijke toonaangevende eindsystemen en componenten die we in Nederland zelf willen ontwikkelen hebben betrekking op onder andere ruimte-technologie en geïntegreerde lucht- en raketverdediging. Het belangrijkste uitgangspunt voor de keuzes die we hierin maken, is dat het direct bijdraagt aan de krijgsmacht die we bouwen. Deze keuzes worden nader toegelicht in het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie. De belangrijkste gewenste versterkingen voor de krijgsmacht zijn in de Defensienota 2026 beschreven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>71\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welke essentiële wapensystemen, onderdelen, grondstoffen en overige defensieproducten is Nederland momenteel kritisch afhankelijk van buitenlandse leveranciers of productiecapaciteit, welke daarvan kan Nederland momenteel niet zelf produceren en voor welke producten wil het kabinet nationale productiecapaciteit opbouwen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals in het Economische Beleidsanalyse Defensie-industrie (EBA)-rapport ‘Met markt en macht opschalen’ is geschreven zijn we voor ons militair vermogen op veel gebieden nog afhankelijk van landen buiten Europa. Het EBA-rapport noemt verschillende concrete voorbeelden van dergelijke capaciteiten, waaronder hoogwaardige luchtdoel- en raketsystemen, geleide wapens en verschillende soorten kapitale munitie zoals artilleriegranaten. In de Defensienota hebben we toegelicht welke krijgsmacht we bouwen en welke capaciteiten we nodig hebben. Dit is leidend voor de keuze voor de capaciteiten die we in Nederland en Europa willen ontwikkelen en produceren. Dit wordt in het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie nader toegelicht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>72\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welke essentiële wapensystemen, reservedelen, componenten en overige militaire goederen beschikt Nederland momenteel over eigen productiecapaciteit die in geval van crisis of oorlog snel kan worden opgeschaald, en voor welke essentiële producten ontbreekt deze capaciteit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 70 en 71.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>73\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke typen munitie worden momenteel geheel of gedeeltelijk in Nederland geproduceerd en voor welke aanvullende typen wilt u nationale productiecapaciteit realiseren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op dit moment wordt er nog geen munitie in Nederland geproduceerd. Het is belangrijk dat Nederland zich positioneert in het Europese en mondiale speelveld van munitieproductie. Defensie en Economische Zaken hebben stappen gezet en een drietal opties binnen het munitiedomein geïdentificeerd waar de krijgsmacht behoefte aan heeft én Nederland op basis van de kennis en kunde van de Nederlandse industrie een stevige positie kan pakken in het speelveld van (schaarse) munitie, zoals (co)productie van kapitale munitie, dronemunitie en hergebruik, demilitarisatie en alternatieve grondstofproductie (Kamerstuk 36800X, nr 11 van 6 oktober 2025).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>74\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bent u voornemens zich ervoor in te zetten dat Patriot-interceptoren, waaronder PAC-3-interceptoren, volledig in Nederland onder licentie kunnen worden geproduceerd? Zo ja, welke stappen zet u hiervoor en op welke termijn acht u volledige productie in Nederland mogelijk? Zo nee, waarom niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie hecht een belangrijke waarde aan het versterken van de Nederlandse productiekracht op het gebied van Integrated Air en Missile Defence (IAMD). Er wordt met urgentie gewerkt aan het invullen van deze kritieke capaciteit voor de Nederlandse krijgsmacht. Defensie onderneemt hier verschillende initiatieven voor. Zo is Defensie aangesloten bij het initiatief om productie van Patriot munitie in Europa mogelijk te maken. Daarbij ziet Defensie nadrukkelijk kansen voor de Nederlandse industrie om bij te dragen in verschillende typen werkzaamheden. Defensie acht het vanwege operationele veiligheid onwenselijk om per type werkzaamheid voor de productie, instandhouding en componentenontwikkeling van de Patriot uit te wijden over de mogelijke en beschikbare productiecapaciteit in Nederland of elders in Europa.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>75\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke onderdelen en componenten van Patriot- en PAC-3-interceptoren kunnen momenteel in Nederland worden geproduceerd, welke niet, en wat is volgens u nodig om door te groeien van Nederlandse componentenproductie naar volledige productie, assemblage en eindintegratie van deze interceptoren in Nederland?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 74.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>76\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke onderhouds-, reparatie- en revisiewerkzaamheden aan Patriot-systemen en PAC-3-interceptoren kunnen momenteel in Nederland worden uitgevoerd, welke werkzaamheden moeten in het buitenland plaatsvinden en wat is volgens u nodig om het onderhoud, de reparatie en revisie hiervan zoveel mogelijk in Nederland te kunnen uitvoeren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 74.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>77\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u een tijdpad geven voor het opzetten van de Defensie Innovatie Opschaling Autoriteit, inclusief een financieel pad richting de 10% van de defensie-uitgaven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 38. Met de beoogde publicatie van het Nationaal Programma Industrie en Innovatie in november zult u ook nader worden geïnformeerd over de Defensie- innovatie en opschalingsautoriteit, het Defensie investeringsbudget aan innovatie- en industrieopschaling en het financiële pad daar naar toe.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>78\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welke essentiële wapensystemen is Nederland voor onderhoud, reparatie en revisie momenteel kritisch afhankelijk van buitenlandse leveranciers of onderhoudsfaciliteiten, welke onderhoudswerkzaamheden kunnen momenteel niet in Nederland worden uitgevoerd en voor welke wapensystemen wil het kabinet nationale onderhouds- en instandhoudingscapaciteit opbouwen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet zet in op versterking en opschaling van industrie en innovatie, onder meer door Nederlandse bedrijven vroeg te betrekken bij de ontwikkeling en aanschaf van materieel en ze op te nemen in grensoverschrijdende leveranciersketens. Hiermee worden bedrijven en kennisinstellingen beter gepositioneerd voor activiteiten in de gehele levenscyclus van het materieel. In deze openbare beantwoording kan niet worden ingegaan op specifieke leveranciers.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de aanschaf van defensiematerieel in het buitenland ontstaan onvermijdelijk afhankelijkheden, in het bijzonder ten aanzien van software en reservedelen die meestal alleen de oorspronkelijke fabrikant kan leveren. Ten aanzien van onderhoud maakt Defensie bij de aanschaf afspraken dat de gebruiker het onderhoud grotendeels zelf kan uitvoeren. Zie ook het antwoord op vraag 36.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het onderhoud van het defensiematerieel werkt Defensie intensief samen met het bedrijfsleven en internationale partners en neemt deze samenwerking mee bij de uitwerking van opschaling van de krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>79\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt precies verstaan onder de doelstelling dat over vijf jaar meer dan de helft van de operationele effecten met behulp van onbemande systemen wordt bereikt, wat is de huidige nulmeting en hoe wordt de voortgang gemeten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals ook bij de beantwoording van vraag 37 aangegeven, is een operationeel effect het beoogde of feitelijke resultaat van een militaire actie of operatie die vervolgens weer bijdraagt aan een hoger strategisch doel. De wijze waarop Defensie operationele effecten bereikt is over vijf jaar anders dan nu het geval is. Defensie zet zich daarom stevig in voor het versterken van de operationele slagkracht door, de inzet van onbemenste systemen structureel te integreren in de militaire operaties. Daardoor zullen deze onbemenste systemen de komende jaren steeds meer gaan bijdragen aan de gewenste operationele effecten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>80\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete systemen en investeringen moeten ervoor zorgen dat binnen vijf jaar meer dan de helft van de operationele effecten met behulp van onbemande systemen wordt bereikt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Investeringen vinden plaats in alle domeinen van de krijgsmacht en zijn gericht op.de verbetering van gereedheid, gevechtskracht en voortzettingsvermogen. Daarbij zal Defensie ook investeren in verschillende systemen voor dronebestrijding. Zowel ter bescherming van kritieke en militaire infrastructuur, als ter bescherming van gevechtseenheden en individuele militairen. Welke systemen dat exact zullen zijn, kan niet in het openbaar gedeeld worden. Voor verdere achtergrond zie ook vraag 37.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>81\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete acties worden er genomen om de doelen van minstens 40% gezamenlijke aankoop en minstens 50% van Europese bodem te halen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie werkt samen met partners concrete acties uit in het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie om het behalen van de streefpercentages te borgen. In de Stand van Defensie wordt uw Kamer geïnformeerd over de voortgang.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>82\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke tekortkomingen bestaan momenteel bij de verdediging van het Nederlandse grondgebied tegen ballistische raketten, kruisraketten en drones en wanneer moeten deze zijn opgelost?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie doet omwille van de operationele vertrouwelijkheid geen uitspraken over de capaciteiten van Defensie en mogelijke tekortkomingen daarin, omdat dit de strategische positie van Defensie en haar bondgenoten zou kunnen aantasten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>83\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke aanvullende lucht- en raketverdedigingscapaciteiten krijgt Nederland als gevolg van de Defensienota en wanneer zijn deze naar verwachting operationeel inzetbaar?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals gesteld in de Defensienota versterkt defensie de komende jaren haar geïntegreerde lucht- en raketverdediging als onderdeel van het op orde brengen van de afschrikking. Defensie schaft hiervoor meer capaciteiten aan voor de korte en middellange afstand, inclusief de zogenoemde hoog energie wapens en counter-drone expertise.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland werkt hiervoor nauw samen met (Europese) bondgenoten, bijvoorbeeld in de recent opgezette Anti Ballistic Missile Coaliton bestaande uit 9 Europese landen en Oekraïne om gestalte te geven aan het Oekraïense Freya-project. Daarnaast zet de coalitie zich in voor het project “Bliksem EXO”, dat wordt uitgevoerd door een consortium van Europese bedrijven onder leiding van het Nederlandse bedrijf Destinus. Dit consortium werkt aan de ontwikkeling van Europese antiballistische exo-atmosferische capaciteiten. Defensie doet omwille van de operationele veiligheid geen uitspraken over specifiekere capaciteitsontwikkeling.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>84\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn de exacte eisen voor de aanvullende 1,5% NAVO-norm?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tijdens de NAVO top in Den Haag in 2025 hebben bondgenoten afgesproken dat zij uiterlijk in 2035 niet minder dan 1,5% van het bruto binnenlands product (bbp) uitgeven aan bredere veiligheids en gerelateerde defensiekosten zoals infrastructuur, industriële capaciteiten, weerbaarheid, innovatie en het aanleggen van strategische voorraden. De afspraak laat ruimte aan bondgenoten om zelf af te wegen welke Defensie-gerelateerde kosten zij aan deze 1,5% toerekenen. Dit jaar heeft het kabinet voor het eerst een inventarisatie gedaan van de Nederlandse uitgaven van aan bredere veiligheids- en defensie gerelateerde uitgaven. Deze inventarisatie telt op tot 17,45 mld. in 2026 en een percentage van ruwweg 1,4%. Dit hebben wij op 28 mei laten weten aan de NAVO en uw Kamer (Kamerstuk 28676-560).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onder dit percentage vallen uitgaven die de maatschappij robuuster moeten maken en uitgaven waarmee de krijgsmacht direct wordt ondersteund. Denk bij uitgaven die bijdragen aan de weerbaarheid van de maatschappij bijvoorbeeld aan strategische voorraden en de continuïteit van de zorg.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het gaat om uitgaven met zogenaamde “dual use” die zowel civiel als qua nationale veiligheid positieve impact hebben, inclusief infrastructuur en zorg. De uitgaven worden op totaalniveau gerapporteerd, en zijn zowel voor de 3,5% als de 1,5% met de Kamer gedeeld met vertrouwelijke bijlage.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>85\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel geld wordt in de periode 2027 tot en met 2030 binnen Defensie besteed aan klimaat- en duurzaamheidsbeleid, welk deel daarvan is rechtstreeks noodzakelijk voor de militaire energiezekerheid en operationele inzetbaarheid en hoeveel wordt besteed aan klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen die niet rechtstreeks bijdragen aan de gevechtskracht van de krijgsmacht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Er wordt in verschillende projecten geld besteed aan duurzaamheidsmaatregelen, zoals het defensieproject ‘vervangingen hulpvaartuigen’ waarbij focus ligt op klimaatneutrale en hybride voortstuwingstechnologie (Kamerstuk 27830, nr. 423). Deze maatregelen maken vaak onderdeel uit van het projectbudget en zijn dus niet altijd vanuit het duurzaamheidsbudget gefinancierd. Voor bijzondere duurzaamheidsprojecten zoals de inkoop van duurzame brandstoffen voor varen, vliegen en rijden en algemenere activiteiten zoals onderzoeks-, bedrijfsvoerings- en organisatiekosten is duurzaamheidsbudget gereserveerd. Dit budget loopt de komende jaren op van 72 in dit jaar naar ongeveer 94 miljoen euro per jaar in 2030.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de toewijzing en monitoring van duurzaamheidsbudget is geen onderscheid gemaakt in initiatieven die wel of niet rechtstreeks bijdragen aan de gevechtskracht van de krijgsmacht. Het uitgangspunt is dat gevechtskracht voorop staat en dat duurzaamheid daaraan bijdraagt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie blijft daarnaast bijdragen aan de bestaande nationale klimaat- en duurzaamheidsopgaven, met hierbij een sterkere verbinding aan de gevechtskracht, waarbij de hoofdtaken van Defensie leidend zijn (Uitvoeringsagenda Energie en Duurzaamheid van Defensie, Kamerstuk 36592, nr. 52).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>86\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke defensieprojecten zijn momenteel vertraagd, aangepast of duurder geworden als gevolg van stikstofregels, natuurregels, netcongestie of overige milieuregelgeving en wat zijn daarvan, voor zover bekend, de financiële gevolgen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De stikstofproblematiek en netcongestie hebben hierdoor ook invloed op de uitvoering van Defensieprojecten. Zoals eerder (Kamerstukken II, 2024\u002F2025, 36.592, nr. 24) met uw Kamer is gedeeld, kunnen geen uitspraken worden gedaan over operationele gevolgen. Deze informatie kan de inzetbaarheid van Defensie raken, waardoor openbaarmaking om redenen van operationele veiligheid niet mogelijk is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Generiek is wel te zeggen dat de vergunningverlening voor nieuwe of uitbreidingstrajecten met meer stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura2000-gebieden veel meer en specifieke voorbereiding vraagt en daardoor op korte termijn niet realiseerbaar is. Vergunningverlening in Nederland op basis van geldende wet- en regelgeving is op dit moment voor grotere projecten nabij Natura2000-gebieden alleen mogelijk op basis van het doorlopen van een ADC-toets. Hierbij moet eventuele natuurschade als gevolg van het project of activiteit worden gecompenseerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor activiteiten in de fysieke leefomgeving zorgt de Wet op de Defensiegereedheid (Wodg) ervoor dat procedures die nodig zijn voor gereedstellingsactiviteiten, sneller en eenvoudiger kunnen worden doorlopen. Defensie maakt hierbij gebruik van de juridische ruimte voor nationale veiligheid als dwingende reden van groot openbaar belang (ADC-toets) en stelt een compensatieplan op. Dit maakt het mogelijk om op korte termijn concrete activiteiten op specifiek aangewezen locaties mogelijk te maken, wat nodig is om de operationele gereedstelling te kunnen garanderen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>87\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is er tot op heden gedaan (en wat gaat u concreet doen) om te komen tot de gezamenlijke aanschaf en gebruikerspools voor strategische capaciteiten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie wil Europese materieelsamenwerking intensiveren, onder meer door gezamenlijke aanschaf in gebruikerspools van strategische capaciteiten die voor individuele landen te kostbaar zijn, het intensiever benutten van internationale organisaties voor materieelsamenwerking en het vaker samen verwerven van materieel met (Europese) NAVO-bondgenoten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland werkt veel samen met Europese partners op het gebied van aanschaf van materieel. Gezamenlijke aanschaf vindt grotendeels plaats via het NATO Support and Procurement Agency (NSPA), de inkooporganisatie voor NAVO-bondgenoten. Nederland is ook lid van ‘support partnerships’ waarin NAVO-bondgenoten langdurige samenwerking aangaan voor verwerving en gebruik van strategische capaciteiten. Bijvoorbeeld via gezamenlijke aanschaf in gebruikerspools van strategische capaciteiten die voor individuele landen te kostbaar zijn, zoals bij het Multi-Role Tanker Transport (MRTT) initiatief is gedaan. Afgelopen juli kondigde Nederland samen met negen Europese bondgenoten en Canada aan gezamenlijk Saab GlobalEye toestellen aan te schaffen voor de vernieuwing van het Airborne Warning and Control System (AWACS). Bovendien neemt Nederland binnen de Europese Unie op specifieke gebieden een leidende rol, zoals op het gebied van drones en counterdrones. Binnen de Priority Capability Area Drones &amp; Counterdrones heeft Nederland met alle lidstaten een initiatief voor verdere Europese samenwerking gelanceerd. Binnen dit initiatief werkt Defensie aan gezamenlijke aanschaf en Europese testlocaties voor drones en counterdrones.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>88\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke defensieprojecten zullen naar verwachting worden vertraagd, aangepast of duurder worden als gevolg van stikstofregels, natuurregels, netcongestie of overige milieuregelgeving, en wat zijn daarvan naar verwachting de financiële en operationele gevolgen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 86.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>89\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waarom hanteert Defensie de doelstelling dat in 2030 minimaal 30% van het personeel vrouw is en op welke operationele of personele noodzaak is dit percentage gebaseerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft al het beschikbare talent nodig om de personele groei te realiseren. Dat betekent dat we ook het vrouwelijk deel van onze samenleving moeten en willen aanspreken om de groei te kunnen realiseren. Een divers samengesteld personeelsbestand draagt daarnaast bij aan de kwaliteit van teams en het werk, het draagvlak voor Defensie en een betere afspiegeling van de samenleving. Daarmee draagt een evenwichtiger samengesteld personeelsbestand bij aan de verbinding tussen Defensie en samenleving en aan de weerbaarheid van de samenleving als geheel, waar iedereen mee kan doen. Het streven naar 30% vrouwen in 2030 is in 2022 aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 35 925-X, nr. 71) en nadien bestendigd, onder meer in de Defensienota 2024.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>90\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke definitie van het begrip ‘vrouw’ hanteert Defensie bij de doelstelling dat in 2030 minimaal 30% van het personeel vrouw is?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het streefcijfer van 30% vrouwen wordt aangesloten bij de wijze waarop het geslacht van medewerkers in de personeelsadministratie van Defensie is geregistreerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>91\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wordt bij het bepalen van het percentage vrouwen binnen Defensie uitgegaan van het juridisch geregistreerde geslacht, zelfidentificatie of een andere maatstaf, en hoe worden personen die hun geslachtsregistratie hebben gewijzigd in deze statistiek meegeteld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 90.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>92\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u een overzicht geven van alle concrete en meetbare doelstellingen uit de Defensienota 2026, met per doelstelling de huidige waarde of nulmeting, de beoogde streefwaarde, het realisatiejaar en de wijze waarop de Kamer over de voortgang wordt geïnformeerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Defensienota 2026 bevat vier strategische doelstellingen met daaronder verschillende subdoelstellingen en maatregelen. Defensie werkt aan het verder concretiseren en operationaliseren van de doelstellingen uit de Defensienota 2026. Voor de externe rapportage en parlementaire verantwoording over de voortgang van de realisatie van de Defensienota 2026 wordt aangesloten bij bestaande instrumenten, waaronder de Stand van Defensie, de Strategische Evaluatieagenda en het Beleidsverslag.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>93\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u per jaar sinds 2020 een overzicht geven van het aantal deals dat met Israëlische bedrijven is gesloten voor defensiematerieel en onderhoud en de bedragen die daarmee waren gemoeid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft van 2020 tot en met 2025 in totaal voor ongeveer € 2,2 miljard besteld bij leveranciers uit Israël. In het eerste half jaar van 2026 is voor ruim € 163 miljoen aan overeenkomsten gesloten met in Israël gevestigde bedrijven. Defensie kan niet openbaar in gaan op de specifieke overeenkomsten omdat deze commercieel vertrouwelijk zijn. Het gaat hierbij om de aanschaf van materieel en het onderhoud. In zijn algemeenheid geldt dat als een bedrijf uit Israël in beeld is voor de levering van materieel, Defensie zorgvuldig de beschikbaarheid van mogelijke alternatieven toetst, mede in het licht van de motie Teunissen (Kamerstuk 22054, nr. 478). Als geen vergelijkbare alternatieven beschikbaar zijn, dan wel niet tijdig kunnen worden geleverd, kiest Defensie voor het door Israëlische bedrijven geproduceerde materieel. Als op een later moment een alternatief beschikbaar komt, wordt dit meegenomen bij de herbeoordeling van nieuwe contracten voor eventuele vervolgbestellingen (Kamerstuk 36800-X, nr. 82 van 2 september 2026).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>94\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waarom kiest Defensie voor ‘mitigerende maatregelen waar mogelijk’, in plaats van het aantasten van beschermde natuur aantoonbaar voorkomen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In die gevallen waar aantasting van de natuur door activiteiten zoals varen, vliegen en rijden niet kan worden voorkomen, conform de verplichtingen die in de vergunning zijn opgenomen, worden vanuit het voorzorgsbeginsel mitigerende maatregelen getroffen. Het is van belang dat de benodigde mitigerende maatregelen wel passen bij de aard van de uit te voeren activiteit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>95\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt voorkomen dat de groei van oefeningen, materieel en oefenruimte leidt tot netto verlies van biodiversiteit, leefgebied of rustgebied voor kwetsbare soorten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De vraagstelling suggereert een tegenstelling die in de praktijk niet bestaat. Defensieterreinen zijn vaak grote, voor het publiek afgesloten, terreinen die de krijgsmacht voldoende ruimte geven haar operationele taak uit te voeren én tegelijk ook de natuur rust en ruimte bieden. Defensieactiviteiten en de natuur sluiten elkaar dan ook niet uit, maar versterken elkaar juist wat leidt tot bijzondere natuurwaarden. Defensie zet zich in voor natuurbehoud, -ontwikkeling en –herstel op bestaande en nieuwe terreinen. Defensie neemt, binnen de mogelijkheden die er zijn, verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de verbetering van de natuur in Nederland.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de uitwerking van de projecten en activiteiten wordt het natuurbeleid van Defensie toegepast waarin duurzaam terreinbeheer, het beschermen van natuurwaarden en waar mogelijk het versterken van biodiversiteit centraal staan. Bij voorkeur wordt gezocht naar combinaties van defensiegebruik en natuurversterking, maar het betreft ook natuurontwikkeling of het realiseren van nieuwe natuur.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>96\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wordt bij de uitbreiding van militaire activiteiten niet alleen gekeken naar stikstofdepositie, maar ook naar geluid, trillingen, verstoring, bodemschade, waterkwaliteit en versnippering van leefgebieden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de uitbreiding van defensieactiviteiten wordt niet alleen gekeken naar stikstofdepositie. Voor bijvoorbeeld het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) zijn in het planMER ook effecten op onder meer geluid, trillingen, natuur en verstoring van soorten, bodem, water en leefomgeving onderzocht en meegewogen bij de locatiekeuze.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Net als andere organisaties is Defensie bij milieubelastende activiteiten gebonden aan wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Deze wet- en regelgeving bevat meld- en vergunningplichten die gelden bij uitbreidingsprojecten. Bij de verdere uitwerking van projecten, en bij de toename van activiteiten, wordt daarnaast rekening gehouden met het natuurbeleid van Defensie. Waar mogelijk wordt gezocht naar combinaties van defensiegebruik en natuurbeheer en, indien nodig, naar natuurontwikkeling of de realisatie van nieuwe natuur.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>97\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt bij oefeningen rekening gehouden met broed-, kraam-, trek- en overwinteringsperioden van diersoorten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie is gehouden aan de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen van fauna. Tijdens de uitvoering van oefeningen en activiteiten houdt Defensie rekening met de geldende natuurwetgeving en de aanwezige natuurwaarden op haar terreinen. Waar mogelijk worden activiteiten in tijd, plaats of uitvoering aangepast, of mitigerende maatregelen getroffen om verstoring te voorkomen of te beperken. Dit is de uitvoering van het natuurbeleid van Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>98\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke grenswaarden hanteert Defensie voor geluid en andere verstorende effecten op fauna, en zijn deze normen gebaseerd op de meest recente ecologische wetenschappelijke inzichten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie is gehouden aan de geldende wet- en regelgeving ten aanzien geluid en andere factoren die van invloed zijn op fauna. Defensie past de best beschikbare wetenschappelijke inzichten toe in haar (vergunningen)onderzoeken. In het geval er geen harde grenswaarden zijn voor verstoring op fauna wordt gebruik gemaakt van expert-judgement van ecologische experts. Zo is bijvoorbeeld in 2024 een analyse gedaan naar de mogelijke effecten van schietterrein Breezanddijk op de natuurwaarden in het IJsselmeergebied.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>99\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u per defensieonderdeel en defensie-oefengebied aangeven hoeveel CO₂, stikstof en fijnstof wordt uitgestoten en welke reductie per onderdeel wordt verwacht richting 2030, 2040 en 2050?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft geen eigenstandige stikstofemissiereductiedoelstelling. De activiteiten van Defensie zorgen voor een zeer kleine hoeveelheid extra stikstof op de Nederlandse natuurgebieden (Natura 2000). In de meeste gebieden ligt dit actueel tussen de 0,00% en 0,05% (gemiddeld 0,02%) (Kamerstukken II, 2024\u002F2025, 36.592, nr.24).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De doelstelling van Defensie voor CO2-emissie is 55% reductie in 2030 ten opzichte van het referentiejaar 1990. Dit betreft de emissie van eigen bronnen en ingekochte energie (scope 2 conform het GHG-protocol). Defensie rapporteert jaarlijks over de voortgang van deze doelstelling in de voorjaarsversie van de Stand van Defensie. De CO2-reductie in 2025 is 56% tov 1990 (Kamerstuk 2026D23555). In absolute getallen is de emissie in 2025 448 kton CO2. De CO2-emissie is bepaald aan de hand van de totale hoeveelheden per brandstofsoort, warmte, stroom en gas voor Defensie. De CO2-emissies uitgesplitst per defensieonderdeel en defensie-oefengebied zijn niet bekend. Voor de reductiedoelstellingen geldt dat Defensie blijft bijdragen aan de nationale klimaat en duurzaamheidsopgaven, met hierbij een sterkere verbinding aan de gevechtskracht, waarbij de hoofdtaken van Defensie leidend zijn (Kamerstuk 36592, nr. 52).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>100\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke informatie over milieu-, natuur- en gezondheidseffecten van militaire activiteiten wordt openbaar gemaakt, zodat burgers en de Kamer de gevolgen kunnen controleren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Informatie, zoals Milieueffectrapportages, die in het kader van vergunningverlening, planvorming of volgend uit andere verplichtingen openbaar moet worden gemaakt is inzichtelijk voor burgers. Daarnaast wordt jaarlijks in de Stand van Defensie gerapporteerd over de voortgang op het behalen van onze duurzaamheidsdoelstellingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>101\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bent u bereid om jaarlijks publiek te rapporteren over natuurkwaliteit, stikstof, CO₂, geluid, bodem- en waterkwaliteit op en rond defensie(oefen)terreinen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Over de ‘natuurwaarden op defensieterreinen’ wordt 6-jaarlijks een rapport opgesteld. Daarnaast rapporteert Defensie jaarlijks in de Stand van Defensie de voortgang op het behalen van onze duurzaamheidsdoelstellingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>102\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Defensienota zegt dat Defensie „waar mogelijk” mitigerende maatregelen treft. Wat betekent „waar mogelijk” concreet? Onder welke omstandigheden of met welke redenen is het volgens Defensie niet mogelijk?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor elk project en elke activiteit wordt, waar nodig, een nadere beoordeling uitgevoerd naar de effecten op de natuur. Projecten en activiteiten kunnen alleen doorgaan als significante effecten worden voorkomen, gemitigeerd of gecompenseerd volgens de wettelijke voorwaarden. In gevallen waar geen mitigerende maatregelen mogelijk zijn, bijvoorbeeld omdat ze de (beoogde) defensieactiviteiten (tijdelijk) onmogelijk maken, kan compensatie aan de orde zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast wordt bij de verdere uitwerking van de projecten en activiteiten rekening gehouden met het natuurbeleid van Defensie. Bij voorkeur wordt gezocht naar combinaties van defensiegebruik en natuurversterking, maar het betreft ook natuurontwikkeling of het realiseren van nieuwe natuur.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>103\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u garanderen dat het COA de Nassau-Dietzkazerne in Budel uiterlijk medio 2028 heeft verlaten en dat een eventueel gebrek aan alternatieve opvangcapaciteit geen reden kan zijn om het gebruik door het COA te verlengen of de volledige ingebruikname door Defensie uit te stellen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met het definitieve Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD), d.d. 19 dec 2025, is vastgesteld dat Defensie de Nassau-Dietz kazerne vanaf 2028 weer in gebruik zal nemen. In de realisatieparagraaf van het NPRD staat voor de voorziene ingebruikname de periode 2028 - 2033 genoemd. Defensie werkt op dit moment in haar vastgoedplan verder uit hoe de kazerne hiervoor zo snel als mogelijk kan worden gemoderniseerd. Eind 2026 verwacht Defensie uw Kamer te kunnen informeren over het hiervoor benodigde tijdspad. Het is niet zo dat Defensie voornemens is om de volledige ingebruikname van de Nassau-Dietz kazerne uit te stellen door een gebrek aan alternatieve opvangcapaciteit bij het COA. Het kazerneterrein is en blijft nodig voor de groei van de Krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>104\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe autonoom mogen onbemenste systemen opereren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het uitgangspunt van Defensie is dat de inzet van onbemenste systemen met autonome functies te allen tijde in overeenstemming moet zijn met het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Om hieraan te voldoen moeten mensen in staat zijn om, op basis van hun oordeelsvermogen, de effecten van inzet redelijkerwijs te anticiperen en limiteren. Dit beperkt de mate waarin een onbemenst systeem autonoom mag opereren. Deze beperkingen worden opgelegd door controlemaatregelen te treffen gedurende de gehele levenscyclus van het systeem, van ontwerp tot en met inzet. Het kabinet zet zich actief in voor het vastleggen van deze uitgangspunten in bindende internationale afspraken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>105\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke rol speelt de mens bij de inzet van onbemenste systemen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 104.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>106\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat het ministerie van Defensie in oktober 2025 de opdracht heeft gegeven aan Stichting Extra Samen om een verkenning uit te voeren voor het inrichten van aanvullende, eenduidige reserves op het gebied van Techniek, Logistiek en Veiligheid? Is deze verkenning inmiddels afgerond en wat zijn de uitkomsten en aanbevelingen van de verkenning?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft in juli 2025 een raamovereenkomst gesloten met Stichting Extra Samen (SES), waarbinnen SES onder meer de opdracht kreeg aanvullende flexibele burgercapaciteit te verkennen. De verkenning is inmiddels afgerond en het onderzoeksrapport is in maart 2026 aan Defensie aangeboden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uit de verkenning blijkt dat het eenduidig én maatschappelijk opzetten en uitvoeren van deze burgerreserves belangrijk is voor ons land in nauwe verbinding met het bedrijfsleven, beroeps- en brancheorganisaties om een zo groot mogelijk potentieel te verkrijgen. Het rapport beveelt aan deze reserves verder uit te werken, waarbij onder meer aandacht nodig is voor juridische borging, governance, financiering, samenwerking met publieke en private partners en aansluiting op bestaande crisisstructuren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>107\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn de vervolgstappen ten aanzien van het inrichten van aanvullende, eenduidige reserves op het gebied van Techniek, Logistiek en Veiligheid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Als vervolg op de verkenning van SES beziet Defensie op dit moment hoe deze aanvullende flexibele burgercapaciteit verder vorm dient te krijgen en welke partijen hiervoor nodig zijn. Defensie werkt op dit moment hiervoor een businesscase uit op het gebied van onder andere techniek, transport en logistiek en bewaken en beveiligen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>108\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe staat het met de uitvoering van de motie van het lid Piri over het peilen van het sentiment onder Afghanistanveteranen en tolken over de Europese toenadering tot de taliban (Kamerstuk 36800-X, nr. 103)?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze motie wordt momenteel opgevolgd. Vanwege de gevoeligheid van het onderwerp betracht Defensie extra zorgvuldigheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>109\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe staat het met de uitvoering van de gewijzigde motie van het lid Piri c.s. over het onderzoeken of een (beperkte) individuele financiële tegemoetkoming mogelijk is voor goed gedocumenteerde gevallen van Hawija-slachtoffers (Kamerstuk 27925, nr. 1035)?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hierover is uw Kamer geïnformeerd middels de Kamerbrief ‘Reactie motie Lid Piri (Pro), juni 2026 (Kamerstuk 161466). In deze brief licht het kabinet de redenen toe waarom is besloten af te zien van de uitvoering van deze motie. De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. In de brief is uw Kamer geïnformeerd over de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief ‘Reactie-BOOS-uitzending over Hawija’ van 19 mei 2026 (Kamerstuk 2026Z10230). Defensie zet zich onverminderd in voor de invulling van de circa €10 miljoen voor aanvullende projecten om de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in Hawija, waarbij de behoeften van de gemeenschap zorgvuldig worden meegenomen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>110\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bevindt Zr.Ms. De Ruyter zich momenteel nog altijd in de buurt van de Straat van Hormuz?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals gemeld aan uw Kamer op 8 september jl. keert Zr.Ms. De Ruyter op korte termijn terug naar Nederland. Een ander Nederlands luchtverdedigings- en commandofregat, Zr.Ms. Evertsen, zal de taken van Zr.Ms. De Ruyter in de regio binnen enkele weken overnemen, indien de situatie in de regio zich daartoe blijft lenen (Kamerstukken 161466, 2026Z10230 en 2026Z18159).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>111\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe staat het met de uitvoering van de motie van het lid Stultiens c.s. over in een verbeterplan opvolging geven aan alle aanbevelingen van de Rekenkamer (Kamerstuk 36945, nr. 9)?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie neemt de adviezen van de ARK zeer serieus en stelt per onvolkomenheid een plan van aanpak op inclusief een hierop afgestemde regie en taakverdeling. Alle aanbevelingen van de ARK worden in deze plannen belegd en er vindt monitoring plaats op de voortgang en opvolging van alle aanbevelingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>112\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u een overzicht geven van de geraamde uitgaven in het kader van de 1,5% NAVO-norm en op welke begrotingen deze zijn geboekt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de Kamervragen bij de Voorjaarsnota 2026 is gevraagd naar de nationale invulling van de 1,5%, inclusief een uitsplitsing hiervan met een tabel. De uitgaven worden op totaalniveau gerapporteerd, dit is zowel voor de 3,5% als de 1,5% met de Kamer gedeeld door een geannoteerde agenda met vertrouwelijke bijlage. Daar de onderliggende uitgaven inzicht geven in de manier waarop de ondersteuning aan de krijgsmacht is georganiseerd, worden de onderliggende uitgaven wegens het vertrouwelijke karakter niet openbaar gepubliceerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>113\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn er ook voorbeelden van beleidsterreinen of projecten (zoals infrastructuur) die van belang zijn voor de nationale veiligheid, gereedheid of weerbaarheid, waarbij Defensie meebetaalt aan andere begrotingen of andersom?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Er zijn verschillende beleidsterreinen en projecten die van belang zijn voor de nationale veiligheid en waarbij Defensie, vanwege gedeeld belang, een (financiële) bijdrage levert. Een voorbeeld hiervan is het landelijke luchtalarm.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>114\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan nader worden toegelicht waarom ook bij een besteding van 3,5% bbp Defensie niet volledig en gelijktijdig aan alle opgaven kan voldoen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals ook bij vraag 50 aangegeven. Hoewel we met 3,5% van het bbp een historisch hoog niveau bereiken, is het niet mogelijk om hiermee aan alle noodzakelijke operationele behoeften te voldoen. Naast het invullen van de NATO Capability Targets moet Defensie ook invulling geven aan onder meer Homeland Defense (inclusief Koninkrijkstaken), Host Nation Support en Sustainment. Niet alles kan tegelijk en niet alles kan nu, maar de gekozen maatregelen versterken het militaire vermogen dat Nederland en de NAVO het hardst nodig hebben.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>115\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn de meest actuele cijfers ten aanzien van gerealiseerde en nog geplande personele vulling? Zijn daarover ook cijfers per krijgsmachtdeel beschikbaar?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 26.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>116\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke aannames is de groei naar circa 102.000 defensiemedewerkers in 2030 gebaseerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De ambitie is gebaseerd op de verplichtingen die Defensie heeft ten aanzien van Host Nation Support, Territoriale Verdediging en het NATO Force Model. Dit is uitgewerkt in een scenario voor de personele behoefte aan een volledig gevulde, inzet gerede en schaalbare krijgsmacht. Dit scenario voorziet in 2030 in een Defensieorganisatie die bestaat uit 57.000 beroepsmilitairen, 20.000 reservisten en 25.000 burgers.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>117\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waarom dient de categorie burgerpersoneel richting 2030 in omvang iets te krimpen? Hoe verhoudt zich dat tot alle ambitieuze groeiplannen van de gehele defensieorganisatie? Vloeit deze keuze voort uit de taakstelling op het apparaat?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De huidige omvang van het burgerbestand is hoger dan gepland. Dit komt mede doordat tijdelijk burgers worden ingezet op functies die op termijn door beroepsmilitairen worden vervuld en wordt vooruitgelopen op verwachte uitstroom door pensionering. Het betreft geen generieke krimptaakstelling voor burgerpersoneel.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>118\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke deflatoren hanteert de NAVO om het NAVO-percentage te berekenen, aangezien de berekenwijze van de NAVO-norm verschilt tussen Nederland en de NAVO zelf?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de geannoteerde agenda voor de NAVO-top van 24 en 25 juni 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de verschillende berekeningswijzen tussen Nederland en de NAVO waarmee de invulling van de Defence Investment Pledge wordt berekend (Kamerstuk 28676 nr. 519). Zoals eerder aan uw Kamer gemeld verschillen beide berekeningswijzen. Dit komt o.a. omdat de NAVO voor de raming van het bbp de cijfers van de OESO hanteert en Nederland – conform de Wet financiële defensieverplichtingen en de Wet houdbare overheidsfinanciën – gebruik maakt van de CPB-ramingen. Ook geldt dat de NAVO de defensie-uitgaven en het bbp terugrekent naar een specifiek prijspeil om de vergelijking mogelijk te maken met de uitgaven van andere NAVO-bondgenoten. De Nederlandse berekeningswijze gaat uit van de uitgaven en bbp van het betreffende begrotingsjaar.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>119\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is de gemiddelde uitstoot van CO₂, fijnstof en stikstof door oefeningen van Defensie, berekend per dag, en wat is de verwachte uitstoot in 2030?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 99.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>120\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn de gevolgen van militaire oefeningen in en rond de Doggersbank voor de natuurkwaliteit, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en biodiversiteit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals bekend loopt nog een hoger beroep inzake het Natura 2000-beheerplan Doggersbank. De militaire activiteit in dit gebied betreft het voortzetten van het bestaande gebruik. Er zal een nadere ecologische beoordeling worden uitgevoerd om de impact van de activiteiten op de biodiversiteit uit te zoeken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>121\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke manier is inzet op en investeren in diplomatie en de-escalatie onderdeel van deze defensiestrategie, aangezien dit niet wordt genoemd in deze Defensienota?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De diplomatieke betrekkingen van het Koninkrijk in algemene zin vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie investeert met de verhoging van de begroting vooral in capaciteiten die zorgen voor de noodzakelijke afschrikking om Rusland en andere tegenstanders op afstand te houden en daarmee een gewapend conflict te voorkomen. De afschrikking slaagt enkel als deze geloofwaardig is en Nederland samen met bondgenoten bereid en in staat is om het eigen grondgebied en dat van bondgenoten bij een gewapend conflict te verdedigen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Internationale defensiesamenwerking is een voorwaarde voor effectieve en geloofwaardige afschrikking, verdediging en inzetbaarheid van de krijgsmacht. In de Defensienota staat dan ook benoemd dat Defensie bestaande bilaterale en multilaterale samenwerking met haar belangrijkste partners bekrachtigt, en haar samenwerking uitbreidt met nieuwe partners zoals in West-Afrika, Indo-Pacific (Japan, Australië en Zuid-Korea) en het Midden-Oosten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast blijft Defensie voorbereid op inzet voor stabiliteit op andere plekken in de wereld. Diplomatie is de beste manier om vrede en veiligheid te bereiken. Defensie zet het gehele instrumentarium voor internationale samenwerking geïntegreerd in, inclusief defensiediplomatie en capaciteitsopbouw.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>122\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk deel van investeringen in mensen, middelen en manieren van Defensie wordt ingezet voor diplomatie en de-escalatie en op welke manier?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De werkzaamheden die Defensie verricht op het terrein van diplomatie en de-escalatie behoren tot de reguliere werkzaamheden van militairen en burgermedewerkers. Daarnaast is Defensie voornemens om, als onderdeel van de investeringen in Defensie, zowel het multilateraal internationaal functiebestand als het defensie attachebestand te versterken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>123\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt bedoeld met ‘te beschermen wat ons dierbaar is’? Op welke manier vallen daar de zorg in Nederland, sociale zekerheid in Nederland, onderwijs in Nederland en sociale voorzieningen in Nederland onder?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie zet zich in voor een wereld waarin mensen in vrede en veiligheid kunnen leven. Dat is wat Defensie verstaat onder ‘beschermen wat ons dierbaar is’ in een wereld vol onrust. De tijd dat vrede en veiligheid in Nederland en Europa vanzelfsprekend waren, ligt achter ons. Bescherming hiervan is essentieel, want veiligheid vormt de basis voor een sterke, welvarende staat en samenleving, waarin grondrechten, zorg, sociale zekerheid, onderwijs en andere voorzieningen gewaarborgd zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>124\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat gaat Nederland in de EU concreet doen om te streven naar de verankering van Oekraïne als cruciaal onderdeel van de Europese veiligheidsorde?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>We integreren Oekraïne in de Europese veiligheidsarchitectuur. Oekraïne bevindt zich op een onomkeerbaar pad richting EU- en NAVO-lidmaatschap, waarbij de snelheid van toetreding wordt bepaald door de eigen verdiensten en het voldoen aan de geldende criteria. Nederland onderkent de geopolitieke dimensie van EU-uitbreiding, zonder daarbij afbreuk te doen aan de vereisten die aan EU-toetreding worden gesteld (Kopenhagencriteria, zie ook Kamerstuk 23987-412). Daarnaast steunt Nederland het openstellen van verschillende Europese defensie materieelsamenwerkingsprogramma’s voor Oekraïne.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>125\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete Nederlandse doelstellingen op het gebied van wapenbeheersing, risicoreductie en non-proliferatie, ook op het gebied van opkomende technologieën zoals drones en AI, worden gekoppeld aan de uitvoering van de Defensienota, en welke capaciteit en middelen zijn hiervoor beschikbaar binnen Defensie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet zet zich in voor het maken van bindende afspraken over autonome wapensystemen. Deze inzet vindt momenteel voornamelijk plaats in Genève bij het Conventionele Wapenverdrag (CCW). Hiervoor is zowel vanuit Defensie als het ministerie van Buitenlandse Zaken personele capaciteit beschikbaar gesteld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>126\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre zullen autonome wapensystemen onderdeel zijn van de investeringen die door Defensie worden beoogd, aangezien op p. 7 staat: &quot;Vanwege de toegenomen rol van onbemenste systemen kiest defensie voor onbemenst waar dat kan&quot;, terwijl op p. 8 staat dat er meer geïnvesteerd zal worden in AI?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De inzet op onbemenste systemen en AI betekent dat Defensie ook investeert in systemen met autonome functies. Daarbij kan AI bijvoorbeeld worden toegepast in waarneming, informatieverwerking, missieplanning en besluitvorming.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De mate waarin onbemenste systemen autonoom mogen opereren is echter beperkt. Zie hiervoor het antwoord op vraag 104.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>127\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke manier wordt geborgd dat er altijd menselijke controle is en zal blijven bij het selecteren van doelwitten of aanvallen op doelwitten bij gebruik van AI?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het integreren van AI in het militair optreden is onoverkomelijk om operationeel relevant te blijven. Defensie erkent dat sommige toepassingen van AI, bijvoorbeeld ten aanzien van wapeninzet, vraagstukken met zich mee brengen op het gebied van ethiek en het recht. Om deze vraagstukken te adresseren en om rechtmatigheid te borgen, moet altijd sprake zijn van controle en menselijk oordeelsvermogen over de effecten van wapeninzet. Dit wordt onder meer geborgd door: (a) het toetsen van nieuwe middelen en methoden van oorlogsvoering aan het internationaal recht (conform Artikel 36 bij het Eerste Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève), (b) door juridische ondersteuning op alle niveaus, waaronder juridische adviseurs die commandanten ondersteunen bij de inzet van wapens en munitie en (c) door het hanteren van een standaard werkwijze voor de ontwikkeling van AI waarin verantwoorde ontwikkeling centraal staat.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>128\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre wordt verwacht dat het gebruik van AI en onbemande systemen aanleiding geeft tot aanpassing van regels met betrekking tot burgerslachtoffers, waaronder de toerekening van verantwoordelijkheid en eventuele compensatie, en hoe ziet het proces voor dergelijke aanpassingen eruit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bestaande internationale regels en nationaal beleid op het gebied van burgerslachtoffers zijn onverkort van toepassing bij het gebruik van AI en onbemenste systemen. Defensie zet zich internationaal in voor verdere normstelling op dit gebied en voert op het onderwerp van burgerslachtoffers gesprekken binnen verschillende internationale fora. Ook komt het onderwerp aan bod in de gesprekken over het reguleren van autonome wapensystemen binnen het Conventionele Wapenverdrag (CCW). De inzichten die hieruit voortkomen neemt Defensie mee bij het (door)ontwikkelen van beleid en de implementatie daarvan. Zo is in het rapport dat afgelopen week is aangenomen door de, onder de CCW vallende, Group of Governmental Experts on Lethal Autonomous Weapons Systems, onder andere opgenomen dat aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen aan machines en dat de verantwoordelijkheid voor beslissingen rondom het gebruik van dergelijke wapensystemen te allen tijde bij Staten, partijen bij het conflict en individuen blijft.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>129\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wordt de uitspraak ‘De NAVO blijft de hoeksteen van onze verdediging, met de VS als belangrijkste bondgenoot’ nog steeds als uitgangspunt van deze Defensienota gehanteerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NAVO blijft de hoeksteen van onze collectieve veiligheid, met de VS als belangrijke bondgenoot. Tegelijkertijd zijn onze toekomst en welvaart onlosmakelijk verbonden met een sterk Nederland en Europa. Daarom is het tijd dat Nederland en Europa meer verantwoordelijkheid nemen voor de veiligheid op het eigen continent. De samenwerking met de VS wordt vormgegeven op basis van sterkere wederkerigheid, onder meer via industriële samenwerking, gezamenlijke ontwikkeling en productie van defensiecapaciteiten en wederzijdse toegang tot defensiemarkten. Zo houden we de trans-Atlantische samenwerking duurzaam en toekomstbestendig.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>130\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe gaat Defensie de samenwerking met de samenleving concreet vormgeven? Gezien het feit dat host nation support op dit moment vooral iets ván de samenleving vraagt: wat brengt Defensie? Hoe gaat Defensie nauwer samenwerken met het maatschappelijk middenveld, zoals men ook in Oekraïne ziet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft als kerntaak Nederland te beschermen. Dat kan Nederland niet alleen. Nationale veiligheid is een taak van de hele overheid en de hele samenleving. Defensie beseft dat dit geen eenrichtingsverkeer kan zijn en daarom staat Defensie midden in de samenleving met haar mensen, haar fysieke aanwezigheid en de actieve bijdrage die zij vanzelfsprekend levert, niet alleen in tijden van crises of conflict. In de praktijk werkt Defensie al nauw samen met de samenleving, bijvoorbeeld door middel van ondersteuning aan civiele partners in crisissituaties, het versterken van de civiele zorgketen, samenwerking met verschillende opleidingsinstituten en inzetten op versterking van de weerbaarheid van jongeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast zet Defensie zich actief in om de verbinding met de samenleving verder te versterken, onder andere met lokale gemeenschappen rondom onze kazernes. Denk hierbij aan het versterken van de regionale economie door lokaal in te kopen, het ondersteunen van lokale initiatieven, waar mogelijk infrastructuur ter beschikking te stellen en actief bij te dragen aan netwerken in de regio (bijvoorbeeld de scouting en voetbalverenigingen).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie ziet echter mogelijkheden om haar bijdrage aan de weerbaarheid van de maatschappij te intensiveren en haar rol te verstevigen. Bijvoorbeeld door te stimuleren om waar mogelijk delen van defensieterreinen en\u002Fof – materieel ook door de samenleving te laten gebruiken, door in te zetten op energiezekere en -onafhankelijke defensielocaties en door kennisoverdracht te versterken tussen Defensie en civiele partners. Daarnaast worden burgerparticipatietrajecten verkend, worden afspraken gemaakt rondom de inzet van Defensie voor transport (dual use), en wordt er een bijdrage geleverd aan het tegengaan van dronedreiging. Ook gaat Defensie continue de dialoog aan met onze stakeholders en partners, onder andere op de Top Nationale Weerbaarheid die in november dit jaar wordt georganiseerd, in samenwerking met het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV), en met het Oranje Fonds, VNO\u002FNCW, MKB-Nederland, het Rode Kruis en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) als partnerorganisaties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>131\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre wordt bij investeringen in de defensie-industrie voorzien in publieke zeggenschap, aangezien de Defensienota stelt: ‘De defensie-industrie is onmisbaar voor onze veiligheid. Zij is niet alleen leverancier, maar ook strategische partner’?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Verkrijging van zeggenschap kan een rol spelen bij het aangaan van een strategische samenwerking met een bedrijf, als dat nodig is voor de borging van voor Defensie belangrijke publieke belangen, zoals leveringszekerheid. Indien de geïdentificeerde publieke belangen onvoldoende geborgd kunnen worden in reguliere contractuele afspraken, kan het ministerie van Defensie inzetten op aanvullende afspraken om de publieke belangen te borgen. Welk instrument of welke combinatie van instrumenten het meest passend is, hangt af van de omstandigheden van een specifieke casus.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>132\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre wordt voorzien in een limiet op de winst die de private defensie-industrie kan maken met investeringen van publiek defensiegeld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer Defensie in concurrentie aanbesteedt, zorgt marktwerking ervoor dat Defensie een prijs betaalt die passend is bij de vraag van Defensie. Als Defensie niet onder concurrentiestelling aanbesteedt, zoals bij directe gunning onder art. VWEU 346, dan doet Auditdienst Rijk onderzoek naar de offerte en prijsopbouw daarvan van het bedrijf. Defensie neemt de resultaten van dit onderzoek mee in de beoordeling van het aanbod en het onderhandelingsproces.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie onderschrijft hierbij ten zeerste het belang van zorgvuldig omgaan met publieke middelen. Het is daarbij ook van belang dat bedrijven financiële ruimte hebben, onder andere in de vorm van winst, om te kunnen investeren in de opschaling en innovatie die de Krijgsmacht van hen vraagt. Hierbij moet de balans worden bewaard tussen financiële ruimte bij bedrijven voor investeringen en winst die bedrijven maken bij opdrachten vanuit Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>133\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre betekent het zijn van ‘strategisch partner’ dat de defensie-industrie zeggenschap krijgt over de strategie van Defensie? Hoe wordt de invloed van de defensie-industrie op keuzes van Defensie inzichtelijk gemaakt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De strategie van Defensie, zoals uitgelegd in de Defensienota, is gebaseerd op de veranderende veiligheidsomgeving en de drie hoofdtaken van de krijgsmacht. Om de doelen uit de Defensienota te bereiken, is het cruciaal dat de Nederlandse en Europese defensie-industrie opschalen. Daarvoor kan het belangrijk zijn om nauwere relaties met sommige bedrijven aan te gaan om de belangen van Defensie veilig te stellen, bijvoorbeeld rondom leveringszekerheid. Ook kan het wenselijk zijn op het gebied van innovatie een meer iteratieve relatie te hebben met het bedrijfsleven en de industrie uit te dagen om producten te ontwikkelen voor bepaalde militaire effecten die de krijgsmacht nastreeft. Dit wil echter niet zeggen dat bedrijven daarmee zeggenschap krijgen over de strategie van defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>134\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke manier wordt er nagedacht over de markt achter de defensie-industrie? Op welke manier wordt er publiek geïnvesteerd in de defensie-industrie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Nederlandse en Europese defensie-industrie moeten opschalen. Dit bekent meer productiecapaciteit en meer innovatie in een strategisch autonomer Nederland en Europa. Om dit te bereiken, koppelt Defensie de rol van de defensie-industrie in de veiligheid van Nederland en haar bondgenoten met economische inzichten. Waar Defensie een order plaatst en welke afnamezekerheid Defensie biedt, beïnvloedt immers hoe de defensiemarkt zich vormt en wie er dus kan opschalen of innoveren. Defensie moet zorgen voor een positieve business case voor bedrijven, terwijl veiligheidsbelangen worden meegewogen en gezonde concurrentie blijft bestaan om bedrijven te prikkelen tot efficiëntie en innovatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De recent gepubliceerde economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie biedt handvatten voor het industrie- en innovatiebeleid van Defensie. De lessen voor beleid uit de EBA defensie-industrie laten zien dat een gespecialiseerde industrie de grootste voordelen biedt. Hiervoor moet ingezet worden op drie kernpunten: comparatieve voordelen , innovatie en schaal.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een inhoudelijke kabinetsreactie op het EBA-rapport volgt medio november in de vorm van het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie (NPDII). Daarin wordt uitgewerkt hoe de adviezen in de praktijk worden gebracht. Het NPDII zal daarmee laten zien op welke manier er publiek wordt geïnvesteerd in de defensie-industrie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>135\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat doet Defensie concreet om een voortrekkersrol te spelen in het bevorderen van een sterker Europa in de NAVO? Wat is de aanwezigheid van Defensie in de EU\u002F Brussel om dit te bewerkstelligen? Met hoeveel FTE? Hoe gaan we dit vergroten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Sterke, wederkerige allianties en partnerschappen vormen de basis van de Nederlandse veiligheid. De NAVO blijft de hoeksteen van onze collectieve verdediging. Voor het kabinet betekent meer Europese verantwoordelijkheid dan ook dat Europese landen een grotere bijdrage leveren aan de collectieve afschrikking en verdediging in NAVO-verband. Hiertoe worden veel verschillende initiatieven genomen in NAVO, EU-, bilateraal en andere samenwerkingsverbanden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het spelen van een voortrekkersrol in Brussel vult Nederland op meerdere manieren in. Zo is Nederland kartrekker op verschillende initiatieven, zoals de Priority Capability Areas Drones en counter-drone systemen en Militaire mobiliteit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook beïnvloedt het kabinet besluitvorming in Brussel door middel van het schrijven van non-papers, die veelal afgestemd worden met andere lidstaten. Bij Defensie en onze PV zijn namens Nederland enkele tientallen mensen voltijd werkzaam op het thema Europese defensiesamenwerking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>136\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is de rol van het Groot Project Grensverleggende IT in de digitale transformatie die beoogd wordt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het programma Grensverleggende IT (GrIT) vormt de basis voor de bredere digitale transformatie van Defensie. GrIT is niet de digitale transformatie zelf, maar levert de digitale ruggengraat waarop de moderne, informatiegestuurde krijgsmacht moet kunnen functioneren. De rol van GrIT is het faciliteren van deze transitie: het programma legt de technische en infrastructurele basis waarmee de ambities van de digitale transformatie kunnen worden gerealiseerd. Een robuuste, veilige en flexibele IT-basis vormt immers de essentiële randvoorwaarde om data, AI en andere digitale technologieën effectief in te zetten voor snellere besluitvorming, hogere wendbaarheid en meer operationele slagkracht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>137\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe heeft de geopolitieke dreigingsanalyse uit hoofdstuk 1 zich vertaald in de verdeling van Nederlandse militaire capaciteit tussen collectieve verdediging in Europa, nationale taken en inzet ter bescherming van Nederlandse belangen buiten Europa?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De verslechterde internationale veiligheidssituatie in combinatie met snelle technologische ontwikkelingen leidt tot grotere en meer diverse dreigingen voor Nederland. Defensie richt zich in de eerste plaats in op het afschrikken van tegenstanders en het beschermen en verdedigen van de territoriale veiligheid van het Koninkrijk en het Europese deel van het NAVO-verdragsgebied. De inzet van de Nederlandse Krijgsmacht voor haar drie hoofdtaken blijft echter onverminderd van kracht. Deze raken steeds verder met elkaar verweven; missies en operaties buiten onze grenzen dragen niet alleen bij aan de bevordering van de internationale rechtsorde, maar dienen ook de Nederlandse en Koninkrijks-belangen. Met internationale en nationale partners draagt Defensie bij aan het afschrikken van potentiele tegenstanders, het tegengaan van hybride activiteiten en het bevorderen van de internationale rechtsorde en leert daarbij belangrijke lessen uit de manier waarop oorlogsvoering wereldwijd verandert.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>138\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre is er een juridische basis voor het definiëren van deze ‘grijze zone’, aangezien er in de Defensienota verschillende malen wordt gesproken over de ‘grijze zone’ (het is geen oorlog en het is geen vrede)? Wat zijn de juridische dan wel andere kaders om deze ‘grijze zone’ te definiëren? Wanneer is het vrede en wanneer is er sprake van een overgang naar een ‘grijze zone’?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De term grijze zone kent geen zelfstandige definitie of rechtsstatus in het Nederlandse of internationale recht. De term grijze zone wordt vaak gebruikt met de toevoeging ‘tussen oorlog en vrede’. De grenzen daarvan worden bepaald door enerzijds een politiek besluit om de oorlog aan een andere staat te verklaren en anderzijds door de vaststelling dat een andere staat zich aan het internationaal recht onttrekt en zich in een confrontatiefase met Nederland begeeft. In de Defensienota 2026 wordt de term gebruikt als verzamelbegrip voor een situatie waarin statelijke actoren zich onttrekken aan het internationaal recht en heimelijk en doelbewust activiteiten, zoals cyber, sabotage, spionage en beïnvloeding, ontplooien die onze veiligheidsbelangen schaden waarbij zij onder de drempel van een gewapend conflict blijven. We bevinden ons nu in een periode waarin de dreiging in de grijze zone toeneemt. Verder maakt de oorlog in Oekraïne duidelijk dat de activiteiten die in de grijze zone plaatsvinden ook blijven voortduren tijdens een oorlog, maar vaak nog heviger.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>139\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is er in de afgelopen decennia sprake geweest van een ‘niet-grijze zone’ waar Nederland zich in bevond, dus een periode zonder de aanwezigheid van hybride middelen van andere staten of spionage door buitenlandse machten? Indien dit niet het geval is, wat is dan de basis van de definitie van de ‘grijze zone’ die de basis vormt van deze nota?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 138.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>140\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe gaat Defensie hybride aanvallen in de vorm van desinformatie en cyberaanvallen die op machinesnelheid worden opgeschaald door AI aanpakken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In lijn met het coalitieakkoord wordt onder leiding van het ministerie van BZK gewerkt aan het inrichten van een organisatie om Foreign Information &amp; Manipulation Interference (FIMI) structureel te detecteren. Daardoor krijgt Nederland zicht en handelingsperspectief op (FIMI)-campagnes die door kwaadwillende actoren met hulp van nieuwe technologieën zoals AI, razendsnel kunnen worden verspreid. Bij de inrichting van deze organisatie wordt ook gekeken en geleerd van de ervaringen van andere landen. Defensie is hierbij aangesloten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast zet Defensie in op capaciteit om eigen counter-AI-maatregelen te ontwikkelen, onder andere in samenwerking met kennispartners. Dit is nodig om verweer te bieden tegen vijandelijk gebruik van AI. Ook is het van belang dat de inlichtingen- en de veiligheidsdiensten zich blijven inzetten op het vergaren van inlichtingen omtrent de AI-capaciteiten van actoren met een offensief cyberprogramma gericht tegen de Nederlandse belangen, zodat tijdig de juiste tegenmaatregelen kunnen worden getroffen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>141\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe gaat u om met de rol van Turkije op het gebied van het uitbreiden van zijn invloed op het Afrikaanse continent?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland onderschrijft het belang van Turkije als strategische partner en NAVO-bondgenoot en erkent de geostrategische rol die Turkije speelt op het wereldtoneel. Tegelijkertijd is het kabinet zich ervan bewust dat prioriteiten binnen het Turkse buitenland- en veiligheidsbeleid niet altijd één-op-één overeen zullen komen met die van Nederland en de EU. Waar sprake is van gedeelde belangen zullen wij onderzoeken of samenwerking opportuun is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De ontwikkelingen op het Afrikaanse continent blijven van belang voor Nederland en Europa en worden dan ook nauwlettend gevolgd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>142\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat doet u concreet tegen de combinatie van jihadistische aanslagen, buitenlandse inmenging en politieke instabiliteit waar landen in de Hoorn van Afrika en de Sahel mee worstelen? Hoe zorgt Nederland als voortrekker binnen de EU voor een balans tussen hard power (defensie) en soft power (diplomatie) en dus sterke diplomatieke banden, humanitaire hulp en\u002Fof handel?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland hanteert een geïntegreerde aanpak, waarbij veiligheid, diplomatie en ontwikkeling hand in hand gaan. Binnen de EU zet Nederland in op versterkt engagement, met een gezamenlijke strategie die niet alleen gericht is op terrorismebestrijding, maar ook op het versterken van de lokale instituties en het creëren van economisch perspectief, die helpt de voedingsbodem voor jihadisme, buitenlandse inmenging en instabiliteit weg te nemen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De invloed van Nederland en de EU verschilt van land tot land. Mali, Burkina Faso en Niger zijn lid van de Alliantie van Sahelstaten (AES). In deze landen, die gekozen hebben voor veiligheidssamenwerking met Rusland, is deze invloed relatief beperkt. Hier kiest Nederland voor een beperkte, maar gerichte aanwezigheid en houden we de veiligheidsdialoog open. In andere landen is samenwerking in de veiligheidssector meer aanwezig, bijvoorbeeld via de Multi-National Joint Task Force voor het Tsjaadmeer en inzet van de European Peace Facility in Tsjaad.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zowel in de Sahel als in de Hoorn presenteert Nederland zich als een betrouwbare partner, die op basis van gedeelde belangen bijdraagt aan veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling. Nederland wordt daarbij veelal gezien als een transparante partner die er geen dubbele agenda op nahoudt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>143\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt in de context van deze Defensienota precies bedoeld met de uitspraak: ‘Als regels en kaders voor het gebruik van AI (on)bewust verschillend worden geïnterpreteerd, kan dat zorgen voor een ongelijk speelveld’?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De afwezigheid van internationale regels voor het gebruik van AI in het militaire domein laat ruimte voor interpretatie van bestaand recht. Dit kan ertoe leiden dat bepaalde staten het gebruik van specifieke capaciteiten als verboden beschouwen, terwijl andere staten het gebruik van diezelfde capaciteiten wel legitiem achten. Om duidelijkheid te verschaffen, pleit het kabinet voor nieuwe rechtsregels ten aanzien van bijvoorbeeld autonome wapensystemen, zoals dat ook voor bijvoorbeeld landmijnen, verblindende laserwapens en clustermunitie is gedaan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>144\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke regels en kaders bestaan er voor gebruik van AI bij Defensie en met name in wapensystemen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, is onverkort van toepassing op het gebruik van AI-gedreven wapensystemen. Het kabinet pleit echter wel voor verdere concretisering van bestaand recht, inclusief een expliciet verbod op autonome wapensystemen die niet in overeenstemming met het internationaal recht inzetbaar zijn. Bij voorkeur krijgt dit uiting in de vorm van een nieuw protocol bij het Conventionele Wapensverdrag (de CCW). Begin september hebben de verdragspartijen van de CCW een akkoord bereikt over een document waarin in grote lijnen regels worden geschetst voor het gebruik van autonome wapensystemen. Tijdens de Toetsingsconferentie van de CCW komende november zal een besluit volgen over vervolgstappen. Verder hanteert Defensie de principes voor het verantwoord gebruik van AI die door de NAVO zijn geformuleerd. Deze principes heeft Defensie vertaald naar eigen beleidskaders, die continue worden doorontwikkeld. Specifiek voor autonome wapensystemen wordt een aanvullend beleidskader opgesteld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>145\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre is reeds geborgd dat gebruik van AI door Defensie niet normen overschrijdt om een gelijk speelveld te creëren omdat anderen andere normen hanteren? Hoe ziet die borging eruit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoorden op de vragen 127 en 144.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>146\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat gaat Defensie concreet doen op het gebied van verantwoord militair gebruik van AI (internationaal &amp; nationaal)? Welke ReAIM-activiteiten kunnen de komende jaren worden verwacht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie hecht groot belang aan het verantwoord gebruik van AI in het militaire domein. Daarom worden verschillende activiteiten op dit thema ondernomen, zowel internationaal als nationaal. In nauwe samenwerking met het ministerie van Buitenlandse Zaken zet Defensie zich actief in voor het maken van bindende internationale afspraken over autonome wapensystemen. Dit gebeurt momenteel in het kader van het Conventionele Wapenverdrag (CCW). Ook spelen het ministerie van Buitenlandse Zaken en Defensie een voortrekkersrol op het gebied van internationale normstelling ten aanzien van militaire AI in bredere zin, via het Responsible AI in the Military Domain (REAIM-)proces. Defensie is nauw betrokken bij het organiseren van de vierde REAIM-bijeenkomst die in 2027 plaatsvindt in Kenia. Nationaal werkt Defensie aan het (door)ontwikkelen van beleid en de implementatie daarvan. Daarnaast investeert Defensie in methodieken die het verantwoord gebruik van AI in het militair domein mogelijk maken, zoals op het gebied van het testen, evalueren, verifiëren en valideren van AI.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>147\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe houdt Defensie controle en zeggenschap over welke software wordt ingekocht en hoe dit werkt? Komen er checks-and-balances in het inkoopproces voor verantwoorde AI, bijvoorbeeld door inzage in de broncode te vereisen of controle van de trainingsdata uit te kunnen voeren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij elke aanschaf van software wordt een eisenpakket opgesteld, mede op basis van risico analyses en sourcing strategie. Hierbij wordt altijd aandacht besteed aan intellectuele eigendomsrechten, de kwaliteit van data en data uitwisseling. Inzage in de broncode of het verwerven van de broncode kan daar onderdeel van zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>148\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke gezamenlijke doelstellingen, verantwoordelijkheden en besluitvormingsstructuren zijn afgesproken tussen Defensie en andere departementen om militaire, diplomatieke, economische en maatschappelijke instrumenten daadwerkelijk geïntegreerd in te zetten bij hybride dreigingen en crises?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Rijksbrede Responskader tegen statelijke dreigingen wordt door Nederland gebruikt als een permanent interdepartementaal coördinatie-mechanisme voor allereerst het vaststellen van norm overschrijdingen en vervolgens het voorstellen van (een mix aan) afgestemde responsmaatregelen. Het responskader kan worden ingezet tegen hybride dreigingen en de mogelijke maatregelen omvatten in principe alle machtsmiddelen van de staat. Rijksbrede, op werkniveau besproken responsopties worden via hoog-ambtelijk overleg ter besluitvorming aan het politieke niveau voorgelegd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>149\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt precies bedoeld met de &quot;wederzijds voordelige toegang tot defensiemarkten&quot;?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>We investeren in een wederkerige relatie met de VS. Dat betekent ook dat we onze industrie- en materieelsamenwerking zo vormgeven dat we toegang blijven houden tot elkaars defensiemarkt waarbij we proberen om belemmeringen die samenwerking in de weg staan weg te werken. Nederland spant zich in Brussel bijvoorbeeld in om Europese programma’s ook deels open te stellen voor derde landen als het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en de Verenigde Staten, omdat we met deze landen nauw samenwerken. Dit vergroot tevens de schaalvoordelen, interoperabiliteit en biedt flexibiliteit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>150\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe is Defensie van plan afhankelijkheden van de Amerikanen af te bouwen wanneer het ook inzet op het uitbouwen van industriële samenwerking met de Verenigde Staten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De relatie met de Verenigde Staten is voor de veiligheid van Nederland en de NAVO van fundamenteel en strategisch belang. Het streven naar meer Europese strategische autonomie betekent niet dat we de samenwerking met onze belangrijkste bondgenoot willen minimaliseren, maar dat we de aard van deze relatie willen transformeren naar meer gelijkwaardigheid. Initiatieven zoals co—productie en co-ontwikkeling van Amerikaanse systemen in Europa draagt hier aan bij en komt de gereedheid van het gehele NAVO grondgebied ten goede. Hierdoor vergroot Nederland de eigen technologische kennis en de controle over de levenscyclus van materieel en vermindert de afhankelijkheid van enkelvoudige leveringen van buitenaf. Het Kabinet zal 40% van de materieelaanschaf samen met Europese partners doen. Een sterker Europa betekent namelijk een Europa dat zelf in staat is om capaciteiten te ontwikkelen en inzetbaar te houden. Nederland streeft hierbij naar meer Europese samenwerking, meer gelijkwaardige partnerschappen en naar het verminderen van afhankelijkheden van landen buiten het NAVO-bondgenootschap.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>151\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waarop zijn de financiële verplichtingen, waaronder de 3,5%-norm, de capaciteiten en de bijdragen zoals bepaald door de NAVO gebaseerd, die leidend zijn voor de inzet en groei van Defensie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NAVO-afspraken berusten op besluiten die de bondgenoten gezamenlijk en bij consensus nemen. De 3,5%-norm voor directe defensie-uitgaven is in 2025 door de NAVO-bondgenoten afgesproken als onderdeel van de nieuwe 5%-afspraak voor 2035. De behoefte aan militaire capabilities wordt bepaald via het NATO Defence Planning Process (NDPP). Op basis van de Political Guidance worden de Minimum Capability Requirements vastgesteld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze requirements worden vervolgens onder bondgenoten verdeeld in de vorm van Capability Target packages. De targets worden in capability terms geformuleerd en laten bondgenoten ruimte voor de wijze waarop zij de gevraagde capability ontwikkelen en leveren (effect based). De voortgang wordt periodiek beoordeeld, onder andere via de Defence Planning Capability Review. De Nederlandse groei van Defensie wordt daarnaast bepaald door nationale en Koninkrijkstaken die niet volledig door de NATO Capability Targets worden afgedekt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>152\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre maakt Nederland een eigen analyse of afweging over het bepalen welk percentage van ons bbp nodig is voor investeringen in Defensie, of wordt daarbij altijd de opdracht van de NAVO gevolgd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NAVO Capability Targets vormen een belangrijk uitgangspunt voor de investeringen van Defensie. Deze doelstellingen geven aan welke militaire capaciteiten bondgenoten gezamenlijk nodig hebben voor de uitvoering van de NAVO-verdedigingsplannen. Defensie heeft de financiële en personele gevolgen van deze capaciteitsdoelstellingen zelf geanalyseerd en gebruikt deze analyse als basis voor de verdere ontwikkeling van de krijgsmacht. Uw Kamer is hierover vertrouwelijk geïnformeerd (Kamerbrief 28676, nr. 551).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>153\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre voorziet deze Defensienota in de afbouw van strategische afhankelijkheid van de VS, aangezien er ook het volgende wordt geschreven: ‘Tegelijkertijd blijven we investeren in samenwerking met de VS op industriegebied en bouwen we deze relatie verder uit op basis van wederkerigheid. Dat krijgt vorm via wederzijdse voordelige toegang tot defensiemarkten en verschillende coproductie-initiatieven met de Amerikaanse industrie. Zo houden we de trans-Atlantische samenwerking duurzaam en toekomstbestendig.’? Waar zien we daar de uitwerking van en welke doelen zijn daarbij gesteld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 150.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>154\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat houdt de genoemde wederkerigheid in de defensiesamenwerking met de Verenigde Staten in?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met wederkerigheid wordt bedoeld dat de industriële samenwerking met de VS voor beide partijen (strategische) meerwaarde oplevert, zoals voordelige toegang tot elkaars defensiemarkten, productie- en leveringszekerheid voor de krijgsmachten en samenwerking tussen Nederlandse, Europese en Amerikaanse bedrijven om te komen tot co-productie en co-ontwikkeling van (Amerikaanse) systemen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>155\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre is het ‘duurzaam en toekomstbestendig houden van de trans-Atlantische samenwerking’ een eigenstandig doel in het aangaan van investeringen in en met de VS op industriegebied binnen deze Defensienota?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het duurzaam en toekomstbestendig houden van de trans-Atlantische samenwerking is een belangrijk strategisch veiligheidsbelang voor Nederland. De Nederlandse capaciteitsdoelstellingen vanuit de NAVO, leveringszekerheid, technologische ontwikkeling en de versterking van de Nederlandse defensie-industrie primair van belang voor het aangaan van investeringen op industrie- en zijn materieelgebied.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>156\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe ziet de wederkerigheid bij investeringen in industriële samenwerking met de Verenigde Staten er precies uit en hoe voorkomt u dat deze samenwerking de eenzijdige afhankelijkheid juist vergroot?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 154\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>157\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk deel van de Nederlandse eenheden voldoet momenteel aan de NAVO-eis om binnen 10 tot 30 dagen inzetbaar te zijn, welk deel nog niet en in welk jaar verwacht u volledig aan de relevante NAVO-gereedheidseisen te voldoen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NAVO werkt met drie verschillende niveaus (tiers). Het belangrijkste verschil zit in de reactietijd (hoe snel ze inzetbaar zijn). Als Nederland eenheden in een gevraagde tier aanbiedt bij de NAVO kunnen die eenheden in beginsel ook voldoen aan die reactietijd. Door het toegenomen dreigingsniveau gaat Defensie zeer terughoudend om met het delen van informatie over de operationele gereedheid en inzetbaarheid van haar eenheden. Uw Kamer wordt periodiek door middel van het vertrouwelijk deel van de Stand van Defensie geïnformeerd over de gereedheid van de krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>158\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u, voor zover de rubricering dit toelaat, aangeven welke belangrijkste Nederlandse capaciteitstekorten uit het NAVO-defensieplanningsproces met deze Defensienota worden opgelost en welke na uitvoering van deze nota nog resteren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Defensienota 2026 adresseert verschillende openbaar benoemde prioriteiten die samenhangen met de Nederlandse NAVO-opgave. Het gaat onder meer om verbetering van gereedheid, personeel en inzetvoorraden en om versterking van gevechtskracht op land, geïntegreerde lucht- en raketverdediging en slagkracht over lange afstand. Daarnaast wordt geïnvesteerd in het voortzettingsvermogen, waaronder munitie, logistiek, geneeskundige ondersteuning en geniecapaciteit. In de vertrouwelijke bijlage van de Defensienota 2026 wordt op hoofdlijnen aangegeven in welke mate de defensieplannen invulling geven aan de afzonderlijke Capability Targets. Welke afzonderlijke tekortkomingen in de implementatie van NATO Capability Targets hiermee volledig worden opgelost en welke daarna resteren, kan niet openbaar worden toegelicht. De Capability Targets en de beoordeling van de invulling daarvan zijn gerelateerd aan gerubriceerde verdedigingsplannen. Openbaarmaking op dat detailniveau zou inzicht kunnen geven in Nederlandse en bondgenootschappelijke militaire kwetsbaarheden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>159\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welke capaciteiten kiest Nederland de komende jaren expliciet voor gezamenlijke Europese ontwikkeling of aanschaf, en welke concrete initiatieven wil het kabinet daarin zelf trekken of versnellen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie zet zich de komende vijf jaar in om de afhankelijkheid van niet-Europese leveranciers te verminderen, waar dit vanuit het oogpunt van leveringszekerheid, strategische autonomie en operationele gereedheid opportuun is. Deze inzet richt zich met name op capaciteiten die binnen de Europese Unie en in samenwerking met Europese partners kunnen worden ontwikkeld, geproduceerd en ondersteund. Daarbij gaat het onder meer om munitie, kritieke onderdelen, onbemenste systemen, counter-dronecapaciteiten en ruimtevaart- en satellietcapaciteiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>160\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke Europese militaire capaciteitslacunes acht u het meest urgent om de afhankelijkheid van de Verenigde Staten te verkleinen, en aan welke daarvan wil Nederland zelf een bovengemiddelde bijdrage leveren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 159.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>161\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke terreinen wil Nederland de gezamenlijke productie met Oekraïne structureel uitbreiden, welke productiecapaciteit wordt daarbij beoogd en welk deel daarvan kan bijdragen aan zowel de Oekraïense behoefte als de versterking van de Europese defensie-industrie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland wil de samenwerking met de Oekraïense defensie-industrie structureel uitbreiden op terreinen waar de Oekraïense operationele ervaring en innovatiekracht kunnen worden verbonden aan Nederlandse en Europese productiecapaciteit. De nadruk ligt daarbij momenteel op onbemenste systemen. In het kader van het Build with Ukraine-initiatief wordt coproductie mogelijk gemaakt zodat in Oekraïne ontwikkelde en operationeel bewezen systemen door Nederlandse bedrijven kunnen worden geproduceerd. Op deze manier vergroot Nederland de productiecapaciteit van bewezen systemen en versterken we de Nederlandse defensie-industrie door kennis- en technologieoverdracht. Waar systemen tevens aansluiten op de toekomstige behoeften van de Nederlandse krijgsmacht en Europese bondgenoten, kan de opgebouwde productiecapaciteit daarmee zowel bijdragen aan de ondersteuning van Oekraïne als aan de Europese gereedstelling en leveringszekerheid. Bovendien werkt Nederland aan het opzetten van de samenwerking met het Oekraïense innovatieplatform Brave1, onder andere om het testen in operationele omstandigheden voor de defensie-industrie mogelijk te maken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor deze samenwerking is geen specifieke productiecapaciteit in aantallen vastgesteld. De beoogde schaal wordt per project bepaald aan de hand van onder meer de Oekraïense behoefte, de behoefte van de Nederlandse krijgsmacht, de beschikbare industriële capaciteit en de mogelijkheden tot opschaling.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>162\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke omvang en typen bijdragen aan VN-, EU- en andere crisisbeheersingsmissies acht u de komende jaren nog realiseerbaar naast de toegenomen verplichtingen voor NAVO-verdediging en nationale gereedstelling?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de Nederlandse inzet in missies en operaties is het behartigen van de Nederlandse veiligheidsbelangen leidend. Vanwege de prioriteit die Nederland geeft aan de verdediging van het Nederlands en NAVO-verdragsgebied, zal deze inzet vaker dan voorheen kleinschalig of kortdurend zijn. De NAVO en de EU zijn de twee belangrijkste samenwerkingsverbanden voor onze internationale veiligheid. Nederland heeft daarmee een belang bij een sterke NAVO en EU, en daarmee (proportionele) bijdragen aan deze organisaties en in voorkomende gevallen aan bijdragen multilaterale verbanden zoals de VN. De voorgenomen Nederlandse militaire, politiële en civiele bijdragen (nationale kaders) met looptijd tot en met juni 2028 is met u gedeeld in Kamerbrief ‘Internationale inzet van Nederlandse militairen, civiele experts en politiefunctionarissen 2025 – 2028 (Kamerstuk 29521, nr. 493). Ontwikkelingen die het dreigingsbeeld in Europa in korte tijd verslechteren kunnen aanleiding zijn tot tussentijdse herprioritering van militaire capaciteiten. Dat zal mogelijk keuzes vergen voor de inzet voor internationale missies en operaties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>163\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe zou een EU-alternatief voor het vierjarige NDPP-proces, waarin hybride weerbaarheid beter wordt meegewogen, kunnen worden vormgegeven en welke voortrekkersrol kan Nederland daarbij vervullen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NAVO blijft de hoeksteen van de collectieve verdediging en het NDPP is het centrale proces voor het identificeren, ontwikkelen en leveren van de militaire capabilities die het bondgenootschap nodig heeft. De EU heeft complementaire instrumenten en bevoegdheden, onder meer op het gebied van industriebeleid, gezamenlijke verwerving, infrastructuur, militaire mobiliteit en maatschappelijke en hybride weerbaarheid. Nederland zet daarom in op nauwe NAVO-EU-samenwerking en op het voorkomen van duplicatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een Nederlandse voortrekkersrol ligt vooral in het beter verbinden van beide organisaties en het benutten van EU-instrumenten om de in NAVO-verband vastgestelde capability requirements en Capability Targets sneller te realiseren en de bredere Europese hybride weerbaarheid te versterken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>164\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe zien de verhoudingen met JEF, CotW, NAVO, EU eruit? Welke (strategische) doelstellingen heeft welk samenwerkingsverband? En welk effect heeft dit op de capaciteiten en middelen die Nederland aanschaft?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de structurele inrichting van de krijgsmacht zijn de nationale taken en de NATO Capability Targets leidend. De EU, Joint Expeditionary Force (JEF) en Coalition of the Willing (CotW) bieden aanvullende kaders voor samenwerking, financiering en de gezamenlijke ontwikkeling of inzet van capabilities. De operationele ervaringen uit deze verbanden worden gebruikt om de verdere ontwikkeling van de Nederlandse krijgsmacht te informeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NAVO vormt de hoeksteen van het Nederlandse veiligheidsbeleid. De via het NATO Defence Planning Process (NDPP) vastgestelde NATO Capability Targets zijn leidend voor de structurele ontwikkeling van de Nederlandse krijgsmacht en de benodigde middelen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De EU ondersteunt de versterking van de Europese defensiegereedheid en het Europese aandeel binnen de NAVO. Door in te zetten op zaken als gezamenlijke aanschaf, militaire mobiliteit en een sterke Europese defensie-industrie, draagt EU-samenwerking direct bij aan de implementatie van de NATO Capability Targets.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De JEF is complementair aan de NAVO en richt zich op de veiligheid in Noord-Europa en de Baltische regio (o.a. maritiem en hybride dreigingen). De JEF stelt geen concurrerende Capability Targets aan Nederland; deelname vindt plaats binnen de kaders van de NAVO-verplichtingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De CotW heeft een specifiek karakter gericht op de steun aan en veiligheidsgaranties voor Oekraïne. Dit omvat onder meer de versterking van de Oekraïense krijgsmacht en de voorbereiding van een mogelijke Multinational Force. De Nederlandse bijdrage aan de CotW is onder voorbehoud van politieke besluitvorming.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>165\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete KPI’s en streefwaarden gebruikt Defensie om de ontwikkeling van gereedheid, slagkracht en voortzettingsvermogen tot 2030 te meten, en op welke momenten wordt hierover aan de Kamer gerapporteerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie volgt de gereedheid van de krijgsmacht aan de hand van verschillende onderliggende indicatoren voor personele gereedheid, materiële gereedheid en geoefendheid en interne kwalitatieve rapportages. Een integrale set van specifiek aan de Defensienota 2026 gekoppelde KPI&#x27;s en streefwaarden voor gereedheid, slagkracht en voortzettingsvermogen tot 2030 is op dit moment niet beschikbaar. Ten einde de realisatie van de doelstellingen uit de Defensienota 2026 te volgen wordt een monitoringssystematiek ontwikkeld. De Kamer wordt over de ontwikkeling van de krijgsmacht onder meer geïnformeerd via de Stand van Defensie. Vanwege operationele veiligheid kan niet alle informatie over gereedheid en voortzettingsvermogen openbaar worden gemaakt. Meer gedetailleerde informatie wordt waar nodig vertrouwelijk met de Kamer gedeeld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>166\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt het naleven en verstevigen van het non-proliferatieverdrag door Nederland geborgd in relatie tot deze zinsnede, aangezien op p. 31 staat: ‘Nucleaire wapens stellen het bondgenootschap in staat om een geloofwaardige afschrikkings- en verdedigingsstrategie te hebben.’?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland en de NAVO zijn en blijven sterk gecommitteerd aan de volledig implementatie van het non-proliferatie verdrag. Een kernwapenvrije wereld blijft het uiteindelijke doel van de NAVO en ook van Nederland. In deze veranderende wereld maakt het kabinet doorlopend een afweging tussen het streven naar een wereld zonder kernwapens en de veiligheidssituatie van het moment. Eenzijdige ontwapening door NAVO-bondgenoten maakt de wereld voor Nederland niet veiliger. Ontwapening is een complex proces van lange adem. Omdat dit doel van veel spelers afhankelijk is en gekoppeld is aan de mondiale veiligheidssituatie, is het per definitie een proces met stapsgewijze, incrementele vooruitgang en soms – al dan niet tijdelijke – achteruitgang. Het huidige tijdsgewricht vraagt om realisme ten aanzien van de ontwapeningsdoelen van het NPV. Nu kernwapenstaten elkaar niet vertrouwen verkleint dit op korte termijn de kans op serieuze stappen op ontwapeningsgebied. Onze inzet op gebied van geloofwaardige afschrikking en verdediging is erop gericht om, wanneer de tijd er rijp voor is, weer tot gesprekken te komen en ondertussen aandacht te blijven vragen voor risico-reductie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>167\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In hoeverre bieden de strategie en doelstellingen zoals beschreven in de Defensienota ruimte voor het stationeren, uitbreiden en\u002Fof moderniseren van kernwapens in Nederland, Europa of binnen bondgenootschappelijk verband?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals in de Defensienota opgenomen is het doel van afschrikking het voorkomen dat een tegenstander geweld gebruikt of dat een conflict escaleert. In de huidige Europese veiligheidscontext is geloofwaardige en effectieve nucleaire afschrikking door de NAVO voor Nederland van essentieel belang om vrede te bewaren, dwang te voorkomen en agressie af te schrikken. Nederland levert met de uitvoering van de kernwapentaak met een squadron F-35’s vanaf Vliegbasis Volkel een belangrijke bijdrage aan de bondgenootschappelijke afschrikking en daarmee aan de veiligheid van de NAVO en van Nederland. In het kader van de versterking van de geloofwaardigheid, effectiviteit en veiligheid van de nucleaire en conventionele afschrikking van de NAVO, is het belangrijk om te benadrukken dat er sinds 2014 wordt gesproken over de versterking van deze afschrikking. Tijdens de NAVO Defence Ministers Meeting (DMM) van 18 juni jl. werd over de nucleaire dimensie gesproken in de Nuclear Planning Group (NPG). Na afloop ging een korte verklaring uit waarin bevestigd is dat NAVO blijft werken aan het versterken van de nucleaire afschrikkingsmissie om zijn veiligheidsbelangen te bereiken. Nadere details van deze bijeenkomst worden in het openbaar niet gedeeld. Vanwege veiligheidsredenen en bondgenootschappelijke afspraken doet het kabinet geen mededelingen over aantallen of locaties van nucleaire wapens in Europa.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het coalitieakkoord staat dat het kabinet constructief staat tegenover het versterken van een Europese nucleaire afschrikking. Uw Kamer is geïnformeerd over het kabinetsbesluit om in te gaan op het Franse aanbod voor een strategische dialoog over Europese nucleaire en conventionele afschrikking (zie Kamerstuk 33279, nr. 40). Dit versterkt de Europese dimensie van de Franse nucleaire afschrikking en komt daarmee de veiligheid van het NAVO-grondgebied en dus ook Nederlandse veiligheid ten goede. De samenwerking bevindt zich in een verkennende fase. De beoogde samenwerking met Frankrijk is niet in strijd met de verplichtingen van het Nonproliferatie Verdrag, aangezien Frankrijk eigenaar blijft van het eigen nucleaire arsenaal. Dit is voor zowel Nederland als Frankrijk een leidend principe. Gezien de aard van deze onderwerpen kan het kabinet, conform de met de Kamer overeengekomen praktijk, geen nadere details over de beoogde samenwerking openbaar maken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>168\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke rol spelen de Amerikaanse kernwapens in Volkel in de strategie zoals weergegeven in de Defensienota?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 167.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>169\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u aangeven op welke wijze de uitvoering van de WPS-agenda onderdeel vormt van de Nederlandse inzet bij de verdere uitwerking van NAVO-beleid op het gebied van nieuwe technologieën, AI, cyberveiligheid en hybride dreigingen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NAVO beschouwt de Women, Peace and Security-agenda (WPS) als een dwarsdoorsnijdend onderdeel van haar beleid. Met het herziene Defensie Actieplan 1325 zet Defensie in op verdere integratie van relevante genderperspectieven in het militaire domein. In het in 2024 herziene NAVO-beleid inzake WPS is expliciet opgenomen dat genderperspectieven ook relevant zijn voor nieuwe en disruptieve technologieën, kunstmatige intelligentie (AI), cyberveiligheid en hybride dreigingen. Nederland onderschrijft deze benadering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit betreft bijvoorbeeld ook aandacht voor mogelijke genderbias bij de ontwikkeling en toepassing van AI en andere technologieën, verschillen in de wijze waarop cyber- en hybride dreigingen verschillende groepen kunnen raken, en het gebruik van gendergerelateerde desinformatie en genderstereotypen als onderdeel van hybride dreigingen en vijandige informatieactiviteiten. Toegenomen kennis en bewustzijn hierover draagt bij aan onze gevechtskracht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>170\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe zet Nederland zich binnen de NAVO in voor de implementatie van het NAVO-beleid inzake Women, Peace and Security, inclusief de versterking van genderexpertise, de participatie van vrouwen in besluitvorming en de integratie van genderperspectieven in militaire operaties, oefeningen en capaciteitsontwikkeling?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland zet zich actief in voor de implementatie van het NAVO-beleid inzake Women, Peace and Security (WPS). Voor Defensie is daarbij van belang dat de WPS-agenda bijdraagt aan de operationele effectiviteit van de krijgsmacht. Het integreren van een genderperspectief draagt bij aan een beter begrip van het menselijk domein en daarmee de operationele omgeving, militaire planning, besluitvorming en uitvoering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het in 2024 herziene NAVO-beleid inzake WPS vormt daarom een belangrijk uitgangspunt voor het nieuwe Defensie Actieplan 1325. Met dit actieplan geeft Defensie nationaal uitvoering aan de WPS-agenda en wordt de aansluiting met het NAVO-beleid versterkt. Daarbij ligt de nadruk op het verder integreren van genderperspectieven in opleidingen, trainingen en oefeningen; beleid en plannen; missies en operaties; en gender responsief leiderschap. Dit sluit aan bij het NAVO-uitgangspunt dat WPS en het genderperspectief integraal onderdeel zijn van de drie kerntaken van het bondgenootschap, waaronder nadrukkelijk afschrikking en verdediging.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland draagt daarnaast op verschillende manieren concreet bij aan de ontwikkeling en toepassing van genderexpertise binnen de NAVO. Nederland levert een functionaris aan het Nordic Centre for Gender in Military Operations (NCGM), het opleidings- en kenniscentrum binnen de NAVO op het gebied van Gender in Military Operations. Waar mogelijk levert Nederland opgeleide genderadviseurs aan NAVO-oefeningen, missies en activiteiten. Verder draagt Nederland via het NATO Committee on Gender Perspectives (NCGP), het militaire adviesorgaan van het NATO Military Committee op dit terrein, bij aan de verdere ontwikkeling en implementatie van NAVO-beleid. Om de voortgang te bewaken, rapporteert Nederland jaarlijks aan de NAVO over de nationale voortgang op het gebied van WPS en Gender in Military Operations.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>171\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat betekent de constatering dat hoofdtaken 1 en 2 steeds meer in elkaars verlengde komen te liggen concreet voor de inzet van Defensie buiten de landsgrenzen? Welke prioritaire regio’s hanteert Defensie daarbij?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inzet in het buitenland kan zowel bijdragen aan de bescherming van het Koninkrijk en bondgenoten als aan de bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit. Immers, internationale rechtsorde en stabiliteit dragen bij aan de veiligheid van het Koninkrijk en bondgenoten. De Defensienota 2026 legt de nadruk op de versterking van de eerste hoofdtaak: het verdedigen van het Koninkrijk en het NAVO-verdragsgebied. Tegelijk blijft internationale inzet van belang wanneer deze bijdraagt aan de veiligheidsbelangen van het Koninkrijk, bijvoorbeeld door het versterken van bondgenootschappelijke samenwerking, het ondersteunen van partners en het voorkomen van verdere escalatie van conflicten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de inzet van Defensie wordt daarom per situatie bezien waar de veiligheidsbelangen van het Koninkrijk het meest van belang zijn en waar Nederland de meeste toegevoegde waarde kan leveren. Daarbij ligt de prioriteit bij het Euro-Atlantische gebied, met name de oostflank van het NAVO-verdragsgebied. Daarnaast blijven regio’s zoals het Midden-Oosten, Afrika, het Caribisch gebied en de Indo-Pacifische regio van belang vanwege de mogelijke gevolgen voor de veiligheid van het Koninkrijk en bondgenoten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>172\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke criteria op het gebied van mensenrechten, internationaal recht en conflictgevoeligheid worden toegepast bij de selectie en financiering van projecten en bedrijven in het kader van de versterking van de Nederlandse defensie-industrie en de Europese defensiesamenwerking, zoals vastgelegd in de Defensienota? (paragraaf 4.2)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de selectie en financiering van projecten en bedrijven in het kader van de versterking van de Nederlandse defensie-industrie en Europese defensiesamenwerking worden de geldende nationale, Europese en internationale juridische kaders toegepast. De precieze toetsingscriteria verschillen per instrument en type project. Zo gelden bij opdrachten van Defensie onder meer de toepasselijke aanbestedings-, integriteits- en veiligheidsvereisten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet hecht veel waarde aan een zorgvuldige controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie met het oog op het behouden en bevorderen van de internationale veiligheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het toetsen van wapenexporten is Nederland gehouden aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt (EUGS) tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie en het VN-Wapenhandelsverdrag. De controles zijn onder andere bedoeld om de ongewenste verspreiding van wapens en overige militaire goederen te voorkomen, de verspreiding van gevoelige technologieën te beheersen en ervoor te zorgen dat export geen activiteiten ondersteunt die in strijd zijn met Nederlandse belangen en (internationale) verplichtingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>173\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gezien het hybride karakter van moderne oorlogsvoering, hoe ziet afschrikking in dit hybride domein eruit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals is gesteld in de kabinetsreactie op het AIV-advies over hybride dreigingen en maatschappelijke weerbaarheid (Kamerstuk 30821, nr. 250) hanteert het Rijk hiervoor zowel deterrence by denial als deterrence by punishment. Bij het eerste gaat het bijvoorbeeld om weerbaarheidsmaatregelen waarmee de effectiviteit van hybride dreigingen op voorhand wordt gereduceerd. Bij het tweede worden de kosten voor de tegenstander verhoogd. Bijvoorbeeld door met een integrale respons door middel van het Rijksbreed Responskader (zie ook het antwoord op vraag 148) een statelijke actor te bewegen schadelijke hybride activiteiten richting Nederland, Nederlandse belangen of een partner na te laten, dan wel te staken. Een respons kan bijvoorbeeld bestaan uit (een mix van) diplomatieke, economische en militaire maatregelen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>174\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Als het NDPP 4-year cycle + deterrence model, dat zich richt op grootschalige platforms en artikel 5 scenario, leidend is voor de materieelplanning, hoe volgt dan de ambitie voor digitalisering en meer onbemenste systemen daaruit? Hoe voorkomt u dat dit evengoed neerkomt op meer tanks, fregatten, grote vliegtuigen en dus minder onbemenst en digitaal?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De investeringen in de krijgsmacht zijn gebaseerd op capabilities die benodigd zijn voor Homeland Defense, Host Nation Support, sustainment en de NAVO Capability Targets. Om flexibiliteit te behouden en om in te spelen op actuele ontwikkelingen en onzekerheden, richt Defensie zich op de effecten die het wil kunnen bereiken. Datzelfde principe vormt ook de basis van het NDPP en de Capability Targets, waarbij een effect based benadering het uitgangspunt is. Dit betekent dat we niet alleen investeren in een specifiek product, maar in het vermogen om een bepaald militair effect te realiseren. Zo behouden we de flexibiliteit om, wanneer technologische of operationele ontwikkelingen daarom vragen, andere oplossingen in te zetten om hetzelfde effect te bereiken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>175\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gezien het hybride karakter van moderne oorlogsvoering: hoe gaat Defensie concreet nauwer samenwerken met nationale en EU-instanties op het gebied van hybride weerbaarheid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hybride dreigingen zijn domein overstijgend en vergen per definitie een samenhangend antwoord van alle partners. Nationaal doen we dat via de maatschappijbrede aanpak tegen militaire en hybride dreigingen. Binnen de EU wordt onder meer samengewerkt bij het European Democracy Shield, het instellen van sancties, informatie-uitwisseling en de bescherming en bevorderen van strategische autonomie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>176\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke ‘scherpe keuzes’, zoals genoemd op pagina 34, zijn in deze Defensienota gemaakt? Wat doet Defensie niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het volledig invullen van de huidige NAVO Capability Targets, primair gericht op NAVO-taken, en voor benodigde investeringen voor nationale taken, is meer dan 3,5% bbp nodig (Kamerbrief over financiële en personele doorrekening van de NAVO Capability Targets 2025, Kamerstuk 28 676, nr. 504, 20 mei 2025). Daarnaast anticipeert Defensie bij investeringen op de volgende planningscyclus van de NAVO. Defensie kan dus ook bij besteding van 3,5% bbp in 2035 niet volledig en gelijktijdig aan alle opgaven voldoen. Defensie kiest en prioriteert maatregelen die bijdragen aan het militaire vermogen dat Nederland en de NAVO het hardst nodig hebben, op basis van de leidende principes uit de Defensienota 2026 (pagina’s 40-45), en de capaciteitsdoelstellingen die door de NAVO zijn geprioriteerd in het NAVO-defensieplanningsproces (NDPP) en door de EU in de Coordinated Annual Review on Defence (CARD). In de vertrouwelijke bijlage van de Defensienota vindt u meer informatie over de opgaven die (nog) niet volledig worden ingevuld. Uit veiligheidsoverwegingen en vanwege afspraken binnen de NAVO, kunnen we daar niet verder op ingaan in deze openbare beantwoording.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>177\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u per hoofdopgave aangeven welke prioriteiten in deze Defensienota zijn gesteld, welke opgaven in deze kabinetsperiode niet of slechts gedeeltelijk worden uitgevoerd en op basis van welke criteria deze keuzes zijn gemaakt, aangezien in de nota wordt beschreven dat ook bij een besteding van 3,5% bbp niet alle opgaven volledig en gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd en dat daarom scherpe keuzes en prioriteiten nodig zijn?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 176.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>178\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke belangrijkste knelpunten ziet u voor de uitvoerbaarheid van de investeringsagenda uit de Defensienota, in het bijzonder op het gebied van personeel, productiecapaciteit, levertijden, infrastructuur en vergunningverlening, en welke maatregelen worden genomen om deze knelpunten te beheersen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De nadruk ligt op korte termijn op het versneld versterken van gereedheid, gevechtskracht en ondersteuning. De uitvoering van investeringsplannen wordt beïnvloed door verschillende, veelal externe factoren. Dreigingen, technologische ontwikkelingen, levertijden, personele groei, vastgoed, beschikbare ruimte, omgevingsfactoren zoals de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk, wet- en regelgeving op het gebied van stikstof, infrastructuur en digitale randvoorwaarden bepalen samen wat nodig, mogelijk en haalbaar is. Daarom moet Defensie gericht investeren én voldoende flexibiliteit behouden om zich snel aan te kunnen passen aan veranderende omstandigheden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie werkt nauw samen met civiele partners, kennisinstellingen en de defensie-industrie. In geval van oplopende spanningen kan de krijgsmacht een beroep doen op de samenleving, op het gebied van mensen, industrie, diensten, (vitale) infrastructuur en kennis. Dit vraagt gezamenlijke planvorming, bestuurlijke afspraken en in sommige gevallen aanvullende wetgeving. De Wet op de Defensiegereedheid (WODG) biedt een passend juridisch kader voor het waarborgen van de gereedstelling van de krijgsmacht, en de afstemming daarvan op andere algemene belangen in een weerbare samenleving.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>179\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn de belangrijkste tekortkomingen die Defensie moet terugdringen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals ook in het antwoord op vraag 49 is gesteld, ligt tot 2030 de nadruk op het versneld versterken van het militair vermogen. Richting 2035 werkt Defensie toe naar een volledig inzetbare, schaalbare en gevechtsgerede krijgsmacht in alle domeinen, die in staat is gelijktijdig nationale en bondgenootschappelijke taken uit te voeren. Op specifieke tekorten gaat Defensie in een openbaar document niet in, omdat openbaarmaking inzicht kan geven in militaire tekortkomingen en kwetsbaarheden en daarmee de operationele veiligheid en de veiligheidsbelangen van Nederland en zijn bondgenoten kan schaden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>180\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke investeringen uit de Defensienota kunnen in 2027 daadwerkelijk worden versneld, rekening houdend met de kasschuiven en ombuigingen voor de financiering van de Oekraïnesteun, en welke voorgenomen investeringen worden daardoor later uitgevoerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vragen 61 tot en met 64.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>181\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt precies bedoeld met de doelstelling dat over vijf jaar meer dan de helft van de operationele effecten met behulp van onbemande systemen wordt bereikt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 37, 79 en 182.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>182\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt verstaan onder onbemenste systemen en onder operationele effecten? Hoe wordt de voortgang hierop gemonitord en met de Kamer gedeeld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 37 en 79 is een operationeel effect het beoogde of feitelijke resultaat van een militaire actie of operatie die vervolgens weer bijdraagt aan een hoger strategisch doel. Op dit moment is Defensie bezig om alle initiatieven binnen de krijgsmachtonderdelen te bundelen zodat op die manier regie kan worden gevoerd. Vanuit deze regievoering zal het mogelijk worden te bepalen hoeveel van de operationele effecten worden bereikt met behulp van onbemenste systemen binnen de krijgsmacht. Onbemenste systemen zijn systemen die zonder mensen aan boord hun taken kunnen uitvoeren om daarmee een effect te bereiken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>183\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt bedoeld met hoog-energiewapens?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met hoog-energiewapens worden wapensystemen bedoeld die gebruik maken van geconcentreerde elektromagnetische energie om effecten tegen een doel te bereiken. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan laserwapens en hoogvermogen-microgolfsystemen. Deze systemen kunnen onder andere worden ingezet voor de bestrijding van onbemande systemen en andere relevante dreigingen. Een belangrijk kenmerk van dergelijke systemen is dat het effect op het doel wordt bereikt zonder gebruikmaking van een conventionele kinetische munitie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De inzetbaarheid van hoog-energiewapens is afhankelijk van onder meer de technische volwassenheid, het type dreiging, het bereik, de weersomstandigheden en de beschikbare energievoorziening. Defensie volgt de technologische ontwikkelingen op dit gebied nauwlettend.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>184\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waar kan het Beleidskader Inzetvoorraden worden ingezien?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gedetailleerde informatie over de inzetvoorraden en de onderliggende uitgangspunten is operationeel vertrouwelijke informatie. Het Beleidskader Inzetvoorraden kan daarom niet worden ingezien. Uw Kamer wordt twee keer per jaar in de vertrouwelijke bijlage van de Stand van Defensie geïnformeerd over de voortgang van de aanvulling van de inzetvoorraden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>185\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt bedoeld met ‘sensor-to-effectorcapaciteit’ en de versterking daarvan?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met sensor-to-effectorcapaciteit wordt het vermogen bedoeld om een waargenomen en geïdentificeerde dreiging zo snel en effectief mogelijk te vertalen naar een passende inzet van een middel dat deze dreiging kan beïnvloeden of uitschakelen. Het betreft daarmee de gehele keten van detectie, identificatie, informatieverwerking, besluitvorming en de inzet van een effectmiddel. Door sneller dan een tegenstander deze cyclus te doorlopen, wordt een voorsprong in het gevecht verkregen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Versterking van deze capaciteit ziet onder meer op het verbeteren van sensoren, commandovoering en informatievoorziening, het versnellen en automatiseren van informatieverwerking en besluitvorming en het verbeteren van de onderlinge verbinding van systemen en eenheden. Daarnaast is het van belang dat verschillende effectmiddelen, zoals luchtverdedigingssystemen, jachtvliegtuigen, fregatten, raketartillerie, onbemande systemen en elektronische capaciteiten, met elkaar zijn verbonden en effectief kunnen worden aangestuurd en ingezet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het doel hiervan is om de tijd tussen het detecteren van een dreiging en het realiseren van het gewenste effect zo veel mogelijk te verkorten en daarmee de operationele effectiviteit van luchtverdediging te vergroten\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>186\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke manier breidt Defensie haar capaciteiten voor veiligheid op de Noordzee uit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Maritieme veiligheid op de Noordzee, waaronder het beschermen van de vitale infrastructuur, is in vredestijd een civiele verantwoordelijkheid. Defensie kan door middel van bijstandsverlening het civiele gezag daarin ondersteunen. Er wordt nauw samengewerkt met de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (I&amp;W) en Justitie en Veiligheid JenV. Daarnaast heeft Defensie sinds juli 2023 een permanente taak op de Noordzee. Deze taak is tweeledig:\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het bijdragen aan het beeld en begrip van dreigingsactoren en –factoren op de Noordzee.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het begeleiden van niet-NAVO en niet-partner eenheden door het Nederlandse deel van de Noordzee, in afstemming met NAVO-bondgenoten en Europese partners en wanneer daar aanleiding voor is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie doet verschillende investeringen om, als onderdeel van de eerste hoofdtaak van Defensie, haar rol ten aanzien van de bescherming van de nationale veiligheid op de Noordzee beter uit te kunnen voeren. Zo investeert Defensie in additionele waarnemingscapaciteit op zee, zoals sensoren en satellietcapaciteit. Verder investeert Defensie in responscapaciteit zoals multifunctionele ondersteuningsvaartuigen, die verdachte situaties op de Noordzee nader kunnen onderzoeken. Defensie investeert in het kader van het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur in de ontwikkeling van nieuwe technologieën voor de bescherming van kritieke onderzeese infrastructuur met de oprichting en uitbreiding van het Seabed Security Experimentation Centre (SeaSEC) in Scheveningen. Ook is Defensie beheerder van de Kustwacht en is bereid hier een grotere rol in te gaan spelen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast heeft het kabinet onlangs aangegeven structurele financiering beschikbaar te stellen voor de oprichting van een Nationaal Maritime Security Centrum (NMSC). Dit centrum wordt opgericht om relevante publieke en private stakeholders op de Noordzee met elkaar te verbinden, zodat er een compleet en actueel beeld van dreigingen op de Noordzee opgebouwd kan worden. Dit beeld maakt een snelle en adequate respons mogelijk bij potentiele incidenten. Net als bij de Kustwacht is Defensie ook bereid een grote rol te spelen in het NMSC. Ten slotte draagt Defensie bij aan beter beeld en begrip van dreigingen op de Noordzee door actieve deelname in het Joint Intelligence Center (JIC) en Nationaal Intelligence Knooppunt (IKP).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>187\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke aannames over productietijden en leveringszekerheid is de omvang van de nieuwe inzetvoorraden gebaseerd, en voor welke categorieën materieel of munitie ziet Defensie nog risico’s dat de industrie niet tijdig kan aanvullen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 35.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>188\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke wijze wordt, naast technische en communicatieve maatregelen, ingezet op de sociale dimensie van digitale weerbaarheid, waaronder het voorkomen en tegengaan van polarisatie, maatschappelijke verdeeldheid en wantrouwen, aangezien de Defensienota desinformatie als hybride dreiging benoemt en inzet op het vergroten van het veiligheidsbewustzijn en de weerbaarheid van de samenleving tegen hybride dreigingen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie is aangesloten bij het door BZK gecoördineerde interdepartementale traject waarin wordt gewerkt aan het inrichten van een organisatie die Foreign Information &amp; Manipulation Interference (FIMI) structureel kan detecteren, en hiertoe ook wettelijke bevoegdheden krijgt (zie ook antwoord op vraag 140). Als onderdeel van dit traject wordt ook bekeken hoe er verdere opvolging kan worden gegeven aan gedetecteerde FIMI, om zo de impact ervan op de samenleving te minimaliseren. Tevens willen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tactische inlichtingen over hybride dreigingen vaker publiek te maken, zolang dit kan zonder de inlichtingenpositie te schaden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>189\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt binnen het beleid voor maatschappelijke weerbaarheid rekening gehouden met genderspecifieke veiligheidsrisico&#x27;s, waaronder AI, desinformatiecampagnes en hybride dreigingen die disproportioneel gericht zijn tegen vrouwen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Rijksbrede weerbaarheidsaanpak, die gezamenlijk wordt gecoördineerd door Defensie en de NCTV, zorgt ervoor dat er aandacht wordt besteed aan de verschillende aspecten van weerbaarheid. Dreigingen werken niet voor iedereen op dezelfde manier uit. Daarom is het van belang om niet uitsluitend te kijken naar de algemene maatschappelijke weerbaarheid maar ook hoe bepaalde dreigingen impact kunnen hebben op verschillende groepen. Daarbij proberen we zoveel als mogelijk maatschappelijke organisaties te betrekken in de weerbaarheidsopgave en hun expertise te benutten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het vergroten van de maatschappelijke weerbaarheid is de NCTV verantwoordelijk. Defensie is verantwoordelijk voor het tweede spoor wat ziet op de militaire paraatheid. Voor verdere vragen over het beleid voor maatschappelijke weerbaarheid verwijs ik u naar de minister van Justitie en Veiligheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>190\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt de omvang van de Marinierseenheid in het Caribisch gebied?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op dit moment zijn er ook permanent eenheden van het Korps Mariniers geplaatst op Aruba en Sint Maarten. In het Caribisch gebied wordt een eenheid van compagniesgrootte van het Korps Mariniers geplaatst ter vervanging van de roulerende landmacht compagnie op Curaçao, die sinds 2009 aanwezig is. De eenheid van het Korps Mariniers zal permanent aanwezig zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>191\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt bedoeld met ‘landgestationeerde capaciteit voor aanvallen tegen zeedoelen’?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Landgestationeerde capaciteit verwijst naar militaire wapensystemen die vanaf het land worden ingezet om de kustlijn en vitale infrastructuur op de Noordzee (zoals windparken, datakabels en gasplatforms) te beschermen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>192\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wordt zowel aan de zware als aan de medium brigade een bataljon toegevoegd of gaat het om de toevoeging van 1 bataljon aan de gecombineerde zware en de medium brigade?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet heeft besloten om de gevechtskracht en ondersteuning van de Koninklijke Landmacht fors uit te breiden. Onderdeel van deze uitbreiding is de toevoeging van een gevechtsbataljon aan zowel 43 Gemechaniseerde Brigade (HIB) als 13 Lichte Brigade (MIB).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>193\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke rol zou Nederland hebben in de aansturing en commandovoering van het 1 GNC?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1GNC heeft medio dit jaar de rol van tactisch hoofdkwartier voor NAVO op zich genomen. Daarmee krijgt 1GNC een aansturende rol aan de oostflank van het NAVO-verdragsgebied.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederlandse militairen binnen 1GNC gaan zich, samen met Duitsland en andere bondgenoten, nadrukkelijker richten op commandovoering, planning en coördinatie van NAVO-activiteiten in Estland en Letland. Dat betekent onder meer intensievere samenwerking met bondgenoten, meer oefeningen aan de oostflank en verdere voorbereiding op collectieve verdediging aan de oostflank van het NAVO-verdragsgebied.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1GNC is geen nieuwe eenheid, maar een bestaand Duits-Nederlands NAVO-hoofdkwartier dat een nieuwe taak krijgt binnen de NAVO-verdedigingsplannen. In het verleden gaf 1GNC al leiding aan meerdere crisisbeheersings- en vredesoperaties. Zo werd het hoofdkwartier in 2003, 2009 en 2013 ingezet voor de International Security Assistance Force (ISAF) in Afghanistan. Ook stond 1GNC tussen 2005 en 2024 zeven keer een jaar lang stand-by in het kader van de NATO Response Force. De nieuwe rol van 1GNC past binnen de bredere versterking van de NAVO-afschrikking en collectieve verdediging aan de oostflank van het bondgenootschap.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Sinds de oprichting in 1995 delen Nederland en Duitsland de verantwoordelijkheid voor het commando over het hoofdkwartier en Tot begin 2028 is het commando in handen van Duitsland. Naast Nederland en Duitsland leveren momenteel nog 14 andere NAVO-bondgenoten personeel aan het hoofdkwartier.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Samen hebben Nederland en Duitsland er bewust voor gekozen om 1GNC aan te bieden aan de NAVO voor de verdediging van de oostflank. De veiligheid van Nederland en Duitsland is onlosmakelijk verbonden met de veiligheid van NAVO-bondgenoten. Door samen op te trekken versterken we de veiligheid van het gehele bondgenootschap. 1GNC is daarmee een mooi voorbeeld van twee Eurpoese partners, Duitsland en Nederland, die binnen de NAVO een stap naar voren zetten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>194\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt bij de werving van 122.000 mensen voor Defensie rekening gehouden met de eerder in de Defensienota genoemde weerbaarheid van de samenleving en met de personeelstekorten in cruciale sectoren, zoals de zorg, het onderwijs en de publieke sector?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie wil de groei nadrukkelijk samen met de samenleving realiseren. Daarom wordt ingezet op flexibele vormen van personele inzet, reservisten, samenwerking met werkgevers en onderwijsinstellingen en publiek-private samenwerking. Daarmee kan capaciteit worden gedeeld en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat Defensiepersoneel structureel aan andere cruciale sectoren onttrekt. Door middel van technologie wordt verder de productiviteit bij Defensie verhoogt, onder andere door meer inzet van onbemenste systemen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>195\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer wordt de HR-visie en -strategie met de Kamer gedeeld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het streven is om de Kamer nog dit jaar te informeren over de herijkte HR-visie en -strategie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>196\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe realistisch is het streven om in 2030 minder burgers in dienst te hebben dan in 2026, gezien het feit dat er al jaren sprake is van overrealisatie op de burgervulling?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het burgerbestand is meer dan 100% gevuld, mede door tijdelijke inzet op militaire arbeidsplaatsen en anticipatie op verwachte uitstroom door pensionering. De ontwikkeling wordt gemonitord. De ambitie voor 2030 blijft vooralsnog 25.000 burgers.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>197\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete gevolgen heeft de overstap van D&amp;I naar DEI?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de overgang naar Diversity, Equity and Inclusion (DEI) wordt naast diversiteit en inclusie explicieter aandacht besteed aan gelijkwaardigheid en rechtvaardige en inclusieve processen. Gelijkwaardigheid heeft reeds beslag in het huidige beleidskader D&amp;I 2024-2030, vanuit waar binnen Defensie gewerkt wordt aan DEI.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>198\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u nader toelichten hoe de partnerschappen tussen Defensie enerzijds en bedrijven en maatschappelijke organisaties anderzijds vorm krijgen om de capaciteit van de krijgsmacht op te schalen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie werkt onder meer samen met werkgevers en onderwijsinstellingen rond reservisten, opleidingen en gedeelde personele capaciteit. Inmiddels zijn met ongeveer 70 bedrijven convenanten ondertekend. Deze bedrijven staan hun werknemers toe om reservist te worden, bieden hen een bepaald aantal betaald verlofuren per jaar aan en promoten Defensie actief. Nieuwe constructies zoals het Nederlandse Sponsored Reserves model bieden wettelijke grondslagen voor samenwerking tussen Defensie en de samenleving (Kamerstuk 33 763, nr. 172 d.d. 2 oktober 2025)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie brengt in samenwerking met SZW in kaart hoe de rechten en plichten van de civiele werkgever, de reservist en Defensie zich ten opzichte van elkaar verhouden en welke wet- en regelgeving belemmerend kan zijn voor werkgevers om reservisten te faciliteren in het gehoor geven aan oproepen in werkelijke dienst (Kamerstuk 36 800-X, nr. 97 d.d. 2 juli 2026).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast wordt verkend welke wettelijke voorzieningen mogelijk ontbreken ter bescherming van de reservist in de civiele arbeidsrelatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op basis hiervan worden in overleg met de sociale partner mogelijke maatregelen ter versterking van de rechtpositie van de reservist en de verbetering van de positie van de civiele werkgever onderzocht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze samenwerking draagt bij aan de schaalbaarheid van de krijgsmacht doordat Defensie hiermee niet alle benodigde personele capaciteit permanent binnen de eigen organisatie hoeft te organiseren. Door de verbinding met civiele werkgevers en andere maatschappelijke partners kan capaciteit uit de samenleving worden benut en, waar nodig, beschikbaar worden gemaakt voor Defensie. Daarmee wordt de civiele arbeidsmarkt beter verbonden met de personele behoefte van de krijgsmacht. De verdere ontwikkeling van deze samenwerkingsvormen moet ervoor zorgen dat deze capaciteit ook op een voor werkgever, werknemer en Defensie werkbare wijze kan worden ingezet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Binnen het opleidingsdomein is in november 2025 met zeven publiek-private vertegenwoordigers een intentieverklaring gesloten en wordt gewerkt aan verdere koppeling van vraag en aanbod, onder meer via een digitaal platform.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>199\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke aantallen beroepsmilitairen, reservisten, burgermedewerkers en externe partners worden voorzien in het scenario van 200.000 mensen, en welke hoeveelheden materieel, uitrusting, opleidingscapaciteit en infrastructuur zijn nodig om die organisatie daadwerkelijk inzetbaar te maken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op dit moment is de groei van de organisatie naar circa 200.000 mensen financieel niet gedekt. De komende periode onderzoeken we noodzaak, impact en werking van zogenaamde personele en materiele aanvullingssystemen (PAS\u002FMAS) die de groei van de schaalbare krijgsmacht ten tijde van een conflict mogelijk moeten maken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>200\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is per stap op de escalatieladder het concrete afwegingskader? Wat triggert een escalatie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het afwegingsmechanisme voor het op- en afschalen binnen het Dienmodel wordt thans uitgewerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Kamerbrief Inrichting Opkomstplicht d.d. 11 september 2026 (referentie 2026Z18685).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>201\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vrijwilligheid blijft het uitgangspunt, maar hoe valt vrijwilligheid te combineren met de ambitie om te komen tot een selectieve opkomstplicht aangezien een verplichting inherent niet vrijwillig is?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het afwegingsmechanisme voor het op- en afschalen binnen het Dienmodel wordt momenteel verder uitgewerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Kamerbrief Inrichting Opkomstplicht d.d. 11 september 2026 (referentie 2026Z18685).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>202\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete wijzigingen in de organisatie zijn er voorzien om deze te vereenvoudigen en flexibeler te maken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Binnen heel Defensie worden processen, contractvormen, de HR-organisatie en ondersteunende systemen aangepast voor een schaalbare en wendbare krijgsmacht. Onderdeel hiervan is het sneller kunnen reorganiseren middels Groeiplan Defensie en de flexibele schil aan capaciteiten van mobilisabele eenheden, waaronder reservisten en publiek\u002Fprivate ecosystemen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>203\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke vormen van dwang of straf worden uitgewerkt als het gaat om het uitwerken van de verschillende stappen van de escalatieladder en een mogelijke selectieve opkomstplicht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het niet naleven van de verplichtingen wordt een nieuw sanctieregime ontwikkeld, waarbij wordt gekeken naar Hoofdstuk 3 van de Kaderwet Dienstplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Kamerbrief Inrichting Opkomstplicht d.d. 11 september 2026 (referentie 2026Z18685).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>204\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waar is het Groeiplan Defensie te vinden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Groeiplan Defensie is in december 2025 vastgesteld en wordt sinds het voorjaar van 2026 toegepast. Op 3 april 2026 bent u hierover geïnformeerd in de Kamerbrief ‘Groei van de krijgsmacht’ (Kamerstuk 33 763 nr. 176). Groeiplan Defensie wordt op dit moment nader uitgewerkt in interne regelgeving in overleg met de Centrale Medezeggenschapscommissie. Deze interne regelgeving wordt vervolgens Defensiebreed beschikbaar gesteld via het publicatieportaal.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>205\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke criteria overweegt Defensie aan te passen in het decoratiebeleid en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie moderniseert het decoratiestelsel gefaseerd. Daarbij worden onder meer de criteria en voorwaarden bezien voor inzetmedailles, een nieuwe dapperheidsonderscheiding binnen de nationale rechtsorde, krijgsmachtdeelmedailles en medailles voor langdurige en trouwe dienst. Concreet gaat het onder meer om aanpassing van de Herinneringsmedaille Internationale Missies, het Kruis voor Recht en Vrijheid, de nieuwe medaille Inzet op Afstand, een herinneringsmedaille voor risicovolle inzet binnen hoofdtaak 3 en aanpassingen van medailles voor langdurige en trouwe dienst.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Kamer wordt over deze wijzigingen schriftelijk geïnformeerd. Per aanpassing vindt afzonderlijke besluitvorming, juridische toetsing en waar nodig communicatie plaats, in afstemming met de Commissie Decoraties Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>206\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke wijze worden ethische vraagstukken meegewogen bij de integratie van AI bij de grootschalige inzet van drones?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 127.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>207\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is Defensie reeds begonnen met het opzetten van een pilotproject voor de ontwikkeling van een prototype van een collaborative combat aircraft, in samenwerking met de Nederlandse industrie en kennisinstellingen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie is reeds gestart met enkele kennisopbouw en technologie-ontwikkelingsprojecten die kansen bieden om in een toekomstig Collaborative Combat Aircraft (CCA) prototype te worden verwerkt. In navolging van motie Jagtenberg zijn commercieel vertrouwelijke gesprekken geweest met enkele Nederlandse industrie partijen. In deze gesprekken is verkend welke mogelijkheden er zijn voor de ontwikkeling van een prototype test platform om bij te dragen aan onderdelen voor CCA prototypes.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>208\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke alternatieve of concurrerende CCA-projecten bestaan er ten opzichte van het Amerikaanse project?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Diverse industrie partijen, in Europa en daarbuiten, hebben nieuwe projecten aangekondigd waar kansen liggen voor de Nederlandse industrie en kennisinstellingen om in de toekomst aan bij te dragen. De nieuwe Europese projecten zijn momenteel nog in concept fase en de eerste onderdelen zijn in aanbouw. Defensie onderzoekt samen met de Nederlandse kennisinstellingen voortdurend de stand van zaken van de wereldwijde ontwikkelingen van autonome vliegende platformen. Ook verkent Defensie de mogelijkheden en doeltreffendheid voor deelname door Nederlandse kennisinstellingen en bedrijfsleven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>209\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke lessen uit de oorlog in Oekraïne hebben concreet geleid tot wijzigingen in de inrichting, materieelkeuzes, voorraden of doctrine van de Nederlandse krijgsmacht, en welke verdere aanpassingen zijn voorzien?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het gevechtsveld in Oekraïne is door drones, sensoren, satellietbeelden en digitale informatiesystemen veel transparanter geworden. Eenheden en materieel worden sneller ontdekt en de tijd tussen waarnemen en optreden tegen een doel is sterk verkort. Dat vraagt van Defensie om meer spreiding, mobiliteit, camouflage en misleiding en om het beperken van de elektronische en digitale zichtbaarheid. De lessen uit Oekraïne gaan daarom veel verder dan de aanschaf van nieuw materieel. Vanaf dit jaar worden structureel drone- en counterdrone-eenheden geïntegreerd in alle gevechtseenheden. Ook worden werkwijzen, commandovoering, opleidingen en trainingen aangepast. Eerder minder gebruikte technieken keren terug, zoals het ingraven en beter beschermen van bijvoorbeeld veldhospitalen, en onderdelen van medische protocollen worden herzien op basis van ervaringen uit Oekraïne. Naast ‘lessons learned’ gaat het daarmee ook om ‘lessons forgotten’, technieken en tactieken die door de ontwikkeling van de techniek de afgelopen decennia achterhaald leken, vormen nu vaak weer een beslissende rol. Ook snelheid van besluitvorming en informatiedeling wordt belangrijker. De ontwikkelingen vragen daarnaast om een andere manier van materieelontwikkeling en verwerving. Het is van belang sneller en dynamischer in te kopen, met ruimte voor het tussentijds aanpassen van producten tijdens de looptijd van een contract. De lessen uit Oekraïne worden daarom ook gebruikt om de Nederlandse krijgsmacht voor te blijven bereiden op de toekomst.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>210\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke strategische capaciteiten worden, naast de uitbreiding van de MRTT-vloot, bedoeld met de voorgestelde gezamenlijke aanschaf in gebruikerspools?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tijdens de NAVO-top in Ankara is aangekondigd dat een aantal bondgenoten, waaronder Nederland, gezamenlijk investeert in Saab GlobalEye-vliegtuigen ter vervanging van de huidige Airborne Warning and Control System (AWACS)-toestellen van de NAVO. Uw Kamer wordt conform het Defensie Materieel Proces (DMP) in het najaar met een A-brief nader geïnformeerd over deze Airborne Early Warning &amp; Control (AEW&amp;C) capaciteit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast gaat Nederland samen met andere bondgenoten een multinationaal satellietnetwerk ontwikkelen waarmee militaire en commerciële satellietsystemen beter met elkaar worden verbonden. Daarmee kunnen gegevens sneller en veiliger worden uitgewisseld (Kamerstuk 28 676, nr. 567).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>211\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete mijlpalen beoogt het kabinet in de komende twee jaar te realiseren bij de versterking van de eigenstandige Nederlandse inlichtingenpositie en de intensivering van de Europese inlichtingensamenwerking met een kopgroep van Europese landen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De details omtrent inlichtingensamenwerking tussen de diensten zijn geheim. De Kamer wordt daarover geïnformeerd via de geëigende kanalen. In zijn algemeenheid kunnen we zeggen dat gezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen in het bijzonder aandacht bestaat voor de Europese inlichtingen- en veiligheidsgemeenschap en manieren waarop inlichtingen effectiever en doelmatiger kunnen worden gedeeld met als doel om de nationale en internationale veiligheid te beschermen. De MIVD intensiveert de inlichtingensamenwerking op Europees niveau. Dit doet de MIVD zowel bilateraal, in multilaterale (kop)groepen en binnen de NAVO en de EU. De inlichtingendiensten dragen bij aan de versterking van de Single Intelligence Analysis Capacity (SIAC), de centrale toegangspoort voor het delen van strategische inlichtingen met Europese instellingen. Het SIAC maakt inlichtingenproducten voor EU-beleidsmakers op basis van vrijwillige inlichtingenbijdragen door EU-lidstaten. Deze bijdragen versterken de inlichtingenpositie van onder andere de Europese Commissie, de Europese Dienst voor Extern Optreden en de Raad van de Europese Unie en biedt hen de mogelijkheid om het brede instrumentarium van de EU in te zetten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>212\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke wijze zijn inzet op vrede en het bevorderen van onderhandelingen, die noodzakelijk zijn om tot vrede te komen, onderdeel van deze Defensienota en de daarin beschreven steun aan Oekraïne, aangezien hierover niet wordt gesproken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de Defensienota staan de plannen die nodig zijn om Nederland weerbaar en sterk te maken, onder andere tegenover de militaire dreiging vanuit Rusland jegens Europa, die primair tot uiting komt in de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne. Het doel van de versterking is niet oorlog, maar het beschermen van wat ons dierbaar is. Die oorlog is een uitputtingsslag geworden. Rusland is niet bereid de aanvallen op te schorten en maakt vooralsnog geen aanstalten om daadwerkelijk toe te werken naar een vredesakkoord. Nederland spant zich bilateraal, in EU- en NAVO-verband en in kopgroepen zoals de Coalition of the Willing in voor een duurzame beëindiging van de oorlog in Oekraïne en versterking van Oekraïne zodat deze toekomstige Russische agressie kan afschrikken. Nederland steunt daartoe het door de Verenigde Staten geïnitieerde vredesproces en spant zich ervoor in dat Europese bondgenoten zo nauw mogelijk betrokken worden in het proces. Daarnaast zet Nederland zich in voor langdurige militaire en politieke steun aan Oekraïne, en verdere druk op Rusland.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet onderschrijft dat Europa een grotere rol moet nemen voor de veiligheid van Oekraïne en Europa en spant zich ervoor in dat Europese bondgenoten zo nauw mogelijk betrokken worden in het proces. Het kabinet staat hiertoe in nauw contact met partnerlanden, waaronder met name het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland, alsook met de NAVO en de Europese Unie, in lijn met de motie van de leden Van Campen en Kahraman (Kamerstukken 21 501-02, nr. 3052 en nr. 3055). Dit past tevens in de Nederlandse inzet op effectieve partnerschappen om het handelingsvermogen van Europa te versterken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uw Kamer is juni jl. geïnformeerd over deze inzet middels de Internationale Veiligheidsstrategie 2026-2030 (Kamerstuk 33694-72). Op 6 januari jl. is uw Kamer tevens geïnformeerd over een mogelijke nieuwe fase in de vredesonderhandelingen op het gebied van veiligheidsgaranties voor Oekraïne en in het bijzonder over de inzet van de Coalition of the Willing (Kamerstuk 36 045, nr. 264). Hoewel duurzame vrede nog verre van zeker is, is het van belang dat Nederland en Europa voorbereid zijn op een mogelijke volgende fase in de onderhandelingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>213\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe betrekt u maatschappelijke organisaties, vrouwenrechtenorganisaties en lokale gemeenschappen bij de ontwikkeling van beleid rond weerbaarheid, crisisrespons en veiligheidsvraagstukken, conform de uitgangspunten van het Nationaal Actieplan 1325?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onze Rijksbrede weerbaarheidsopgave bestaat uit het vergroten van zowel de maatschappelijke weerbaarheid als de militaire paraatheid. De Rijksbrede weerbaarheidsaanpak betreft een ‘whole-of-society’ aanpak waarbij we maatschappijbreed de samenwerking opzoeken met (mede)overheden (inclusief uitvoeringsorganisaties), bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijk middenveld en burgers. Zo wordt op 23 november de Top Nationale Weerbaarheid samen met het Oranjefonds, VNO\u002FNCW, het Rode Kruis en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) door de ministeries van JenV en Defensie georganiseerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het vergroten van de maatschappelijke weerbaarheid is de NCTV verantwoordelijk. Defensie is verantwoordelijk voor het tweede spoor wat ziet op de militaire paraatheid. Dit behelst het vermogen van Nederland om het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied te verdedigingen en het waarborgen van civiele ondersteuning daarbij. Voor de krijgsmacht geldt dat zij de samenleving hard nodig heeft; zowel ter ondersteuning van de militaire taken, alsook om eventueel taken van Defensie over te nemen in geval van een militair conflict.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie staat hierbij midden in de samenleving met haar mensen, haar fysieke aanwezigheid en de actieve bijdrage die zij vanzelfsprekend levert, niet alleen in tijden van crises of conflict. Hierbij zet Defensie zich actief in om de verbinding met de samenleving verder te versterken, onder andere met lokale gemeenschappen rondom onze kazernes.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>214\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u een overzicht delen van de projecten waaraan Nederland bijdraagt op het gebied van Women, Peace and Security?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland zet zich actief in voor de implementatie van de Women, Peace and Security (WPS)-agenda. Voor Defensie is daarbij van belang dat de WPS-agenda vooral bijdraagt aan de operationele effectiviteit van de krijgsmacht. Het integreren van een genderperspectief draagt bij aan een beter begrip van het menselijk domein en daarmee de operationele omgeving, militaire planning, besluitvorming en uitvoering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland geeft met het vierde Nationaal Actieplan Vrouwen, Vrede en Veiligheid (NAP1325-IV) uitvoering aan VN-Veiligheidsraadresolutie 1325 en de internationale Women, Peace and Security-agenda. NAP1325-IV is een partnerschap tussen de Nederlandse overheid en het maatschappelijk middenveld en richt zich op: gelijkwaardige en betekenisvolle deelname van vrouwen en meisjes aan besluitvorming over vrede en veiligheid, duurzame vrede en gelijke ontwikkelingskansen en het voorkomen en beëindigen van conflict gerelateerd geweld tegen vrouwen, mannen, meisjes en jongens.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het ministerie van Buitenlandse Zaken en WO=MEN coördineren het actieplan. Defensie is als deelnemend ministerie medeverantwoordelijk voor de uitvoering en geeft binnen het eigen (beleids)terrein invulling aan de Nederlandse en internationale verplichtingen op het gebied van Women, Peace and Security. Het Defensie Actieplan 1325 vertaalt de WPS-agenda naar het militaire domein.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Ministeries van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Defensie en Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie rapporteren aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de voortgang van het NAP1325-IV. Graag verwijs ik u naar de Kamerbrief en de Voortgangsrapportage NAP van 24 augustus jl. waarin de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken de Kamer informeerden over de implementatie van actieplan over de jaren 2024 en 2025. Hierin staat het volledige overzicht van activiteiten en projecten (Kamerstuk 2026D39003).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>215\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u inzichtelijk maken welke concrete doelstellingen en middelen worden ingezet voor de nationale en internationale implementatie van de WPS-agenda binnen Defensie en hoe hierover wordt gerapporteerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Defensie Actieplan 1325 (DAP 1325) maakt onderdeel uit van een samenhangend internationaal en nationaal beleids- en verplichtingenkader, vastgelegd in VN-, NAVO-, EU- en nationale afspraken op het gebied van vrede en veiligheid. Binnen deze kaders heeft Nederland zich gecommitteerd aan de structurele integratie van het genderperspectief in beleid en uitvoering binnen het bredere veiligheidsdomein, waaronder militair optreden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het DAP 1325 vormt de militaire uitwerking van deze internationale en nationale kaders. Het operationaliseert het WPS-beleid voor de specifieke taken, verantwoordelijkheden en processen van de Nederlandse krijgsmacht. Dit actieplan beschrijft hoe het genderperspectief wordt geïntegreerd in beleid, doctrine, opleiden, plannen, oefenen en inzet, en hoe dit bijdraagt aan de uitvoering van alle drie de grondwettelijke hoofdtaken van Defensie. Daarmee maakt het DAP 1325 onderdeel uit van een bredere beleidsmatige en strategische keten waarbinnen Defensie opereert en verantwoording aflegt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie rapporteert over de voortgang van de WPS-agenda aan de Tweede Kamer der Staten Generaal middels de Voortgangsrapportage NAP1325-IV (Kamerstuk 2026D39003) en aan de NAVO middels de jaarlijkse Summary of National Reports aangaande Women, Peace and Security.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>216\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke wijze beoogt Nederland actief te gaan bijdragen aan de modernisering van VN-vredesoperaties?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland speelt een actieve rol in de VN beleidsdiscussie over de modernisering van VN-vredesoperaties. Hierin is Nederland aanjager op twee thema’s: bescherming van burgers en performance &amp; accountability. Daarnaast zet NL zich in voor de thema’s: Safety and Security en Women, Peace and Security (WPS). In 2027 zal Nederland samen met Indonesië de VN peacekeeping Ministerial co-hosten in Jakarta waarmee Nederland richting geeft aan de (hervormingen van) VN-vredesoperaties in lijn met de Action for Peacekeeping (A4P) agenda. Nederland heeft verder diverse strategische partnerschappen gericht op de bescherming van burgers in conflictgebieden, met Center for Civilians in Conflict (CIVIC), Nonviolent Peaceforce en PAX. Ook is er een partnerschap met de denktank International Peace Institute (IPI). Daarnaast draagt NL financieel bij aan VN-vredesmissies en projecten. Dit betreft een bijdrage aan de assessed contributions voor VN vredesmissies (1,3% van het totaal). Verder draagt NL o.a. financieel bij aan het Light Coordination Mechanism (LCM) met €956.000 en het Comprehensive Planning and Performance Assessment System (CPAS) met €1,4 miljoen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>217\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel verzoeken van partners tot deelname aan missie-inzet heeft Defensie in 2025 en het eerste halfjaar van 2026 ontvangen? Op hoeveel van die verzoeken is positief gereageerd? Op hoeveel van die verzoeken is negatief gereageerd? Op hoeveel van die verzoeken is niet gereageerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals opgenomen in het artikel 100 Toetsingskader uit 2014 heeft de regering aangegeven de Tweede Kamer te informeren als zij gaat onderzoeken of een Nederlandse bijdrage aan een missie in het kader van artikel 100 wenselijk en mogelijk is. Dit gebeurt door middel van een zogenaamde Kennisgevingsbrief. Naast artikel 100 Toetsingskader inzet ontvangt het ministerie van Defensie regelmatig verzoeken van partners en internationale organisaties voor kleinschalige bijdragen of trainingen. Indien hier positief op wordt gereageerd, wordt uw Kamer hierover ook geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>218\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke inzet van de Tweede Kamer is nodig om de ambitie om samen met Indonesië de VN Peacekeeping in 2027 te organiseren te verwezenlijken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het co-hosten van de VN Peacekeeping Ministerial in 2027 is primair een verantwoordelijkheid van het kabinet, in nauwe samenwerking met Indonesië en de Verenigde Naties. Van de Tweede Kamer wordt geen specifieke besluitvorming gevraagd voor de organisatie van deze bijeenkomst.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wel is betrokkenheid van de Tweede Kamer van belang door het uitdragen van steun voor effectieve en toekomstbestendige VN-vredesmissies en door het ondersteunen van de Nederlandse inzet op dit terrein. De Nederlandse bijdragen binnen VN-vredesmissies draagt bij aan de Nederlandse inzet voor de internationale rechtsorde en biedt tevens mogelijkheden om ervaring op te doen en partnerschappen te versterken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>219\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aan welke landen in West-Afrika denkt Defensie bij het uitbreiden van haar samenwerking met nieuwe partners?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet kiest voor een beperkte aanwezigheid in de Sahel en West-Afrika vanwege het Nederlandse belang in het tegengaan van irreguliere migratie, het versterken van grensbeheer, het bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme in deze regio en het beschermen van economie en handel. Met bescheiden bijdragen geeft Defensie invulling aan kleinschalige samenwerking met een beperkt aantal landen, zoals bijvoorbeeld Senegal en Ivoorkust, om daarmee de Nederlandse belangen te behartigen. Ook draagt deze bijdrage bij aan de geoefendheid van de krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>220\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer heeft de laatste grootschalige internationale Host Nation Support-oefening plaatsgevonden en wat waren de uitkomsten van de evaluatie van deze oefening?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In 2024 vond de laatste grootschalige Host Nation Support-operatie plaats. Een operatie wordt net als een oefening benut om lessons learned op te halen. Deze HNS operatie heeft verschillende inzichten opgeleverd die worden gebruikt om HNS-activiteiten te verbeteren. Een voorbeeld hiervan is de vertraging die tijdens de uitvoering van de operatie ontstond door civiel treinverkeer. Mede op basis van dit evaluatiepunt heeft Defensie, in samenwerking met IenW, ingezet op afspraken over de mogelijkheid voor prioriteit op het spoor voor militair transport. In het verlengde hiervan werkt IenW, samen met Defensie, momenteel aan het aanpassen van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur. Met de voorliggende wijziging wordt een mogelijkheid gecreëerd om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Daarnaast heeft IenW, in lijn met de impactanalyse van het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL), HCSS gevraagd om onderzoek te doen naar mogelijkheden voor procesoptimalisatie bij het uitvoeren van militaire transporten over het spoor. Dit onderzoek wordt in Q3 met uw Kamer gedeeld en is tot stand gekomen in samenwerking met Defensie en de spoorsector. Naast dit voorbeeld over spoor in relatie tot HNS, worden de geleerde lessen op het gebied van Host Nation Support meegenomen in de beleidsontwikkeling van militaire mobiliteit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>221\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe kijkt Defensie precies aan tegen maatschappelijke weerbaarheid? Wat voor acties gaan op de korte en middellange termijn worden ontplooid om deze weerbaarheid te vergroten? Welke concrete resultaten wil het kabinet in 2030 hebben bereikt op het gebied van maatschappelijke weerbaarheid, welke indicatoren worden daarvoor gebruikt en welk departement is verantwoordelijk voor de coördinatie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een weerbare samenleving vraagt om een maatschappijbrede samenwerking van (mede)overheden (inclusief uitvoeringsorganisaties), bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijk middenveld en burgers\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onze Rijksbrede weerbaarheidsopgave bestaat uit het vergroten van zowel de maatschappelijke weerbaarheid als de militaire paraatheid. Voor het vergroten van de maatschappelijke weerbaarheid is de NCTV verantwoordelijk. Defensie is verantwoordelijk voor het tweede spoor wat ziet op de militaire paraatheid. Dit behelst het vermogen van Nederland om het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied te verdedigingen en het waarborgen van civiele ondersteuning daarbij. Voor de krijgsmacht geldt dat zij de samenleving hard nodig heeft; zowel ter ondersteuning van de militaire taken, alsook om eventueel taken van Defensie over te nemen in geval van een militair conflict.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Als onderdeel van de Rijksbrede weerbaarheidsopgave om de weerbaarheid van Nederland te verhogen, wordt er op dit moment gewerkt aan een zogenaamde ‘Roadmap’ Weerbaarheid tegen langdurige uitval van stroom en data, hybride en militaire dreigingen. Dit gebeurt onder coördinatie van de NCTV en Defensie, samen met bijna alle andere departementen. Deze Roadmap geeft de aanpak weer voor het versterken van de weerbaarheid van Nederland tegen voorgenoemde. Het geeft inzicht in de belangrijkste ambities, prioriteiten en keuzes binnen de opgave. Voornemen is om hierover de Kamer in het eerste kwartaal van 2027 te informeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast werkt Defensie intensief samen met verschillende departementen, stakeholders en partners om de civiel-militaire samenwerking te versterken en daarmee onze militaire paraatheid te verhogen. Op belangrijke onderwerpen zoals infrastructuur en logistiek, gezondheidszorg en energie worden stappen gezet om de ondersteuning te borgen en de samenwerking te versterken. Dit gaat bijvoorbeeld om het vermogen om snel militaire verplaatsingen uit te voeren, voldoende basis- en opschaalbare noodzorg beschikbaar te hebben en zorgen voor energiezekerheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>222\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe gaat u periodiek meten hoe het maatschappelijk draagvlak voor de groei van Defensie zich ontwikkelt, en welke informatie over resultaten en bestedingen wordt actief openbaar gemaakt om dat draagvlak te ondersteunen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie meet continu het draagvlak in de Nederlandse samenleving. De laatste rapportage is te vinden op defensie.nl: https:\u002F\u002Fwww.defensie.nl\u002Fdocumenten\u002F2026\u002F03\u002F31\u002Fdraagvlakmonitor-defensie-tweede-helft-2025. Het draagvlak voor Defensie wordt het tweede halfjaar van 2025 gewaardeerd met een rapportcijfer van 7,0.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de Clingendael Barometer: Draagvlak voor Defensie (juni 2026) wordt specifiek gevraagd naar het draagvlak onder de Nederlanders voor de groeiende rol van Defensie. Defensie communiceert zo open en actief mogelijk over resultaten en bestedingen. De Tweede Kamer ontvangt bv. tweejaarlijks de Stand van Defensie en het Defensie Projecten Overzicht. Via de communicatiekanalen van Defensie, maar ook via interviews of media wordt dagelijks bericht over resultaten en bestedingen van Defensie. Gelet op de verslechterende veiligheidssituatie is Defensie terughoudender geworden met het openbaar maken van informatie die de (operationele, personele en nationale) veiligheid in gevaar brengen. Denk dan aan details als aantallen wapensystemen. Tot slot wordt ook informatie die commerciële belangen kan schaden niet openbaar gemaakt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>223\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel geld wordt er door Defensie beschikbaar gesteld voor het onderwijs?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het antwoord op deze vraag is niet eenduidig te geven. Defensie heeft eigen opleidingsinstituten zoals de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) en diverse opleidingsinstellingen binnen de Defensieonderdelen. Met de groei van de organisatie groeien deze instellingen mee. Dit is nodig om het personeel opgeleid te hebben en te houden in het kader van de gereedstelling van Defensie. Het gaat hierbij om een diversiteit aan kosten (voor het personeel, voor de leermiddelen, voor de legering, simulatie apparatuur, onderhoud van (gebouwen en terreinen) enz. Daarnaast wordt personeel ook opgeleid bij externe instanties. Daarvoor ontvangt en betaalt Defensie facturen. Dit draagt bij aan de persoonlijke ontwikkeling van het personeel, maar in voorkomend geval ook aan de gereedstelling van het personeel. Tevens zijn initiatieven ontwikkeld als Defensity college, en samenwerkingsverbanden met ROC’s (Veva).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>224\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe dragen de genoemde publiek-private ecosystemen bij aan de schaalbaarheid van de krijgsmacht en wat wordt hieronder verstaan?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met publiek-private ecosystemen wordt bedoeld dat Defensie structurele verbindingen aangaat met werkgevers, onderwijsinstellingen en andere maatschappelijke partners om beschikbare kennis, expertise en personele capaciteit uit de samenleving beter te verbinden met de behoefte van de krijgsmacht. Dit gebeurt onder meer regionaal, met concrete wederzijdse afspraken over de inzet van reservisten en de ondersteuning door werkgevers. Hierdoor kan Defensie sneller en gerichter over aanvullende capaciteit beschikken en wordt het reservistenbestand beter verbonden met de civiele samenleving. De schaalbaarheid zit er daarmee in dat niet alle benodigde capaciteit permanent binnen Defensie hoeft te worden georganiseerd, maar dat ook capaciteit uit de samenleving kan worden benut en, waar nodig, beschikbaar kan worden gemaakt. Het in dienst hebben van reservisten is voor bedrijven een meerwaarde omdat het de bijdrage aan de weerbaarheid van Nederland zichtbaar maakt en de werknemers in kwestie militaire kernwaarden mee terugnemen in het bedrijf.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>225\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van de inventarisatie van de aanwezigheid en rol van de krijgsmacht tijdens een mogelijk conflict in Nederland en de aansluiting daarvan op civiele crisisstructuren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de Kamerbrief ‘Stand van zaken actualisering van Hoofdtaak 3 van de krijgsmacht’ van 13 augustus jl. (Kamerstukken II, 2025\u002F26, 33763, nr. 180) is de Kamer op hoofdlijnen geïnformeerd over de impact van de focusverschuiving naar Hoofdtaak 1 (bescherming van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied) op Hoofdtaak 3 (het leveren van militaire bijstand aan civiele autoriteiten) van de krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een van de conclusies is dat de huidige Bestuursafspraken inzake intensivering civiel-militaire samenwerking 2007, zullen worden herzien. Bij deze herziening worden overige departementen, medeoverheden en uitvoeringsinstanties die geregeld een beroep doen op militaire bijstand en ondersteuning betrokken. Het streven is in 2027 geactualiseerde bestuursafspraken tot stand te brengen. Te zijner tijd wordt de Kamer hierover geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>226\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke wijze wordt binnen de in de Defensienota beschreven aanpak van maatschappelijke weerbaarheid aandacht besteed aan de sociale en preventieve dimensie van weerbaarheid, waaronder sociale cohesie, vertrouwen, het voorkomen van polarisatie en het versterken van lokale netwerken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Rijksbrede weerbaarheidsaanpak heeft aandacht voor verschillende aspecten van de weerbaarheidsopgave. Onder andere door de ministeries van Justitie en Veiligheid (JenV), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wordt er gewerkt aan de preventieve dimensie van weerbaarheid. Het ministerie van SZW richt zich binnen de preventieve aanpak op het vergroten van de veerkracht en weerbaarheid van gemeenschappen en kwetsbare groepen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook bij Defensie zelf is er aandacht voor dit onderwerp, onze mensen vormen namelijk de kern van onze gevechtskracht. Defensie zet zich in om een afspiegeling van de maatschappij te zijn. Iedereen krijgt gelijke kansen, met daarbij nadrukkelijke aandacht voor diversiteit en specifiek het verwelkomen van meer vrouwen in de krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>227\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Defensienota beschrijft samenwerking met maatschappelijke organisaties en lokale gemeenschappen als onderdeel van maatschappelijke weerbaarheid: welke typen lokale maatschappelijke actoren worden hierbij betrokken en op basis van welke criteria? Wordt daarbij ook gekeken naar de rol van lokale sleutelfiguren en levensbeschouwelijke of religieuze organisaties bij het versterken van sociale cohesie, vertrouwen en maatschappelijke weerbaarheid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie staat midden in de maatschappij met haar personeel, met haar fysieke aanwezigheid, en de actieve bijdrage die zij vanzelfsprekend levert aan de maatschappij. Om de rol van Defensie midden in de samenleving waar te maken, zoeken we de verbinding met lokale gemeenschappen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Denk hierbij aan het ondersteunen van lokale initiatieven, waar mogelijk infrastructuur ter beschikking te stellen en actief bij te dragen aan netwerken in de regio (bijvoorbeeld de scouting, kerken en voetbalverenigingen). Daarnaast werken kazernes samen met gemeenten en veiligheidsregio’s.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>228\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke rol ziet Defensie naast het vergroten van de weerbaarheid van jongeren, onder meer via sport- en weerbaarheidstrainingen en de Maatschappelijke Diensttijd voor jongeren als actieve partners bij het versterken van maatschappelijke en digitale weerbaarheid, bijvoorbeeld bij het tegengaan van polarisatie en desinformatie en het versterken van sociale cohesie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het tegengaan van polarisatie en desinformatie is geen expliciete taak van Defensie. Defensie kan op grond van haar kennis en ervaring wel bijdragen aan bewustwording en weerbaarheid, bijvoorbeeld tegen hybride dreigingen. Dit gebeurt in samenwerking met onder andere met andere ministeries, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie ziet jongeren niet alleen als doelgroep in het kader van de werving, maar ook als actieve partners bij het versterken van de weerbaarheid van de samenleving. Via onder meer sport- en weerbaarheidstrainingen en de Maatschappelijke Diensttijd kunnen jongeren vaardigheden en attitudes ontwikkelen om kritisch om te gaan met informatie, verantwoordelijkheid te nemen en bij te dragen aan sociale cohesie en maatschappelijke weerbaarheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>229\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel kazernes maken gebruik van lokale inkoop ter versterking van de regionale economie en welk jaarlijks budget wordt hiervoor ingezet, op basis van de meest actuele cijfers?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij Defensie wordt de behoefte van de kazernes in de meeste gevallen gedekt door defensiebrede of rijksbrede contracten. Recent is het voornemen uitgesproken om waar mogelijk kazernes meer gebruik te laten maken van lokale inkoop ter versterking van de regionale economie. Op dit moment is niet bekend welke kazernes gebruik (gaan) maken van lokale contracten en de jaarlijkse budgetten die hier mee gemoeid zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>230\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete initiatieven bedoelt u met de in de nota beschreven initiatieven om het debat over defensie en veiligheid in de samenleving te bevorderen? In hoeverre staan deze open voor deelname vanuit de samenleving, en hoe wordt gewaarborgd dat daarbij ruimte bestaat voor verschillende perspectieven op defensie- en veiligheidsbeleid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie draagt op diverse manieren bij aan debat over veiligheid en defensie. Ten eerste door zelf dialoog te zoeken en te organiseren met partners, belanghebbenden en maatschappelijke organisaties, onder meer met dialoogsessies om verschillende perspectieven, ideeën en inzichten voor de Defensienota te inventariseren en te bespreken. Ook wordt de Nationale Weerbaarheidstop georganiseerd in november in samenwerking met het ministerie van Justitie en Veiligheid, waarbij we de dialoog aangaan met onze stakeholders en partners. Ten tweede door initiatieven met ruimte voor verschillende perspectieven te financieren, zoals studies en (deels vrij toegankelijke) bijeenkomsten van Clingendael en HCSS en de organisatie van de Next Gen Security Conference die in mei 2026 door de Atlantische Commissie, Clingendael en Universiteit Leiden werd georganiseerd en door veel jongeren is bezocht. Ten derde door defensievertegenwoordigers hun verhaal te laten vertellen en te laten deelnemen aan symposia, discussiebijeenkomsten, televisieprogramma’s en andere fora voor informatie-uitwisseling, gedachtevorming en debat. Een vierde voorbeeld is dat het ministerie van Defensie het lesprogramma ‘Bondgenoten?!’ financiert voor MBO- en middelbare scholen door heel Nederland. Dit interactieve lesprogramma is ontwikkeld - en wordt verzorgd - door het creatieve onderwijsbureau De Kiesmannen. De Atlantische Commissie levert de inhoudelijke expertise. Doel van de gastlessen is om het maatschappelijke debat over vrede en veiligheid te bevorderen. Dit programma is een vervolg op de succesvolle tour van meer dan 100 gastlessen op MBO- en middelbare scholen afgelopen jaar georganiseerd in aanloop naar de NAVO-top in Den Haag.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>231\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke wijze wordt de strategische autonomie van Nederland &quot;versterkt&quot; door &quot;wederzijdse afhankelijkheden te vergroten&quot;?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland kan met zijn hoogwaardige technologische- en kennisbasis voor Defensie leiderschapsposities in waardeketens verwerven die ons een onmisbare partner maken. Daarom zetten we gericht in op die kennis, technologie en productie waar we zelf sterk in zijn of die voor onze veiligheid van strategisch belang zijn. Met deze gerichte investeringen bouwen we een stevige positie op in internationale defensietoeleveringsketens, waardoor wederzijdse afhankelijkheden ontstaan. Andere landen hebben Nederland nodig en Nederland kan op zijn beurt beter rekenen op toegang tot essentieel materieel vanuit andere landen. Zo behouden we een seat at the table in het geopolitieke geweld en vergroten we de strategische autonomie. Dit is noodzakelijk om als Europa zelfstandig ter kunnen voorzien in de eigen militaire capaciteiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>232\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt in de passage over het benodigde voortzettingsvermogen om het gevecht effectief en langdurig te kunnen voeren verstaan onder een ‘langdurig’ gevecht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De taak van de krijgsmacht is om het eigen grondgebied en dat van bondgenoten te beschermen en te kunnen verdedigen, zo lang als nodig. We leren hierbij van de oorlog in Oekraïne, die langer duurt dan velen eind februari 2022 had verwacht. De krijgsmacht was tot voor kort grotendeels ingericht op planbare deelname aan internationale missies en operaties gedurende een afgebakende tijdsperiode. Onderdeel van de transitie naar inrichting voor een langdurig gevecht is dat we vooraf niet weten of, wanneer en hoe de tegenstander zal aanvallen en hoe lang deze zal volhouden, dus hoe lang het gevecht kan duren. Om veiligheidsredenen kunnen we in deze openbare beantwoording niet ingaan op de duur waar in NAVO-verband rekening mee wordt gehouden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>233\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor welke specifieke capaciteiten en productieketens acht u opschaling van de Nederlandse en Europese defensie-industrie het meest urgent, welke productievolumes worden daarbij nagestreefd en binnen welke termijn moeten deze worden bereikt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Door meer in eigen land te ontwikkelen en te produceren, wordt de afhankelijkheid van externe, niet-Europese toeleveringsketens verminderd en het vermogen om langdurig militair optreden te ondersteunen geborgd. Dit betekent dat we opschaling noodzakelijk achten in de capaciteiten die de gevechtskracht en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht versterken. In de Defensienota hebben we toegelicht welke krijgsmacht we bouwen en welke capaciteiten we nodig hebben. Dit is leidend voor de keuze voor de capaciteiten die we in Nederland en Europa willen ontwikkelen en produceren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Naast brede investeringen in de verschillende defensiedomeinen, ligt de prioriteit bij domeinoverstijgende versterkingen zoals lucht- en raketverdediging, sensoriek, robuuste munitievoorraden en onbemenste systemen. In het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie (NPDII) gaan we verder in de op de manier we de Nederlandse industrie en kennisinstellingen nog beter gaan betrekken de versterking, vernieuwing en uitbreiding van de krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>234\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke maatregelen neemt u om de defensie-industrie voldoende langjarige zekerheid over vraag en afname te geven om daadwerkelijk extra\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het succesvol opschalen van producten voor Defensie, is het bieden van lange-termijn zekerheid aan bedrijven cruciaal. Daarom is Defensie de afgelopen periode voor verschillende belangrijke capaciteiten nieuwe strategische partnerschappen aangegaan. Deze partnerschappen stellen bedrijven in staat innovatieve producten voor Defensie industrialiseren en opschalen. Binnen de aanpak voor onbemenste systemen (het Actieplan Productiezekerheid Onbemenste Systemen) informeerde Defensie uw Kamer over drie van dergelijke strategische partnerschappen (Kamerstuk 27830, nr. 511). Defensie breidt deze aanpak uit naar andere domeinen. Dat vereist dat Defensie in samenwerking met de industrie duidelijke keuzes gaat maken voor welke capaciteiten, op basis van gewenste operationele effecten, in Nederland moeten worden ontwikkeld, geproduceerd en in stand gehouden. Het Nationaal Programma voor Defensie Industrie en Innovatie zal dit verder toelichten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>235\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke capaciteiten worden momenteel versneld beschikbaar gemaakt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals ook bij vraag 158 aangegeven adresseert de Defensienota 2026 verschillende openbaar benoemde prioriteiten die samenhangen met de Nederlandse NAVO-opgave. Het gaat onder meer om verbetering van gereedheid, personeel en inzetvoorraden en om versterking van gevechtskracht op land, geïntegreerde lucht- en Raketverdediging en slagkracht over lange afstand. Daarnaast wordt geïnvesteerd in het voortzettingsvermogen, waaronder munitie, logistiek, geneeskundige ondersteuning en geniecapaciteit, om de benodigde voorraadniveaus voor de voortzetting van operaties te realiseren. In de vertrouwelijke bijlage van de Defensienota 2026 wordt op hoofdlijnen aangegeven in welke mate de defensieplannen invulling geven aan de afzonderlijke Capability Targets en welke voortgang hiermee wordt geboekt. Welke afzonderlijke tekortkomingen in de implementatie van NATO Capability Targets hiermee volledig worden opgelost en welke daarna resteren, kan niet openbaar worden toegelicht. De Capability Targets en de beoordeling van de invulling daarvan zijn gerelateerd aan gerubriceerde verdedigingsplannen. Openbaarmaking op dat detailniveau zou inzicht kunnen geven in Nederlandse en bondgenootschappelijke militaire kwetsbaarheden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>236\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Worden de Stand van Defensie en de Strategische Evaluatieagenda aangepast zodat per strategische doelstelling uit de Defensienota de voortgang, KPI’s, risico’s en eventuele bijsturing herkenbaar aan de Kamer worden gerapporteerd? Zo ja, vanaf wanneer?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het WGO van 21 oktober 2024 is aan Defensie gevraagd om de Strategische Evaluatieagenda (SEA) zodanig op te stellen dat de indeling niet elk Kabinet wijzigt. Dit bevordert continuïteit en samenhang van de evaluatieprogrammering en maakt het mogelijk om kennis en inzichten over meerdere jaren op te bouwen. Defensie heeft daarom besloten om voor de SEA, net als voor de Stand van Defensie, thema’s aan te houden die volgen vanuit de waardeketen van Defensie. Hierover is de Kamer op 18 december 2024 geïnformeerd. De SEA voldoet zo aan de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek en Rijksbegrotingsvoorschriften, waarin staat dat de SEA-thema’s gekoppeld moeten worden aan begrotingsartikelen. Uiteraard worden de strategische doelstellingen uit de Defensienota 2026 gebruikt als input voor de reeds geagendeerde periodieke rapportages op de SEA en om de Stand van Defensie in 2027 te actualiseren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>237\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is er een uitgewerkt plan om uitgaven op gestructureerde en doelmatige wijze te doen toenemen naarmate het budget ook groeit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja. Het kabinet investeert met de Defensienota 2026 in de verdere versterking en toekomstbestendigheid van de krijgsmacht. De maatregelen uit de Defensienota 2026 vormen een samenhangend pakket die de komende jaren uitgevoerd gaat worden. Niet alles kan tegelijk. De ene maatregel kan sneller uitgevoerd worden dan de andere en maatregelen leiden op verschillende momenten tot uitgaven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vanwege de operationele veiligheid kunnen niet alle maatregelen openbaar in detail worden beschreven. Maatregelen die in deze kabinetsperiode worden gestart, zijn daarom in de Defensienota 2026 aan de hand van concrete voorbeelden toegelicht. Maatregelen die later worden gestart, zijn op hoofdlijnen beschreven in de Defensienota 2026. Dit biedt ook ruimte voor nadere uitwerking en de benodigde flexibiliteit om in te spelen op actuele ontwikkelingen en onzekerheden. Het beoogde effect wordt op die manier wel duidelijk, terwijl de concrete invulling later plaatsvindt.\u003C\u002Fp>\n\u003C\u002Fdiv>","\u002Fmedia\u002Fbrieven_pdfs\u002Fsf-br-2026Z19453.pdf",[34,35,37],{"label":26,"term":26},{"label":36,"term":36},"F-35",{"label":38,"term":38},"onderdelen",[],[]]