[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"$flPp1OoZs6IwdF6ooo9zEOZcxVfOhoBqpnm2xbps2VgM":3},{"id":4,"document_id":5,"title_full":6,"title_short":7,"date_published":8,"source_url":9,"submitters":10,"is_palestine_relevant":23,"relevance_score":24,"relevance_keywords":25,"relevance_excerpt":27,"ai_summary":28,"frontend_url":29,"content_html":30,"pdf_url":31,"relevance_keyword_chips":32,"relevance_source_bijlagen":35,"qa_pairs":36},191357,"sf-br-2026Z20129","Kabinetsreactie AIV-advies Nederland Europa en het Mondiale Zuiden in een veranderende wereldorde","Buitenlands beleid en handelspolitiek","2026-09-25","https:\u002F\u002Fwww.tweedekamer.nl\u002Fkamerstukken\u002Fbrieven_regering\u002Fdetail?id=2026Z20129&did=2026D46508",[11,17],{"person":12,"functie":15,"actor_naam":16},{"fullname":13,"slug":14},"Tom Berendsen","tom-berendsen","minister van Buitenlandse Zaken","T.B.W. Berendsen",{"person":18,"functie":21,"actor_naam":22},{"fullname":19,"slug":20},"Sjoerd Sjoerdsma","sjoerd-sjoerdsma","minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking","S.W. Sjoerdsma",true,1,[26],"Palest","Ook zet KNL zich, samen met andere partners, in voor de bestrijding van straffeloosheid in Soedan, Iran, Libanon en de \u003Cmark>Palest\u003C\u002Fmark>ijnse Gebieden.","Palestina komt ter sprake in het kader van Nederlandse inspanningen voor accountability en bestrijding van straffeloosheid: het kabinet zet zich in voor verantwoordingsmechanismen in de Palestijnse Gebieden, samen met andere partners. De brief behandelt vooral Nederlands buitenlandbeleid jegens het mondiale Zuiden, met aanbevelingen over strategische partnerschappen, multilaterale hervorming, handel en ontwikkelingssamenwerking, waarop het kabinet reageert met concrete toezeggingen op bijvoorbeeld klimaatfinanciering en bilaterale samenwerking.","\u002Fdocumenten\u002Fbrief-regering\u002F191357-kabinetsreactie-aiv-advies-nederland-europa-en-het-mondiale-zuiden-in-een","\u003Cdiv class=\"brief-regering\">\n\u003Cp>Geachte voorzitter,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet dankt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) voor het op 10 september 2025 gepubliceerde rapport over “Nederland, Europa en het mondiale Zuiden in een veranderende wereldorde”. Hierbij bieden we u de kabinetsreactie aan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals ook in de beleidsbrief buitenlandbeleid d.d. 24 april 2026 geschetst, is het kabinet van mening dat ons buitenlandbeleid over de hele breedte mee moet veranderen met de snelle geopolitieke verschuivingen die we in de wereld om ons heen zien. Om minder afhankelijk te worden van de macht van enkelen, is diversificatie van partnerschappen en afbouw van risicovolle strategische afhankelijkheden op het gebied van veiligheid, energie, kritieke grondstoffen en (digitale) technologie nodig. Vanuit gedeelde belangen verbreden en verdiepen we daarom partnerschappen en allianties, ook met nieuwe partners. Nederland zal opkomen voor zijn belangen wereldwijd (veiligheid, welvaart, vrijheid) en gericht inzetten op het aangaan van (brede) partnerschappen met landen waarmee Nederland geopolitieke en economische belangen deelt. Tevens zullen we vanuit onze waarden – democratie, rechtstaat en individuele vrijheden - nadrukkelijker de samenwerking zoeken met gelijkgestemde landen voor het versterken van democratische krachten, waarbij we realistisch zijn over de veranderende wereld en de keuzes die Nederland zal moeten maken, in de wetenschap dat niet elke partner altijd al onze waarden zal delen. Het kabinet zet zich hier niet alleen bilateraal maar ook in Europees en multilateraal verband voor in. Zo zijn partnerschappen een van de elementen die essentieel zijn voor de EU als geopolitieke speler, zoals bijvoorbeeld via het afsluiten van vrijhandelsovereenkomsten, het implementeren van de Global Gateway strategie en het aangaan van EU-grondstoffenpartnerschappen en migratiepartnerschappen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Terwijl geopolitieke rivaliteit toeneemt, verplaatst het economische en demografische gewicht in de wereld zich vanuit Europa bezien steeds verder oost- en zuidwaarts. Nauwere relaties met landen in het mondiale Zuiden zijn daarom strategische noodzaak. Via partnerschappen, die met oog voor mens en milieu zorgen voor groei en welvaart, kan Europa weerbaarder worden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet deelt daarom de analyse van de AIV dat een verdieping van de relaties met landen in het mondiale Zuiden wenselijk is. Het AIV-advies biedt daarvoor waardevolle aanbevelingen die het kabinet in grote lijnen kan onderschrijven. Veel sluit aan bij bestaand beleid dat de afgelopen jaren reeds in het kader van versterkt engagement vorm heeft gekregen. Tegelijkertijd moeten we in een meer transactionele wereld soms lastige afwegingen maken en begrenzen de bezuinigingen op de Rijksoverheid de mogelijkheden en ambities. Dat noopt tot focus en om waar mogelijk in Europees verband samen op te trekken voor meer gezamenlijke geopolitieke slagkracht en impact. Hieronder volgt een appreciatie van de aanbevelingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbeveling 1: Zet in op heroriëntatie van de relaties met landen in het mondiale Zuiden: werk aan uitbreiding en verdieping van strategische partnerschappen, op basis van gelijkwaardigheid en wederzijds langetermijnbelangen. Erken dat dit op kortere termijn vraagt om concessies en investeringen vanuit Europese zijde.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals ook in de beleidsbrief buitenlandbeleid geschetst, is het Nederland deze weg reeds ingeslagen. We werken aan de uitbreiding en verdieping van strategische partnerschappen met landen in het mondiale Zuiden vanuit een gelijkwaardige grondhouding en gebaseerd op heldere wederzijdse langetermijnbelangen. Waarbij niet alleen oog is voor de kortetermijnbelangen, zoals toegang tot grondstoffen of energie, maar juist ook voor complementaire langetermijnbelangen met landen in het mondiale Zuiden. Bijvoorbeeld op het gebied van economische transformatie, bescherming van de internationale rechtsorde, veiligheid en het aanpakken van mondiale uitdagingen zoals klimaatverandering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Partnerschappen met Aziatische landen zijn essentieel omdat er voor Nederland en de EU grote belangen rondom (economische) veiligheid, handel en welvaart liggen. Dit biedt nieuwe verdienkansen en draagt bij aan diversificatie. Zo betreft het recent afgesloten strategische partnerschap van Nederland met India het volledige scala van de bilaterale relatie met samenwerking in sectoren als handel en investeringen, veiligheids- en defensiesamenwerking, nieuwe technologieën, innovatie, onderwijs, energiezekerheid, water, maritiem, landbouw, gezondheid en cultuur. Het partnerschap van Nederland met Indonesië omvat alle verschillende facetten van onze brede samenwerking, variërend van economie, cultuur, internationale aangelegenheden, consulaire, defensie- en politieke zaken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In Afrika investeren we op het snijvlak van handel-veiligheid-ontwikkeling in diverse landen vanuit de principes van de Nederlandse Afrikastrategie 2023-2032 en de Afrikaanse strategie voor eenwording van de Afrikaanse markt de AfCFTA. Nederland heeft bijvoorbeeld de afgelopen jaren intensief geïnvesteerd in brede partnerschappen met Zuid-Afrika en Kenia, o.a. middels Staatsbezoeken en politieke- en economische consultaties. Met Zuid-Afrika kijken we naar onze gezamenlijke toekomst, onder andere via samenwerking op cyberveiligheid en de energietransitie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In Midden- en Zuid-Amerika en het Caribisch gebied, zet Nederland in op brede samenwerking met landen als Mexico, Colombia, en Brazilië. Dit is een regio waarmee we traditiegetrouw veel waarden en belangen delen. Door het Caribische deel van ons Koninkrijk zijn de (veiligheids)belangen van het Caribisch gebied mede onze belangen. We blijven daarom ook samen optrekken met de Caribische Small Island Developing States (SIDS).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Partners in de Golfregio zijn essentieel voor de toekomst van energie en stabiliteit in de bredere regio. Zij beschikken ook over kapitaalkrachtige investeringsfondsen, met toegevoegde waarde voor Nederland, zoals op het gebied van de energietransitie. In EU-GCC-verband wordt ingezet op versterkte gezamenlijke belangenbehartiging en om parallelle financiering te verkennen voor crises. Daarnaast wordt gewerkt aan initiatieven op het gebied van energie, connectiviteit, kritieke infrastructuur, migratie, economische ontwikkeling en humanitaire steun.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook met andere landen in het mondiale Zuiden werken we aan versterkte relaties. Waar mogelijk trekken we gezamenlijk op via de EU, zoals door middel van het afsluiten van nieuwe politieke en handelsovereenkomsten, waarvan het recente EU-Mercosur Akkoord (waarvan het handelsdeel sinds 1 mei jl. voorlopig wordt toegepast) een goed voorbeeld is. De AIV geeft terecht aan dat er ook spanningen kunnen ontstaan en tegengestelde belangen of visies aan partnerschappen met landen in het mondiale Zuiden in de weg kunnen staan. Concessies en investeringen vanuit Europese zijde zullen soms onvermijdelijk zijn, ook omdat veel beoogde partners zelfbewuster vanuit eigen belangen en waarden op zoek zijn naar een gelijkwaardige politieke relatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Binnen onze partnerschappen hebben we oog voor het eigen koloniale en slavernijverleden en de doorwerking hiervan. We gaan gesprekken hierover – tot op het hoogste niveau – niet uit de weg, bijvoorbeeld tijdens het Staatsbezoek in oktober 2023 aan Zuid-Afrika, waarbij het Koninklijk Paar het onderwerp besprak met President Ramaphosa en de voormalige Slave Lodge van de VOC in Kaapstad bezocht. Eind vorig jaar had de Koning tevens een ontmoeting met de nazaten van tot slaaf gemaakten in Suriname, waarbij zijn excuses voor het slavernijverleden werden geaccepteerd. Daarnaast zijn er eerder middelen beschikbaar gesteld voor wetenschappelijk onderzoek door lokale onderzoekers naar intergenerationele doorwerking van het slavernijverleden in Suriname, Indonesië en Zuid-Afrika.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbeveling 2: Geef mede vorm aan de multipolaire ‘à la carte’-wereld door actief samen te werken met landen in het mondiale Zuiden, op basis van gedeelde toewijding aan de internationale rechtsorde, en zo het scenario van een wereldorde die wordt gedomineerd door VS-China rivaliteit te vermijden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Strategische partnerschappen met landen in het mondiale Zuiden worden vanuit een geïntegreerd perspectief bezien. Landen met grote economische wederzijdse belangen en met effectief bestuur en democratische beginselen geven we bij die heroriëntatie richting het mondiale Zuiden prioriteit. In een veranderende wereld blijven partnerschappen met like-minded landen onverminderd belangrijk, en veel landen in het mondiale Zuiden hechten, net als wij, belang aan het multilaterale systeem en internationaal recht. Gelijkgestemde landen zullen zich meer moeten verenigen voor het versterken van democratische krachten, het beschermen van de open wereldeconomie en het bevorderen van de internationale rechtsorde.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de relatie met het mondiale Zuiden, bijvoorbeeld in de gesprekken met partners als Brazilië, India en Zuid-Afrika, zal Nederland het belang van steun aan Oekraïne in het kader van de Europese veiligheid blijven benadrukken. In de strijd tegen straffeloosheid en wederzijdse rechtshulp werkt Nederland in het kader van het Verdrag van Ljubljana Den Haag met een cross-regionale kerngroep.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de Mensenrechtenraad werkt Nederland actief aan de bevordering van dialoog en samenwerking met landen uit het mondiale zuiden. Zo heeft Nederland het initiatief genomen om een cross-regionale Group of Friends of Human Rights Multilateralism op te richten. Met Chili initieerde Nederland de verklaring voor de Mensenrechtenraad ter bescherming en versterken van het VN-mensenrechtensysteem die door 90 landen werd ondersteund.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tegelijkertijd is duidelijk dat niet elke partner altijd al onze waarden zal delen en zijn strategische partnerschappen geen one-size-fits-all: de accenten in de partnerschappen zullen per land verschillen. Dit vraagt flexibiliteit en - met verwijzing naar het kader uit het WRR-rapport over spanningen tussen weerbaarheid, welvaart en waarden - het maken van een zorgvuldige afweging. Dit betekent dat we vaker samenwerken op terreinen waar belangen overlappen, terwijl er tegelijkertijd onderwerpen zijn waarop we van mening verschillen (agree to disagree), zowel bilateraal als in multilateraal verband.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbeveling 3: Zoek actievere samenwerking met zuidelijke landen voor de hervorming van multilaterale organisaties, als vernieuwde ankers om mondiale problemen te adresseren, de internationale rechtsorde te versterken en ontwikkeling te bevorderen. Werk in de tussentijd ook gericht samen om voortgang te behouden op belangrijke dossiers, zoals handel, belastingen en schulden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland en de EU blijven gecommitteerd aan effectief multilateralisme, met een centrale rol voor de VN, gericht op het bevorderen van de internationale rechtsorde en het aanpakken van mondiale uitdagingen. De samenwerking met andere landen en regionale groepen is essentieel om de fundamenten van het systeem, in de eerste plaats het VN-Handvest, te beschermen. Tegelijkertijd moet het systeem ook hervormd worden om enerzijds het hoofd te bieden aan de financiële uitdagingen, en anderzijds om (nieuwe) mondiale problemen effectief te kunnen aanpakken. Dit vergt ook een betere vertegenwoordiging van landen uit het mondiale Zuiden. Als covoorzitter van de intergouvernementele onderhandelingen over de VN-Veiligheidsraad, faciliteert Nederland (samen met Koeweit) het proces dat moet leiden tot een meer inclusief en representatief multilateraal systeem.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Mede ter uitvoering van de motie van het lid Bontenbal c.s. over waar mogelijk met middenmachten optrekken in het hervormen van internationale instellingen zodat de stem van landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika daarin zwaarder gaat meewegen, letten we nadrukkelijk op initiatieven van invloedrijke landen uit het mondiale Zuiden en zoeken daarbij ook actieve samenwerking op. Nederland was met Tajikistan covoorzitter van de VN-Waterconferentie (2023) en met Indonesië co-host van bijeenkomsten over VN-vredesmissies (2025). Binnen de Internationale Financiële Instellingen (IFI’s) heeft Nederland steun gegeven aan de Afrikaanse stoel binnen het IMF die in 2024 is toegevoegd. Verder zet Nederland zich binnen de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organization, WTO) in om de betrokkenheid van alle landen, waaronder die uit het mondiale Zuiden, bij het multilaterale handelssysteem te verstevigen. Met het uitblijven van multilaterale besluitvorming bij de WTO ziet Nederland een rol voor een breder gebruik van plurilaterale samenwerkingsverbanden, om zo voortgang op belangrijke handelsdossier te kunnen blijven waarborgen. Bij plurilaterale initiatieven wordt op een specifiek thema nauwer samengewerkt met een groep WTO-leden. In het kader van deze plurilaterale samenwerking zoekt de EU actief toenadering tot andere landen, waarbij het voor Nederland belangrijk is dat landen uit het Mondiale Zuiden ook nadrukkelijk worden betrokken. Een voorbeeld is het plurilaterale WTO-akkoord over Investment Facilitation for Development (IFDA). Nederland hecht er aan dat deelname aan IFDA en soortgelijke plurilaterale samenwerkingsverbanden voor alle WTO-leden openstaat, met name ook vanuit het mondiale Zuiden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het multilaterale stelsel is en blijft een uniek platform voor internationale normering in veel domeinen (onder meer gezondheidssystemen, handel, ICT of mensenrechten). Naast de VN zijn de WTO, de OESO en de IFI’s (Wereldbank, IMF en regionale ontwikkelingsbanken) hier essentiële onderdelen van. In lijn met het advies om aan te sluiten bij initiatieven van organisaties waar vanuit het mondiale Zuiden prioriteit aan wordt gegeven, trad Nederland in 2025 op als voorzitter van de Trade and Development Board van UNCTAD en maakt Nederland onderdeel uit van een cross-regionale coalitie ter bescherming van het VN-ontwikkelingssysteem.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast zorgen multilaterale organisaties en instellingen voor de daadwerkelijke implementatie van internationale afspraken (onder meer de SDG’s, humanitaire hulp, vredesbemiddeling, ontwikkelingsfinanciering en accountability-mechanismen). De EU als grote en meest betrouwbare donor van het multilaterale systeem, kan hierbij een belangrijke en verbindende rol spelen, bijvoorbeeld als bruggenbouwer tussen landen met verschillende belangen. Op onderwerpen waarop Nederland trekker is, wordt actief de samenwerking gezocht met landen uit het mondiale Zuiden, zoals gelijke rechten (met onder meer Zuid-Afrika), klimaat (met Colombia) of het Agressietribunaal (bijv. met Costa Rica).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbeveling 4: Draag actief bij aan de geloofwaardige positionering van de EU als een constructieve speler in de multipolaire orde, die de voorwaarden schept voor gelijkwaardige samenwerking met het mondiale Zuiden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De EU draagt bij aan het versterken van de samenwerking met landen uit het mondiale zuiden door middel van o.a. de Global Gateway strategie. Global Gateway (GG) is een strategie die tot doel heeft het aanbod van de EU aan partnerlanden – en daarmee de positie van de EU – te versterken door de kracht van diplomatie, handel en ontwikkelingssamenwerking te bundelen. Dat dient de belangen van zowel de EU als de partnerlanden. Nederland zet er actief op in om de Global Gateway-strategie een succes te maken. Zoals uiteengezet in de beleidsbrief buitenlandbeleid, vindt Nederland het belangrijk om bilateraal en samen met de Europese partners te werken aan investeringen in de toekomst, met groene economische partnerschappen gericht op weerbare handelsketens en het stimuleren van lokale economieën.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland ziet de Global Gateway-strategie als een manier om invulling te geven aan geïntegreerd buitenlandbeleid. Het bouwt voort op de hulp-en-handel agenda, met als doel het creëren van ontwikkelingsimpact en groter Nederlands verdienvermogen voor nu en in de toekomst. De zogenaamde Dutch Diamond jaagt dit aan: bedrijven, financiële instellingen, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties bundelen daarbij hun expertise op gebieden als klimaatadaptatie, watermanagement, voedselzekerheid, biodiversiteit, energie, transport, financiering en gezondheid. Nederland werkt zelf aan voorstellen die in lijn zijn met de Global Gateway-investeringsprioriteiten en die overeenkomen met de belangen van partnerlanden en die van de EU. Twee projecten op agrologistiek, aan de Noordelijke corridor in Oost-Afrika en de Lobito corridor in Angola, hebben cofinanciering van de EU gekregen via delegated cooperation, naast de Nederlandse inzet en financiering. Invest International is voor Nederland de centrale organisatie in financiering en implementatie van deze projecten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast hecht het kabinet in EU-verband aan het sluiten van handelsakkoorden met landen in het mondiale Zuiden, zoals met de Mercosur-landen, Indonesië en India. Handelsakkoorden dragen onder meer bij aan de diversificatie van handelsstromen en bouwen voort op bestaande samenwerking met partnerlanden op een groot aantal beleidsterreinen, ook binnen multilaterale organisaties. Het kabinet is voorstander van de opname van afspraken die handel en duurzame ontwikkeling bevorderen en houdt dan ook oog voor de aanbeveling om daarbij rekening te houden met de duurzame en eerlijke economische ontwikkeling van landen waarmee een handelsakkoord wordt gesloten. Duurzame ontwikkeling is ook een belangrijk onderdeel van andere EU-handelsinstrumenten met het mondiale Zuiden, zoals Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s) en het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Daarmee biedt de EU genereuze toegang tot de Europese markt voor ontwikkelingslanden en stimuleert ze tevens duurzame ontwikkeling op het gebied van mensenrechten, arbeidsomstandigheden, goed bestuur en milieu- en klimaatbescherming.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met betrekking tot unilaterale wetgeving van de EU, deelt het kabinet de visie van de AIV dat het van belang is dat de impact op derde landen meegenomen wordt in het opstellen van de wetgeving, waarbij de autonomie van de EU bij het opstellen van wetgeving niet moet worden afgezwakt. Met name omdat deze wetgeving mede als doel heeft om negatieve effecten in derde landen te voorkomen of te herstellen. Daarbij hecht het kabinet eraan dat er, in het instrument zelf of middels flankerend beleid, voldoende technische assistentie ingebouwd wordt. Bij de genoemde voorbeelden van de EU-ontbossingsverordening (EUDR) en het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) is dit inmiddels het geval. Erkend moet worden dat bij de totstandkoming en tijdens het implementatietraject van de EUDR er onvoldoende sprake is geweest van strategische samenwerking tussen de EU en productielanden. Dit dient in de toekomst te worden voorkomen. Daarentegen is er wel flankerend beleid opgesteld om productielanden te ondersteunen bij het voldoen aan de vereisten van deze verordening en is een strategisch raamwerk ontwikkeld voor samenwerking met partnerlanden. Nederland heeft het belang hiervan meermaals onderstreept. Voor het flankerend beleid is het Team Europe Initiative on deforestation-free value chains opgezet, waar Nederland deel van uitmaakt en financieel aan bijdraagt. Hier kunnen productielanden terecht kunnen voor technische ondersteuning en via verschillende programma’s wordt specifieke ondersteuning geboden aan zowel overheden als aan producenten, specifiek ook aan smallholders.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbeveling 5: Versterk de bijdrage aan zuidelijke ambities voor industrialisatie en werkgelegenheid, door gerichte ondersteuning van industriële clusters en infrastructuur, in lijn met wederzijdse prioriteiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De kern van onze activiteiten is om over landsgrenzen heen een bijdrage te leveren aan marktontwikkeling (infrastructuur, financiering, ondernemingsklimaat etc.). We richten ons op prioritaire sectoren waar Nederland meerwaarde heeft (agri-food, water, gezondheid). Een voorbeeld hiervan is de Nederlandse inzet voor waardetoevoeging en industrialisatie in de cacaosector in West-Afrika. We trekken daarbij samen op met de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) en Invest International, alsook met de Wereldbank en het International Finance Corporation (IFC). Ivoorkust en Ghana produceren samen ca. 70 % van de cacao wereldwijd en Nederland is de grootste cacao-importeur en cacaoproducten-exporteur ter wereld. Door middel van diplomatieke en economische inzet, gekoppeld aan ontwikkelingssamenwerking (lokale, sociale en economische ontwikkeling), wordt gewerkt aan een toekomstbestendige cacaosector.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet kan zich vinden in de aanbeveling om de samenhang tussen Global Gateway, Critical Raw Material Partnerships en Clean Trade and Investment Partnerships (CTIP) waar mogelijk te versterken. Dit draagt bij aan de strategische en coherente inzet van de middelen die de EU heeft voor het realiseren van partnerschappen in een veranderende geopolitieke context. Daarbij merkt het kabinet op dat CTIP een vrij recente nieuwe partnerschapsvorm is om de samenwerking met partnerlanden in specifieke sectoren te bevorderen, zoals met Zuid-Afrika op het gebied van groene waardeketens. Nederland pleit in EU-verband voor een whole-of-Commission-aanpak en coherentie tussen de inzet van de EU en haar lidstaten en zet bij bijvoorbeeld de uitwerking van EU Critical Raw Materials Partnerschappen met derde landen actief in op de concretisering en aansluiting bij het industrie- en ontwikkelingsbeleid van partnerlanden. Door middel van Europese samenwerking kunnen lidstaten en de EU hun krachten bundelen in een coherent en strategisch Europees economisch buitenlandbeleid. Ook door de internationale verbondenheid van waardeketens en strategische goederen is Europese eenheid bij beleidsvorming en uitvoering essentieel.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbeveling 6: Identificeer een aantal zuidelijke kernpartners om de relaties in brede zin mee te versterken, op voet van gelijkwaardigheid en met zicht op een gedeelde toekomst.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet beschouwt gelijkwaardigheid als een diplomatieke grondhouding waarbij Nederland en partnerlanden samenwerken op basis van wederzijds respect, gedeelde belangen en gezamenlijke verantwoordelijkheid, met expliciete erkenning van elkaars autonomie, kennis en prioriteiten. Dit impliceert niet dat sprake moet zijn van gelijke sociaaleconomische posities, volledige overeenstemming of het terzijde schuiven van het eigen nationale belang. Wel vergt het van ons een voortdurende, kritische reflectie op houding, taalgebruik en beleidspraktijk.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een concreet voorbeeld van deze inzet is de institutionalisering van de jaarlijkse toekomstdialoog met Zuid-Afrika. In deze dialoog verkennen Nederlandse en Zuid-Afrikaanse beleidsmakers, onderzoekers en diplomaten gezamenlijk hoe beide landen zich kunnen positioneren in een veranderende wereldorde op de lange termijn (vooruitblik 2040). Door middel van gezamenlijke toekomstverkenning, open strategische gesprekken en gedeelde agendasetting wordt invulling gegeven aan een relatie gebaseerd op wederzijds respect, vertrouwen en erkenning van elkaars perspectieven en prioriteiten. De dialoog draagt daarmee bij aan het versterken van Zuid-Afrika als strategische kernpartner en aan de ontwikkeling van gelijkwaardige samenwerking tussen middenmachten met het oog op een gedeelde toekomst.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook de Nederlandse ontwikkelingssector verandert mee en sluit steeds meer aan bij initiatieven van het land waarin het zelf ook investeert. De Nederlandse Ontwikkelingssamenwerking-rol verandert dan van donor naar partner voor lokaal-geleide actie op wederzijdse belangen en doelen. De lokale actoren zijn (sub)nationale overheden, het lokale bedrijfsleven en maatschappelijk organisaties uit het land zelf. Internationale organisaties in partnerlanden hebben dan veelal een ondersteunende rol. Nederland volgt daarbij de praktische richtlijnen voor lokaal-geleide ontwikkeling van de OESO-DAC. Het kabinet heeft de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) gevraagd te adviseren over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking richting 2040.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast brengen we verdere focus aan met partners in specifieke landen en regionale samenwerkingsorganisaties, zoals ECOWAS, de East African Community en de African Union (waar de EU een grote sponsor van is). In hoeverre deze samenwerking op dezelfde voet kan worden voortgezet in tijden van bezuiniging en taakstelling is evenwel onzeker. Voor het Zuidelijk Halfrond zal de relatie met de regionale organisaties waarin wij een formele status hebben, zoals de Association of South East Asian Nations (ASEAN), de Association of Caribbean States (ACS) en de Organization of American States (OAS), worden bestendigd als motor voor regionale economische vooruitgang en waarborg voor mensenrechten en democratische rechtsorde.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast bestaan er sinds een aantal jaar de zogenoemde combitracks op het snijvlak van hulp en handel. De combitracks dragen bij aan het bredere buitenlandbeleid van het kabinet: een zelfbewuste, realistische en waarden-gedreven inzet voor Nederlandse belangen wereldwijd. Via ontwikkelingssamenwerking en handelsbevordering versterken we het Nederlandse verdienvermogen en werken we met partnerlanden aan marktontwikkeling, weerbare handelsketens en sterke lokale economieën. Lokale waardetoevoeging staat daarbij centraal. Het is een strategische aanpak, die wordt uitgevoerd in 14 combinatielanden, waarbij de focus ligt op een of meerdere (sub-)sectoren. De inzet is het versterken van duurzame economische partnerschappen in strategische groeimarkten. Het doel is om binnen een combitrack de bijdrage aan het Nederlands verdienvermogen te koppelen aan lokale impact vanuit wederzijdse prioriteiten (win-win) en verduurzaming. Dit sluit aan op de uitvoering van onze Afrikastrategie (acht combilanden liggen in Afrika) en bij bredere EU-inspanningen. Zoals in Zuid-Afrika, waar in de toekomst zal worden gewerkt aan lokale mangaanverwerking en verbeterde waterhuishouding bij de winning van Platinum Group Metals. Maar ook buiten Afrika werken we met combilanden, zoals in Colombia op de verduurzaming van de koffie- en avocadoteelt, bossen (sustainable, climate resilient agrofood systems &amp; forests) en op water en klimaat, in Bangladesh op verduurzaming van de kledingsector, in India op circulair afvalbeheer en tuinbouw, in Indonesië op voedselkwaliteit en voedselzekerheid en in Vietnam op water.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbeveling 7: Wees consistent in het nakomen van afspraken over ontwikkelings- en klimaatfinanciering, in lijn met de SDG-agenda, en focus daarbij op de minst-ontwikkelde landen en fragiele staten, mede in het belang van internationale veiligheid en stabiliteit. Hanteer een landengerichte benadering, via initiatieven rond specifieke uitdagingen op landenniveau, met een mix van Europese en zuidelijke partners.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Conform het coalitieakkoord investeert het kabinet in ontwikkelingssamenwerking en het zet daarmee een stap richting de internationale OESO-norm. In de begroting 2027 is aanvullend ODA-budget van 1,1 miljard euro beschikbaar gesteld voor de periode 2027 tot en met 2029. Dit komt boven op de voorgenomen intensiveringen uit het coalitieakkoord. De ODA-prestatie stijgt en zal als percentage van het bruto nationaal inkomen (bni) de komende jaren uitkomen op 0,50% in 2027, 0,51% in 2028 en 0,52% in 2029.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Binnen het budget voor ontwikkelingssamenwerking waren de laatste jaren significante fluctuaties zichtbaar als gevolg van fluctuerende kosten voor eerstejaarsasielopvang. Dit had een negatieve werking op de voorspelbaarheid van programmering op ontwikkelingssamenwerking. Conform de vorig jaar opgestelde kabinetsreactie op het AIV-advies “Een stabiel en voorspelbaar ODA-budget”, wordt het ontwikkelingsbudget voorspelbaarder door de effectuering van een maximum percentage van 10% van het ODA-budget voor eerstejaarsopvang (vanaf 2027). Op basis van datzelfde advies wordt het ODA-budget nog maar één keer per jaar bijgesteld (op basis van de CPB-raming in het voorjaar) waardoor de budgetfluctuaties binnen het jaar minder worden. Deze maatregelen vergroten de voorspelbaarheid van het ODA-budget, versterken de stabiliteit van de uitvoering van programma’s en leiden tot een doeltreffendere en doelmatigere inzet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland wordt internationaal gezien als een betrouwbare donor die verplichtingen en contracten nakomt. Bij de financiering van ontwikkeling zetten we naast de Wereldbank juist ook in op financiering van regionale banken, die een sterke representatie hebben van het mondiale Zuiden. Zo gaf Nederland in 2024 een garantie aan de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en is voor 2026 een nieuwe driejarige financiering toegezegd aan het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds. Grote financiële instellingen en ook de EU willen graag met ons partneren omdat onze programmering snelle besluitvorming mogelijk maakt waardoor programma’s sneller van de grond komen. Daar willen we meer gebruik van maken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In vergelijking met andere landen werkt Nederland relatief veel samen met kwetsbare landen, inclusief conflictlanden (zie bijvoorbeeld: OESO-DAC Peer Review van 2023). In deze contexten is een combinatie van multilaterale programmering en bilaterale diplomatie een effectieve manier van werken, uiteraard samen optrekkend met like-minded landen en de multilaterale spelers. Het kabinet gaat de bilaterale ontwikkelingssamenwerking met landen integraler sturen. De bilaterale inzet wordt landgerichter. Daarbij is niet alles overal mogelijk. We sluiten aan bij grotere strategische initiatieven in partnerlanden waar ze ook zelf in investeren. In het kader van wederzijdse economische belangen, prioriteren we vooral op stabiele landen. Soms zijn dat de minst ontwikkelde landen, soms lage inkomenslanden en soms lage middeninkomenslanden. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft vooral interesse voor die laatste categorie. Dat komt ook door het betere ondernemersklimaat en de veiligheid ter plaatse. We zetten daarbij inderdaad in op een mix van zuidelijke en Nederlandse partners. We hebben in 2025 nieuwe meerjaren landen-strategieën uitgewerkt voor zowel de conflictlanden als de meer stabiele landen voor de periode 2026-2029. We passen deze MLS’en enigszins aan naar aanleiding van de beleidsbrief maar zijn ons er ook van bewust dat continuïteit in onze keuzes belangrijk is voor onze partnering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het kader van de onder aanbeveling 6 beschreven strategische aanpak middels combitracks wordt, in eerste instantie vanuit de Azië-inzet, gekeken naar concrete mogelijkheden van invulling van de gesuggereerde Noord-Zuid-Zuid samenwerking. Naast het doel om in of met combilanden of opkomende economieën de transitie van de minst-ontwikkelde landen te faciliteren, kan Noord-Zuid-Zuid samenwerking tevens bijdragen aan het versterken van bilaterale en multilaterale partnerschappen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland is consistent in het nakomen van afspraken over klimaatfinanciering. De totale Nederlandse klimaatfinanciering in 2025 was fors meer dan een jaar eerder. Deze toename komt voort uit een stijging in de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering door met name multilaterale ontwikkelingsbanken en enkele door FMO beheerde fondsen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbeveling 8: Zorg voor een goede en geactualiseerde kennispositie over het mondiale Zuiden en versterkte netwerken, middels universiteiten, denktanks, ambassades en academische en culturele wederzijdse uitwisselingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onze kennispositie over het mondiale Zuiden staat onder druk. We erkennen dat dit geen goede ontwikkeling is en zoeken naar manieren om dat anders in te richten. Dat kan bijvoorbeeld door de samenwerking met en tussen Dutch Diamond en hun zuidelijke tegenhangers beter te structureren en uit te breiden. Het kabinet erkent dat culturele uitwisseling en samenwerking een manier is om deze kennispositie te versterken. Tegelijkertijd nopen de bezuinigingen tot prioritering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met Clingendael wordt jaarlijks bijgedragen aan trainingen voor diplomaten in alle regio’s van het Mondiale Zuiden: zoals voor ASEAN-landen, Indonesië, Latijns-Amerika en Cariben, Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), SIDS-landen, Midden-Oosten, Azië en Afrika. Vanuit het Shiraka-programma, dat ziet op ondersteuning van de ontwikkeling van de rechtstaat, goed bestuur en de democratie in de MENA-regio, worden o.m. trainingen en uitwisselingen tussen overheidsentiteiten uit de MENA-regio en Nederland gefinancierd. Hiermee wordt eveneens bijgedragen aan waardevolle kennis, netwerken en soft power. Via de Academie Internationale Betrekkingen (AIB) van het ministerie wordt samengewerkt met universiteiten om kennis van Nederlandse ambtenaren en diplomaten over diverse regio’s en thema’s op peil te houden. Ten slotte worden binnen het internationaal cultuurbeleid trainingen mogelijk gemaakt voor erfgoedstudenten uit landen als Suriname, Nigeria, Sri Lanka en Indonesië. Ook wordt een bijdrage geleverd aan Team Europe-programma ‘EU-Africa Museum Partnership’ om meer samenwerking en uitwisseling tussen musea te stimuleren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland is daarnaast een grote institutionele donor van het European Centre for Development Policy Management (ECDPM). Als ‘think and do tank’ draagt ECDPM bij aan de vorming en uitvoering van inclusief en effectief ontwikkelingsbeleid ten behoeve van duurzame ontwikkeling in Afrika, met een focus op EU-Afrikaanse relaties en beleidsvorming. Hierbij wordt veel samengewerkt met Europese en Afrikaanse kennispartners. BZ financiert ECDPM bewust via een ongeoormerkte bijdrage om het ‘publieke goed’ van kennisgedreven beleid zo breed mogelijk beschikbaar te maken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het China Kennis Netwerk (CKN, dat voorkomt uit de China-notitie van 2019) is opgezet om China-experts bij elkaar te brengen om kennis te vergaren en te verspreiden binnen de Nederlandse overheid en daarbuiten. Via het European China Knowledge Network wordt ook bijgedragen aan de afstemming en coördinatie m.b.t. kennisontwikkeling over China binnen de EU. Ook wordt ingezet op kennis over China’s rol in de veranderende wereldorde.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbeveling 9: Draag waarden zoals individuele vrijheden en democratie actief uit, zonder ze op te leggen. Wees, ongeacht het land in kwestie, scherp op rode lijnen met betrekking tot schendingen van internationaal recht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Koninkrijk der Nederlanden (KNL) heeft het bevorderen van de internationale rechtsorde verankerd in de grondwet en de universele verklaring van de rechten van de mens in wetgeving vastgelegd. In een meer geopolitieke wereld zal Nederland in toenemende mate moeten zoeken naar gelijkgezinde partners om zich hier actief voor in te kunnen inzetten en om zich effectief te kunnen uitspreken over schendingen van het internationaal recht en mensenrechten. Dit doen we in EU-verband, of in coalities met gelijkgezinde landen. Nederland heeft zich sterk gemaakt voor accountability in Oekraïne en hiervoor ook belangrijke internationale verantwoordings-mechanismes weten op te richten, ook met steun van landen uit mondiale Zuiden. Ook zet KNL zich, samen met andere partners, in voor de bestrijding van straffeloosheid in Soedan, Iran, Libanon en de Palestijnse Gebieden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland zal zich onder meer via zijn inzet in de Mensenrechtenraad, steun aan de het VN-kantoor van de Hoge Commissaris van de Rechten van de Mens (OHCHR), de Raad van Europa, en als gastland van de twee belangrijkste internationale gerechtshoven actief blijven inzetten voor de bescherming en bevordering van universele mensenrechten. Via het Mensenrechtenfonds en bijvoorbeeld de jaarlijkse toekenning van de Mensenrechtentulp blijft Nederland ondersteuning bieden aan organisaties die zich inzetten voor individuele vrijheden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gelijkgestemde landen zullen meer moeten samenwerken voor het versterken van democratische krachten, het beschermen van de open wereldeconomie en het bevorderen van de internationale rechtsorde. Opkomen voor onze belangen doen we vanuit onze waarden – democratie, rechtstaat en individuele vrijheden – maar wel in de wetenschap dat niet elke partner altijd al onze waarden zal delen. We zijn realistisch over de veranderende wereld en de keuzes die het Koninkrijk daarin soms zal moeten maken in de afweging tussen weerbaarheid, welvaart en waarden. Wanneer zich daarin lastige dilemma’s voordoen, moeten we daarover helder richting onze partners communiceren. We zijn optimistisch dat we samen met onze partners krachtig genoeg zijn om onze welvaart en vrijheid te blijven beschermen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aanbeveling 10: Communiceer strategischer: neem afstand van een vaak onbewuste houding van superioriteit en geef geen brandstof aan anti-Europese narratieven. Investeer daarnaast zelf in proactieve communicatie via digitale media om tegenwicht te bieden aan desinformatiecampagnes vanuit Rusland, de VS, China en andere landen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet kan deze aanbeveling omarmen. We hebben om die reden net de Strategie Buitenlandse Doelgroepen herzien waarbij de internationale positionering van Nederland centraal staat. Het aangaan en versterken van gelijkwaardige partnerschappen is de kern hiervan. We zijn ons er tevens van bewust dat we bij onze capaciteitsontwikkeling, naast kennis over beleidsonderwerpen en competenties, veel meer nadruk moeten leggen op de verandering van houding.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast willen we de communicatie via de posten strategischer inrichten en het Klein Projectenfonds (KPF) non-ODA budget (publieksdiplomatie) strategischer herverdelen. Hiervoor wordt op dit moment een nieuwe verdeelsleutel ontwikkeld. Breder kijken we op dit moment naar mogelijkheden om in EU-verband en met andere internationale partners pro-actiever het Nederlandse narratief neer te zetten via de per onderwerp en doelgroep meest geschikte kanalen. Onderdeel daarvan is stakeholdermanagement en activiteiten ter plekke om lokale netwerken te versterken. Daarnaast is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in samenwerking met JenV, BZ en Defensie, bezig met een wetsvoorstel en de inrichting van een organisatie die buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging (‘FIMI’) structureel kan detecteren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De minister van Buitenlandse Zaken,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>T.B.W. Berendsen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De minister van Buitenlandse Handel\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>en Ontwikkelingssamenwerking,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>S.W. Sjoerdsma\u003C\u002Fp>\n\u003C\u002Fdiv>","\u002Fmedia\u002Fbrieven_pdfs\u002Fsf-br-2026Z20129.pdf",[33],{"label":34,"term":26},"Palestijnse",[],[]]