[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"$fHb7nUu-XODYoOGoSwOJoa2GcxuwBfGYVgWCAhqDtL2o":3},{"id":4,"document_id":5,"title_full":6,"title_short":7,"date_published":8,"source_url":9,"submitters":10,"is_palestine_relevant":23,"relevance_score":24,"relevance_keywords":25,"relevance_excerpt":30,"ai_summary":31,"frontend_url":32,"content_html":33,"pdf_url":34,"relevance_keyword_chips":35,"relevance_source_bijlagen":44,"qa_pairs":45},191475,"sf-br-2026Z20268","37020-X Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden inzake vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027","Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027","2026-09-28","https:\u002F\u002Fwww.tweedekamer.nl\u002Fkamerstukken\u002Fbrieven_regering\u002Fdetail?id=2026Z20268&did=2026D46885",[11,17],{"person":12,"functie":15,"actor_naam":16},{"fullname":13,"slug":14},"Derk Boswijk","derk-boswijk","staatssecretaris van Defensie","D.G. Boswijk",{"person":18,"functie":21,"actor_naam":22},{"fullname":19,"slug":20},"Dilan Yeşilgöz-Zegerius","dilan-yesilgoz-zegerius","minister van Defensie","D. Yeşilgöz-Zegerius",true,4,[26,27,28,29],"IDF","Israël","Antisemi","F-35 + onderdelen","Welke concrete maatregelen neemt u naar aanleiding van waarschuwingen van de MIVD over rechts-extremisme en de normalisering van racisme, \u003Cmark>antisemi\u003C\u002Fmark>tisme en discriminerende uitingen binnen Defensie?","Israël komt ter sprake in het kader van defensieaankopen: Defensie levert circa €163 miljoen aan bestaande contracten met Israëlische defensiebedrijven en zal deze afhankelijkheid naar verwachting voortzetten zolang Nederlandse en Europese alternatieven niet beschikbaar zijn. Dit is een brief met antwoorden op vragen over de Defensiebegroting 2027, met onderwerpen als personeelsgroei, oefenterreinen, steun aan Oekraïne en duurzaamheid.","\u002Fdocumenten\u002Fbrief-regering\u002F191475-37020-x-verslag-houdende-een-lijst-van-vragen-en-antwoorden-inzake-vaststelling","\u003Cdiv class=\"brief-regering\">\n\u003Cp>&gt; Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>de Voorzitter van de Tweede Kamer\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>der Staten-Generaal\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bezuidenhoutseweg 67\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2594 AC Den Haag\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Datum\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>28 september 2026\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Betreft\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoorden feitelijke vragen op de Ontwerpbegroting van Defensie (X) en het Defensiematerieelbegrotingsfonds (K) over het jaar 2027\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ministerie van DefensiePlein 4MPC 58 BPostbus 207012500 ES Den Haagwww.defensie.nlOnze referentieMINDEF20260065319Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Geachte voorzitter,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hierbij sturen wij de antwoorden op de feitelijke vragen over de Ontwerpbegroting van Defensie (X) (Kamerstuk 37020-X, nr. 0) en het Defensiematerieelbegrotingsfonds (K) over het jaar 2027 (Kamerstuk 37020-K, nr. 0).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoogachtend,\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>DE MINISTER VAN DEFENSIE\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>Dilan Yeşilgöz-Zegerius\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>Derk Boswijk\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De vaste commissie voor Defensie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Defensie over de Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027 (37020-X, nr. 0).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u een overzicht geven van de totale onderbesteding in het kalenderjaar 2025, uitgesplitst per project, en per project aangeven om welk bedrag het gaat en wat de oorzaak van de onderbesteding was?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft uw Kamer met Jaarverslag en Slotwet 2025 geïnformeerd over de realisatiestanden per begrotingsartikel in het kalenderjaar 2025.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op de begrotingsartikelen in hoofdstuk 10 is geen sprake van een uitsplitsing naar projecten. Zoals in het jaarverslag is aangegeven was er een onderuitputting van € 184 miljoen. Het grootste deel hiervan, circa € 120 miljoen, zat bij personele uitgaven. Dit werd voornamelijk veroorzaakt door krapte op de arbeidsmarkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u voor elk van de afgelopen tien kalenderjaren aangeven wat de omvang van de onderbesteding op de Defensiebegroting was?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie informeert uw Kamer jaarlijks met Jaarverslag en Slotwet over de realisatiestanden op de Defensiebegroting. Deze zijn terug te vinden op www.rijksfinancien.nl. In 2025 was er sprake van € 184 miljoen onderuitputting ten opzichte van de Ontwerpbegroting. In 2024 en 2023 was dit respectievelijk € 171,8 miljoen en € 132,6 miljoen. Voor de jaren daarvoor is het niet mogelijk om deze berekening zodanig te maken dat sprake is van onderlinge vergelijkbaarheid, omdat het investeringsartikel van Defensie in 2020 nog onderdeel was van de Defensiebegroting (in plaats van een apart begrotingshoofdstuk).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel onderbesteding staat voor het jaar 2026 reeds in de boeken? Indien dit nog niet volledig bekend is, kunt u een inschatting geven van de verwachte onderbesteding, inclusief een motivering van deze inschatting?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij elk begrotingsmoment wordt de begrotingsstand in lijn gebracht met de actuele verwachte realisatie. Er is doorlopend aandacht voor het realiseren van de begroting en er wordt gestreefd naar volledige realisatie in 2026. Er is nog geen onderbesteding ingeboekt. Op dit moment is ondanks vertragingen in enkele trajecten onze inzet nog steeds om onze begroting geheel uit te putten. Uw Kamer zal met 2e suppletoire begroting opnieuw worden geïnformeerd over de verwachte eindrealisatie 2026.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel projecten van Defensie lopen vertraging op doordat onderhoud vertraging oploopt of niet uitgevoerd kan worden, en kunt u dit toelichten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uw Kamer wordt jaarlijks met het Defensie Projectenoverzicht (DPO) geïnformeerd over de voortgang en financiële bandbreedte van materieelprojecten. Door het toegenomen dreigingsniveau gaat Defensie terughoudend om met het openbaar delen van informatie over de operationele gereedheid van de krijgsmacht. Op Verantwoordingsdag in 2027 ontvangt uw Kamer het DPO 2027 en de vertrouwelijke bijlage hierbij, waarin nadere informatie is opgenomen over onder meer de projectplanning van alle materieelprojecten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u per begrotingsartikel aangeven welk bedrag voor 2027 juridisch verplicht, bestuurlijk gebonden of beleidsmatig gereserveerd is?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de Ontwerpbegroting 2027 wordt bij elk beleidsartikel aangegeven welk deel van de uitgaven juridisch verplicht is, welk deel bestuurlijk gebonden, welk deel beleidsmatig gereserveerd is en welk deel nog vrij besteedbaar is. Hieronder vindt u nogmaals de tabel.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de uitgaven van de niet-beleidsartikelen 11 (Geheim) en 12 (Nog onverdeeld) is de budgetflexibiliteit niet uitgesplitst in de Ontwerpbegroting 2027. Voor het artikel Geheim geldt dat openbaarmaking niet in het belang van de Staat is. Artikel 12 is een begrotingstechnisch artikel van waaruit diverse doorverdelingen plaatsvinden naar andere artikelen van de Defensiebegroting. Het betreft hier nog onverdeelde loon- en prijsbijstelling die beleidsmatig gereserveerd is. Deze middelen worden op een later begrotingsmoment verdeeld naar de juiste artikelen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2027\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Juridisch\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>verplicht\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bestuurlijk gebonden\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Beleidsmatig gereserveerd\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nog niet ingevuld\u002F\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>vrij te besteden\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Art. 1\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>16,9%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>83,1%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Art 2\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>89,5%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>10,5%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Art 3\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>91,5%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>8,5%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Art 4\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>87,2%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>12,8%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Art 5\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>90,6%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>9,4%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Art 7\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>80,9%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>19,1%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Art 8\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>63,4%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>6,0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>30,6%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Art 9\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1,7%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>51,9%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>46,4%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Art 10\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>39,3%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>60,7%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0%\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk deel van de totale Defensiebegroting voor 2027 ligt al vast door personeelsuitgaven, meerjarige contracten en andere juridische verplichtingen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vraag 5.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke meerjarige verplichtingen die al zijn aangegaan leggen het grootste beslag op de begrotingsruimte in de jaren 2028 tot en met 2031?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het grootste beslag in de begrotingsruimte wordt gelegd door salarisbetalingen. Deze vallen echter buiten de formele definitie van verplichtingen in de Rijksbegrotingsvoorschriften. De grootste verplichtingen conform de Rijksbegrotingsvoorschriften hebben betrekking op de steun aan Oekraïne.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke uitgavenposten zijn ten opzichte van de begroting 2026 het sterkst gestegen, en wat zijn hiervoor de belangrijkste oorzaken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In paragraaf 2.2 van de Ontwerpbegroting 2027 worden de belangrijkste wijzigingen als gevolg van dit begrotingsmoment toegelicht. Het betreft met name het toevoegen van de middelen van de Aanvullende Post voor het uitvoeren van de Defensienota 2026 en het continueren van de militaire steun aan Oekraïne. Voor een volledig overzicht verwijs ik u naar paragraaf 2.2 van de Ontwerpbegroting 2027.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk deel van de €600 miljoen aan extra middelen uit het coalitieakkoord voor 2027 is inmiddels juridisch verplicht en welk deel nog niet?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De € 600 miljoen aan extra middelen uit het coalitieakkoord in 2027 is nog niet juridisch verplicht, vanwege het budgetrecht van uw Kamer. Deze middelen zijn wel beleidsmatig gereserveerd voor de beleidsvoornemens en investeringsmaatregelen uit de Defensienota 2026 die starten in 2027. Het kabinet investeert met de Defensienota 2026 in de verdere versterking en toekomstbestendigheid van de krijgsmacht en de verdediging van ons Koninkrijk.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Naar welke begrotingsartikelen verwacht u de €895 miljoen op artikel 12 ‘Nog onverdeeld’ in de loop van 2027 over te boeken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Artikel 12 is een begrotingstechnisch artikel van waaruit diverse doorverdelingen plaatsvinden naar andere artikelen van de Defensiebegroting. Het betreft hier voor 2027 circa € 499 miljoen aan nog onverdeelde loonbijstelling en circa € 395 miljoen aan nog onverdeelde prijsbijstelling en reserveringen. Gaandeweg het jaar wordt dit budget overgeboekt naar de juiste beleidsartikelen. Dit gebeurt zodra de definitieve behoefte per onderdeel of de uitwerking van bijvoorbeeld een definitief arbeidsvoorwaardenakkoord is vastgesteld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met hoeveel onderuitputting op personeelsuitgaven houdt u in 2027 rekening als gevolg van vacatures en de geplande groei van de organisatie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij het opstellen van de Defensienota 2026 is er rekening gehouden met het absorptievermogen van de Defensieorganisatie. Daarom wordt op de personeelsuitgaven in 2027 op dit moment geen onderuitputting verwacht. Bij elk begrotingsmoment wordt de begrotingsstand in lijn gebracht met de actuele verwachte realisatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke budgettaire tegenvallers worden verwacht voor 2027 of zijn op dit moment al bekend maar nog niet volledig in de begrotingsartikelen verwerkt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij elk begrotingsmoment wordt de begrotingsstand in lijn gebracht met de actuele verwachte realisatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke kosten zijn in 2027 begroot voor de Nederlandse kernwapentaak?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Activiteiten en investeringen die verbonden zijn met de Nederlandse kernwapentaak zijn verweven in de verschillende begrotings- en investeringsplannen van Defensie. Gezien de Nederlandse kernwapentaak wordt uitgevoerd met de dual capable F-35, hebben verschillende van deze activiteiten en investeringen een duaal karakter. Om veiligheidsredenen kunnen geen nadere mededelingen worden gedaan over operationele details die verband houden met de kernwapentaak.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u bevestigen dat Amerikaanse kernwapens op Nederlandse bodem liggen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals uw Kamer bekend, kunnen op grond van bondgenootschappelijke en juridisch bindende afspraken geen mededelingen worden gedaan over aantallen en locaties van in Europa aanwezige kernwapens. Hieraan liggen veiligheidsoverwegingen ten grondslag.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In welke fase bevinden de in maart gestarte gesprekken zich tussen Nederland (en andere Europese landen) en Frankrijk over samenwerking op kernwapens? Zijn er al afspraken gemaakt? Zo ja, welke?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet heeft uw Kamer op 2 maart jl. een toelichting gegeven op de strategische samenwerking tussen Frankrijk en Nederland. De geschetste overwegingen om op het Franse aanbod voor een strategische dialoog in te gaan zijn nog steeds van kracht. De samenwerking bevindt zich in een verkennende fase. Gezien de aard van deze onderwerpen kan het Kabinet, conform de met de Kamer overeengekomen praktijk, geen nadere details over de beoogde samenwerking openbaar maken. Wanneer wenselijk en mogelijk, zal het kabinet uw Kamer op passende wijze op de hoogte houden van de ontwikkelingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is voorzien dat Nederland gaat deelnemen aan nucleaire oefeningen met Frankrijk?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord vraag 15.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klopt het dat Frankrijk en Duitsland samen gaan oefenen met kernwapens? Wanneer zal dit plaatsvinden? Is Nederland hier op een of andere manier bij betrokken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Frankrijk en Duitsland hebben al geruime tijd een nauwe strategische samenwerking en hebben in de publieke verklaring van bondskanselier Merz en president Macron van 2 maart jl. aangekondigd de samenwerking verder te verdiepen op strategische Europese nucleaire en conventionele afschrikking. Het kabinet is niet betrokken bij de bilaterale gesprekken tussen Frankrijk en Duitsland en kan daarover dus geen verdere uitspraken doen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is voorzien dat Franse gevechtsvliegtuigen (tijdelijk) naar Nederland komen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord vraag 15.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wordt gesproken over eventuele Nederlandse financiering voor Franse kernwapens?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee. Frankrijk behoudt absolute controle over zijn nucleaire arsenaal. Van Nederlandse financiering voor Franse kernwapens is geen sprake.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt het parlement geïnformeerd als Nederland gaat deelnemen aan nucleaire oefeningen met Frankrijk, als Franse vliegtuigen met kernwapens naar Nederland komen of als sprake is van financiering van Franse kernwapens?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord vraag 15.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe vorderen de Amerikaanse gesprekken met een aantal Europese landen om bij te dragen aan de kernwapentaak van de NAVO? Met welke landen wordt gesproken? Hoe worden NAVO-bondgenoten door de VS hierover geïnformeerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tijdens de NAVO-Top in Ankara is het belang benadrukt van een versterking van de collectieve verdediging. Effectieve afschrikking en verdediging berust op een mix van nucleaire, conventionele en raketverdedingscapaciteiten. Na afloop van de NAVO Defence Ministers Meeting (DMM) van 18 juni jl. werd over de nucleaire dimensie gesproken in de zogenoemde Nuclear Planning Group (NPG). Na afloop ging een korte verklaring uit waarin bevestigd wordt dat NAVO blijft werken aan het versterken van de nucleaire afschrikkingsmissie om zijn veiligheidsbelangen te bereiken. Nadere details van deze bijeenkomst worden in het openbaar niet gedeeld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke activiteiten worden ondernomen om nieuw personeel te werven voor Defensie en wat zijn daar de kosten van in 2027?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie zet voor de personele groei onder meer in op reguliere werving, het Dienjaar, de Nationale Weerbaarheidstraining (NWT), de Defensie Enquête en vernieuwing van de instroomketen door skills based matchen op specifieke functies mogelijk te maken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor arbeidsmarktcommunicatie en recruitment is in 2027 circa € 65 miljoen voorzien, waarvan circa € 45 miljoen materiële exploitatie en circa € 20 miljoen personele exploitatie (circa 200 vte).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke activiteiten onderneemt Defensie in relatie tot regulier onderwijs en onderzoek? Welke kosten zijn daarvoor in 2027 begroot? Kunt u een overzicht geven van de gefinancierde programma’s en activiteiten gerelateerd aan regulier onderwijs en onderzoek, wie hierin de partner is, en welk bedrag ermee is gemoeid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie werkt samen met het reguliere onderwijs om jongeren kennis te laten maken met Defensie en de aansluiting tussen onderwijs en Defensie te versterken. Dit gebeurt onder meer via de mbo-opleiding Veiligheid en Vakmanschap (VeVa), militaire minors in het hoger onderwijs, keuzedelen in het mbo en samenwerking met onderwijsinstellingen in het kader van de Nationale Weerbaarheidstraining (NWT). Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande onderwijsprogramma&#x27;s en -structuren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Als het om onderzoek gaat, werkt Defensie in toenemende mate samen met civiele kennisinstellingen. De aard van de kennisbehoeften verandert, met een toenemende behoefte aan kennis over onder meer hoogtechnologische en dual-use onderwerpen en bredere thema’s zoals conceptontwikkeling, geopolitiek en internationale betrekkingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie programmeert daarom een deel van haar onderzoeksbehoeften via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Voor de periode 2025–2030 is hiervoor € 35 miljoen beschikbaar. Daarnaast is Defensie aangesloten bij het programma Science for Impact and Application (SIA, onderdeel van NWO) voor € 1,25 miljoen in 2025–2026; over het vervolg vanaf 2027 vindt nog besluitvorming plaats. Ook neemt Defensie deel aan het programma Progress bij denktanks Clingendael en HCSS voor € 5 miljoen van 2025-2028.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast heeft Defensie medio september een Letter of Intent gesloten met Universiteiten van Nederland (UNL) om de samenwerking met universiteiten verder te versterken en te ondersteunen. Hieraan is op dit moment geen afzonderlijk budget gekoppeld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het samenwerken met civiele kennispartners, waaronder universiteiten, hogescholen en denktanks, blijft een prioriteit voor Defensie. Een gemiddeld bedrag per activiteit is niet goed te geven, omdat aard, omvang, looptijd en financieringswijze van de activiteiten sterk uiteenlopen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel studenten hebben een minor bij Defensie gevolgd, de opleiding tot reservist? Welk bedrag is hiermee gemoeid in 2026? Welk bedrag is hiervoor begroot in 2027?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NWT kan door studenten worden gevolgd als minor in het hbo\u002Fwo of als keuzedeel in het mbo. In 2025 zijn in totaal 120 deelnemers aan de NWT gestart en voor 2026 is de doelstelling 1.000 deelnemers. In 2026 zijn er t\u002Fm augustus 455 NWT’ers ingestroomd. Er staat voor 2026 nog één lichting gepland van circa 450-500 deelnemers.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In 2026 is voor de NWT circa € 30 miljoen gereserveerd en voor 2027 is circa € 62 miljoen begroot.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waar is het getal van 122.000 personen die Defensie ‘minimaal’ nodig heeft op gebaseerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het coalitieakkoord is vastgelegd dat Defensie op termijn naar minimaal 122.000 mensen groeit. Het getal van circa 122.000 personen is gebaseerd op een inschatting die eind 2024 is gemaakt van de personele omvang die nodig is om de krijgsmacht in hoofdtaak 1 schaalbaar te kunnen inzetten. Hierbij is rekening gehouden met de benodigde capaciteiten om invulling te geven aan de NAVO-capability targets en de maatregelen uit de Defensienota. Om deze inschatting te kunnen maken is bezien welke personele capaciteit nodig en haalbaar is en hoe deze kan worden gerealiseerd door verschillende vormen van instroom en inzet van beroepsmilitairen, reservisten en burgers te combineren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke wijze worden de beschikbare opleidingscapaciteit, de inzetbaarheid van nieuwe militairen en de uitvoerbaarheid binnen de organisatie meegewogen? En in hoeverre zijn de visies en zorgen van Defensiepersoneel en de vakbonden hierbij betrokken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De beschikbare capaciteit voor selectie, keuring en opleiding wordt afgestemd op de personele groei. Bij verdere opschaling moeten ook instructiecapaciteit, uitrusting, oefenfaciliteiten en vastgoed meegroeien. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de initiële opleidingen, maar ook naar de benodigde vervolgopleidingen om personeel inzetbaar te maken en te houden. De beschikbare opleidingscapaciteit wordt daarbij primair ingezet voor de opleiding van beroepsmilitairen. Waar de eigen capaciteit onvoldoende is, wordt onder meer bezien hoe samenwerking met civiele opleiders kan bijdragen aan het vergroten van de opleidingscapaciteit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de verdere uitwerking van de personele opschaling worden ook de randvoorwaarden voor de inzetbaarheid en uitvoerbaarheid binnen de organisatie betrokken. Over onderwerpen die raken aan de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie vindt overleg plaats met de centrales van overheidspersoneel.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gezien het feit dat Defensie in deze begroting spreekt van een ‘grijze zone’, waar begint de grijze zone en wanneer eindigt die? Sinds wanneer zit Nederland in een grijze zone en hoe weten we dat we er weer uit zijn?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De grenzen van de grijze zone tussen oorlog en vrede worden bepaald door enerzijds een politiek besluit om de oorlog aan een andere staat te verklaren en anderzijds door de vaststelling dat een andere staat zich aan het internationaal recht onttrekt en zich in een confrontatiefase met Nederland begeeft. We bevinden ons nu in een periode in de grijze zone waarin dreigingen zoals cyberaanvallen, desinformatie en sabotage toenemen, zoals de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in hun openbare jaarverslagen ook melden. Als deze dreigingen in de grijze zone weer significant verminderen, zal dit ook zijn weerslag hebben in de rapportages van de diensten en wordt hierover ook de Kamer geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke manier consulteert u de wapenindustrie? Op welke thema’s en in welke fases van beleidsvorming, besluitvorming en uitvoering vinden deze consultaties plaats?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie is continu in gesprek met de defensie-industrie. Dat is nodig, omdat het opschalen van de Nederlandse en Europese productiecapaciteit een belangrijke opgave is voor dit kabinet. Voldoende productiecapaciteit en innovatief vermogen zijn van cruciaal belang voor onze krijgsmacht om ons grondgebied en dat van onze bondgenoten te kunnen beschermen als dit nodig is. Defensie consulteert de industrie met als doel deze opgave te realiseren, bijvoorbeeld binnen Defport, een publiek-privaat platform waar Defensie onder andere samen met de industrievertegenwoordigingen in gesprek is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Worden gesprekken met bedrijven die wapens of dual-use goederen produceren structureel vastgelegd of genotuleerd? Zijn de gespreksverslagen of notulen openbaar en kunnen deze worden ingezien?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gesprekken worden niet structureel vastgelegd en genotuleerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met welke bedrijven die wapens of met dat doel dual-use onderdelen produceren heeft Defensie in het afgelopen jaar gesproken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft, direct of indirect via belangenverenigingen, met alle bedrijven die actief zijn voor Defensie contact.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt bepaald welke informatie over het handelen van Defensie wel en niet publiek wordt gemaakt? Welke criteria, procedures en verantwoordelijkheden liggen hieraan ten grondslag? Zijn deze procedures en bijbehorende richtlijnen openbaar en kunnen deze worden ingezien?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het is inmiddels niet langer ondenkbaar dat Nederland betrokken raakt bij een grootschalig militair conflict. Daarnaast zien we dat de hybride dreigingen en aanvallen tegen Nederland en onze bondgenoten toenemen. In deze nieuwe realiteit in de grey zone tussen oorlog en vrede kan het delen van informatie over operationele plannen, inzet, gereedheid en militaire capaciteiten van de Krijgsmacht niet alleen de belangen van Defensie, onze bondgenoten en partners schaden, maar ook levens van militairen in gevaar brengen. Bij het openbaar delen en\u002Fof maken van Defensie informatie moet daarom altijd een afweging gemaakt worden tussen operational security (OPSEC) en het belang van transparantie. Middels Kamerstuk (36 800 X, nr. 90) is de Kamer reeds geïnformeerd over de kaders die Defensie hanteert voor het delen van informatie die openbaar toegankelijk wordt. Onderdeel van dit kader is bijvoorbeeld het kijken naar juridische of andere externe beperkingen voor het openbaar maken van de informatie, zoals door internationale verdragen of leverancierscontracten. Ook wordt er gecontroleerd of de informatie inzicht geeft in militaire capaciteit of activiteiten; van Nederland en\u002Fof bondgenoten. Wanneer de Informatie in voorkomende gevallen niet openbaar kan worden gedeeld wordt de Kamer vertrouwelijk geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete maatregelen neemt u naar aanleiding van waarschuwingen van de MIVD over rechts-extremisme en de normalisering van racisme, antisemitisme en discriminerende uitingen binnen Defensie? Welke uitgaven zijn hiermee gemoeid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor (rechts-)extremisme is binnen Defensie geen plaats. Extremistisch, anti-inclusief gedachtegoed tast de sociale cohesie binnen eenheden aan, ondermijnt de voor defensie zo belangrijke gezagsverhoudingen en schaadt het maatschappelijk vertrouwen in de krijgsmacht. Er wordt op meerdere momenten gelet op eventuele affiniteit met rechts-extremistisch gedachtegoed. Dit gebeurt tijdens de selectie, bij de indiensttreding en gedurende de functie-uitoefening. Zo zijn selectiepsychologen opgeleid om rechts-extreme wereldbeelden te herkennen en doet de MIVD onderzoek naar signalen van rechtsextremisme bij (aspirant-)defensiemedewerkers. Daarnaast voert Defensie actief integriteitsbeleid om ongewenst gedrag, zoals racisme en discriminatie, tegen te gaan. Dit is ook het oogmerk van de verschillende initiatieven die we ontplooien ter bevordering van een veilige en inclusieve werkomgeving, want diverse teams, zijn weerbare teams.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De hiermee gemoeide uitgaven zijn verweven met verschillende reguliere activiteiten, waaronder screening en selectie van personeel, MIVD-onderzoeken en de inzet van selectiepsychologen. Deze uitgaven worden niet afzonderlijk geregistreerd naar de specifieke aanleiding of het onderwerp. Hierdoor is het niet mogelijk om een specifiek bedrag toe te rekenen aan de maatregelen die specifiek zien op rechts-extremisme, racisme, antisemitisme en discriminerende uitingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete plannen zijn er om de controle op fraude en corruptie binnen Defensie op korte termijn aanzienlijk te versterken? Welke maatregelen worden hiervoor genomen en wanneer worden deze geïmplementeerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie versterkt de aanpak van fraude en corruptie voortvarend. Om te beginnen is een start gemaakt met de eenduidige belegging van verantwoordelijkheden. De commandantenlijn is verantwoordelijk voor het maken van een risicoanalyse, het voorkomen en beheersen van fraude- en corruptierisico’s binnen het eigen onderdeel. De Hoofddirectie Financiën en Control (HDFC) binnen Defensie ziet hier als onafhankelijk orgaan op toe en rapporteert hierover aan de secretaris-generaal. Daarnaast worden de komende maanden per defensieonderdeel de fraude- en corruptierisico’s in kaart gebracht, wordt de verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden verder uitgewerkt en wordt met een externe partij onderzocht hoe volwassen de bestaande aanpak van fraude en corruptie is. De uitkomsten hiervan worden vertaald naar specifiek op fraude en corruptie toegespitst beleid en een coherent frauderisicomanagementsysteem, in lijn met de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk. Dit beleid is momenteel in ontwikkeling; de Kamer wordt voor het einde van 2026 geïnformeerd over de uitgangspunten van dit beleid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tevens heeft is de Regeling voor het melden van financiële belangen en effecten goedgekeurd. De implementatie van deze regeling wordt momenteel voorbereid. Hiernaast actualiseert Defensie momenteel de Gedragscode en –regels in afstemming met alle defensieonderdelen en interne experts en specialisten. In de nieuwe versie van de Gedragscode is expliciet aandacht voor het voorkomen en tegengaan van fraude en corruptie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Als onderdeel van de actualisatie van de Gedragscode wordt dit jaar tevens een e-learning gepubliceerd, die momenteel wordt ontwikkeld door de Centrale Organisatie Integriteit Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met deze e-learning worden medewerkers en leidinggevenden beter ondersteund bij het begrijpen, bespreken en toepassen van de Gedragscode.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Worden de risico’s en mogelijke gevaren van het werken bij Defensie meegenomen bij het opstellen van wervingsplannen en wervingscampagnes? Zo ja, op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat potentiële medewerkers hierover vooraf eerlijk en volledig worden geïnformeerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Als jongeren serieus Defensie als werkgever overwegen en stappen zetten naar een baan bij Defensie, volgt er een uitgebreid wervings- en selectietraject, waar uiteraard ook aandacht is voor de risico’s en mogelijke gevaren van een baan als militair. Ook worden maandelijks tientallen (online) voorlichtingen, kennismakingsdagen en meeloopdagen in het gehele land georganiseerd voor belangstellenden en hun ouders, gericht op het geven van een zo volledig mogelijk beroepsbeeld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer Defensie investeert in onderzoek, in welke mate worden daarbij vooraf ethische kaders vastgesteld? Welke procedures gelden hiervoor en door wie wordt beoordeeld of onderzoek aan deze ethische kaders voldoet? Zijn deze procedures en bijbehorende kaders openbaar en kunnen deze worden ingezien?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij elke onderzoeksamenwerking die Defensie aangaat worden samen met de betrokken kennisinstellingen afspraken gemaakt over het onderzoek en de samenwerking, inclusief over ethische kaders. Veel van de ethische kaders worden door de kennisinstellingen, en de Rijksoverheid, zelf gesteld. Daarnaast hebben de kennisinstellingen de autonomie om een keuze te maken of en wat ze wel of niet willen bijdragen in de vorm van onderzoek. Defensie trekt Rijksbreed op bij de ontwikkeling van richtlijnen en nieuwe kaders. Bij bestaande en structurele samenwerkingen, zoals met Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2’s) TNO, NLR en MARIN en denktanks zijn deze afspraken in onderliggende overeenkomsten vastgelegd en worden regelmatig opnieuw bezien.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De TO2’s waar Defensie veel mee samenwerkt (TNO, NLR en MARIN) hanteren een code of conduct (deze is openbaar), deze is bekend bij de medewerkers en men wordt geacht zich hieraan aan te houden. Interne ethische commissies bewaken het collectief moreel kompas voor alle medewerkers. Daarnaast houden TO2’s zich aan bestaande nationale en internationale afspraken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij samenwerkingen met NWO, Stichting Innovatie Alliantie (SIA) (en Universiteiten Nederland) spelen onafhankelijke commissies de rol van beoordelaar en toetser, ook op de ethische aspecten zoals die in het kennisveld leven. Bij NWO calls is het de verantwoordelijkheid van de projectleider om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is. Als een verklaring nodig is kan er een ethische commissie worden opgesteld die kan onderzoeken – al dan niet bindend- adviseren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor medisch-wetenschappelijk onderzoek binnen Defensie worden vooraf wettelijke en ethische randvoorwaarden gesteld. Wet medisch-wetenschappelijk (WMO)-plichtig onderzoek moet vóór uitvoering worden getoetst door een onafhankelijke, erkende civiele Medisch-Ethische Toetsingscommissie (METC). Daarbij worden onder meer de wetenschappelijke kwaliteit, proportionaliteit, veiligheid en bescherming en vrijwilligheid van proefpersonen beoordeeld. Daarnaast moet medisch-wetenschappelijk onderzoek binnen Defensie worden aangemeld bij de Strategische Militaire Gezondheidszorg (SMG). SMG beoordeelt het onderzoeksvoorstel namens de Militair Geneeskundige Autoriteit (MGA), onder meer op wettelijke vereisten, methodologische kwaliteit, privacy, operationele en organisatorische gevolgen en de vereiste ethische toetsing. Op basis daarvan verleent de MGA al dan niet, eventueel onder voorwaarden, toestemming voor uitvoering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vanwege de snelle technologische ontwikkeling, veelal vanuit de commerciële sector, is het van belang dat Defensie aandacht heeft voor de ethische vraagstukken die de (inzet) van technologieontwikkelingen met zich meebrengen. Om die reden is ethiek ook opgenomen als onderwerp binnen de Defensie-specifieke kennisbasis (D-SII, kennisgebied 10). Er wordt met de TO2’s onderzoek verricht rondom ethiek. Tevens heeft de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) een vakgroep op het gebied van militaire ethiek en draagt Defensie bij aan een groot NWO programma over AI &amp; ethiek in het veiligheidsdomein (‘ELSA kan Defensie’).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt bij samenwerkingsprojecten tussen Defensie en wetenschappelijke en kennisinstellingen expliciet rekening gehouden met de risico’s van financiële afhankelijkheid en thematische sturing door Defensie voor de onafhankelijkheid van het onderzoek? Welke waarborgen zijn hiervoor ingesteld en zijn de procedures en afspraken hierover openbaar?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie hecht grote waarde aan kwalitatief hoogstaand onderzoek, dat drijft de kennisbehoefte. Onafhankelijkheid is daar een onlosmakelijk onderdeel van. Bij het aangaan van nieuwe samenwerkingen met het civiele kennislandschap wordt de waarde van academische vrijheid benadrukt. Kennisinstellingen hebben de autonomie om een keuze te maken aan welk onderzoek zij bijdragen. De Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2’s, voor Defensie primair: TNO, NLR en MARIN), denktanks en in toenemende mate civiele kennispartners (HBO’s en universiteiten) verrichten onafhankelijk onderzoek voor- en met Defensie. Dit draagt bij aan de Defensie-specifieke kennisbasis en het versterken van de bredere Nederlandse kennispositie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>TNO, NLR en MARIN worden gehouden aan de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit. De denktanks hechten groot belang aan hun onafhankelijke status en onderzoek en deze onafhankelijkheid is in de Integriteitsverklaring van de overeenkomst tussen hen en Defensie vastgelegd. De samenwerking tussen Defensie en civiele kennispartners vindt primair plaats via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Stichting Innovatie Alliantie (SIA). In deze samenwerkingsovereenkomsten zijn afspraken gemaakt over de onderzoeken die via hen namens Defensie worden uitgezet. Zo wordt in de samenwerking met NWO, qua financiële omvang de grootste van deze samenwerkingsverbanden (€35 mln.), de kennisbehoefte van Defensie kenbaar gemaakt en wordt het vervolgens voorzien van een (inhoudelijk) advies van bij NWO betrokken wetenschappelijke en waar relevant maatschappelijke experts. NWO stelt in overleg met Defensie de Call for Proposals op. Onderzoekers in consortia stellen vervolgens zelf een aanvraag op over hoe er het beste invulling kan worden gegeven aan de kennisbehoefte van Defensie, zoals gedefinieerd in de call. NWO draagt zorg voor de beoordelings- en besluitvormingsproces van de aanvragen. NWO stelt ook een onafhankelijke beoordelingscommissie op.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke kosten zijn in 2027 begroot betreffende de voorbereiding en uitvoering van de escalatieladderstap ‘de enquête vrijwillig invullen en vrijwillig reageren op een uitnodiging tot gesprek’?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit betreft fase 1 van de escalatieladder en is de huidige vrijwillige Defensie-enquête. Deze fase kent zowel een vrijwillige enquête als een vrijwillige reactie op een uitnodiging tot gesprek. Voor de vrijwillige enquête is € 1 miljoen structureel gereserveerd. Daarnaast wordt hiervoor bestaande capaciteit bij het Dienstencentrum Personeelslogistiek ingezet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke kosten zijn in 2027 begroot betreffende de voorbereiding en uitvoering van de escalatieladderstap ‘de enquête verplicht invullen en vrijwillig reageren op een uitnodiging tot gesprek’?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit betreft fase 2 van de escalatieladder. Daarbij wordt het invullen van de Defensie-enquête verplicht, terwijl reageren op een uitnodiging tot gesprek vrijwillig blijft. Deze fase kan op dit moment niet worden toegepast, omdat daarvoor nog geen juridische grondslag bestaat. Daarom is hier nu nog geen budget voor begroot. De daarvoor noodzakelijke juridische basis wordt betrokken bij de voorgenomen wijziging van de Kaderwet dienstplicht. De juridische en organisatorische voorbereidingen hiervoor worden uitgewerkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke kosten zijn in 2027 begroot betreffende de voorbereiding en uitvoering van de escalatieladderstap ‘de enquête verplicht invullen en verplicht reageren op een uitnodiging tot gesprek’?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit betreft fase 3 van de escalatieladder. Zowel het invullen van de Defensie-enquête als het reageren op een uitnodiging tot gesprek wordt dan verplicht. Deze fase kan op dit moment niet worden toegepast, omdat daarvoor nog geen juridische grondslag bestaat. Daarom is hier nu nog geen budget voor begroot. De daarvoor noodzakelijke juridische basis wordt betrokken bij de voorgenomen wijziging van de Kaderwet dienstplicht. De juridische en organisatorische voorbereidingen hiervoor worden uitgewerkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke kosten zijn in 2027 begroot betreffende de voorbereiding en uitvoering van de escalatieladderstap ‘de enquête verplicht invullen, een verplicht gesprek en verplichte deelname aan selectie en keuring, opkomst vrijwillig’?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit betreft fase 4 van de escalatieladder. De enquête, het gesprek en deelname aan selectie en keuring zijn verplicht, maar opkomst blijft vrijwillig. Deze fase kan op dit moment niet worden toegepast, omdat daarvoor nog geen juridische grondslag bestaat. Daarom is hier nu nog geen budget voor begroot. De daarvoor noodzakelijke juridische basis wordt betrokken bij de voorgenomen wijziging van de Kaderwet dienstplicht. De juridische en organisatorische voorbereidingen hiervoor worden uitgewerkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke kosten zijn in 2027 begroot betreffende de voorbereiding en uitvoering van de escalatieladderstap ‘de enquête verplicht invullen, een verplicht gesprek en verplichte deelname aan selectie en keuring, opkomst verplicht’?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit betreft fase 5, de selectieve opkomstplicht. De selectieve opkomstplicht is bedoeld als uiterste stap binnen het Dienmodel. Deze fase kan op dit moment niet worden toegepast, omdat daarvoor nog geen juridische grondslag bestaat. Daarom is hier nu nog geen budget voor begroot. De daarvoor noodzakelijke juridische basis wordt betrokken bij de voorgenomen wijziging van de Kaderwet dienstplicht. De juridische en organisatorische voorbereidingen hiervoor worden uitgewerkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk bedrag van de Defensiebegrotingen van 2026, 2025, 2024, 2023 en 2022 heeft Defensie niet uitgegeven, aan welke posten, en waarom?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie vraag 1 en 2.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is de verwachting dat in 2027 Defensie het begrote geld krijgt uitgegeven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie vraag 12.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke specifieke activiteiten gaat u ondernemen in 2027 voor het versterken van draagvlak voor Defensie, beeldvorming over Defensie of daaraan gerelateerde activiteiten, gespecifieerd per activiteit? Welke kosten en hoeveel fte zijn hier aan verbonden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft als kerntaak Nederland te beschermen. Dat kan Defensie echter niet alleen. Het vraagt om gezamenlijke inzet en samenwerking van overheid, bondgenoten, civiele autoriteiten, kennisinstellingen, bedrijfsleven, vitale sectoren, maatschappelijke organisaties en burgers. Defensie beseft dat dit geen eenrichtingsverkeer kan zijn en zet zich daarom in om zichtbaar, duurzaam en op een wederkerige wijze met de samenleving verbonden te zijn. Defensie werkt op dit moment uit via welke initiatieven deze verbinding kan worden versterkt en informeert uw Kamer hierover in Q1 2027. Succesvolle initiatieven die hierbij als inspiratie dienen zijn Sport en Defensie Maken Weerbaar, de Nationale Weerbaarheidstraining, de Maatschappelijke Diensttijd Missie en de intentieverklaring die recent getekend is tussen Defensie en de KNVB. Ook wordt er op 23 november de Top Nationale Weerbaarheid georganiseerd ter versterking van de verbinding tussen Defensie en de samenleving. Deze initiatieven dragen eveneens bij aan de weerbaarheid van de maatschappij.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke specifieke activiteiten gaat u ondernemen in het lager onderwijs, het middelbaar onderwijs en beroeps- en hoger onderwijs? Welke kosten en hoeveel fte zijn hier aan verbonden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie ontplooit verschillende activiteiten in het onderwijs.. Scholen kunnen nog steeds deelnemen aan het programma ‘Veteraan in de klas’, is er een lesprogramma, ‘de beschermers’ samen met Politie, Dienst Justitiële inrichtingen en Douane voor vmbo en havo en kunnen scholen zelf keuzevakken ontwikkelen en aanbieden in samenwerking met Defensie. Daarnaast draagt Defensie via het programma ‘Sport en Defensie maken weerbaar’ bij aan het vergroten van de fysieke en mentale weerbaarheid van jongeren. De activiteiten in het beroeps- en hoger onderwijs zullen in het verlengde zijn van de reeds lopende activiteiten zoals Veiligheid en Vakmanschap (VeVa), het keuzevak nationale weerbaarheidstraining op het mbo en de minor in het hoger onderwijs.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Heeft Defensie bureaus of adviseurs ingehuurd voor communicatie, en voor welke delen van het beleid? Welke bedragen zijn hiermee gemoeid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ja. Defensie groeit en de directie Communicatie vangt een deel van de extra communicatietaken die daaruit voorkomen op met inzet van externe capaciteit (bureaus en adviseurs). Het gaat om drie categorieën inhuur. Ten eerste om het opvangen van de intensivering van communicatie op onder meer de volgende beleidsterreinen: Employer Engagement (interne verandercommunicatie), opschalen defensie-industrie, weerbaarheid, Nationaal Programma Ruimte voor Defensie en Defensie Midden in de Samenleving. Een tweede categorie betreft een flexibele schil om tijdelijk hogere werkdruk of ‘gaten’ in de capaciteit als gevolg van ziekte en vacatures op te vangen in de verschillende communicatiedisciplines (woordvoering, speechschrijven, en communicatieadvies). Tot slot wordt externe capaciteit ingehuurd voor de doorontwikkeling van communicatieteams, de ontwikkeling van de communicatiestrategie en de nieuwe (communicatie) kanalen- en middelenstrategie van Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het gaat in totaal* om:\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Categorie 1: € 640.110\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Categorie 2: € 1.043.000\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Categorie 3: € 571.000\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>*Deze bedragen zijn voor 2026 gereserveerd, maar niet alles is ook gerealiseerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Heeft Defensie een beleidsplan om draagvlak in de samenleving voor Defensie te vergroten en kan de Kamer dit ontvangen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord vraag 44.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wordt het deelnemen van defensiepersoneel of militairen aan mediaoptredens gecoördineerd of afgestemd met Defensie? Wat is hier de procedure voor? In hoeverre wordt dit door Defensie gestimuleerd of georganiseerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie hecht aan transparantie en zichtbaarheid waar mogelijk. In dat kader zoeken we ook actief naar podia om uit te dragen wat defensie doet om Nederland veilig te houden en wie de mensen zijn die dat doen. Gelet op de grote investeringen in defensie is het van belang dat we blijven uitleggen wat de noodzaak is van een sterke krijgsmacht en vooral ook dat we publiek verantwoording afleggen over keuzes die we maken én wat bescherming ook van de samenleving vraagt. Communicatie, en in het bijzonder optredens in de media spelen daarin een cruciale rol. Daarom verschijnen ook regelmatig (militaire) ambtenaren in de media en niet alleen de minister, staatssecretaris of Commandant Der Strijdkrachten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De omgang van (militaire) ambtenaren met de media is vastgelegd in paragraaf 10.1 van het rijksbrede document ‘Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren’.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Verzoeken van journalisten om interviews worden behandeld door de daarvoor aangewezen ambtenaar dan wel, in de daarvoor in aanmerking komende gevallen, door de minister zelf. Op verzoeken van journalisten om andere schriftelijke of mondelinge contacten met bepaalde ambtenaren wordt van geval tot geval beslist door de minister dan wel door de door de minister aangewezen ambtenaar. De praktijk bij Defensie is dat (militaire) ambtenaren verzoeken van media vooraf dienen voor te leggen aan de directie Communicatie, door tussenkomst van het hoofd communicatie van het defensieonderdeel waartoe de (militaire) ambtenaar behoort.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete plannen heeft u om de door de Algemene Rekenkamer gevonden tekortkomingen bij Defensie op te lossen en de publieke veiligheid te waarborgen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Er zijn concrete plannen opgesteld om de tekortkomingen op te lossen. Zo is naar aanleiding van de onzekerheid in de rechtmatigheid van inkoopdossiers is Defensie op hoog ambtelijk niveau in gesprek geweest met de AR, de Auditdienst Rijk (ADR) en het ministerie van Financiën. Het Plan van Aanpak en het beoordelingskader ter verbetering zijn vastgesteld en in uitvoering. Daarnaast worden de verbeterplannen voor het oplossen van de bestaande onvolkomenheden verder uitgevoerd en voor de nieuwe onvolkomenheden worden deze opgesteld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u uitsluiten dat een gevangenisstraf een mogelijke sanctie wordt van de selectieve opkomstplicht die Defensie uitwerkt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het niet naleven van de verplichtingen wordt een nieuw sanctieregime ontwikkeld. Het proportionaliteitsbeginsel is daarbij leidend: de aard en zwaarte van een sanctie moeten in redelijke verhouding staan tot de geschonden verplichting, de ernst en verwijtbaarheid van de gedraging en de feitelijke omstandigheden. Het regime moet consistent en uitvoerbaar zijn en rekening houden met uitzonderingen, overmacht en gewetensbezwaren. Ook wordt voorzien in voldoende rechtsbescherming, waaronder bezwaar en beroep. De definitieve inrichting van het sanctieregime wordt mede bepaald aan de hand van uitvoeringstoetsen. Omdat zowel de juridische grondslag voor de selectieve opkomstplicht als het daarbij behorende sanctieregime nog wordt uitgewerkt, kan op dit moment niet vooruit worden gelopen op specifieke sancties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe vaak is vanuit Defensie contact geweest met Israëlische wapenbedrijven in 2026? Met wie en met welk doel?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gedurende de looptijd van contracten is er regelmatig contact tussen Defensie en leveranciers. Defensie houdt niet bij hoeveel contact er in 2026 is geweest met Israëlische leveranciers.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe vaak is vanuit Defensie contact geweest met Amerikaanse wapenbedrijven in 2026? Met wie en met welk doel?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gedurende de looptijd van contracten is er regelmatig contact tussen Defensie en leveranciers. Defensie houdt niet bij hoeveel contact er in 2026 is geweest met Amerikaanse leveranciers.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u expliciet maken met aantallen dat er voldoende scherfvesten zijn voor vrouwen die dat nodig hebben?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De huidige vesten zijn geschikt voor zowel mannen als vrouwen. Daarnaast heeft Defensie circa 1.500 speciaal voor vrouwen ontworpen Female Enhanced Protection Integrated Carrier (EPIC)-scherfvesten aangeschaft. Hiermee zijn voldoende vesten beschikbaar voor vrouwelijke militairen die een specifiek vrouwenmodel nodig hebben ten behoeve van gereedstelling en inzet. De vesten worden centraal opgeslagen en beschikbaar gesteld vanuit het Kleding- en Persoonsgebonden Uitrustingsbedrijf (KPU). Na doorontwikkeling biedt Defensie medio 2027 een vest voor mannen en vrouwen dat beter aansluit op het lichaam en het huidige uitrustingssysteem.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is het beleid bij Defensie met betrekking tot menstruatieproducten voor vrouwen bij uitzending?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie kent geen specifiek beleid voor het verstrekken van menstruatieproducten tijdens uitzendingen. Tijdens een uitzending is er wel de mogelijkheid om te voorzien in dergelijke producten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke manier wordt rekening gehouden met vrouwspecifieke aandoeningen en vrouwsensitieve aandoeningen bij Defensie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie besteedt aandacht aan zowel de specifieke fysieke behoeften als de psychosociale aspecten van vrouwelijke militairen. Dit omvat onder meer passende medische zorg en ondersteuning bij reproductieve gezondheid en de overgang. Indien de militaire gezondheidszorg niet in specifieke gezondheidsbehoeften kan voorzien, wordt verwezen naar de civiele gezondheidszorg. Daarnaast wordt aandacht besteed aan mentale gezondheid en aan praktische randvoorwaarden, zoals passende kleding en uitrusting en voorzieningen rond zwangerschap en kolven. Defensie heeft sinds 23 september jl. een Defensieplatform Vrouwengezondheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan voor 2027, uitgesplitst naar beroepsmilitairen, reservisten en burgermedewerkers, worden aangegeven wat de geraamde organieke sterkte, de geraamde feitelijke bezetting en het verschil daartussen is?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Formatie \u002F bezetting \u002F verschil Beroepsmilitair: 54.479 \u002F 51.915 \u002F 2564 Reservist: 12.470 \u002F 12.470 \u002F 0\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Burger: 25.009 \u002F 25.527 \u002F 518\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan voor de Koninklijke Marine, Koninklijke Landmacht, Koninklijke Luchtmacht en Koninklijke Marechaussee afzonderlijk worden aangegeven hoeveel militaire functies naar verwachting eind 2027 onvervuld zijn?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op basis van het verschil tussen de voor 2027 voorziene formatie en vulling van militaire functies is de verwachting dat eind 2027 het volgende aantal militaire functies onvervuld is:\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Koninklijke Marine: 1.031 functies;\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Koninklijke Landmacht: 855 functies;\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Koninklijke Luchtmacht: 317 functies;\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Koninklijke Marechaussee: 361 functies.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In totaal gaat het daarmee naar verwachting om 2.564 onvervulde militaire functies eind 2027.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel beroepsmilitairen moeten in 2027 bruto instromen en hoeveel beroepsmilitairen verwacht Defensie in datzelfde jaar te zien uitstromen om de geraamde groei daadwerkelijk te realiseren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Om de geraamde groei in 2027 te realiseren, gaat Defensie uit van een bruto instroom van 7.150 beroepsmilitairen. Tegelijkertijd wordt rekening gehouden met een uitstroom van 4.330 beroepsmilitairen. Dit resulteert in een groei van 2.820 beroepsmilitairen in 2027.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke operationele functiegroepen kennen naar verwachting eind 2027 nog een vullingsgraad van minder dan 80%? Kunt u ook het verwachte percentage aangeven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De functiegroepen technisch, logistiek en zorg behoren tot de schaarste categorieën ten gevolge van krapte op de arbeidsmarkt. Een verwacht percentage per functiegroep is niet te geven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke initiële militaire opleidingen worden in 2027 verkort ten opzichte van de opleidingsduur in 2025 en kan per opleiding de opleidingsduur in 2025, 2026 en 2027 worden vermeld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Afgelopen twee jaar heeft Defensie stappen gezet in het moderniseren en optimaliseren van het onderwijs. Hierin is steeds de afweging gemaakt tussen wat nu moet en straks kan; wordt er gekeken naar reeds opgedane kennis en ervaring en daarnaast wordt er gekeken naar de mogelijkheden van leren op de werkplek. Zo is de Algemene Militaire Opleiding (AMO) van 18 weken vervangen door de Basisopleiding Koninklijke Landmacht (BOKL) van 10 weken. De Initiële Vorming Onderofficieren (IVO) is modulair gemaakt en duurt, afhankelijk van loopbaan, kennis en ervaring, 2 tot 42 weken. Ook bij CZSK is de Eerst Militaire Maritieme Vorming (EMMV) verkort van 8 naar 5 weken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan per verkorte opleiding worden aangegeven welke opleidingsonderdelen zijn geschrapt, verkort, modulair gemaakt of zijn verplaatst naar de operationele eenheid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie ook het antwoord op vraag 60. Per verkorte opleidingen worden geen onderdelen geschrapt. De verkorting zit hem vooral in het terugdringen van herhalingen van skills en drills. De lerende dient aan te tonen dat hij\u002Fzij in staat is om zijn taak te kunnen vervullen en dus gekwalificeerd is op basis van de aangereikte lesstof. Dat maakt hem\u002Fhaar startbekwaam, maar nog niet ervaren. Die ervaring doet hij vooral op door zich verder te bekwamen bij oefeningen en trainingen bij zijn operationele eenheid. Het voordeel van een modulaire opbouw is dat rekening wordt gehouden met de ervaring die de militair reeds eerder heeft opgedaan. Op basis van een Eerder Verworven Competentie wordt hij na bewezen bekwaamheid vrijgesteld van het volgen van een module. Dat zorgt ervoor dat hij eerder klaar is met een opleiding. Tevens leidt het tot een vrijgevallen opleidingsplek die door een andere lerende kan worden gevuld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan worden aangegeven hoeveel extra opleidings- en instructiecapaciteit in 2027 nodig is voor de voorziene personele groei en in hoeverre deze capaciteit reeds beschikbaar en gevuld is?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie vergroot de opleidings- en instructiecapaciteit om de voorziene personele groei mogelijk te maken. Het innovatieplan voor de instroomketen bevat hiervoor onder meer maatregelen om de instructiecapaciteit voor militaire basisopleidingen te vergroten. Om de opleidingscapaciteit verder te vergroten, wordt waar passend ook gebruikgemaakt van samenwerking met civiele opleiders.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De benodigde opleidings- en instructiecapaciteit wordt per krijgsmachtdeel en opleiding bepaald en is afhankelijk van onder meer de voorziene instroom, de beschikbare opleidingscapaciteit en de inrichting en duur van opleidingen. Een Defensiebreed totaal van de extra benodigde capaciteit voor 2027 en het aandeel daarvan dat reeds beschikbaar en gevuld is, is daarom niet centraal beschikbaar. De krijgsmachtdelen treffen binnen hun opleidingsketens maatregelen om de capaciteit mee te laten groeien met de voorziene personele instroom.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt objectief vastgesteld dat militairen na een verkorte opleiding over hetzelfde vereiste niveau aan militaire basisvaardigheden beschikken als militairen die de eerdere, langere opleiding hebben gevolgd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor iedere opleiding wordt vastgesteld wat het doel is, welke eisen moeten worden behaald en hoe kwaliteit en veiligheid worden geborgd (kritieke taakanalyse). Bij wijzigingen wordt een impactanalyse uitgevoerd, waarbij ook kwaliteits- en veiligheidsaspecten worden betrokken. De opleiding leidt tot een kwalificatie. Daarmee is de lerende startbekwaam na het hebben gevolgd van de opleiding.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel militairen zijn in 2025 en 2026 na afronding van hun initiële opleiding bij hun eenheid geplaatst terwijl zij nog aanvullende functie- of basisopleidingen moesten afronden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Na afronding van de basisopleiding militair worden militairen doorgaans geplaatst bij hun eenheid. Dat betekent niet dat alle functieopleidingen volledig zijn gevolgd. Bijvoorbeeld de rijopleiding. Dit soort functieopleidingen worden veelal later gevolgd. Afhankelijk van de functie en de benodigde kwalificaties wordt daarbij maatwerk toegepast in het opleidingstraject. In 2025 zijn 3.280 beroepsmilitairen na afronding van hun initiële opleiding geplaatst op een starfunctie bij hun eenheid. In 2026 zijn dat er tot en met augustus 2.545.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke militaire opleidingen of onderdelen daarvan worden in 2027 geheel of gedeeltelijk verzorgd door civiele of particuliere opleiders? Kunt u per opleiding aangeven om welke opleider, welk opleidingsonderdeel en hoeveel militairen het gaat?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De civiele partijen zijn grotendeels betrokken bij de basisopleiding, maar ook bij functieopleidingen en loopbaanopleidingen. Vooral militairen die vallen onder het dienmodel worden opgeleid met civiele capaciteit. Daarbij worden civiele opleiders ingezet als aanvulling op de eigen opleidingscapaciteit van Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk bedrag geeft Defensie in 2027 uit aan civiele en particuliere opleiders, en hoe verhoudt dit bedrag zich tot de uitgaven in 2025 en 2026?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft in 2025 ongeveer € 106 miljoen uitgegeven aan civiele en particuliere opleiders. Voor 2026 wordt een vergelijkbaar bedrag verwacht. Voor 2027 wordt uitgegaan van circa € 120 miljoen. De verwachte stijging hangt samen met de groeiende opleidingsbehoefte als gevolg van de groei van Defensie. Externe opleiders blijven daarmee nodig als aanvulling op de eigen opleidingscapaciteit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke opleidingen of opleidingsonderdelen die voorheen door Defensie zelf werden verzorgd, worden in 2027 uitbesteed aan civiele of particuliere opleiders?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie ziet een grote uitdaging in het opleiden van nieuwe collega’s. Om te zorgen dat vraag en aanbod goed op elkaar aansluit zal het Deltaplan Opleiden worden doorontwikkeld naar een programma waarbij onder ander de regie op vraag en aanbod zal worden gerealiseerd. Het uitgangspunt is wat civiel kan ook civiel belegd moet worden. Hier is nog veel winst te behalen. De opleiding die wordt gevolgd in het civiele domein moet daarbij zo veel als mogelijk een ‘Dual-Use karakter’ hebben. Denk daarbij aan ICT of technische opleidingen, zoals de Air Campus.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt bij uitbestede militaire opleidingen geborgd dat dezelfde opleidingseisen, militaire standaarden en eindtermen gelden als wanneer Defensie de opleiding zelf verzorgt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor iedere opleiding wordt vooraf vastgesteld welke doelen, eisen en eindtermen moeten worden behaald en hoe kwaliteit en veiligheid worden geborgd. Het benutten van civiele opleidingscapaciteit betekent niet dat de eisen aan het eindresultaat worden verlaagd. Waar militaire kennis, vaardigheden of context noodzakelijk zijn, blijft militaire opleidingscapaciteit daarvoor beschikbaar. Bij wijzigingen in opleidingen worden de gevolgen voor kwaliteit en veiligheid betrokken. De leveranciers die militaire opleidingen verzorgen moeten daartoe gekwalificeerd zijn. Een kwalificatie tot instructeur is behaald bij Defensie en moet current zijn. Veel van de instructeurs die in dienst zijn bij een civiele leverancier zijn bovendien reservist. Dat zorgt er voor dat zij hun vaardigheden bij Defensie kunnen bijhouden. De overige instructeurs worden gecontroleerd op hun kwalificaties en indien nodig bijgeschoold door Defensie. Hier wordt nauwkeurig op afgestemd met de externe partner.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel instructeursfuncties bij Defensie zijn momenteel onvervuld en in hoeverre is het gebruik van civiele of particuliere opleiders noodzakelijk vanwege een tekort aan eigen militaire instructeurs?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie maakt vanwege schaarste aan eigen opleidings- en instructiecapaciteit gebruik van civiele opleidingscapaciteit. Momenteel worden circa 800 instructeurs via civiele partners ingezet voor het verzorgen van opleidingen en trainingen. Civiele capaciteit is aanvullend op de eigen militaire opleidingscapaciteit en wordt onder meer ingezet waar militaire expertise niet noodzakelijk is, zodat schaarse militaire capaciteit daarvoor beschikbaar blijft.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan per uitbestede opleiding worden aangegeven of het voor Defensie goedkoper of duurder is deze door een civiele of particuliere opleider te laten verzorgen dan deze met eigen personeel uit te voeren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie hanteert bij opleiden en trainen het uitgangspunt ‘civiel tenzij’: waar civiele opleidingscapaciteit passend en beschikbaar is, wordt deze benut, zodat schaarse militaire opleidingscapaciteit kan worden ingezet waar militaire expertise noodzakelijk is. De keuze om civiele opleidingscapaciteit in te zetten wordt daarmee niet uitsluitend op basis van kosten gemaakt, maar ook op basis van beschikbaarheid, schaalbaarheid, kwaliteit en de vraag of voor de opleiding specifieke militaire expertise noodzakelijk is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk totaalbedrag wordt in 2027 binnen de Defensiebegroting besteed aan beleid, programma&#x27;s, personeel, campagnes en externe opdrachten gericht op diversiteit en inclusie en\u002Fof het realiseren van de doelstelling dat in 2030 minimaal 30% van de organisatie uit vrouwen bestaat?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie streeft naar minimaal 30% vrouwen in 2030 en zet hiervoor onder meer in op instroom, ontwikkeling en behoud van vrouwen. Deze inzet maakt deel uit van de bredere Beleidslijn Diversiteit en Inclusie 2024–2030. De hiervoor ingezette activiteiten en middelen zijn onderdeel van verschillende reguliere personeels-, opleidings-, wervingscampagne- en bedrijfsvoeringsprocessen en worden niet als één afzonderlijk D&amp;I-budget geadministreerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onderzoek naar genderdiversiteit binnen Defensie bevestigt dat verdere aandacht nodig blijft voor onder meer gelijkheid, draagvlak en duidelijke sturing en communicatie. De aanbevelingen uit dit onderzoek worden meegenomen in de reeds ingezette beleidslijn. Daarom is geen totaalbedrag te geven dat in 2027 specifiek wordt besteed aan het realiseren van de doelstelling van minimaal 30% vrouwen in 2030..\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk bedrag wordt in 2027 binnen de Defensiebegroting specifiek besteed aan het werven, behouden of bevorderen van vrouwelijke medewerkers en aan initiatieven zoals ‘Vrouwen naar de top’ en vrouwelijke rolmodellen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie investeert gericht in het aantrekken, ontwikkelen en behouden van vrouwen, in het bijzonder binnen militaire functies. Deze inzet is onderdeel van de bredere maatregelen uit de Beleidslijn Diversiteit en Inclusie 2024–2030.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Heeft de doelstelling van minimaal 30% vrouwen in 2030 op enige wijze gevolgen voor werving, selectie, plaatsing of bevordering van personeel, en zo ja, welke?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De doelstelling leidt tot gerichte maatregelen om de instroom, ontwikkeling en het behoud van vrouwen te vergroten. Defensie zet daarvoor vooral in op het wegnemen van belemmeringen voor vrouwen om te solliciteren en zich erkend en gewaardeerd te voelen binnen de organisatie. Indien dit aanpassing van processen of vereisten vergt, gebeurt dat altijd met inachtneming van de operationele eisen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gelden voor mannen en vrouwen bij alle operationele militaire functies exact dezelfde fysieke, medische en functiegerelateerde toelatingseisen en eindtermen? Zo nee, kan per uitzondering worden aangegeven waarin deze verschillen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De bijzondere functie-eisen militair (BFE) zijn voor mannen en vrouwen gelijk. De fysieke en medische toelatingseisen zijn op deze BFE’s geënt. Wel zijn er functieclusters, waarbij voor verschillende functies verschillende eisen gelden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aan welke voorwaarden moet een medewerker voldoen om voor de doelstelling dat in 2030 minimaal 30% van de Defensieorganisatie uit vrouwen bestaat als vrouw te worden aangemerkt, en is daarbij het juridisch geregistreerde geslacht, het door betrokkene opgegeven geslacht of een ander criterium bepalend?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het streefcijfer van 30% vrouwen wordt aangesloten bij de wijze waarop het geslacht van medewerkers in de personeelsadministratie van Defensie is geregistreerd. Het streefcijfer heeft betrekking op het totale personeelsbestand.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Worden transgender vrouwen en personen met een non-binaire of andere genderregistratie bij de berekening van de doelstelling dat in 2030 minimaal 30% van de Defensieorganisatie uit vrouwen bestaat meegeteld als vrouw? Zo ja, op basis van welk criterium?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het streefcijfer wordt aangesloten bij het geslacht zoals dat in de personeelsadministratie van Defensie is geregistreerd. Een medewerker die daarin als vrouw staat geregistreerd, wordt voor het streefcijfer als vrouw meegeteld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke geslachts- en\u002Fof gendercategorieën hanteert Defensie bij de registratie van personeel en bij het opstellen van personeelsstatistieken, naast de categorieën man en vrouw?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de voor deze personeelsstatistieken gebruikte registratie worden de categorieën Man (M), Vrouw (V) en Onbekend (O) gehanteerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan per gehanteerde geslachts- en\u002Fof gendercategorie worden aangegeven hoeveel medewerkers van Defensie op 1 januari 2027 in deze categorie geregistreerd staan?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Per 1 september 2026 stonden in de personeelsadministratie 68.546 mannen en 17.493 vrouwen geregistreerd. Wegens het lage aantal geregistreerde non-binaire personen doen we vanwege privacyoverwegingen geen uitspraken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe worden medewerkers die niet als man of vrouw staan geregistreerd meegewogen bij de berekening van de doelstelling dat in 2030 minimaal 30% van de Defensieorganisatie uit vrouwen bestaat?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het streefcijfer wordt aangesloten bij het geslacht zoals dat in de personeelsadministratie van Defensie is geregistreerd. Daarbij worden de categorieën Man (M), Vrouw (V) en Onbekend (O) gehanteerd. Voor de berekening van het aandeel vrouwen worden medewerkers die als Vrouw (V) zijn geregistreerd als vrouw meegeteld. Medewerkers met de registratie Onbekend (O) worden niet als man of vrouw meegeteld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel heeft Defensie in 2024, 2025 en 2026 uitgegeven aan transgenderzorg voor defensiepersoneel en welk bedrag is hiervoor geraamd voor 2027? Kunt u de zorgkosten uitsplitsen naar medische behandelingen, medicatie, psychologische of psychosociale begeleiding en overige zorgkosten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Nederlandse basis(zorg)verzekering vergoedt het grootste deel van de erkende zorg voor genderincongruentie in Nederland. Militairen in werkelijke dienst zijn uitgesloten in de Zorgverzekeringswet. Militairen in werkelijke dienst zijn verzekerd via de Stichting ZiektekostenVerzekering Krijgsmacht (SZVK). Op grond van de verzekeringsvoorwaarden van de SZVK maken militairen in werkelijke dienst aanspraak op dezelfde vergoedingen voor zorg voor genderincongruentie als andere Nederlanders vanuit de basisverzekering. Vergoedingen op grond van de verzekeringsvoorwaarden van de SZVK worden betaald vanuit de premiegelden. Defensie doet zelf geen uitgaven voor zorgkosten voor genderincongruentie. Dergelijke kosten worden dus ook niet geraamd voor 2027.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke overige kosten heeft Defensie in 2024, 2025 en 2026 gemaakt en voor 2027 geraamd in verband met gendertransities van defensiepersoneel, voor zover deze niet onder de reguliere zorgkosten vallen? Kunt u deze kosten per categorie uitsplitsen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zorgkosten die samenhangen met genderincongruentie worden door de SZVK vergoed voor zover deze onder de verzekerde zorg vallen. Defensie vergoed geen kosten voor zover die buiten de regulier vergoede zorgkosten (medisch specialistische zorg) vallen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke vormen van transgenderzorg en overige met een gendertransitie samenhangende kosten worden geheel of gedeeltelijk door Defensie vergoed, en welke voorwaarden gelden daarvoor?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoorden op de vragen 80 en 81.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel unieke defensiemedewerkers hebben in 2024, 2025 en 2026 gebruikgemaakt van door Defensie betaalde of vergoede transgenderzorg? Kunt u per jaar uitsplitsen hoeveel uitgaven zijn gedaan aan medische behandelingen, medicatie, psychologische of psychosociale begeleiding en overige zorg? Kunt u daarbij tevens aangeven hoeveel unieke defensiemedewerkers in totaal van één of meerdere van deze vormen van zorg gebruik hebben gemaakt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoorden op de vragen 80 en 81.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel van de deelnemers aan het Dienjaar uit ieder afgerond cohort zijn na afloop doorgestroomd naar een functie als beroepsmilitair en hoeveel naar een functie als reservist?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Sinds de start van het Dienjaar in 2023 waren per 1 september 2026 in totaal 670 dienjaarmilitairen doorgestroomd naar beroepsmilitair en 199 naar reservist; daarnaast zijn acht deelnemers doorgestroomd naar een burgerfunctie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn in 2027 de totale geraamde kosten van het Dienjaar en van de Nationale Weerbaarheidstraining afzonderlijk, en wat zijn daarmee de gemiddelde kosten per deelnemer?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In 2027 is voor de NWT circa € 62 miljoen gereserveerd en voor het Dienjaar € circa € 86 miljoen. Daarnaast worden deelnemers aan het Dienjaar voor de helft op vacante al bestaande militaire functies geplaatst. Per deelnemer zijn de gemiddelde kosten circa € 50.000 voor een deelnemer aan de NWT en circa € 115.000 per gemiddelde deelnemer aan het Dienjaar (voor het reguliere Dienjaar circa € 100.000 en voor het specialistische Dienjaar circa € 175.000 per deelnemer).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel instructeurs en opleidingsplaatsen zijn in 2027 nodig voor de 1.500 Dienjaarmilitairen en circa 1.800 deelnemers aan de Nationale Weerbaarheidstraining?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De benodigde instructie- en opleidingscapaciteit voor het Dienjaar en de Nationale Weerbaarheidstraining (NWT) wordt afgestemd op de omvang en inrichting van de lichtingen. Daarbij wordt waar mogelijk gebruikgemaakt van civiele opleidingscapaciteit, zodat schaarse militaire opleidingscapaciteit beschikbaar blijft voor onderdelen waarvoor militaire expertise noodzakelijk is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de NWT zijn om 1.800 deelnemers op te leiden, 1.800 opleidingsplaatsen nodig. We streven naar een instructeurs-leerling ratio van 1:8. Dit is vergelijkbaar met andere basisopleidingen binnen Defensie. Doordat het NWT zo min mogelijk beslag wil leggen op al schaarse capaciteiten binnen defensie, zoals instructiecapaciteit, wordt deze veelal ingehuurd. Met in achtneming van de wet en regelgeving en de lange opleidingsdagen die soms onderdeel zijn van de opleiding tot militair begroten wij 96 vte instructeurs in te zetten voor de opleiding van 1.800 deelnemers.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gaat de opleidingscapaciteit die voor het Dienjaar en van de Nationale Weerbaarheidstraining wordt ingezet op enigerlei wijze ten koste van opleidingscapaciteit voor beroepsmilitairen? Zo ja, in welke omvang?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uitgangspunt is dat de beschikbare opleidingscapaciteit primair wordt ingezet voor de opleiding van beroepsmilitairen. De groei van het Dienjaar en de NWT mag de noodzakelijke opleidingscapaciteit voor beroepsmilitairen daarom niet verdringen. De geplande groei van Dienjaar en NWT vereist aanvullende capaciteit voor onder meer instructie, uitrusting, oefenfaciliteiten en vastgoed. Waar mogelijk wordt hiervoor gebruikgemaakt van civiele capaciteit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan de €3,1 miljard aan voor 2027 geraamde militaire steun aan Oekraïne worden uitgesplitst naar materiële steun, training, instandhouding, financiële bijdragen aan internationale initiatieven en overige uitgaven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De € 3,1 miljard aan begrote bruto kasuitgaven kan worden opgesplitst in materiële steun (€ 2,6 miljard) en de vervanging van geleverd materieel uit eigen voorraad (€ 0,5 miljard). Onder de materiële steun vallen eventueel ook de financiële bijdragen aan internationale initiatieven. De trainingen aan Oekraïne waarvoor Nederlandse militairen worden ingezet, zoals EUMAM, worden gefinancierd vanuit het Budget Internationale Veiligheid (BIV), dat op artikel 1 (Inzet) wordt begroot. Daarnaast is de exacte invulling van de militaire steun aan Oekraïne afhankelijk van de actuele behoeften van Oekraïne.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk deel van de €3,1 miljard wordt naar verwachting daadwerkelijk in 2027 uitgegeven en welk deel betreft reeds aangegane verplichtingen waarvan de feitelijke levering of betaling na 2027 plaatsvindt?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De volledige € 3,1 miljard aan kasuitgaven die begroot zijn voor 2027 worden naar verwachting in 2027 uitgegeven. Ook de volledige verplichtingenruimte die voor 2027 is begroot wordt naar verwachting in 2027 benut.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke concrete indicatoren beoordeelt Defensie of de militaire steun aan Oekraïne gevolgen heeft voor de operationele gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 155.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn er op dit moment NAVO-capaciteitsdoelstellingen waarvan het behalen volgens Defensie wordt vertraagd of bemoeilijkt door militaire steun aan Oekraïne? Zo ja, welke en met welke verwachte vertraging?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Over het algemeen heeft de Nederlandse militaire steunverlening aan Oekraïne een verdringingseffect op de gereedheid van de Nederlandse strijdkrachten en het behalen van de NAVO-capability targets. Gezien het Nederlandse belang van een veilig Europa, worden deze effecten door Defensie echter als significant maar acceptabel beoordeeld. Defensie neemt maatregelen om deze gevolgen zoveel mogelijk te mitigeren, bijvoorbeeld door te investeren in extra inkoopcapaciteit. Defensie kan niet ingaan op specifieke NAVO-capability targets waarvan het behalen wordt vertraagd of bemoeilijkt door de militaire steun aan Oekraïne.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk totaalbedrag wordt in 2027 vanuit hoofdstuk X besteed aan de NAVO en welk totaalbedrag aan de EU, uitgesplitst naar contributies, operaties, missies, personele bijdragen en overige bijdragen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NAVO is de hoeksteen van het Nederlandse veiligheidsbeleid en de Europese Unie levert een essentiële bijdrage aan een sterker Europa binnen de NAVO. In totaal begroot Defensie in 2027 vanuit hoofdstuk X €185,9 miljoen euro aan de NAVO, en € 36,3 miljoen euro aan de EU. Er wordt in totaal €68,7 miljoen begroot aan NAVO-operaties en €117,2 miljoen aan NAVO-contributies. Er wordt in totaal €10,9 miljoen begroot aan EU-missies en €25,58 miljoen aan EU-contributies.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel defensiepersoneel is in 2027 geraamd voor functies bij respectievelijk NAVO- en EU-instellingen, hoofdkwartieren en missies?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor 2027 zijn in het Strategisch Functiebestand Internationale Militaire Samenwerking (SFIMS) circa 580 strategische posities van de CDS bij NAVO- en EU-instellingen en -hoofdkwartieren opgenomen. Daarbij wordt gestuurd op een vullingspercentage van minimaal 80%. Missies zijn hierin niet meegenomen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke activiteiten of capaciteiten worden in 2027 vanuit hoofdstuk X gefinancierd in EU-verband die inhoudelijk geheel of gedeeltelijk overlappen met activiteiten of capaciteiten binnen de NAVO?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Er worden geen overlappende activiteiten gefinancierd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met hoeveel voltijdbanen wordt de Bestuursstaf in 2027 uitgebreid als gevolg van de Defensienota 2026, uitgesplitst naar militair personeel, burgerpersoneel en externe inhuur?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Bestuursstaf telt circa 6.100 voltijdbanen. Dit bestaat uit 1: het kerndepartement (het DG Beleid, de Defensiestaf, de Hoofddirectie Finance en Control, de Directie Juridische Zaken, de Directie Communicatie, de Directie Human Resources &amp; Bedrijfsvoering, de Directie Finance &amp; Control Bestuursstaf, en de Directie Bestuursondersteuning en Advies) en 2: de Bijzondere Organisatie Eenheden (Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, Militaire Luchtvaart Autoriteit, Inspectie Veiligheid Defensie, Inspectie Militaire Gezondheidszorg, Militair Huis van de Koning, Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst, Centraal Orgaan Integriteit Defensie en Dienst Geestelijke Verzorging). Deze vallen administratief onder de Bestuursstaf. Maar gelet op hun taak bekleden zij een onafhankelijke positie. Dit is een aandeel van circa 3,5% in het totale personeelsbestand van Defensie. Daarnaast vallen onder de Defensiestaf ook eenheden met een operationeel karakter, zoals het Special Operations Command en het Defensie Cyber Commando. Het daadwerkelijke kerndepartement van Defensie bestaat uit circa 1850 mensen. De maatregelen behorend bij DN26 worden op dit moment uitgewerkt. De groei van het aantal voltijdsbanen bij de Bestuursstaf is daar onderdeel van. Wij voorzien dat eind 2026 meer zicht is op de groei van Defensie in het algemeen en de Bestuursstaf in het bijzonder.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat bedragen de structurele jaarlijkse kosten van de uitbreiding van de Bestuursstaf in 2027 als gevolg van de Defensienota 2026?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De uitbreiding van de Bestuursstaf als gevolg van de Defensienota 2026 wordt momenteel nader uitgewerkt. Daarmee is ook de omvang van de structurele jaarlijkse kosten voor 2027 nog niet definitief vastgesteld. De financiële consequenties worden binnen de beschikbare begrotingskaders ingepast.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan worden aangegeven hoeveel (voltijd)banen binnen de Bestuursstaf in 2027 werkzaam zijn op internationale positionering, communicatie, diversiteit en inclusie, duurzaamheid en klimaat, afzonderlijk weergegeven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Binnen de Bestuursstaf zijn in 2027 circa 95 vte voorzien voor internationale positionering, circa 80 vte voor communicatie, circa vijf vte voor diversiteit en inclusie en circa 20 vte voor duurzaamheid en klimaat. Voor internationale positionering is uitgegaan van de formatie van de Directies Internationale Aangelegenheden en Militaire Strategie en voor communicatie van de Directie Communicatie. Bij duurzaamheid en klimaat zijn de functies meegeteld die specifiek zijn gericht op duurzaamheid en energiezekerheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe verhoudt de procentuele personele groei van de Bestuursstaf in 2027 zich tot de procentuele groei van het aantal beroepsmilitairen bij de Koninklijke Marine, Koninklijke Landmacht, Koninklijke Luchtmacht en Koninklijke Marechaussee, afzonderlijk weergegeven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De uitwerking van de maatregelen behorend bij DN26 worden op dit moment uitgewerkt. De groei van het aantal voltijdsbanen bij de BS is daar onderdeel van.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn in 2027 de geraamde meerkosten voor Defensie van het gebruik van 30% duurzame wegdiesel, 30% duurzame scheepsdiesel en 15% duurzame vliegtuigbrandstof ten opzichte van het gebruik van conventionele brandstoffen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de meerkosten van alternatieve brandstoffen is op dit moment jaarlijks circa € 22 miljoen beschikbaar. De verwachte aanvullende kosten voor deze doelstelling worden voor het overgrote deel bepaald door de meerkosten voor de inkoop van alternatieve brandstoffen ten opzichte van fossiele brandstoffen. Aangezien de markt voor duurzame brandstoffen zoals Sustainable Aviation Fuel (SAF) nog sterk in beweging en daardoor lastig te voorspellen is, worden de meerkosten met een algemene factor per brandstoftype berekend. Met het huidige beeld is de verwachting dat dit budget in 2027 niet toereikend is. Defensie beziet jaarlijks of aanvullend budget beschikbaar wordt gesteld voor het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is in 2027 de geraamde gemiddelde prijs per liter voor duurzame wegdiesel, duurzame scheepsdiesel en duurzame vliegtuigbrandstof en wat is voor ieder van deze brandstoffen de geraamde gemiddelde prijs per liter van de conventionele variant?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Conventioneel\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met bio bijmenging conform groeimodel\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wegdiesel\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0,53\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0,89\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Scheepsdiesel\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0,55\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1,09\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vliegtuigbrandstof\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0,51\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>0,72\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Prijs in euro per liter (exclusief accijns en BTW) bij een geschatte olievatprijs van USD 95, exclusief de prijs voor brandstof gekocht of via Host Nation Support ingenomen in het buitenland en exclusief de prijs voor brandstof gekocht via commerciële tankpassen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn de in de Defensiebegroting voor 2027 opgenomen doelstellingen van 30% duurzame wegdiesel, 30% duurzame scheepsdiesel en 15% duurzame vliegtuigbrandstof bindend voor operationele eenheden, en kan hiervan onmiddellijk worden afgeweken wanneer prijs, beschikbaarheid, operationele inzetbaarheid of leveringszekerheid daartoe aanleiding geeft?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inkoop van brandstoffen gebeurt centraal door het Defensie Brand- en Bedrijfsstoffenbedrijf (DBBB). Het bijmengen wordt gefaseerd ingevoerd met als einddoel 30% per brandstofsoort in 2030, zodat de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen wordt verminderd door het bijmengen van biobrandstoffen en synthetische brandstoffen. Contractueel kan binnen de afgesproken levertijd voor scheepsdiesel en vliegtuigbrandstof, brandstof met een biocomponent tussen 0 en 30% worden afgeroepen. Voor wegdiesel is contractueel vastgelegd dat deze standaard 30% bio component bevat. Vanuit het DBBB wordt de brandstof geleverd aan de operationele eenheden. Deze kopen niet zelf in.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals genoemd in de kamerbrief Uitvoeringsagenda Energie en Duurzaamheid (Kamerstuk 36592-52) staat gevechtskracht voorop en draagt duurzaamheid daaraan bij. Leveringszekerheid heeft daarbij altijd prioriteit. In vredestijd spelen aspecten zoals duurzaamheid en prijsontwikkeling een rol. In crisissituaties is de herkomst van de brandstoffen (fossiel\u002Fbiologisch\u002Fsynthetisch) van ondergeschikt belang, zolang de beschikbaarheid en inzetbaarheid ervan zijn geborgd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel veteranen en militaire oorlogs- en dienstslachtoffers wachten op 1 januari 2027 naar verwachting op een definitieve beslissing binnen het voorzieningen- en uitkeringsstelsel, uitgesplitst naar een wachttijd van minder dan één jaar, één tot twee jaar, twee tot drie jaar en langer dan drie jaar?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de verwachting per 1 januari 2027 is gekeken naar de data per 1 september 2026. De verwachtingen is dat de getallen per 1 januari 2027 ongeveer gelijk zullen zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het stelsel van voorzieningen- en uitkeringen bestaat uit verschillende regelingen voor veteranen en dienstslachtoffers. De aanvragen op grond van die verschillende regelingen worden niet gelijktijdig aangevraagd en toegekend. Doorgaans wordt eerst vastgesteld of sprake is van invaliditeit met dienstverband om een militair invaliditeitspensioen toe te kennen. Als slotstuk van het stelsel kan eventuele restschade op grond van de Regeling Volledige Schadevergoeding (RVS) worden vergoed. Ook kunnen bepaalde specifieke voorzieningen en verstrekkingen worden toegekend. Momenteel wachten 54 veteranen en dienstslachtoffers op een beslissing op hun verzoek om een (hoger) militair invaliditeitspensioen. Een doorlooptijd van meer dan 1 jaar kan worden verklaard door de noodzaak om een externe medische expertise uit te laten voeren of doordat aanvullende medische informatie nodig is. Het aantal van 54 kan als volgt worden verdeeld:\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Doorlooptijd\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aantal dossiers (totaal 54)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>&lt;1 jaar\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>39\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1 – 2 jaar\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>11\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2 – 3 jaar\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>&gt; 3 jaar\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>3\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor wat betreft de RVS zijn er op dit moment 466 dossiers in behandeling. De RVS is een maatwerkregeling waarbij de procedures van elkaar verschillen en de lengte van de doorlooptijd verschillende oorzaken kan hebben. De dossiers waarin een externe deskundige moet worden ingeschakeld, kennen bijvoorbeeld een langere doorlooptijd dan de dossiers waarin dat niet nodig is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De 466 actieve dossiers kunnen als volgt worden verdeeld:\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Doorlooptijd\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Aantal dossiers (totaal 466)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>&lt;1 jaar\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>47\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>1 – 2 jaar\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>78\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2 – 3 jaar\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>92\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>&gt; 3 jaar\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>249\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete gemiddelde en maximale doorlooptijd stelt Defensie voor 2027 als doel bij de uitvoering van het voorzieningen- en uitkeringsstelsel voor veteranen en militaire oorlogs- en dienstslachtoffers?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zoals bij het antwoord op vraag 102 aangegeven, bestaat het voorzieningen- en uitkeringsstelsel uit verschillende aanspraken die toegekend kunnen worden. Defensie hanteert daarbij voor de meest aangevraagde aanspraken de volgende termijnen waarbinnen gestreefd wordt op een aanvraag te beslissen:\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Verstrekking: 30 dagen (zonder medisch advies), 90 dagen (met medisch advies);\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voorziening: 180 dagen;\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Militair invaliditeitspensioen: 180 dagen;\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Volledige schadevergoeding (RVS): twee jaar.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel financiële en personele capaciteit wordt in 2027 specifiek ingezet om bestaande achterstanden en doorlooptijden binnen het voorzieningen- en uitkeringsstelsel voor veteranen en militaire oorlogs- en dienstslachtoffers terug te dringen, en hoeveel meer of minder is dit dan in 2026?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de verbetering van de uitvoering van de Regeling Volledig Schadevergoeding is de afdeling letselschadeclaims in 2025 met 9 functies uitgebreid. De eerste effecten hiervan zijn zichtbaar. Tot 2025 kwamen er jaarlijks meer verzoeken binnen dan dat er werden afgehandeld. Dat verklaart de achterstanden en doorlooptijden. Sinds 2025 is dat omgedraaid. De achterstanden worden vanaf nu ingelopen. Aanvullende uitbreiding voor 2027 is niet voorzien.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan voor de €895,006 miljoen die in 2027 op artikel 12 Nog onverdeeld staat zo gedetailleerd mogelijk worden aangegeven op basis van welke geraamde loon- en prijsontwikkelingen dit bedrag is vastgesteld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vraag 10 voor de verdeling van de artikel 12 middelen. Defensie ontvangt bij de 1ste suppletoire begroting compensatie voor prijs- en volumeontwikkeling bbp op basis van het Centraal Economisch Plan (CEP) van het CPB.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welk moment verwacht u de in 2027 op artikel 12 Nog onverdeeld opgenomen €499,615 miljoen aan nog onverdeelde loonmiddelen en €395,391 miljoen aan nog onverdeelde prijsmiddelen daadwerkelijk over de begrotingsartikelen te verdelen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 10.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk deel van de in 2027 op artikel 12 Nog onverdeeld opgenomen €895,006 miljoen is naar huidige inzichten reeds materieel bestemd voor concrete uitgaven en welk deel kan nog worden bijgesteld wanneer de feitelijke loon- en prijsontwikkeling lager uitvalt dan geraamd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 5.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel wordt in 2027 bij de Koninklijke Marechaussee uitgegeven aan externe inhuur, hoeveel voltijdbanen betreft dit en voor welke functies en werkzaamheden worden externen ingehuurd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In 2027 heeft de Koninklijke Marechaussee € 54,3 miljoen voor externe inhuur begroot. Dit komt\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>neer op circa 250 voltijdbanen. Er wordt onder andere extern ingehuurd op het gebied van IT, particuliere beveiligingsdiensten en opleidings- en instructiecapaciteit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke oorzaken verklaren de stijging van de uitgaven aan externe inhuur bij de Koninklijke Marechaussee in 2027 ten opzichte van 2025 en 2026, en waarom wordt voor de jaren daarna weer een sterke daling geraamd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De stijging van de externe inhuur bij de Koninklijke Marechaussee hangt samen met krapte op de arbeidsmarkt, de groei van de organisatie, langdurige reorganisatietrajecten en intensieve investeringen in IT, waarvoor specialistische capaciteit nodig is die niet altijd intern beschikbaar is. Externe inhuur wordt ingezet om werkzaamheden uit te voeren zolang structurele functies nog niet met eigen personeel zijn gevuld en om tijdelijk specialistische kennis en capaciteit beschikbaar te hebben. Defensie zet primair in op het zoveel mogelijk met eigen personeel vullen van de organisatie. Door de snelle groei van de organisatie lukt dit niet altijd meteen. Daarom maakt Defensie in dat geval tijdelijk gebruik van alternatieve personele capaciteit waaronder externe inhuur en wordt de eerstkomende jaren een deel van de personele groei als gevolg van de Defensienota 2026 met inhuur ingevuld. Deze inhuur wordt in de jaren daarna afgebouwd zodra de vulling met eigen personeel verbetert. Dit is zichtbaar in de geraamde budgetreeks in de Defensiebegroting.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke schade van civiele bedrijven kan Defensie op grond van de risicoregeling Ecosysteem Logistiek vergoeden en is er een maximumbedrag dat Defensie hiervoor kan uitkeren? Zo ja, hoeveel bedraagt dit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het toetsingskader voor de risicoregeling Ecosysteem Logistiek wordt de vergoeding voor materiële en personele schade geregeld. Deze regeling is van toepassing indien de eigen verzekeraar de schade niet uitkeert in verband met molest. De vergoeding door Defensie zal gelijk zijn aan de uitkering die de verzekeraar zou hebben gedaan zonder molest. Voor de regeling is een jaarlijkse maximale omvang vastgesteld van € 680 miljoen, wat voor de 3-jarige looptijd van de regeling een plafond van € 2.040 miljoen betekent.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke militaire logistieke taken en capaciteiten worden in 2027 binnen het Ecosysteem Logistiek door civiele bedrijven geleverd en hoeveel civiele bedrijven zijn hierbij naar verwachting betrokken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie streeft ernaar om in 2027 een tiental logistieke diensten aanbesteed en gecontracteerd te krijgen binnen de domeinen transport en overslag. Per dienst zullen tenminste twee civiele bedrijven betrokken zijn. De logistieke taken en capaciteiten waar het om gaat zijn diverse vormen van transport (onder andere dieplader, container, stukgoed, munitie en bulk), personenvervoer, heffen, hijsen, stuwage en logistiek advies.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke militaire logistieke capaciteit heeft Defensie zelf beschikbaar indien civiele bedrijven binnen het Ecosysteem Logistiek tijdens een crisis of conflict niet of onvoldoende beschikbaar zijn?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft voldoende capaciteit voor de reguliere goederenstromen tussen defensielocaties tijdens de normale bedrijfsvoering. Het aanhouden van ruimere logistieke capaciteit is niet wenselijk omdat dit leidt tot verlaging van gevechtskracht. In een crisis of conflict wordt een afweging gemaakt of militaire capaciteit kan worden ingezet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel functies voor militair artsen, verpleegkundigen en overig geneeskundig personeel zijn momenteel onvervuld en wat is voor eind 2027 de geraamde vullingsgraad van deze functies?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Momenteel zijn, exclusief reservisten, circa 50 functies voor militair artsen en circa 250 functies voor militair verpleegkundigen onvervuld. Voor de vullingsgraad eind 2027 kan geen betrouwbare raming worden gegeven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete uitbreiding van de capaciteit van mobiele veldhospitalen en medische evacuatie- en triagecapaciteit wordt in 2027 gerealiseerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie werkt met hoge prioriteit aan de versterking van de gehele geneeskundige behandel- en afvoerketen. Voor de uitbreiding van de mobiele veldhospitalen en de triage- en evacuatiecapaciteit is een integrale aanpak nodig die zowel mensen, materieel als organisatie omvat. In 2027 loopt de voorbereidende fase en concentreert de inspanning zich op het voltooien van de aanbestedingsprocedures en het definitief maken van de operationele inrichting. Dit is een noodzakelijke stap om in 2028 de uitbreiding van deze capaciteiten te kunnen realiseren. De voortgang in deze voorbereidende fase van de uitbreiding is essentieel om de gewenste verhoging van de operationele gereedheid in het hoogste geweldsspectrum te kunnen realiseren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel Nederlandse defensiemedewerkers worden naar verwachting in 2027 ingezet voor werkzaamheden die direct verband houden met de militaire steun aan Oekraïne? Kunt u de gegevens uitsplitsen naar militairen en burgermedewerkers en daarbij aangeven wat de aard van de werkzaamheden is?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 116.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat zijn in 2027 de geraamde personele kosten van defensiemedewerkers die werkzaamheden verrichten die direct verband houden met de militaire steun aan Oekraïne, en worden deze kosten geheel of gedeeltelijk meegerekend in de €3,1 miljard aan voor 2027 geraamde militaire steun aan Oekraïne? Zo ja, voor welk bedrag?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord vraag 115, 116:\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het is niet mogelijk een inschatting te geven van het aantal Defensiemedewerkers die aan het Oekraïne-dossier gerelateerde taken uitvoeren. Daarvoor is de taakomschrijving van veel medewerkers te breed. De Project Directie Oekraïne, gericht op implementatie van de militaire steun, telt 66 fte’s maar omvat geen ondersteunende functies waaronder bijvoorbeeld inkopers, juridische en financiële capaciteit, logistieke medewerkers of militaire trainers. Om dezelfde reden is het ook niet mogelijk om de personele kosten te ramen. Deze komen ten laste van de gebruikelijke bedrijfsvoering van het ministerie van Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u toelichten waarom de regering de NAVO-norm van 3,5% BBP wettelijk wil verankeren per 2035? Is het niet logischer de defensiebegroting te baseren op de actuele behoeftestelling dan op een specifiek percentage van het BBP?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet investeert fors in het verbeteren van onze veiligheid en krijgsmacht; de uitgaven aan Defensie zijn 2,8% in 2030 en 3,5% in 2035. Zoals toegelicht in de Defensienota 2026 en eerder aan uw Kamer gemeld is voor het volledig invullen van de huidige NAVO Capability Targets, primair gericht op NAVO-taken, 3,5% bbp nodig. Daarnaast kent Defensie ook nog (investerings)behoeften voor nationale taken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarom zijn, zoals in de Defensienota 2026 toegelicht, scherpe keuzes nodig. Defensie kiest en prioriteert maatregelen die bijdragen aan het militaire vermogen dat Nederland en de NAVO het hardst nodig hebben, op basis van de leidende principes uit de Defensienota 2026, en de capaciteitsdoelstellingen die door de NAVO zijn geprioriteerd in het NAVO-Defensieplanningsproces (NDPP). Daarnaast anticipeert Defensie bij investeringen op de volgende planningscyclus van de NAVO. Defensie kan dus ook bij besteding van 3,5% bbp in 2035 niet volledig en gelijktijdig aan alle opgaven voldoen, zoals ook gemeld in de Defensienota 2026.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet wil de NAVO-norm van 3,5% van het bbp per 2035 wettelijk verankeren. We hebben de les geleerd van de bezuinigingen op Defensie de afgelopen decennia. Bezuinigen gaan snel, maar herstellen en opbouwen van de krijgsmacht en de kennis duurt lang. Dit vraagt meer zekerheid. Het wettelijk verankeren van een minimum van 3,5% van het bbp aan Defensie-uitgaven per 2035 biedt zekerheid aan Defensie om langjarige verplichtingen aan te gaan en zekerheid aan de Defensie-industrie om structureel op te schalen. De wettelijke verankering draagt bij aan bestendig beleid dat langjarig richting geeft aan de versterking van de krijgsmacht, de verdediging van ons land en aan onze NAVO-verplichtingen en -verantwoordelijkheden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u &quot;publiek-private samenwerking&quot; als kernbegrip op het gebied van inlichtingen nader toelichten? Deelt Defensie informatie in dit kader met private partijen? Zo ja, gaat het hierbij ook om persoonsgegevens?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het inlichtingenlandschap verandert snel: de geopolitieke situatie wordt instabieler, dreigingen complexer en moderne technologieën herdefiniëren zowel het slagveld als de methoden voor het verzamelen en analyseren van data. In dat kader wordt samenwerking met het bedrijfsleven steeds belangrijker voor de diensten. Banken, havengebieden, energiebedrijven en andere private partijen houden zich in steeds grotere mate bezig met de bescherming van mensen, gegevens en infrastructuur op risicovolle locaties. Publiek-private samenwerking is een belangrijk speerpunt binnen de recent verschenen Defensie Cyberstrategie en de Nederlandse Cybersecurity Strategie. Private partijen beschikken over unieke technische expertise en kunnen vroegtijdig dreiging signaleren. In deze samenwerking tussen de diensten en private partijen worden op basis van de Wiv 2017 gegevens uitgewisseld die technisch van aard zijn, zoals technische kenmerken van infrastructuur die actoren gebruiken of stukjes malware die worden gebruikt bij cyberaanvallen, zodat een beter beeld van gekende en ongekende dreigingen in het cyberdomein kan worden verkregen en bedrijven zich kunnen weren tegen dreigingen. In het kader van de wetsvoorstel voor een Wet bescherming nationale veiligheid door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt voorgesteld expliciet vast te leggen dat bij het aangaan van een samenwerkingsrelatie die structureel van aard zal zijn en waarbij wordt voorzien dat persoonsgegevens worden verstrekt de betreffende dienst weegt of kan worden overgegaan tot het aangaan van deze samenwerkingsrelatie en zo ja, wat de aard en intensiteit van die samenwerking kan zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe verhoudt het werken aan &quot;passende en aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden&quot; zich tot het voorstel voor de Wet op de defensiegereedheid, die bepaalt dat Defensie eenzijdig af kan wijken van zulke voorwaarden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Passende en aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden blijven van belang voor het aantrekken en behouden van personeel. De Wet op de defensiegereedheid verandert dit uitgangspunt niet. De wet vult de bestaande afwijkingsmogelijkheid in artikel 1b van de Wet ambtenaren defensie aan met een bevoegdheid voor situaties waarin de goede voortgang van de gereedstelling in het geding komt en een afwijking tijdelijk toch noodzakelijk is. Het gaat daarmee niet om een algemene bevoegdheid om arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen. Uitgangspunt is dat Defensie zoveel mogelijk gebruikmaakt van de bestaande regelgeving. De afwijkingsmogelijkheid is geen vervanging van passende en aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden, maar een instrument om bij een concrete belemmering van de gereedstelling tijdelijk toch de noodzakelijke mate van te kunnen garanderen. Een afwijking moet noodzakelijk, proportioneel, gericht en zo kort mogelijk zijn. Het besluit met de afwijking moet de concrete belemmering, de betrokken regels, de doelgroep en de duur motiveren. Een maatregel geldt maximaal twee jaar en kan eenmaal met ten hoogste één jaar worden verlengd; beide Kamers worden geïnformeerd. Een voorbeeld is het tijdelijk beperken van verlof wanneer een eenheid versneld inzetgereed moet worden gemaakt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Blijkt een wijziging structureel nodig, dan moet deze via het reguliere overleg met de centrales en de normale regelgevingsprocedure worden gerealiseerd. Zo blijft het werken aan passende en aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden het uitgangspunt en is afwijking daarop uitsluitend een tijdelijk instrument voor bijzondere situaties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Om welke landen gaat het bij het streven naar het uitbreiden van samenwerking met nieuwe partners in West-Afrika en het Midden-Oosten? Kunt u een toelichting geven op hoe de regering deze samenwerking wil invullen, mede in het licht van de mensenrechten- en binnenlandse veiligheidssituaties in de betreffende landen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet ziet veiligheidssamenwerking met de Golflanden als een groeidomein, bijvoorbeeld op het gebied van defensiematerieel, die passen bij de bredere partnerschappen waar aan wordt gewerkt. Ook de samenwerking met Jordanië is voor het kabinet belangrijk. Deze samenwerking ziet bijvoorbeeld op materieelsamenwerking, militaire diplomatie en opleiden en trainen. In West-Afrika werkt Nederland samen met bijvoorbeeld Ivoorkust en Senegal. Deze samenwerking ziet vooral op capaciteitsopbouw.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke stappen heeft u gezet met betrekking tot publiek-private samenwerking met de defensiegerelateerde industrie? Om welke bedrijven gaat het in de afgelopen twee jaar?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie heeft de publiek-private samenwerking de afgelopen jaren geïntensiveerd, met als doel de opschaling van de defensie-industrie te versnellen. Samen met onder andere de brancheverenigingen voor de defensie-industrie heeft Defensie het publiek-private platform Defport opgericht. Binnen dit platform werkt Defensie samen met partners aan industriële ontwikkeling en innovatie. Belangrijke partners binnen Defport zijn de NIDV, FME, VNO-NCW, andere departementen, kennisinstellingen en de financiële sector. Samen verkleinen we de afstand tussen vraag en aanbod en verbeteren we het investeringsklimaat, zodat de Nederlandse defensiemarkt aantrekkelijker wordt voor de ontwikkeling en productie van militair materieel. Defport wordt de komende tijd, met de komst van het Nationaal Programma Defensie-industrie en Innovatie (NPDII), verder geformaliseerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast intensiveert Defensie publiek-private samenwerking in de regio. Defensie werkt samen met een breed netwerk van tientallen civiele bedrijven en kennisinstellingen binnen regionale netwerken. Deze netwerken bestaan uit zowel grote OEM-bedrijven, als ook innovatieve start-ups en scale-ups. Momenteel zetten wij volop in op het uitbreiden en opschalen van de ecosystemen die nodig zijn om de krijgsmacht verder te versterken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie jaagt bovendien op verschillende manieren publiek-private samenwerking gericht op innovatie aan: door zelf met industrie samen te werken in ontwikkeling van technologie in materieel (bijvoorbeeld in kort-cyclische innovatietrajecten en Strategic Defence Innovation Research (SDIR)-trajecten), alsook doorpubliek-private innovatieconsortia aan te jagen, bijvoorbeeld in haar eigen Technologieontwikkeling instrument of via het Missiegedreven Innovatiebeleid van EZK en de Kennis- en Innovatieconvenant-calls van NWO. Ook de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit zal publieke-private consortia bij elkaar brengen in grootschalige innovatietrajecten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe wordt bij het ontwikkelen van nieuwe technologie, met name op het gebied van AI en autonome systemen, rekening gehouden met internationale regelgeving ten aanzien van bepaalde typen of toepassingen van militaire technologie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, is onverkort van toepassing op alle middelen en methoden van oorlogvoering, ook wanneer deze een AI-component bevatten. Bij ieder nieuw middel of methode van oorlogvoering wordt beoordeeld hoe we die binnen onze (internationaalrechtelijke) verplichtingen kunnen gebruiken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke specifieke juridische kaders van toepassing zijn, is afhankelijk van het middel of de methode, het doel van de AI, waarvoor deze wordt gebruikt en in welke omstandigheden. Defensie toetst nieuwe middelen en methoden van oorlogvoering altijd aan het internationaal recht, waaronder autonome (wapen)systemen. Deze toetsing vindt plaats conform Artikel 36 van het Eerste Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève en ziet niet alleen op de aanschaf van nieuwe middelen en methoden, maar ook op de bestudering en ontwikkeling.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast onderschrijft Defensie de door de NAVO geformuleerde principes voor het verantwoord gebruik van AI en beschikt Defensie over een standaard werkwijze voor de ontwikkeling van AI-systemen waarin juridische en ethische aspecten worden geadresseerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe verwacht u dat de ingezette en geplande uitbreidingen van de krijgsmacht van invloed zijn op de uitstoot van broeikasgassen en de bijdrage van Defensie aan klimaat- en duurzaamheidsopgaven? Kunt u hier cijfers over geven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De komende jaren groeit Defensie. De focus ligt daarbij ook op het versterken van energiezekerheid en autonoom voortzettingsvermogen. Dit draagt bij aan het terugdringen van de CO2-uitstoot en zo blijft Defensie ook bijdragen aan nationale klimaatdoelstellingen. Investeringen in energiezekerheid, verminderde afhankelijkheden, diversificatie van energiebronnen en een efficiënter energiegebruik dragen niet alleen bij aan duurzaamheidsdoelstellingen, maar ook aan de slagkracht en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het streven is 55% reductie van CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van het referentiejaar 1990, conform het Europees Fit for 55 klimaatpakket. In 2025 heeft Defensie 56% reductie behaald. Door de uitbreidingen kan de CO2-uitstoot door een toename van activiteiten stijgen, maar Defensie blijft maatregelen nemen om de CO2-uitstoot terug te dringen. Denk hierbij aan het bijmengen van biobrandstoffen en het verduurzamen van het vastgoed.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u aangeven welke invloed de significante herziening van de nucleaire strategie, waaronder het verlagen van drempels voor inzet, waar de Amerikaanse regering volgens deskundigen aan werkt, heeft op de Nederlandse DCA-taak?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet doet geen uitspraken over de details van besluitvorming over de inzet van nucleaire wapens binnen de NAVO. Dit heeft te maken met veiligheidsoverwegingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u toelichten hoe in dit begrotingsvoorstel rekening is gehouden met de kritische bevindingen van de Algemene Rekenkamer van mei 2026 ten aanzien van onder meer aanbestedingen, corruptie- en fraudebeleid bij Defensie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de verzamelbrief “veiligheid en integriteit” van 7 september (D2026 004937\u002FMINDEF20260052322) is uw Kamer geïnformeerd en de motie Piri opgevolgd. Inmiddels is een GAP-analyse uitgevoerd en een start gemaakt met het opstellen van een verbeterplan. Door het uitvoeren van een volwassenheidsmeting en frauderisicoanalyse wordt aandacht besteed aan het inzichtelijk maken van fraude en corruptierisico’s en stappen gezet om een coherent frauderisicomanagementsysteem in te richten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In welk jaar moet de in de begroting genoemde krijgsmacht van minimaal 122.000 medewerkers zijn gerealiseerd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie bouwt richting 2030 aan een organisatie van circa 100.000 medewerkers. De minimaal 122.000 medewerkers betreft de verdere groei van de schaalbare krijgsmacht zoals opgenomen in het coalitieakkoord.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe is het beoogde aantal van 122.000 medewerkers verdeeld over beroepsmilitairen, reservisten en burgerpersoneel?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In een eerste uitwerking van de benodigde personele omvang is voor een krijgsmacht van circa 122.000 personen uitgegaan van circa 60.000 beroepsmilitairen, 35.000 reservisten en 27.000 burgermedewerkers. Deze aantallen geven een mogelijke verdeling van de benodigde personele omvang weer en zijn geen vastgestelde doelstellingen per personeelscategorie. De nadere samenstelling van de verdere groei wordt momenteel uitgewerkt. Het uiteindelijke aantal reservisten is nog niet vastgesteld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u, gelet op de bestaande afhankelijkheid van Israëlische defensiebedrijven en de ruim €163 miljoen aan overeenkomsten met in Israël gevestigde bedrijven in het eerste halfjaar van 2026, aangeven welk bedrag Defensie naar verwachting in 2027 en de daaropvolgende jaren zal uitgeven aan bestaande en nieuwe deals met in Israël gevestigde defensiebedrijven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nee, dit hangt samen met de snelheid van het beschikbaar komen van Nederlandse en Europese alternatieven op de defensiemarkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel reservisten moet Defensie in 2030 in dienst hebben om de beoogde omvang van circa 102.000 mensen te bereiken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In 2030 gaat Defensie uit van 20.000 reservisten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel reservisten zijn uiteindelijk benodigd om de beoogde omvang van minimaal 122.000 medewerkers te bereiken?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vraag 127.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk budget is in 2027 beschikbaar voor de verbetering van de rechtspositie van reservisten in de civiele arbeidsverhouding?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de verbetering van de rechtspositie van reservisten zijn middelen gereserveerd binnen de arbeidsvoorwaardenmiddelen. De omvang hiervan kan vanwege de lopende arbeidsvoorwaardenonderhandelingen niet afzonderlijk worden vermeld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel civiele werkgevers hebben naar verwachting in 2027 een werknemer die als reservist bij Defensie werkzaam is?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Steeds meer werkgevers bieden hun medewerkers de mogelijkheid om zich naast hun reguliere werkzaamheden als reservisten aan Defensie te verbinden. Reservisten zijn op dit moment niet verplicht om informatie over hun civiele werkgever met Defensie te delen. Defensie vraagt reservisten periodiek om deze informatie vrijwillig te verstrekken, maar het beschikbare beeld is nog te beperkt om een betrouwbare inschatting te kunnen geven van het aantal civiele werkgevers dat in 2027 een reservist in dienst heeft.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u aangeven welke aanbestedingen worden verwacht bij vervolgaankopen die eerder bij Israëlische defensiebedrijven zijn gedaan, denkend aan bijvoorbeeld VOSS vesten of PULS raketsystemen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vraag 128.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u aangeven welke defensiesamenwerking wordt verwacht tussen Nederlandse en Israëlische strijdkrachten?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Elke vorm van defensiesamenwerking met Israël wordt zorgvuldig en afzonderlijk afgewogen. In de praktijk is samenwerking momenteel beperkt tot materieelsamenwerking. Israëlische bedrijven leveren diverse essentiële militaire systemen of onderdelen daarvan waarvoor op dit moment geen vergelijkbare of tijdige alternatieven beschikbaar zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u aangeven of Defensie op dit moment alternatieven zoekt voor al het defensiemateriaal van Israëlische defensiebedrijven waar Nederland nu gebruik van maakt, en welke criteria, bijvoorbeeld mensenrechtenschendingen of het risico op oorlogsmisdaden, worden meegewogen bij vervolgaankopen of anderszins bij de beschikbaarheid van alternatieven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met het huidige voorkeursbeleid van Defensie ten aanzien van leveranciers uit Nederland of Europa is de inzet om de afhankelijkheid van niet-Europese leveranciers, waaronder die uit Israël, zoveel mogelijk te beperken. Tegelijkertijd heeft Defensie vanwege de toegenomen internationale dreiging en de veroudering van het bestaand materieel op zeer korte termijn behoefte aan nieuw materieel om de taken van de krijgsmacht te kunnen blijven uitvoeren. Dit is noodzakelijk voor de veiligheid van Nederland en Europa, en de levens van onze militairen zijn ervan afhankelijk. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Daarbij komen ook Israëlisch geregistreerde bedrijven in beeld. Israëlische bedrijven leveren diverse essentiële militaire systemen of onderdelen daarvan waarvoor geen vergelijkbare of tijdige alternatieven beschikbaar zijn. Eventuele aankopen van nieuw materieel uit Israël worden per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie – mede in het licht van de motie-Teunissen (Kamerstuk 22054, nr. 478) – onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u aangeven of tijdens gesprekken met Israëlische strijdkrachten en\u002Fof defensiebedrijven de interne onderzoeken van het IDF naar mogelijke oorlogsmisdaden ter sprake zijn gekomen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet gaat niet in op de inhoud van de gesprekken die worden gevoerd. Dit gebeurt in vertrouwelijkheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel van de circa 1.500 Dienjaarmilitairen die in 2027 worden voorzien moeten volgens de raming doorstromen naar een beroepsaanstelling? Voor 2027 is geen afzonderlijk aantal vastgesteld dat moet doorstromen naar een beroepsaanstelling. Ter indicatie: van de 1.464 deelnemers die sinds de start van het Dienjaar tot 1 september 2026 het Dienjaar hadden afgerond, zijn 670 (46%) doorgestroomd naar beroepsmilitair.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel van de circa 1.500 Dienjaarmilitairen die in 2027 worden voorzien moeten volgens de raming doorstromen naar een reservistenaanstelling? Voor 2027 is geen afzonderlijk aantal vastgesteld dat moet doorstromen naar een reservistenaanstelling. Ter indicatie: van de 1.464 deelnemers die sinds de start van het Dienjaar tot 1 september 2026 het Dienjaar hadden afgerond, zijn 199 (14%) doorgestroomd naar reservist.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel extra stikstofdepositie verwacht u als gevolg van de uitbreiding van oefeningen en militaire infrastructuur in 2027 en daaropvolgende jaren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In 2025 is door TNO een analyse gemaakt van de stikstofdepositie veroorzaakt door Defensie-activiteiten. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het aandeel van Defensie in de totale stikstofdepositie met ongeveer 0.02% zeer gering is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de activiteiten genoemd in de Wodg wordt momenteel gewerkt aan het in beeld brengen van bijbehorende extra stikstofdepositie, in de Passende Beoordeling. Deze is naar verwachting medio december beschikbaar.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u een opsomming geven van op welke natuurgebieden Defensie het oog heeft voor uitbreidingsplannen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) wijst geen categorie “natuurgebieden” aan als zodanig, maar bevat een aantal uitbreidingslocaties die geheel of gedeeltelijk in of nabij natuurgebieden liggen. Het betreft onder meer uitbreidingen van oefen- en schietterreinen, laagvlieggebieden, munitieopslaglocaties en vastgoed. Een volledige opsomming is opgenomen in hoofdstuk 8 en op de detailkaarten van het definitieve NPRD. Per locatie is daarbij de samenloop met natuurwaarden en Natura 2000-gebieden onderzocht in de planMER en de vervolgonderzoeken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke Nederlandse capaciteiten ondervinden in 2027 gevolgen van de militaire steun aan Oekraïne?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het leveren van militaire steun aan Oekraïne heeft ook in 2027 gevolgen voor de gereedheid van de krijgsmacht. Defensie zal het geleverde materieel uit eigen voorraad waar nodig zo spoedig mogelijk aanvullen of vervangen. Daarbij moet worden opgemerkt dat Defensie nauwelijks meer middelen uit eigen voorraad levert maar aankoopt op de defensiemarkt. Anderzijds draagt de ervaring die Nederlandse militairen opdoen tijdens het trainen van Oekraïense collega’s bij aan de operationele gereedheid. De effecten van de geleverde steun op de gereedheid van de Nederlandse strijdkrachten worden, gezien het Nederlands belang van een veilig Europa door Defensie als significant, maar acceptabel beoordeeld. Defensie neemt maatregelen om de gevolgen voor Nederlandse capaciteiten zoveel mogelijk te mitigeren. Zo zijn er maatregelen om de aankoop van vervangend materieel te versnellen en wordt project- en inkoopcapaciteit versterkt. Ook weegt Defensie continu de belangen van enerzijds de steunvoorziening aan Oekraïne en anderzijds het belang van het opleiden en training van het eigen personeel. Het kabinet zal ook bij toekomstige verzoeken aandacht houden voor de effecten op de gereedheid, gezien de veranderende veiligheidssituatie waarin de Nederlandse krijgsmacht haar operationele gereedheid moet verhogen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Kamer wordt periodiek door middel van het vertrouwelijk deel van de Stand van Defensie geïnformeerd over de gereedheid van de krijgsmacht. Door het toegenomen dreigingsniveau gaat Defensie terughoudend om met het delen van informatie over de operationele gereedheid en effecten op specifieke capaciteiten van de krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u een opsomming geven van op welke natuurgebieden Defensie (deels) een &#x27;voorkeursrecht&#x27; heeft gevestigd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De voorkeursrechten die door de minister van VRO op 23 mei 2025 zijn gevestigd, zijn gekoppeld aan locaties die nodig zijn voor de uitvoering van het NPRD. De voorkeursrechten zijn vastgelegd in de desbetreffende besluiten en op bijbehorende kaarten. Voor de twaalf locaties betreft het natuurgronden, agrarische gronden en gronden waar gebouwen op staan. Het gaat hierbij om de volgende grotere natuurgebieden: de boswachterij Staphorst, gronden op de Veluwe Defensie heeft sinds gisteren een Defensieplatform Vrouwengezondheid Artillerie Schietkamp (ASK) en Apeldoorn, delen van het Horsterwold, de Oirschotse heide en Weerterheide.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk bedrag is in 2027 geraamd voor het mitigeren van de gevolgen van de steun aan Oekraïne voor de Nederlandse gereedheid?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De effecten van de geleverde steun op de inzetgereedheid van de Nederlandse strijdkrachten worden, gezien het Nederlands belang van een veilig Europa door Defensie als significant, maar acceptabel beoordeeld. Defensie neemt maatregelen om deze gevolgen zoveel mogelijk te mitigeren. Zo zijn er maatregelen om de aankoop van vervangend materieel te versnellen en wordt project- en inkoopcapaciteit versterkt. Ook weegt Defensie continu de belangen van enerzijds de steunvoorziening aan Oekraïne en anderzijds het belang van het opleiden en de training van het eigen personeel.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk bedrag reserveert u in 2027 en de jaren daaropvolgend voor maatregelen om stikstofeffecten van militaire activiteiten te beperken of te compenseren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze kosten worden bij projecten meegenomen en zijn niet te specificeren. Hierbij valt te denken aan extra gelden voor aanvullend onderzoek, natuurcompensatie, inzet van Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) en fasering van projecten in tijd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ten aanzien van de projecten en activiteiten die zijn opgenomen in de Wodg zal in voorjaar van 2027 inzichtelijk zijn welke compensatie moet worden gerealiseerd waarbij ook een eerste inschatting van de kosten kan worden gemaakt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor hoeveel hectare grond verwacht Defensie in 2027 grondverwervingsprocedures te starten ten behoeve van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met de vaststelling van het NPRD en de vestiging van de voorkeursrechten eind 2025, is de grondverwerving van alle uitbreidingslocaties aangevangen. De aanschaf zal de komende jaren gefaseerd plaatsvinden, afhankelijk van o.a. onderhandelingen met grondeigenaren en beschikbare budgetten. Een precies aantal hectare voor 2027 is nog niet te noemen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor hoeveel NPRD-projecten wordt in 2027 een Startstrategie opgesteld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor alle 54 projecten die vanuit het NPRD worden uitgevoerd, wordt een projectspecifieke uitwerking opgesteld waarin onder meer planning, participatie, grondverwerving en vergunningverlening worden uitgewerkt. Voor het einde van het jaar wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij hoeveel vastgoedprojecten vormt stikstof naar verwachting in 2027 een belemmering voor de uitvoering?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie antwoord op vraag 148.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij hoeveel vastgoedprojecten vormt netcongestie naar verwachting in 2027 een belemmering voor de uitvoering?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Netcongestie en wet- en regelgeving op het gebied van onder andere stikstof hebben, naast diverse andere omgevingsfactoren, een vertragende werking op de realisatie van vastgoedprojecten. Voor alle projecten waar een natuurvergunning is vereist vormt stikstof een complicerende factor voor vergunningverlening en dus voor de uitvoering van vastgoedprojecten. Voor vrijwel alle defensielocaties in Nederland is uitbreiding van de elektriciteitsaansluiting nodig. Voor circa 10% is de gevraagde uitbreiding van de elektriciteitsaansluiting direct beschikbaar, bij de overige 90% van de defensielocaties loopt Defensie tegen de problematiek van netcongestie aan. In januari 2027 wordt meer duidelijkheid verwacht vanuit de netbeheerders, over welke aangevraagde capaciteit van de wachtlijst daadwerkelijk kan worden toegekend. Het uitgangspunt van Defensie is om de netbelasting te beperken door nieuwe en bestaande locaties standaard netbewust te ontwikkelen en, waar mogelijk, als congestieverzachter op te treden. Defensie heeft daartoe regelmatig overleg met het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) van het ministerie EZK.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Naast netcongestie zijn bij de realisatie, renovatie en exploitatie van vastgoedprojecten vaak ook omgevings- en natuurvergunningen nodig. Dit leidt, mede doordat veel locaties liggen in of nabij Natura 2000-gebieden, tot grote vertraging bij de realisatie van projecten. De Wet op Defensiegereedheid (Wodg) beoogt voor specifieke projecten die juridische of procedurele belemmeringen ondervinden vanuit het omgevingsrecht, deze weg te nemen. Het gaat hierbij op specifieke locaties om bijvoorbeeld sloop, renovatie en nieuwbouw van bestaande verouderde infra (niet zijnde monumenten), zoals legeringsgebouwen, kantoorgebouwen en hangars ten behoeve van stalling en onderhoud van luchtvaartuigen. Maar ook om realisatie van ondergrondse infra, het moderniseren van schietbanen, of het fysiek geschikt maken van opslaglocaties voor veilige opslag van grotere munitievoorraden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke definitie hanteert u bij de doelstelling dat 50% van de Nederlandse defensieaankopen bij Nederlandse of Europese bedrijven moet plaatsvinden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de Stand van Defensie Najaar 2026 wordt deze definitie toegelicht (Kamerstuk 36800-X-118).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk percentage van de geraamde defensieaankopen in 2027 komt naar verwachting terecht bij in Nederland gevestigde bedrijven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie kan hierop niet vooruitlopen, omdat het niet kan vooruitlopen op lopende of toekomstige aanbestedingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk percentage van de geraamde defensieaankopen in 2027 komt naar verwachting terecht bij het Nederlandse mkb?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie kan hierop niet vooruitlopen, omdat het niet kan vooruitlopen op lopende aanbestedingen. Overigens geldt daarbij dat Defensie in de betreffende definitie geen onderscheid maakt tussen MKB en niet zijnde MKB.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk bedrag is in 2027 beschikbaar voor de Defensie Innovatie Opschalingsautoriteit?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Meer informatie over DIOA en budgetten van DIOA, wordt met uw Kamer gedeeld via het nog te ontwikkelen Nationaal Programma Industrie en Innovatie (Q4 2026).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke indicator wordt gebruikt om te bepalen of de Defensie Innovatie Opschalingsautoriteit daadwerkelijk leidt tot snellere toepassing van innovaties binnen de krijgsmacht?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Over de werking van DIOA en de mate waarin de instelling bijdraagt aan het behalen van de beleidsdoelstellingen zal jaarlijks worden gerapporteerd in het kader van het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie aan de hand van nader overeen te komen indicatoren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waarvoor is de €895,0 miljoen op artikel 12 &quot;Nog onverdeeld&quot; in 2027 bestemd?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zie het antwoord op vraag 10.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op basis van welke criteria worden de gevolgen van de militaire steun aan Oekraïne voor de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht als &quot;significant, maar acceptabel&quot; beoordeeld?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het vijfde jaar van militaire sten aan Oekraïne komt het gros van de donaties niet langer uit eigen voorraad, maar in toenemende mate uit commerciële aanschaf. Dit is ook zichtbaar in de periodieke update leveringen die het laatst met uw Kamer is gedeeld op 2 juli jl. Defensie weegt continu het effect van de militaire steun aan Oekraïne op twee criteria: de gereedheid van de Nederlandse strijdkrachten en het behalen van de door de NAVO gestelde capaciteitsdoelstellingen. Deze weging kent geen opzichzelfstaande methodiek maar is een integrale bestuurlijke beoordeling.\u003C\u002Fp>\n\u003C\u002Fdiv>","\u002Fmedia\u002Fbrieven_pdfs\u002Fsf-br-2026Z20268.pdf",[36,37,38,40,42],{"label":26,"term":26},{"label":27,"term":27},{"label":39,"term":28},"antisemitisme",{"label":41,"term":41},"F-35",{"label":43,"term":43},"onderdelen",[],[]]