[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"$f8Cq4y_KU_IqNPDk2HFpn0OaM2FU0dtQwIZOWxPAb00k":3},{"id":4,"document_id":5,"title_full":6,"title_short":7,"date_published":8,"source_url":9,"submitters":10,"is_palestine_relevant":17,"relevance_score":18,"relevance_keywords":19,"relevance_excerpt":22,"ai_summary":23,"frontend_url":24,"content_html":25,"pdf_url":26,"relevance_keyword_chips":27,"relevance_source_bijlagen":31,"qa_pairs":32},192131,"sf-br-2026Z21087","Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda met de inzet voor de Jaarvergadering Wereldbank van de Wereldbank 2026","Antwoorden op vragen commissie over de geannoteerde agenda met de inzet voor de Jaarvergadering Wereldbank van de Wereldbank 2026","2026-10-05","https:\u002F\u002Fwww.tweedekamer.nl\u002Fkamerstukken\u002Fbrieven_regering\u002Fdetail?id=2026Z21087&did=2026D48645",[11],{"person":12,"functie":15,"actor_naam":16},{"fullname":13,"slug":14},"Sjoerd Sjoerdsma","sjoerd-sjoerdsma","minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking","S.W. Sjoerdsma",true,2,[20,21],"Palest","Gaza","\u003Cmark>Palest\u003C\u002Fmark>ijnse gebieden De leden van de CDA-fractie zien dat de Wereldbank een belangrijke rol kan spelen bij herstel en wederopbouw in de \u003Cmark>Palest\u003C\u002Fmark>ijnse Gebieden.","De brief behandelt vooral de Nederlandse inzet voor de Wereldbankjaarvergadering in oktober 2026, met nadruk op werkgelegenheid, privaat kapitaal en thema's als water en voedselzekerheid. Voor de Palestijnse Gebieden stelt Nederland voorwaarden aan middelen via de Wereldbank, waaronder strikte financiële controle, maatschappelijke betrokkenheid en koppeling aan institutionele hervormingen; voor Gaza ondersteunt Nederland de Wereldbank onder meer via het Team Gaza Initiative om essentiële diensten te herstellen.","\u002Fdocumenten\u002Fbrief-regering\u002F192131-verslag-van-een-schriftelijk-overleg-over-de-geannoteerde-agenda-met-de-inzet","\u003Cdiv class=\"brief-regering\">\n\u003Cp>26234Jaarvergadering Wereldbank\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nr.VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vastgesteld……..\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de Geannoteerde agenda met de inzet voor de Jaarvergadering van de Wereldbank 2026 en het Verslag voorjaarsvergadering 2026 van de Wereldbank van 13-18 april 2026 (26234, nr. 321).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De op 28 september 2026 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de minister bij brief van … toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voorzitter van de commissie,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Den Hollander\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Griffier van de commissie,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Van der Leeden\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inhoudsopgave\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>IVragen en opmerkingen vanuit de fracties\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inbreng CDA-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inbreng BBB-fractie Inbreng JA21-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inbreng VVD-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inbreng PVV-fractie Inbreng PRO-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>IIAntwoord \u002F Reactie van de minister IIIVolledige agenda\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen en opmerkingen vanuit de fracties\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inbreng leden van de CDA-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Jaarvergadering van de Wereldbank van 12 tot en met 18 oktober 2026 in Bangkok. Deze leden hebben hier enkele vragen bij.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Strategisch belang van de Wereldbankgroep\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet de relatief sterke Nederlandse positie binnen de Wereldbank concreet wil benutten om resultaten te bereiken op prioriteiten als werkgelegenheid, voedselzekerheid, water en economische weerbaarheid. Welke concrete doelen stelt het kabinet zichzelf voor deze Jaarvergadering?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De Jaarvergadering staat dit jaar in het teken van het mobiliseren van privaat kapitaal. Nederland heeft op dit terrein veel te bieden, met grote institutionele beleggers, sterke financiële expertise en partijen als ILX die privaat kapitaal naar opkomende markten weten te brengen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland spoort de Wereldbank aan om meer privaat kapitaal aan te trekken voor investeringen en banen in ontwikkelingslanden en zet daarbij in op betere investeringsdata en schaalbare instrumenten die institutionele beleggers helpen om in deze markten te investeren. Tijdens de Jaarvergadering organiseert Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk en de International Finance Corporation (IFC), de private-sectorarm van de Wereldbankgroep, een bijeenkomst over de Global Emerging Markets Risk Database en brengt het partijen als ILX nadrukkelijk onder de aandacht. In aanloop naar de Jaarvergadering organiseerde Nederland op 28 september jl. hierover al een bijeenkomst met pensioenfondsen, multilaterale banken zoals de Wereldbank, ontwikkelingsfinanciers en de overheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor BHOS-prioriteiten als water, voedselzekerheid en economische weerbaarheid wil Nederland dat deze stevig terugkomen in het beleid en de investeringen van de Bank. Nederland beschikt op deze terreinen over internationaal sterke kennis, bedrijven en financiële instellingen. De inzet is om die expertise beter te verbinden aan programma’s en investeringen van de Wereldbank.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op wederopbouw bepleit het kabinet een blijvende rol van de Wereldbank in Oekraïne, met bijzondere aandacht voor energiezekerheid, hervormingen en private investeringen. Voor Syrië verkent het kabinet daarnaast de mogelijkheid van een nieuw fonds.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet blijft bijdragen aan een betere betrokkenheid van lage-inkomenslanden bij de besluitvorming van de Wereldbank. Welke voortgang is sinds de Voorjaarsvergadering geboekt binnen het zogenoemde Voice-spoor (gericht op versterking van de capaciteit, invloed en betrokkenheid van lage-inkomenslanden in het bestuur en de besluitvorming van de Bank)? Welke concrete voorstellen liggen er momenteel voor om vertegenwoordiging en zeggenschap structureel te versterken?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet is voorstander van een sterkere betrokkenheid van lage-inkomenslanden in de besluitvorming van de Wereldbank. Nederland ondersteunt daarom het “Voice”-spoor, gericht op meer capaciteit, betere vertegenwoordiging en het beter laten meewegen van de belangen van deze landen in de besluitvorming.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Sinds de Voorjaarsvergadering van april heeft het Voice-spoor verschillende concrete resultaten geboekt. Zo zijn extra plaatsen in het Development Committee beschikbaar gesteld aan Afrikaanse kiesgroepen, krijgen vertegenwoordigers van lage-inkomenslanden meer ondersteuning bij hun werkzaamheden en is een werkgroep in oprichting die gericht is op meer aandacht voor het perspectief van lage-inkomenslanden in de besluitvorming van de Wereldbank.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Banen en mobilisatie privaat kapitaal\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Wereldbankgroep heeft in 2026 een recordbedrag van 112 miljard dollar aan privaat kapitaal gemobiliseerd, maar in lage-inkomenslanden bleef dit bedrag steken op ongeveer 3 miljard dollar. De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet deze verdeling beoordeelt. Deze vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat private financiering vooral terechtkomt in landen en projecten waar investeerders toch al relatief gemakkelijk terechtkunnen.\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het mobiliseren van privaat kapitaal is in lage-inkomenslanden aanzienlijk moeilijker dan in middeninkomenslanden. Middeninkomenslanden hebben doorgaans grotere en meer ontwikkelde markten, een betere kredietwaardigheid en lagere investeringsrisico’s. In de armste landen zijn markten kleiner, risico’s hoger en rendabele investeringsmogelijkheden schaarser, waardoor private financiering minder gemakkelijk tot stand komt. Dat betekent niet dat mobilisatie in lage-inkomenslanden niet mogelijk is, maar wel dat vaker een andere combinatie van publieke en private financiering en risicodeling nodig is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet zet zich daarom in voor meer private investeringen in deze landen. Zo pleit Nederland ervoor dat IFC meer financiert in lage-inkomenslanden en fragiele contexten. IFC heeft toegezegd dat in 2030 40% van de jaarlijkse investeringen terechtkomt in landen die voor IDA-steun in aanmerking komen en in fragiele en conflictgebieden, waarvan 15–20% in de armste en meest fragiele IDA-landen. Ook pleit het kabinet voor versterking van het Private Sector Window van de International Development Association (IDA). Onder IDA21 is hiervoor USD 3,2 miljard beschikbaar om risico’s te delen met private investeerders en zo investeringen mogelijk te maken die anders niet of nauwelijks van de grond zouden komen. Publieke middelen moeten daarbij alleen worden ingezet waar sprake is van duidelijke additionaliteit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden zien hierbij nadrukkelijk kansen om te doen waar Nederland goed in is, zoals waterbeheer, voedselzekerheid, landbouw, logistiek en duurzame infrastructuur. Hoe gaat het kabinet Nederlandse bedrijven, investeerders en kennisinstellingen beter verbinden aan projecten van de Wereldbank op deze terreinen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet zet zich in om Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen zo vroeg mogelijk te verbinden aan relevante programma’s van de Wereldbank, juist op terreinen waar Nederland sterke expertise heeft, zoals water, landbouw en voedselzekerheid. RVO en het postennet ondersteunen Nederlandse partijen met informatie, advies en het verbinden van deze Nederlandse bedrijven aan relevante projecten en aanbestedingen van de Bank. Daarnaast brengt Nederland relevante Nederlandse kennis en expertise al tijdens de ontwikkeling van projecten onder de aandacht en zet het zich binnen de Wereldbank in voor aanbestedingen waarin naast prijs ook kwaliteit en duurzaamheid zwaar wegen. Een recent voorbeeld van deze samenwerking is kustbescherming in Togo. Invest International draagt via DRIVE €28 miljoen bij aan de tweede fase van het door de Wereldbank ondersteunde West Africa Coastal Areas Management Program (WACA), waarin het Nederlandse Boskalis de kustbeschermingswerken uitvoert. Het project beschermt woningen, bedrijven en belangrijke infrastructuur tegen kusterosie en overstromingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke concrete resultaten verwacht het kabinet van de aangekondigde verkenning naar nauwere samenwerking tussen de Wereldbankgroep en Nederlandse ontwikkelingsfinanciers en institutionele beleggers?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet verwacht dat de Wereldbankgroep verdere stappen zet om cofinanciering met Nederlandse ontwikkelingsfinanciers en institutionele beleggers te vergemakkelijken. Concreet gaat het om betere en meer gestandaardiseerde project- en risicodata, meer schaalbare investeringsmogelijkheden en intensiever contact tussen de Wereldbankgroep en Nederlandse partijen. Dit moet institutionele beleggers betere toegang geven tot investeringskansen in opkomende economieën en ontwikkelingslanden, en de Wereldbankgroep helpen meer privaat kapitaal te mobiliseren. Het kabinet brengt partijen daarom actief bij elkaar. Tijdens de door Nederland georganiseerde bijeenkomst van 28 september jl. (zie ook het antwoord op vraag 1) gaven pensioenfondsen onder meer aan welke verbeteringen in data en investeringsstructuren nodig zijn. Ook kondigden ILX en Achmea een samenwerking aan die het voor Nederlandse pensioenfondsen makkelijker maakt om mee te investeren met multilaterale ontwikkelingsbanken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Fundamenten voor duurzame groei en investeringen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie delen de aandacht van het kabinet voor de schuldenproblematiek. Hoge rentelasten kunnen noodzakelijke investeringen immers verdringen. Deze leden wijzen in dit verband op de eerdere motie-Van Ark c.s. (36800-XVII-38) over schuldverlichting en innovatieve financieringsinstrumenten die kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid van Afrikaanse landen. Uit de verkenning bleek dat het kabinet van mening is dat schuldverlichting en schuld-voor-sector swaps vaak geen structurele oplossing vormen voor de versterking van gezondheidssystemen. Deze leden vragen welke instrumenten het kabinet op basis van die verkenning wél als kansrijk ziet om structureel bij te dragen aan de zelfredzaamheid van Afrikaanse landen.\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet ziet vooral instrumenten die landen structureel financieel versterken als kansrijk: betere belastinginning, sterker begrotingsbeheer en verantwoord schuldbeheer. De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds ondersteunen landen hierbij onder meer met betaalbare financiering, technische assistentie en capaciteitsopbouw. Daarnaast zijn gerichte financieringsinstrumenten van belang die landen helpen hun eigen investeringen in essentiële voorzieningen te vergroten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In reactie op de motie-Van Ark c.s. is aangegeven dat de Global Financing Facility (GFF) op het terrein van gezondheid een goed voorbeeld is van zo’n instrument. De GFF ondersteunt landen bij het versterken van gezondheidssystemen en het vergroten en doelmatiger inzetten van nationale middelen voor gezondheid. Ook verkent de GFF innovatieve financieringsvormen waarmee dure schulden kunnen worden geherstructureerd en vrijvallende middelen voor gezondheid kunnen worden ingezet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarom heeft het kabinet dit jaar een bijdrage van USD 186 miljoen aan de GFF aangekondigd. Juist de combinatie van sterkere publieke financiën en gerichte instrumenten die nationale investeringen vergroten, kan de afhankelijkheid van externe financiering structureel verminderen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Regionale ontwikkelingen en fragiele regio’s\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Oekraïne\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie steunen de rol van de Wereldbank bij het herstel en de wederopbouw van Oekraïne. Deze leden vragen hoe de samenwerking tussen de Wereldbank, Oekraïne, de Europese Unie en andere donoren zich sinds de Voorjaarsvergadering heeft ontwikkeld. Welke maatregelen zijn afgesproken waarmee goed bestuur en anticorruptie verder verbonden worden aan de wederopbouw?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Voor herstel en wederopbouw van Oekraïne is coördinatie tussen donoren cruciaal om versnippering van steun en overlap te voorkomen. Nederland is daarom actief lid van het Ukraine Donor Platform, het G7+ coördinatieplatform voor de Oekraïense financiële en herstel- en wederopbouwnoden. De Wereldbank zit in de stuurgroep van dit G7+ platform en de Europese Unie neemt deel als vicevoorzitter.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) sluiten verder hun inzet aan op de hervormingen die nodig zijn voor EU-toetreding, waarbij zij zich richten op financieel-economische hervormingen, goed bestuur en corruptiebestrijding. Voortgang op deze terreinen is bij verschillende steunprogramma’s van de EU, de Wereldbank en het IMF een voorwaarde voor het beschikbaar stellen van financiering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Sinds de Voorjaarsvergadering van de Wereldbank hebben meerdere bijeenkomsten van het Ukraine Donor Platform en aanverwante gremia plaatsgevonden, zowel thematisch als op overkoepelend niveau. Daarnaast vond op 25 en 26 juni jl. in Gdańsk de Ukraine Recovery Conference plaats, waarover uw Kamer separaat is geïnformeerd (Kamerstuk 36045, nr. 309).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook vragen deze leden welke concrete mogelijkheden het kabinet ziet om Nederlandse kennis en bedrijven te betrekken bij de wederopbouw.\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet spant zich op verschillende manieren in om Nederlandse kennis en bedrijven te betrekken bij de wederopbouw in Oekraïne. Dit gebeurt onder meer via publiek-private samenwerking en financierings- en verzekeringsinstrumenten. Een concreet voorbeeld is de Ukraine Partnership Facility, waarmee het kabinet Nederlandse bedrijven ondersteunt bij het opzetten en uitvoeren van projecten in Oekraïne, onder meer op het gebied van water, landbouw, energie en gezondheidszorg. Hiermee wordt Nederlandse kennis en expertise ingezet voor de wederopbouw en wordt tegelijkertijd de betrokkenheid van de private sector versterkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast worden Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen actief in contact gebracht met Oekraïense partners en internationale financiële instellingen. Recent bracht een Oekraïense delegatie op het gebied van watermanagement een bezoek aan Nederland en maakte kennis met Nederlandse oplossingen en innovaties. Hierbij sloten ook vertegenwoordigers van de Wereldbank, EBRD en EIB aan, om samen met Oekraïense en Nederlandse partijen concrete mogelijkheden voor samenwerking te verkennen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Palestijnse gebieden\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie zien dat de Wereldbank een belangrijke rol kan spelen bij herstel en wederopbouw in de Palestijnse Gebieden. Kan het kabinet aangeven welke concrete voorwaarden Nederland stelt aan de inzet van middelen via de Wereldbank? Hoe wordt binnen het Team Gaza Initiative geborgd dat middelen daadwerkelijk terechtkomen bij herstel van essentiële voorzieningen en de bevolking en hoe wordt ervoor gezorgd dat misbruik wordt voorkomen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet hecht sterk aan transparantie en controleerbaarheid van de inzet van middelen via de Wereldbank, zeker in complexe contexten als de Palestijnse Gebieden. De Wereldbank hanteert bij haar projecten strikte regels voor financieel beheer en aanbestedingen, sociale en milieustandaarden en maatregelen tegen fraude en corruptie. Projecten worden tijdens de uitvoering gemonitord en na afloop geëvalueerd. Deze controle- en toezichtstructuren zijn voor Nederland een belangrijke reden om de Wereldbank een belangrijke rol te geven bij het herstel en, zodra de omstandigheden dit toelaten, de wederopbouw van Gaza.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast vindt Nederland het in de Palestijnse Gebieden extra belangrijk dat de Palestijnse bevolking, lokale organisaties en relevante Palestijnse instellingen goed worden betrokken bij de voorbereiding van herstel en wederopbouw, zodat deze aansluiten bij lokale behoeften en herstelprioriteiten. Nederland trekt hierin nauw op met de EU en andere internationale partners, binnen de relevante internationale en VN-kaders.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het EU-geleide Team Gaza Initiative, waaraan Nederland deelneemt, is een coördinatiemechanisme voor lopende en geplande inzet voor het vroege herstel van essentiële diensten in Gaza, zoals water, sanitatie en gezondheidszorg. Het betreft grotendeels reeds lopende programma’s. Inzet van financiële middelen gebeurt zorgvuldig en op basis van gedegen due diligence-processen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden vragen daarnaast hoe steun voor herstel wordt verbonden aan het versterken en hervormen van Palestijnse instituties. Op welke manier wordt daarbij voldoende Palestijns eigenaarschap geborgd?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Nederland is, in lijn met EU-standpunten, voorstander van Palestijns geleid herstel en wederopbouw. Een belangrijke basis voor de lokale herstelbehoefte en planning is de Rapid Damage and Needs Assessment (RDNA), die de Wereldbank samen met de VN en de EU heeft opgesteld. Voor het kabinet staat voorop dat de wederopbouw Palestijns geleid is, waarbij internationale partners zoals de Wereldbank financiering, kennis en ondersteuning bieden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit eigenaarschap wordt ook gekoppeld aan institutionele versterking. Projecten worden zo ingericht dat Palestijnse instellingen zelf een grotere rol spelen in de planning, uitvoering en het beheer. Bij het herstel van bijvoorbeeld infrastructuur en basisdiensten wordt daarom waar mogelijk tegelijkertijd geïnvesteerd in financieel beheer, administratieve capaciteit, transparantie en publieke dienstverlening.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Syrië\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet inzet op de oprichting van een nieuw Wereldbankfonds voor herstel en wederopbouw in Syrië en bereid is hier mogelijk zelf financieel aan bij te dragen. Deze leden vinden het positief dat het kabinet Nederlandse expertise op landbouw, voedselzekerheid en water wil inzetten. Hoe worden Syrische lokale bedrijven en maatschappelijke organisaties betrokken, zodat zij ook betrokken zijn bij de herstel en wederopbouw, en niet alleen overheidsinstanties of internationale bedrijven? Kan het kabinet ook hier concreet maken hoe Nederlandse bedrijven hierbij kunnen worden betrokken?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De Wereldbank heeft inmiddels een projectpijplijn van circa USD 1,4 miljard voor Syrië ontwikkeld, gericht op herstel van basisvoorzieningen, economische stabilisatie en private-sectorontwikkeling. Een eventueel speciaal Syrië-fonds kan deze projecten ondersteunen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij Wereldbankprojecten worden naast de Syrische autoriteiten, lokale bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden zowel bij de voorbereiding als de uitvoering betrokken. Nederland zet zich er daarnaast voor in dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen goed kunnen aansluiten op projecten van de Wereldbank, door Nederlandse expertise op terreinen als landbouw, water, energie en infrastructuur vroeg onder de aandacht te brengen, bedrijven op concrete kansen te wijzen en samenwerking met lokale partners te stimuleren. De Syrische autoriteiten vragen ook om specifieke expertise van Nederland en die zal het kabinet waar mogelijk ook via Nederlandse bilaterale programmering aan deze Wereldbank-inzet verbinden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>International Development Association (IDA)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de CDA-fractie hechten groot belang aan IDA, juist omdat deze middelen terechtkomen bij de armste en meest kwetsbare landen. Kan het kabinet bij de tussentijdse beoordeling van IDA21 specifiek rapporteren over de resultaten op werkgelegenheid, lokaal ondernemerschap, water, voedselzekerheid, gezondheidszorg en opvang van vluchtelingen en ondersteuning van gastgemeenschappen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet onderschrijft het belang van goed inzicht in de resultaten van IDA21, juist omdat veel van deze resultaten worden behaald in de armste en meest kwetsbare landen. Via haar openbare Scorecard rapporteert de Wereldbank onder meer over werkgelegenheid, toegang tot financiële diensten voor mensen en bedrijven, gezondheidszorg, water en sanitatie, voedsel- en voedingszekerheid en ondersteuning van ontheemden en gastgemeenschappen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast wordt tijdens de Mid-Term Review van IDA21 aankomende december uitgebreid gerapporteerd over de voortgang en behaalde resultaten aan de hand van het eigen resultatenraamwerk van IDA21, waarin deze thema’s grotendeels zijn opgenomen. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de Nederlandse inzet voor de IDA21 Mid-Term Review, omdat de onderliggende stukken en beleidsopties nog niet beschikbaar zijn\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de brief voorafgaand aan de Voorjaarsvergadering in 2027 van de Wereldbank zal het kabinet uw Kamer nader informeren de tussentijdse beoordeling van IDA21.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan het kabinet uiteenzetten welke inzet Nederland tijdens de Jaarvergadering kiest ter voorbereiding op de IDA21 Mid-Term Review later dit jaar?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de Nederlandse inzet voor de IDA21 Mid-Term Review, omdat de onderliggende stukken en beleidsopties nog niet beschikbaar zijn. Zoals in het antwoord op vraag 12 is aangegeven, zal uw Kamer hierover na afloop van deze tussentijdse beoordeling nader worden geïnformeerd. Voor de huidige Jaarvergadering houdt Nederland vast aan een aantal bestaande uitgangspunten, waaronder water, klimaat en voedselzekerheid, het versterken van de financiële fundamenten van IDA-landen, de financiële houdbaarheid van IDA, de werking van het allocatiemodel en duurzame ontwikkeling van de private sector.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inbreng BBB-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda en het verslag van de Voorjaarsvergadering. Zij steunen in grote mate de inzet van het kabinet, mits duidelijk is wat die investeringen opleveren. Hoe gaat het kabinet beoordelen hoeveel duurzame banen ontstaan en hoeveel lokale ondernemers daadwerkelijk toegang krijgen tot financiering?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet beoordeelt de resultaten van de Wereldbank aan de hand van de openbare Scorecard, waarbij de Bank rapporteert over nieuwe en betere banen en over het aantal mensen en bedrijven dat gebruikmaakt van financiële diensten. Voor IDA-landen worden deze resultaten daarnaast afzonderlijk inzichtelijk gemaakt binnen het resultatenraamwerk van IDA21.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Resultaten worden ook op projectniveau gemonitord. Tijdens de uitvoering rapporteert de Wereldbank periodiek over de voortgang ten opzichte van vooraf vastgestelde doelen, waaronder - waar relevant - werkgelegenheid en toegang tot financiering voor lokale bedrijven. Daarmee kan zowel op het niveau van de totale portefeuille als van individuele projecten worden beoordeeld welke resultaten zijn bereikt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de BBB-fractie lezen dat mede door de inzet van het kabinet water als thema in de programma&#x27;s van de Wereldbank is gekomen. Niet alleen waterbeheer, maar ook voedselzekerheid, zijn voorwaarden voor economische zelfstandigheid. Welke concrete inzet pleegt Nederland tijdens de Jaarvergadering om landbouw, lokale voedselproductie en betrouwbaar waterbeheer een prominentere plaats te geven in de programma’s van de Wereldbank?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Water Forward en AgriConnect zijn twee belangrijke initiatieven van de Wereldbankgroep op het terrein van water en voedselzekerheid. Met Water Forward beoogt de Wereldbank om in 2030 bij te dragen aan betere waterzekerheid voor 400 miljoen mensen. AgriConnect richt zich op het verbeteren van het perspectief van 300 miljoen kleinschalige boeren, onder meer door betere toegang tot markten, financiering, technologie en infrastructuur.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Beide initiatieven sluiten nauw aan bij Nederlandse prioriteiten en expertise op water, landbouw en voedselzekerheid. Tijdens de Jaarvergadering zal het kabinet Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en financiële partijen onder de aandacht brengen en verkennen hoe deze samenwerking verder kan worden verdiept, bijvoorbeeld via kennispartnerschappen, gezamenlijke programma’s en financieringsconstructies.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het verslag van de Voorjaarsvergadering noemt kansen voor Nederlandse waterexpertise. Welke concrete projecten of samenwerkingen zijn daar inmiddels uit voortgekomen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Sinds de Voorjaarsvergadering hebben de Wereldbank en het kabinet de samenwerking op water verder verdiept. Zo wordt verkend hoe expertise uit het brede Nederlandse waterkennisecosysteem structureler beschikbaar kan worden gemaakt voor de Wereldbank en haar klantlanden. Doel is om Nederlandse kennis beter te verbinden aan concrete waterinvesteringen van de Bank en zo de impact daarvan te vergroten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een concreet voorbeeld is de recente watermissie naar Oekraïne, waarbij Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen in contact zijn gebracht met de Oekraïense overheid en internationale financiële instellingen, waaronder de Wereldbankgroep. Daarmee wordt Nederlandse expertise direct gekoppeld aan de grote investeringsopgave voor herstel en wederopbouw van de watersector.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de BBB-fractie vragen tot slot hoe de Wereldbank bijdraagt aan opvang in de regio. Welke resultaten zijn tot nu toe bereikt met het IDA-loket voor gastgemeenschappen en vluchtelingen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De Wereldbank speelt een belangrijke rol bij opvang in de regio. Via het IDA-loket voor gastgemeenschappen en vluchtelingen stelt de Bank aanvullende financiering beschikbaar aan lage-inkomenslanden die grote aantallen vluchtelingen opvangen. Sinds de opening van het loket in 2016 is hiervoor circa USD 9 miljard aan IDA-middelen beschikbaar gesteld, in de vorm van concessionele leningen en schenkingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De resultaten zijn substantieel. Volgens de Scorecard van de Wereldbank zijn inmiddels ruim 12 miljoen ontheemden en mensen in gastgemeenschappen bereikt met onder meer toegang tot basisvoorzieningen, zoals gezondheidszorg en onderwijs, en ondersteuning bij het opbouwen van een bestaan. De Wereldbank wil dit bereik richting 2030 verder vergroten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Belangrijk is ook de manier waarop de Wereldbank werkt. In plaats van langdurige parallelle voorzieningen op te zetten, ondersteunt de Bank opvanglanden bij het opnemen van vluchtelingen in nationale systemen, bijvoorbeeld voor onderwijs, gezondheidszorg, water en sociale bescherming. Daarmee worden niet alleen vluchtelingen ondersteund, maar ook de gemeenschappen die hen opvangen. Nederland sluit bij deze aanpak aan via het PROSPECTS-partnerschap, waarmee verschillende projecten onder het IDA-loket aanvullend zijn gefinancierd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inbreng JA21-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda en de kabinetsinzet voor de Jaarvergadering van de Wereldbankgroep die zal plaatsvinden tussen 12 en 18 oktober 2026. Deze leden hebben een aantal vragen en opmerkingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klimaat- en milieudoelstellingen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de fractie van JA21 hebben geconstateerd dat zich een noemenswaardige wijziging heeft voorgedaan in het klimaatbeleid van de Wereldbank. In juni is weliswaar besloten het Climate Change Action Plan te verlengen, maar de doelstellingen voor klimaatrelevante financiering van 35% en later 45% zijn komen te vervallen. Deze leden lezen daarentegen in de geannoteerde agenda dat het kabinet er juist op wil toezien dat de Wereldbank haar klimaatambitie in de praktijk vasthoudt en substantiële klimaatfinanciering wil blijven verstrekken op het niveau van voorgaande jaren. Ondermijnt een dergelijke Nederlandse inzet niet juist de betekenis van het besluit om af te stappen van kwantitatieve klimaatdoelstellingen? Kan het kabinet aangeven op welke wijze alsnog feitelijk op een vergelijkbaar aandeel klimaatrelevante financiering wordt gestuurd? En kan het kabinet toelichten welke ruimte het verdwijnen van de kwantitatieve doelstellingen zou kunnen opleveren voor de prioritering en beoordeling van projecten?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De Wereldbank heeft het Climate Change Action Plan verlengd, maar de kwantitatieve doelstellingen voor klimaatfinanciering laten vervallen. Nederland had deze doelstellingen graag behouden, maar steunt de beweging naar sturing op klimaatresultaten. Nederland blijft zich met gelijkgezinde landen inzetten voor een ambitieuze klimaatinzet van de Wereldbank, zowel op portefeuilleniveau en bij het ontwerp en de beoordeling van projecten als wat betreft de klimaatresultaten die daarmee worden bereikt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Omdat de Wereldbank per project en op portefeuilleniveau zal blijven rapporteren over klimaatfinanciering en klimaatresultaten, blijft het mogelijk om voortgang te monitoren en eventuele tekortkomingen aan de kaak te stellen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>China\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de fractie van JA21 hebben eerder aandacht gevraagd voor de positie van China binnen de Wereldbank. Tot hun tevredenheid is onlangs een nieuw Country Partnership Framework (CPF) voor China voor de periode 2026-2031 vastgesteld waarin de IBRD-financiering wordt afgebouwd. Kan het kabinet toelichten welke positie Nederland bij de totstandkoming van dit nieuwe CPF heeft ingenomen en of Nederland nog heeft gepleit voor een snellere afbouw van de reguliere IBRD-financiering? Onderschrijft het kabinet de doelstelling dat China uiterlijk aan het einde van het huidige CPF geen reguliere IBRD-financiering meer ontvangt? Welke concrete inzet zal Nederland plegen om te voorkomen dat dit afbouwpad opnieuw wordt verlengd?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet is van mening dat de financieringscapaciteit van de Wereldbank daar moet worden ingezet waar deze de meeste toegevoegde waarde heeft. Gezien de omvang en economische positie van China steunt Nederland daarom de verdere afbouw van reguliere financiering door de International Bank for Reconstruction and Development (IBRD), het loket van de Wereldbank voor middeninkomenslanden. Nederland onderschrijft de inzet dat aan het einde van de huidige landenstrategie geen reguliere IBRD-financiering voor China meer wordt voorzien en heeft bij de bespreking van het nieuwe Country Partnership Framework in de Raad van Bewindvoerders aangegeven het eens te zijn met deze duidelijke en tijdgebonden afbouw.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Mobilisatie van privaat kapitaal\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de fractie van JA21 constateren dat de mobilisatie van privaat kapitaal een steeds prominentere plaats inneemt binnen de Wereldbank. Het centrale thema van de komende Jaarvergadering luidt niet voor niets Mobilizing Private Capital, Creating Jobs. Deze leden verwelkomen in beginsel een sterkere nadruk op private investeringen en economische zelfstandigheid. Zij vragen het kabinet in hoeverre deze koers ertoe kan bijdragen dat landen minder afhankelijk worden van publieke en concessionele ontwikkelingsfinanciering en uiteindelijk zelfstandig toegang krijgen tot private kapitaalmarkten.\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet is van mening dat het mobiliseren van privaat kapitaal kan bijdragen aan meer economische zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden. Daarvoor is niet alleen meer private investering nodig, maar ook de ontwikkeling van lokale financiële markten en kapitaalmarkten, een sterker ondernemingsklimaat en een concurrerender lokaal bedrijfsleven, omdat bedrijven en overheden hierdoor beter in staat zijn om op eigen kracht private financiering aan te trekken. Dit kan op termijn bijdragen aan een kleinere afhankelijkheid van publieke en concessionele financiering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>En kan het kabinet toelichten hoe en met welke indicatoren wordt gemeten of door de Wereldbank gemobiliseerde private financiering daadwerkelijk additioneel is en zonder tussenkomst van de Bank niet tot stand zou zijn gekomen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De International Finance Corporation (IFC) financiert alleen projecten wanneer sprake is van additionaliteit ten opzichte van wat de markt zelf kan bieden. Voor ieder project wordt daarom vooraf beoordeeld welke financiële of niet-financiële meerwaarde IFC toevoegt, bijvoorbeeld door langere looptijden, risicodeling, financiering in lokale valuta of specifieke kennis en standaarden. Als private financiering onder redelijke voorwaarden beschikbaar is, is het niet de bedoeling dat IFC deze verdringt. Ook voor het meten van gemobiliseerd privaat kapitaal gelden duidelijke afspraken. Bij directe mobilisatie wordt private financiering alleen meegeteld als aannemelijk is dat de actieve betrokkenheid van de Wereldbankgroep nodig was om die financiering tot stand te brengen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inbreng VVD-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het verslag van de voorjaarsvergadering van de Wereldbankgroep van 13 tot en met 18 april 2026 in Washington D.C. en de geannoteerde agenda voor de Jaarvergadering van de Wereldbank in Bangkok van 12 tot en met 18 oktober 2026. Voorts hebben deze leden de behoefte om enkele vragen voor te leggen aan de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de VVD-fractie lezen in het verslag dat de vergadering van het Development Committee op 16 april 2026 in het teken stond van de banenagenda van Wereldbankpresident Ajay Banga. Deze agenda positioneert werkgelegenheid als organiserend kader voor de hervormingen van de Bank, steunend op drie sporen: investeren in menselijk en fysiek kapitaal, het verbeteren van het ondernemingsklimaat en de mobilisatie van privaat kapitaal. Nederland heeft deze koers gesteund.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden verwelkomen deze omslag naar economische activiteit en werkgelegenheid van harte. Tegelijkertijd constateren deze leden zij dat de vertaling van een multilaterale banenstrategie naar concrete resultaten weerbarstig kan zijn. Wat doet Nederland op dit moment concreet binnen de Wereldbankgroep om werkgelegenheid en economische ontwikkeling effectief te stimuleren in lage- en middeninkomenslanden? Welke specifieke programma’s, beleidsinterventies of bilaterale matchingfinanciering zet het kabinet in om ervoor te zorgen dat deze inzet daadwerkelijk leidt tot een gunstiger investeringsklimaat en structurele private banen, in plaats van verdere uitdijing van lokale overheidsapparaten?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De Nederlandse inzet binnen de Wereldbank is erop gericht dat publieke middelen de voorwaarden scheppen voor duurzame private werkgelegenheid. Dat betekent investeren in infrastructuur en vaardigheden, belemmeringen voor ondernemerschap en investeringen wegnemen en privaat kapitaal mobiliseren. Nederland steunt daarom ook een grotere rol voor de International Finance Corporation (IFC) en de Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) bij het mobiliseren van private investeringen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet zet hiervoor verschillende instrumenten in. De belangrijkste Nederlandse bijdrage via de Wereldbank loopt via IDA, het onderdeel van de Bank voor de armste landen. Nederland draagt EUR 935 miljoen bij aan IDA21 en heeft zich daarbij onder meer ingezet voor private-sectorontwikkeling, een beter ondernemingsklimaat en werkgelegenheid. Via beleidsfinanciering en het allocatiemodel van IDA worden hervormingen gestimuleerd die private investeringen en economische groei ondersteunen. Daarnaast maakt het programma Private Sector Window investeringen mogelijk in markten waar private financiering moeilijk van de grond komt. Zo worden publieke middelen ingezet om bedrijven te laten investeren, groeien en structurele banen te creëren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de VVD-fractie stellen vast dat de minister tijdens zijn interventie heeft benadrukt dat de focus op banen hand in hand moet blijven gaan met het borgen van klimaatambitie, hoge standaarden en governance binnen de Bank. Uit het verslag blijkt echter tevens dat het aandeelhoudersveld steeds verdeelder raakt over het klimaatbeleid, dat het Climate Change Action Plan (CCAP) op 30 juni 2026 afloopt en dat het management van de Bank een koers bepleit waarin klimaatdoelen worden geïntegreerd in bredere ontwikkelingsprioriteiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden benadrukken dat klimaatbeleid economische groei en energiezekerheid niet in de weg mag staan. Hoe verhoudt de ambitie om werkgelegenheid en economische ontwikkeling aan te jagen zich volgens het kabinet tot het vasthouden aan stringente klimaatambities en hoge governance-standaarden? Deelt het kabinet de visie van het Wereldbankmanagement dat een pragmatische aanpak noodzakelijk is om ontwikkelingsprioriteiten niet te blokkeren? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat strenge voorwaarden niet contraproductief werken voor het aantrekken van private investeerders en het scheppen van werkgelegenheid in kwetsbare landen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Gerichte klimaatinvesteringen – bijvoorbeeld in hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, klimaatbestendige infrastructuur en duurzame landbouw – dragen bij aan bestendige economische groei. De afbouw van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen versterkt de energiezekerheid van landen, doordat zij minder kwetsbaar worden voor prijsvolatiliteit en geopolitieke spanningen rond fossiele energiemarkten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet is van mening dat klimaatambitie, hoge standaarden en het stimuleren van economische ontwikkeling en werkgelegenheid hand in hand gaan. Investeringen zijn duurzamer en aantrekkelijker wanneer klimaatrisico’s vroeg worden meegenomen, regelgeving voorspelbaar is en sociale en milieueffecten goed worden beheerst. Dat verkleint risico’s voor investeerders, versterkt lokaal draagvlak en vergroot de kans dat projecten ook op langere termijn economisch rendabel blijven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarom steunt het kabinet de koers van de Wereldbank om klimaat te integreren in bredere ontwikkelingsprioriteiten, en om standaarden risicogestuurd en proportioneel toe te passen. Zo blijven landenprioriteiten leidend, terwijl investeringen tegelijk bijdragen aan groei, werkgelegenheid, weerbaarheid en duurzame ontwikkeling.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de VVD-fractie merken op dat het midden- en kleinbedrijf wereldwijd voor het overgrote deel van de werkgelegenheid zorgt. Zeker in ontwikkelingslanden en opkomende markten is het lokale midden- en kleinbedrijf (mkb) motor voor groei en zelfredzaamheid. Deze leden constateren dat programma’s van multilaterale banken in de praktijk nog te vaak gericht zijn op grootschalige overheidsprojecten of multinationals. Op welke wijze zorgt het kabinet ervoor dat het MKB in ontwikkelingslanden doelgericht gestimuleerd wordt via de programma’s en dochterinstellingen van de Bank, zoals de International Finance Corporation (IFC) en het Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA)? Welke meetbare doelstellingen en instrumenten (zoals garantiefaciliteiten, blended finance en het dereguleren van lokaal ondernemerschap) worden ingezet om mkb-ondernemers rechtstreeks toegang te bieden tot financiering?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet vindt het belangrijk dat de banenagenda van de Wereldbankgroep ook het lokale mkb bereikt. Daarom zet Nederland binnen de Bank in op een beter ondernemingsklimaat en betere toegang tot financiering voor het mkb. IFC en MIGA spelen hierbij een belangrijke rol. Via lokale banken, fondsen, garantiefaciliteiten en blended finance komt meer krediet beschikbaar en worden risico’s afgedekt, waardoor financiering voor mkb-bedrijven in risicovolle markten beter toegankelijk wordt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Er bestaat geen overkoepelende kwantitatieve doelstelling voor de ondersteuning van het mkb binnen de Wereldbankgroep. Wel worden binnen afzonderlijke instrumenten en programma’s concrete doelstellingen gehanteerd. Zo richt de door Nederland mede gefinancierde Global SME Finance Facility van IFC zich op het vergroten van financiering voor moeilijk bereikbare mkb-bedrijven en heeft deze faciliteit als doel één miljoen nieuwe banen in het mkb te genereren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de VVD-fractie spreken hun grote waardering uit voor de onverminderde steun aan Oekraïne. De Wereldbank heeft sinds de invasie meer dan 77 miljard dollar gemobiliseerd voor het overeind houden van basisvoorzieningen, het herstel van infrastructuur en steun aan het bedrijfsleven. De totale wederopbouwbehoefte wordt in de vijfde RDNA inmiddels op circa 588 miljard dollar geraamd. Deze leden constateren met grote bezorgdheid dat de Russische aanvallen zich onverminderd richten op de vernietiging van kritieke infrastructuur, in het bijzonder het energienetwerk en nutsvoorzieningen. Hoe wordt gewaarborgd dat de financiële steun en wederopbouwprojecten via de Wereldbank duurzaam, schokbestendig en veilig zijn ingericht? Wordt er bij infrastructurele herstelprojecten gekozen voor decentrale, beschermde en weerbare concepten?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De voortdurende Russische aanvallen op Oekraïne, waaronder op energie- en andere kritieke infrastructuur, veroordeelt het kabinet scherp. Bij herstel en wederopbouw zet de Wereldbank niet alleen in op het herstellen van beschadigde infrastructuur, maar ook op het vergroten van de weerbaarheid tegen toekomstige aanvallen en andere schokken. Zo wordt in de energiesector ingezet op een meer gedecentraliseerd, weerbaar en veilig energiesysteem. Op korte termijn ondersteunt de Wereldbank onder meer noodherstel, reserveonderdelen en bescherming van kritieke infrastructuur; voor de langere termijn gaat het onder meer om decentralisatie van energieopwekking, modernisering van het netwerk en investeringen die de kwetsbaarheid van het systeem verkleinen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op welke wijze zet het kabinet zich in om private investeerders en verzekeraars bij de Oekraïense wederopbouw te betrekken en hen te beschermen tegen oorlogsrisico’s?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet zet zich actief in om private investeringen in de wederopbouw van Oekraïne mogelijk te maken, door risico’s weg te nemen die de markt vanwege de oorlog niet of nauwelijks kan dragen. Voor Nederlandse bedrijven gebeurt dit onder meer door dekking van betalingsrisico’s via de exportkredietverzekeringen en via andere financierings- en garantiefaciliteiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook via de Wereldbankgroep draagt Nederland hieraan bij. Zo ondersteunt Nederland het Economic Resilience Action-programma van de International Finance Corporation (IFC), waarin garanties, risicodeling en blended finance worden ingezet om investeringen in de Oekraïense private sector mogelijk te maken. Daarnaast biedt het Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) verzekeringen tegen politieke en oorlogsrisico’s. Zo worden publieke middelen gericht ingezet om risico’s te delen en daarmee meer privaat kapitaal voor de wederopbouw te mobiliseren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor een overzicht van de Nederlandse instrumenten en ondersteuning voor het bedrijfsleven in Oekraïne wordt verwezen naar Kamerstuk 36045, nr. 293.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de VVD-fractie hebben met instemming gelezen dat water tijdens de voorjaarsvergadering prominent op de agenda is gezet via het High-Level Panel on Water en het Water Forward-initiatief, dat zich ten doel stelt om voor 1 miljard mensen de waterzekerheid te vergroten. Het verslag stelt terecht vast dat deze inzet nauw aansluit bij de unieke Nederlandse expertise en kansen biedt voor samenwerking met Nederlandse kennisinstellingen, bedrijven en diplomatieke posten, onder meer via de zogenoemde Water Compacts. Hoe ziet het kabinet de inzet van Nederlandse expertise op het terrein van water en klimaatadaptatie binnen de Wereldbank voor zich? Zijn hierover reeds verkennende gesprekken gevoerd tussen de Wereldbankgroep enerzijds en Nederlandse kennisinstellingen en het water- en maritieme bedrijfsleven anderzijds?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Nederland beschikt over sterke expertise op het gebied van water en klimaatadaptatie, onder meer bij projectvoorbereiding, capaciteitsopbouw, begeleiding van uitvoering en gespecialiseerde toepassingen zoals kustbescherming. Via de Water Compacts brengen landen hun wateropgaven en behoefte aan kennis en investeringen in kaart. Het kabinet wil die vraag beter verbinden met Nederlandse kennis, bedrijven en financiële expertise.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarom voert het kabinet sinds 2025 gesprekken met de Wereldbankgroep en Nederlandse kennisinstellingen en water en maritieme bedrijven, om te verkennen hoe Nederlandse expertise structureler kan worden ingezet binnen programma’s en investeringen van de Wereldbankgroep. Zie ook het antwoord op vraag 16.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke regierol ziet het kabinet voor zichzelf en zijn departement weggelegd om Nederlandse partijen tijdig te positioneren voor aanbestedingen en uitvoeringsprojecten binnen deze Water Compacts?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet wil de kansen voor Nederlandse bedrijven en organisaties bij multilaterale instellingen, waaronder de Wereldbank, vergroten door Nederlandse kennis en oplossingen voor mondiale vraagstukken actief onder de aandacht te brengen. Nederlandse ambassades en consulaten wereldwijd, het Team Internationale Organisaties (TIO) van RVO en de Private Sector Liaison Officers (PSLO) op de ambassade in Washington D.C. ondersteunen Nederlandse partijen om vroegtijdig in beeld te komen voor toekomstige aanbestedingen, onder meer met advies, begeleiding en het positioneren van hun expertise en oplossingen bij de Wereldbank.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de Water Compacts worden daarnaast directe contacten met de Wereldbank en de compactlanden ingezet. Het kabinet werkt op watergebied langjarig samen met landen zoals Bangladesh, Jordanie, Ethiopie, Kenya en Mozambique, die hun eigen waterambities hebben vastgelegd in Water Compacts. Verwachting is dat die Compacts een investeringsimpuls geven. Het kabinet zal er in dialoog met de betrokken landen op aandringen dat zij de daad van investeren ook bij het woord van hun Compacts voegen. Het kabinet zal Nederlandse partijen mobiliseren waar momentum ontstaat, en instrumenten onder de aandacht brengen waarmee die partijen zich in het voortraject van aanbesteding en uitvoering tijdig kunnen positioneren. Het Netherlands Water Partnership (NWP), waar het kabinet deze zomer langjarige financiering aan heeft toegekend, zal deze inzet ondersteunen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat wederopbouw en steun aan de Palestijnse Gebieden onder strikte voorwaarden plaatsvinden. In het verslag van de voorjaarsvergadering onderstreept het kabinet dat voortgang en nieuwe financieringsconstructies voor wederopbouw afhankelijk zijn van adequate governance-structuren, transparante besluitvorming, controleerbare financieringsstromen en stevige verantwoordingsmechanismen. Welke voortgang heeft de Palestijnse Autoriteit volgens het kabinet tot op heden geboekt met de toegezegde hervormingsagenda, in het bijzonder ten aanzien van transparant financieel beheer, corruptiebestrijding en institutionele vernieuwing? Op welke wijze worden deze hervormingen door de Wereldbank en internationale donoren onafhankelijk gemonitord en getoetst?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Voortgang op de hervormingsagenda is voorwaardelijk voor de Nederlandse steun aan de Palestijnse Gebieden. Deze voortgang wordt o.a. door de EU gemonitord. Er worden belangrijke stappen gezet door de Palestijnse Autoriteit, zoals de hervorming van het sociaal uitkeringssysteem. Een andere essentiële stap is de reeds gedane aankondiging voor verkiezingen voor de Palestinian National Council in november 2026.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Wereldbank koppelt financiering aan vooraf afgesproken hervormingsvoorwaarden en meetbare indicatoren. Het gaat bijvoorbeeld om verbeteringen in het beheer van overheidsfinanciën, publieke aanbestedingen, belastinginning of financiële regelgeving. De ontvangende overheid rapporteert over de voortgang, waarna de Wereldbank zelfstandig beoordeelt of de afgesproken maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd en of de resultaten voldoende zijn om een volgende financieringstranche vrij te geven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Wereldbank gebruikt daarbij eigen analyses, financiële gegevens, overheidsbesluiten en voortgangsrapportages en kan aanvullende controles of externe audits laten uitvoeren. Bij de Palestijnse Autoriteit worden dergelijke beoordelingen mede ondersteund door het Internationaal Monetair Fonds (IMF), dat zich vooral richt op het macro-economische en fiscale beleid, zoals begrotingsbeheer, inkomsten en overheidsuitgaven. Externe auditors kunnen daarnaast controleren of de middelen rechtmatig en volgens de afspraken zijn besteed.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is het kabinet bereid om eventuele toekomstige Nederlandse of multilaterale bijdragen via de Wereldbank afhankelijk te maken van het behalen van vooraf vastgestelde, meetbare hervormingsbenchmarks door de Palestijnse Autoriteit?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Nu al worden Nederlandse middelen via de Wereldbank ingezet binnen programma’s waarin structurele hervormingen en concrete resultaatsindicatoren zijn opgenomen, bijvoorbeeld op het gebied van openbaar financieel beheer, transparantie, belastinginning en anticorruptie. Nederland sluit als aandeelhouder aan bij deze kaders en weegt de voortgang op hervormingen mee bij de inzet van middelen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ten aanzien van de Palestijnse Autoriteit zal Nederland in de Raad van Bewindvoerders en in donor overleggen bepleiten dat steun zoveel mogelijk wordt gekoppeld aan duidelijke, meetbare hervormingsbenchmarks, met onafhankelijke monitoring. Daarbij blijft het kabinet wel oog houden voor de fragiele en conflictgevoelige context, zodat essentiële dienstverlening en wederopbouw niet worden onderbroken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inbreng PVV-fractie De leden van de PVV-fractie danken de minister voor de toegezonden stukken en hebben enkele vragen ten aanzien van het nieuw op te richten fonds binnen de Wereldbank voor de wederopbouw van Syrië.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden hebben ernstige zorgen dat het nieuwe fonds de Nederlandse belastingbetaler weer ongelofelijk veel geld gaat kosten, zeker omdat het kabinet zich actief inzet voor de oprichting van het fonds. In de geannoteerde agenda staat dat het kabinet bereid is geld in het fonds te stoppen, “afhankelijk van de verdere vormgeving en omvang van het fonds’’.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat wordt hiermee precies bedoeld? Welke vorm en welke omvang moet het fonds hebben in de ogen van het kabinet voordat het kabinet er geld in stopt? En als het kabinet tot dat laatste overgaat, over welke bedragen spreken we dan?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet zet zich tijdens de jaarvergadering in voor de oprichting van een fonds voor herstel en wederopbouw in Syrië. Met de formulering “afhankelijk van de verdere vormgeving en omvang van het fonds” wordt bedoeld dat een Nederlandse bijdrage alleen aan de orde is als de inhoudelijke, institutionele en financiële randvoorwaarden voldoende zijn ingevuld. De hoge sociale en milieustandaarden en conflictsensitieve benadering van de Wereldbank zijn daarbij belangrijke voorwaarden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast moet het gaan om een meerpartijenfonds met voldoende internationale deelname. Het fonds moet aansluiten bij de Nederlandse inzet voor veiligheid, stabiliteit en terugkeer in Syrië en bij prioriteiten als herstel van basisvoorzieningen, inclusieve economische ontwikkeling en steun aan kwetsbare groepen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De hoogte van een eventuele Nederlandse bijdrage hangt af van de totale bijdragen van andere donoren en de beschikbare Nederlandse budgetten voor Syrië. Over concrete bedragen kan daarom nog geen uitspraak worden gedaan. Daarover wordt besloten zodra er meer duidelijkheid is over de definitieve vormgeving en omvang van het fonds.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Laat het helder zijn dat de leden van de PVV-fractie willen dat het kabinet geen cent Nederlands belastinggeld in de wederopbouw van Syrië steekt. De regering van voormalig Al Qaeda-strijder Al-Julani zou Nederland financieel niet moeten steunen door rekeningen voor de wederopbouw van Syrië voor te betalen. Daarvoor klopt de Syrische regering maar bij andere landen aan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tot slot willen de leden weten of, en zo ja wat, de premier over het fonds en de Nederlandse bijdrage heeft gewisseld tijdens de AVVN met Al-Julani? Zijn er al toezeggingen gedaan aan Syrië?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Tijdens de 81e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) hebben de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken met hun Syrische ambtgenoten gesproken over de veiligheidssituatie, migratiesamenwerking en mogelijke Nederlandse bijdragen aan de wederopbouw, waaronder op het gebied van landbouw. Het Wereldbankfonds en een eventuele Nederlandse bijdrage daaraan zijn niet besproken en hierover zijn geen toezeggingen gedaan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Krijgt Nederland er nog iets tastbaars voor terug als het kabinet overgaat tot het vullen van het fonds voor Syrië.\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Nederland heeft belang bij een veilig, stabiel en economisch levensvatbaar Syrië. Dat draagt bij aan regionale stabiliteit en veiligheid en helpt de voorwaarden te creëren voor duurzame terugkeer. Een Wereldbankfonds kan hieraan bijdragen door op een samenhangende en schaalbare manier te investeren in herstel van cruciale infrastructuur, inclusieve basisdiensten en economische perspectieven voor de bevolking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Deze leden ontvangen op deze vragen graag een uitgebreid antwoord.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Inbreng PRO-fractie\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Jaarvergadering van de Wereldbank in Bangkok. Zij delen de opvatting van het kabinet over effectieve multilaterale samenwerking: in een tijd van ongelijkheid, klimaatrampen, de internationale orde die onder druk staat, en teruglopende ontwikkelingsfinanciering, is wereldwijde samenwerking onmisbaar. Wel hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Klimaat\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PRO-fractie wijzen op de enorme urgentie van de klimaatcrisis. Volgens de Wereldbank zélf kan klimaatverandering 132 miljoen mensen extra in de armoede duwen per 2030. In de regio waar de Jaarvergadering dit jaar plaatsvindt zijn de gevolgen pijnlijk zichtbaar. In Azië en de Stille Oceaan veroorzaakten tientallen weerrampen de afgelopen jaren duizenden doden en miljarden dollars aan schade. Tegelijkertijd blijft de klimaatfinanciering voor deze landen achter. Deelt het kabinet deze analyse? Tegen deze achtergrond vinden de leden van de PRO-fractie het onbegrijpelijk en schrikbarend dat de Wereldbank de kwantitatieve klimaatdoelstelling van 45% laat vallen. Deze leden vragen het kabinet te reageren op de berichtgeving in NRC en de Financial Times dat dit gebeurt onder grote druk van de Verenigde Staten. Wat heeft Nederland als kiesgroepvoorzitter gedaan om het doel te behouden, en hoe stelden andere Europese bewindvoerders zich op? Hoe wil het kabinet er &quot;op toezien&quot; dat de klimaatambitie “in de praktijk overeind blijft” zonder meetbare doelen? Is het kabinet bereid in Bangkok te pleiten voor nieuwe kwantitatieve doelen, zoals een minimumaandeel voor klimaatfinanciering en adaptatie? Is het kabinet bereid om te pleiten om jaarlijks een expliciete vergelijking van de behaalde resultaten met het oude 45%-doel te maken?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet deelt de zorgen over de grote gevolgen van klimaatverandering voor ontwikkelingslanden en de enorme omvang van de financieringsopgave. Klimaatverandering bedreigt economische ontwikkeling, voedselzekerheid en bestaanszekerheid, juist in kwetsbare landen. Het kabinet vindt daarom dat multilaterale ontwikkelingsbanken, waaronder de Wereldbank, een belangrijke rol moeten blijven spelen bij het mobiliseren van klimaatfinanciering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland heeft zich actief ingezet voor de verlenging van het Climate Change Action Plan (CCAP), inclusief behoud van de kwantitatieve doelstellingen voor klimaatfinanciering. Nederland heeft daarbij intensief samengewerkt met gelijkgestemde landen binnen en buiten de EU, de zorgen op hoog niveau bij het management van de Bank onder de aandacht gebracht, en actief deelgenomen aan de onderhandelingen tussen aandeelhouders. De verlenging kwam tot stand tegen de achtergrond van verdeeldheid tussen de VS, die zich tegen kwantitatieve doelstellingen voor klimaatfinanciering verzette, en een grote groep andere aandeelhouders die deze doelstellingen wilde behouden. Daarbij is het CCAP behouden, maar zijn de Bankbrede doelstellingen van 35% en 45% komen te vervallen. Zonder overeenstemming over deze uitkomst zou het CCAP als geheel zijn vervallen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Bank blijft haar klimaatfinanciering wel systematisch meten en openbaar rapporteren, onder meer via de eigen Scorecard en de gezamenlijke rapportage van multilaterale ontwikkelingsbanken. Daardoor blijft zichtbaar hoe het gerealiseerde aandeel klimaatfinanciering zich verhoudt tot de voormalige doelen. Daarnaast wordt sterker gerapporteerd over de daadwerkelijk behaalde resultaten op mitigatie en adaptatie. Het kabinet zal deze rapportage waar nodig aangrijpen om het management van de Bank in de Raad van Bewind bij tekortkomingen ter verantwoording te roepen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland blijft inzetten op substantiële klimaatfinanciering en op de bijdrage van de Wereldbank aan het gezamenlijke doel van de multilaterale ontwikkelingsbanken om in 2030 jaarlijks USD 120 miljard aan klimaatfinanciering voor lage- en middeninkomenslanden te verstrekken. Het kabinet ziet op dit moment onvoldoende draagvlak om in Bangkok opnieuw kwantitatieve doelen af te spreken en richt zich daarom met gelijkgestemde partners op ambitieuze uitvoering, transparantie en resultaten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PRO-fractie wijzen erop dat het besluit ook gevolgen heeft voor het collectieve doel van de multilaterale ontwikkelingsbanken om in 2030 jaarlijks 120 miljard dollar aan klimaatfinanciering te verstrekken. Hoe beoordeelt het kabinet dit risico? Wat doet Nederland om dat doel overeind te houden en te zorgen dat de Bank dit doel haalt?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet hecht groot belang aan de gezamenlijke inzet van de multilaterale ontwikkelingsbanken om vanaf 2030 jaarlijks USD 120 miljard aan klimaatfinanciering te verstrekken en USD 65 miljard aan private financiering te mobiliseren. Deze inzet is belangrijk voor het behalen van de mondiale klimaatfinancieringsdoelen die in Baku zijn afgesproken. De Wereldbank blijft deze doelstelling onderschrijven, maar de huidige discussie over haar klimaatbeleid vormt wel een risico voor de omvang van haar uiteindelijke bijdrage.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland blijft er daarom op aandringen dat de Wereldbank als grootste multilaterale ontwikkelingsbank een volwaardig aandeel levert aan deze gezamenlijke doelstelling en zal de Bank hierop blijven aanspreken in formele overleggen tussen aandeelhouders en in bilaterale contacten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet investeringen niet wil laten bijdragen aan fossiele afhankelijkheid. Is het kabinet bereid te pleiten voor een uitsluiting – of in ieder geval snelle afbouw – van nieuwe financiering van fossiele projecten, ook gezien de Amerikaanse druk om er juist meer te financieren?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Met de verlenging van het Climate Change Action Plan (CCAP) blijft ook de inzet van de Wereldbankgroep overeind om haar financiering in lijn te brengen met het Parijsakkoord. Projecten worden daarbij getoetst op klimaatrisico’s en op het voorkomen van langdurige afhankelijkheid van hoge uitstoot. Het kabinet blijft zich inzetten voor de afbouw van fossiele afhankelijkheid en de opschaling van duurzame alternatieven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Wereldbank financiert in beginsel geen nieuwe exploratie en winning van olie en gas en geen nieuwe kolengestookte elektriciteitscentrales. Nederland blijft zich ervoor inzetten dat deze lijn wordt voortgezet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Belastingontwijking en publieke diensten\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PRO-fractie lezen dat Nederland binnen de Bank pleit voor blijvende aandacht voor efficiënte binnenlandse inkomstenmobilisatie. Is het kabinet het met de leden van de PRO-fractie eens dat het mobiliseren van binnenlandse inkomsten voor publieke diensten zoals zorg en onderwijs niet louter een nationale verantwoordelijkheid is, gezien de rol van een onrechtvaardige internationale belastingarchitectuur waardoor ontwikkelingslanden veel inkomsten mislopen? Hoe onderkent de Nederlandse inbreng bij de Wereldbank deze realiteit? Welke verantwoordelijkheid neemt Nederland hier zelf in als een van de grootste veroorzakers van dit probleem?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet deelt de zorg dat ontwikkelingslanden inkomsten kunnen mislopen door grensoverschrijdende belastingontwijking en -ontduiking en door tekortkomingen in de internationale samenwerking op belastinggebied. Hoewel het mobiliseren van binnenlandse inkomsten primair een verantwoordelijkheid van landen zelf is, kent deze daarmee ook een internationale dimensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland zet zich hier op verschillende manieren voor in. Zo draagt Nederland bij aan het Global Tax Program van de Wereldbank, dat landen ondersteunt bij het versterken van belastingbeleid en -administratie. Daarnaast ondersteunt Nederland via het International Monetair Fonds het Anti-Money Laundering and Combating the Financing of Terrorism programma, dat landen helpt illegale financiële stromen en financiële criminaliteit tegen te gaan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen genomen om belastingontwijking via Nederland tegen te gaan. Het gaat onder meer om de conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen, de wereldwijde minimumbelasting, maatregelen tegen verdragsmisbruik en de implementatie van de Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen ATAD1 en ATAD2. Het kabinet is ervan overtuigd dat het Nederlandse belastingstelsel hierdoor robuuster is geworden tegen internationale belastingontwijking. Dit wordt ook internationaal erkend. Zo doet de Europese Commissie sinds 2022 geen landspecifieke aanbevelingen meer aan Nederland op dit terrein en heeft ook het IMF vastgesteld dat Nederland belangrijke stappen heeft gezet in de aanpak van belastingontwijking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over de passage dat IDA-financiering volgens het kabinet moet worden benut om landen aan te zetten tot beleidshervormingen. Deze leden zien een risico dat dit kan leiden tot bezuinigingen op publieke diensten die mensen juist nodig hebben. Ziet het kabinet dit risico, ook gezien negatieve ervaringen uit het verleden? Hoe wordt voorkomen dat landen worden gedwongen te bezuinigen op de diensten die gewone mensen nodig hebben?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>IDA is opgericht om de armste landen toegang te geven tot financiering op voorwaarden die zij kunnen dragen. IDA verstrekt daarom giften en zeer concessionele leningen voor ontwikkeling, waaronder investeringen in onderwijs, gezondheidszorg, sociale bescherming en infrastructuur. De mate waarin landen giften of leningen ontvangen hangt onder meer af van hun schuldhoudbaarheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij programma’s die beleidshervormingen ondersteunen, maakt IDA met het betreffende land afspraken over beleids- en institutionele maatregelen die nodig zijn om de doelen van het programma te bereiken. Deze programma’s worden op verzoek van het land opgesteld en sluiten aan bij de eigen hervormingsagenda. Het doel van dergelijke hervormingen is om landen beter in staat te stellen ontwikkeling en publieke dienstverlening duurzaam te financieren. Het kan bijvoorbeeld gaan om beter financieel beheer, hogere binnenlandse inkomsten, sterkere instituties of het wegnemen van knelpunten in de publieke dienstverlening. De Wereldbank beoordeelt daarbij expliciet de mogelijke gevolgen voor armoede en kwetsbare groepen. Nederland ondersteunt deze inzet en hecht daarbij aan inclusieve economische ontwikkeling.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Fragiele regio’s en wederopbouw\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De leden van de PRO-fractie steunen de betrokkenheid van de Bank bij wederopbouw in Gaza, Syrië en Oekraïne. Hoe wordt gegarandeerd dat de Palestijnse, Syrische en Oekraïense bevolking de regie houden over de wederopbouw van hun eigen land? Hoe houden lokale organisaties toegang tot besluitvorming en monitoring?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord van het kabinet\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet vindt het belangrijk dat wederopbouw aansluit bij de prioriteiten van de betrokken landen en bevolking. De Wereldbank werkt vanuit het principe van lokaal eigenaarschap: de strategische inzet wordt samen met het klantland bepaald en sluit aan bij nationale herstel- en ontwikkelingsprioriteiten. Daarbij worden ook maatschappelijke organisaties, lokale gemeenschappen en de private sector betrokken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook op projectniveau is lokale participatie onderdeel van de werkwijze van de Bank. Lokale belanghebbenden krijgen toegang tot informatie, worden gedurende de voorbereiding en uitvoering van projecten geconsulteerd en hun inbreng wordt meegenomen. Ook bestaan er mechanismen om tijdens de uitvoering problemen aan te kaarten en de uitvoering te volgen. Nederland blijft er bij de Wereldbank op aandringen dat deze lokale betrokkenheid ook bij de wederopbouw van Oekraïne, Syrië en Gaza goed wordt geborgd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Volledige agenda\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Geannoteerde agenda Jaarvergadering Wereldbank van 12 t\u002Fm 18 oktober 2026\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Brief regering d.d. 25 september 2026 minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.W. Sjoerdsma\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Verslag voorjaarsvergadering 2026 Wereldbank van 13-18 april 2026 (Kamerstuk 26234, nr. 321)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Brief regering d.d. 1 juni 2026 minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.W. Sjoerdsma\u003C\u002Fp>\n\u003C\u002Fdiv>","\u002Fmedia\u002Fbrieven_pdfs\u002Fsf-br-2026Z21087.pdf",[28,30],{"label":29,"term":20},"Palestijnse",{"label":21,"term":21},[],[]]