[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"$fMXZIaBffPEdV0jG-pSA6jo5dD34aLpNWp7UhQ7s8Al8":3},{"id":4,"document_id":5,"title_full":6,"title_short":6,"date_published":7,"source_url":8,"submitters":9,"is_palestine_relevant":22,"relevance_score":23,"relevance_keywords":24,"relevance_excerpt":27,"ai_summary":28,"frontend_url":29,"content_html":30,"pdf_url":31,"relevance_keyword_chips":32,"relevance_source_bijlagen":38,"qa_pairs":39},192377,"sf-br-2026Z21454","Schriftelijke beantwoording vragen eerste termijn begrotingsbehandeling Defensie 2027 (37020-X)","2026-10-07","https:\u002F\u002Fwww.tweedekamer.nl\u002Fkamerstukken\u002Fbrieven_regering\u002Fdetail?id=2026Z21454&did=2026D49506",[10,16],{"person":11,"functie":14,"actor_naam":15},{"fullname":12,"slug":13},"Dilan Yeşilgöz-Zegerius","dilan-yesilgoz-zegerius","minister van Defensie","D. Yeşilgöz-Zegerius",{"person":17,"functie":20,"actor_naam":21},{"fullname":18,"slug":19},"Derk Boswijk","derk-boswijk","staatssecretaris van Defensie","D.G. Boswijk",true,2,[25,26],"Israël","genocide + erkent","Waarom bestaat er nog steeds een militair verdrag met \u003Cmark>Israël\u003C\u002Fmark>?","Israël komt alleen ter sprake in het kader van een statusverdrag voor defensiepersoneel; het kabinet vindt dit verdrag wenselijk voor personeelszorg. De brief behandelt vooral de begrotingsbehandeling van Defensie 2027, met antwoorden op vragen over onder meer Europese defensiesamenwerking, Oekraïne-steun, personeelsgroei en strategische autonomie.","\u002Fdocumenten\u002Fbrief-regering\u002F192377-schriftelijke-beantwoording-vragen-eerste-termijn-begrotingsbehandeling","\u003Cdiv class=\"brief-regering\">\n\u003Cp>&gt; Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>de Voorzitter van de Tweede Kamer\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>der Staten-Generaal\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bezuidenhoutseweg 67\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>2594 AC Den Haag\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Datum\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>7 oktober 2026\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Betreft\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Schriftelijke beantwoording vragen 1e termijn begrotingsbehandeling Defensie 2027\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ministerie van DefensiePlein 4MPC 58 BPostbus 207012500 ES Den Haagwww.defensie.nlOnze referentieMINDEF20260069237Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Geachte voorzitter,\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tijdens de begrotingsbehandeling van Defensie (hoofdstukken K en X) heeft uw Kamer vragen gesteld. Hierbij bied ik uw Kamer het antwoord op een deel van deze vragen evenals de appreciatie van de ingediende amendementen schriftelijk aan. De overige gestelde vragen zal ik mondeling beantwoorden tijdens het vervolg van het debat op donderdag 8 oktober 2026.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoogachtend,\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>DE MINISTER VAN DEFENSIE\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>Dilan Yeşilgöz-Zegerius\u003C\u002Fp>\n\u003Ch3>DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE\u003C\u002Fh3>\n\u003Cp>Derk Boswijk\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid Piri (PRO)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is Nederland bereid een groter aandeel te nemen in project Freya?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord Nederland heeft zich aangesloten bij de Anti Ballistic Missile Coalition, de coalitie die mede ook het Freyja-project zal faciliteren. Nederland is welwillend om een aanjagende rol te spelen binnen deze coalitie. Daartoe zijn we met partners, Oekraïne in het bijzonder, in gesprek. Het kabinet houdt uw Kamer op de hoogte van de voortgang.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe mitigeren we de afhankelijkheid van Amerikaanse Big Tech?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Digitale autonomie is een strategische noodzaak voor defensie. In het licht van de huidige geopolitieke verschuivingen moet defensie voorkomen dat cruciale digitale capaciteiten en daarmee de eigen handelingsvrijheid afhankelijk worden van buitenlandse bedrijven of overheden. Doordat Defensie, in tegenstelling tot veel andere organisaties, een groot deel van haar IT zelf voortbrengt, is Defensie per saldo autonomer.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Binnen defensie zijn er de afgelopen maanden diverse initiatieven genomen om de afhankelijkheid van Amerikaanse Big Tech te mitigeren. Meer specifiek is er eerder dit jaar het tweesporenbeleid AI-Decision Support System uitgebracht waarover de Kamer is geïnformeerd, waarin sterk wordt ingezet op het afbouwen van de samenwerking en afhankelijkheden met Palantir. Het beleid heeft als primaire spoor het opbouwen van een soevereine situatie, waarin met Europese technologie partners wordt samengewerkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor defensie is autonomie vooral gericht op eigen datacentra, eigen personeel en defensie specifieke contracten met de markt, zoals cloud-contracten met Europese leveranciers in nauwe samenwerking met Nederlandse partijen. De Europese initiatieven bieden hiervoor perspectief en defensie onderzoekt op welke manier deze toepasbaar zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit past binnen de multi-cloud strategie waarbij de beste oplossing wordt gekozen. Ook heeft defensie heeft een contract met KPN en Thales voor de staatsgeheime cloud, die is losgekoppeld van het internet en in een eigen datacenter van defensie staat.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Staat het kabinet ervoor open om grote militaire inkopen door Brussel te laten coördineren?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Nederland werkt veel samen met Europese partners op het gebied van aanschaf van materieel, onder andere via lead nation constructies. Gezamenlijke aanschaf vindt onder andere plaats via het NATO Support and Procurement Agency (NSPA), de inkooporganisatie voor NAVO-bondgenoten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland is lid van ‘support partnerships’ waarin NAVO-bondgenoten langdurige samenwerking aangaan voor verwerving en gebruik van strategische capaciteiten, zoals het Multi-Role Tanker Transport (MRTT) initiatief.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>EU-Lidstaten waaronder Nederland gebruiken het Europees Defensie Agentschap (EDA) om gezamenlijke aanbestedingen, defensieprojecten en de coördinatie van militaire capaciteiten (zoals via Coordinated Annual Review on Defence (CARD) en Permanent Structured Cooperation\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>vorm te geven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland is daarnaast samenwerkingspartner van de internationale organisatie voor materieelsamenwerking Organisation Conjointe de Coopération en matières d&#x27;Armements (OCCAR) en wil nog voor het einde van het jaar formeel toetreden als lidstaat. De verwerving van materieel via OCCAR biedt schaalvoordelen, ontlast de deelnemende landen bij het projectmanagement en vergroot de interoperabiliteit. Na toetreding wordt Nederland de zevende lidstaat van OCCAR, na België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De cijfers over de eerste helft van dit jaar in de Stand van Defensie maken duidelijk dat er nog stappen moeten worden gezet in de gezamenlijke aanschaf van materieel met Europese partners. De belangrijkste opgave voor de komende periode is dan ook om de ingezette ontwikkeling te versnellen: om voldoende tempo te maken, nationale en Europese belangen met elkaar te blijven verbinden en ervoor te zorgen dat Europese landen gezamenlijk optrekken en samen concrete trajecten starten voor nauwere materieel- en industriesamenwerking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Over de rol die de EU vervult en de initiatieven die zijn genomen op het gebied van gezamenlijke ontwikkeling en aanschaf van materieel op het gebied van Europese defensiesamenwerking is uw Kamer recent geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid Bolhuis (PRO)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe kijkt de regering aan tegen het opzetten van een regionale defensiestrategie waarin Defensie met partners samenwerkt om defensie op de beste manier in te passen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet is periodiek in overleg met alle provincies en de meest betrokken gemeentes waar Defensie actief is of gaat worden. Dit overleg is gebaseerd op een gezamenlijke agenda met ook regionale initiatieven. Daarnaast wordt elke ruimtelijke opgave in overleg en in afstemming met medeoverheden en andere stakeholders ingepast in de omgeving. Dit gebeurt op basis van specifieke roadmaps voor elke opgave. Deze voorbeelden illustreren onze strategie. Zoals eerder aangegeven in het Notaoverleg Definitief Nationaal Programma Ruimte voor Defensie, informeert het kabinet uw Kamer naar verwachting hierover voor het einde van het jaar.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waarom maken we geen gebruik van de ruimte die de EU biedt om defensie uitgaven buiten de 3 procent te plaatsen, wetende dat dit het draagvlak vergroot?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet hanteert het principe dat structurele uitgaven structureel gedekt worden. Hierdoor worden er geen rekeningen doorgeschoven naar toekomstige generaties. Zoals de minister van Financiën tijdens de behandeling van de Voorjaarsnota reeds heeft aangegeven, kiest het kabinet ervoor om geen gebruik te maken van de ruimte die de EU biedt via de tijdelijke nationale ontsnappingsclausule (Nationaal Escape Clause).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De ontsnappingsclausule zou ook slechts tijdelijk zijn. Ook bij het gebruik van deze tijdelijke clausule zou de oploop van de defensie-uitgaven immers vanaf 2029 alsnog volledig ingepast moeten worden in de rijksbegroting om te voldoen aan de eisen die de Europese Commissie aan het uitgavenpad van de Nederlandse begroting stelt. Dit leidt tot dezelfde structurele dekkingsopgave.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Als het kabinet de huidige rentelasten van Nederland (12,9 miljard in 2027) vergelijkt met een begroting, dan is dat ongeveer evenveel als we in één jaar uitgeven aan de begroting van het Mobiliteitsfonds van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (10,7 miljard euro in 2027) of het Defensiematerieelbegrotingsfonds van defensie (14,1 miljard euro in 2027) of drie keer de begroting van LVVN (4,3 miljard in 2027).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid Jagtenberg (D66)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunnen de bewindspersonen onderzoeken of we met een symbolisch bedrag deel kunnen nemen aan de volgende SAFE leningen en daarmee de koppositie pakken bij het versterken van de EU defensie-industrie?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Nederland maakt nu geen gebruik van leningen voor gezamenlijke aanschaf van militair materieel, omdat het zelf goedkoper leent en afname van een lening niet nodig was om deel te nemen aan gezamenlijke aanbestedingen. Wel is Nederland betrokken bij enkele projecten gefinancierd door het Security Action for Europe instrument (SAFE).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Indien er een volgend SAFE-instrument wordt opgezet, zal het kabinet heroverwegen of Nederland gebruik gaat maken van SAFE. Uw Kamer zal hierover worden geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat is er gebeurd met de motie van Jagtenberg over Collaborative Combat Aircraft (CCA)?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie is in lijn met de motie Jagtenberg over de ontwikkeling van een prototype Collaborative Combat Aircraft (CCA) reeds gestart met enkele kennisopbouw en technologie-ontwikkelingsprojecten die kansen bieden om in een toekomstig Collaborative Combat Aircraft (CCA) prototype te worden verwerkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In navolging van de motie zijn commercieel vertrouwelijke gesprekken geweest met enkele Nederlandse industrie partijen. In deze gesprekken is verkend welke mogelijkheden er zijn voor de ontwikkeling van een prototype testplatform om bij te dragen aan onderdelen voor CCA-prototypes. Tevens is aan het Nederlands Lucht- Ruimtevaartcentrum (NLR) een opdracht gegeven om te verkennen welke mogelijkheden worden gezien ten aanzien van de ontwikkeling van een prototype CCA. Het NLR verwacht voor het einde van het haar een reactie te kunnen geven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ondertussen gaat het programma MOBIUS bij het Commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten door met het voortdurend verkennen van de diverse lopende CCA-programma’s en initiatieven, in Europa en daarbuiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid Belhirch (D66)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke afhankelijkheden pakt het kabinet als eerste aan, waarin nemen we het voortouw?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Europese autonomie wordt gestimuleerd door afhankelijkheden van niet-Europese leveranciers te verminderen en te investeren in de ontwikkeling van strategische capaciteiten binnen Europa. Nederland zet hierop in door de Europese defensie-industrie te stimuleren in de negen binnen de Europese Unie geïdentificeerde Priority Capability Areas. Nederland neemt het voortouw op twee van de negen Priority Capability Areas, betreffende: 1) Drones en counter-drone systemen: gericht op gezamenlijke ontwikkeling, aanschaf en innovatie; en 2) Militaire mobiliteit: gericht op het verbeteren van de mogelijkheden om militair materieel en eenheden snel door Europa te verplaatsen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook op gebied van geïntegreerde luchtverdediging kiest defensie waar mogelijk en passend voor Europese leveranciers. Nederland werkt hiervoor nauw samen met (Europese) bondgenoten, bijvoorbeeld in de recent opgezette Anti Ballistic Missile Coalition bestaande uit 9 Europese landen en Oekraïne om gestalte te geven aan het Oekraïense Freya-project.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast zet de coalitie zich in voor het project “Bliksem EXO”, dat wordt uitgevoerd door een consortium van Europese bedrijven onder leiding van het Nederlandse bedrijf Destinus. Dit consortium werkt aan de ontwikkeling van Europese antiballistische exo-atmosferische capaciteiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet is scherp op lopende en toekomstige contracten, zoals onder andere supervezels.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook op zee nemen de dreigingen toe. Van de Noordzee tot het Caribisch gebied. Heeft de Kustwacht voldoende mandaat en slagkracht om daar effectief tegen op te treden? En wanneer komen de wetswijzigingen om harder op te treden tegen de Russische schaduwvloot?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De Kustwacht Nederland heeft verschillende middelen om haar taken op de Noordzee uit te voeren, waaronder vliegende en varende middelen en een netwerk van sensoren. Hiermee beschikt de Kustwacht over de middelen om haar taken uit te voeren. De directeur Kustwacht Nederland heeft het mandaat om in naam van de verantwoordelijke ministers besluiten te nemen en regels te handhaven op zee. Defensie ondersteunt de Kustwacht met aanvullende capaciteiten om een beeld van de dreigingen op de Noordzee op te bouwen en kan indien nodig op verzoek bijstand verlenen. Er wordt ook extra geïnvesteerd om deze capaciteiten verder uit te breiden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast werkt het kabinet aan de oprichting van een Nationaal Maritime Security Centrum, dat relevante actoren op de Noordzee, waaronder de Kustwacht, bij elkaar brengt. Dit centrum zal bijdragen aan een compleet beeld van dreigingen op de Noordzee en snelle respons bij incidenten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Kustwacht Caribisch Gebied voert haar wettelijke taken uit onder gezag en verantwoordelijkheid van de vier Landen binnen het Koninkrijk. Zij bepalen gezamenlijk de inzet, prioritering en investering van de Kustwacht Caribisch Gebied. De Kustwacht Caribisch Gebied is voldoende uitgerust om de huidige taken uit te voeren en is 24 uur per dag bereikbaar en inzetbaar wanneer dat nodig is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ten aanzien van de schaduwvloot onderkent het kabinet de dreiging van de schaduwvloot en zet zich in om daartegen op te treden. Daarom is in de afgelopen periode met spoed gewerkt aan wetgeving om robuuster tegen de schaduwvloot te kunnen optreden. Het wetsvoorstel en een begeleidende Kamerbrief worden voor het einde van de maand aan uw Kamer aangeboden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de tussentijd zitten we niet stil. Het kabinet gebruikt een integrale aanpak tegen het ‘ecosysteem’ van de schaduwvloot en werkt daarbij nauw samen met bondgenoten. Het doel hierbij is om kosten te verhogen en zo het Russische businessmodel te verstoren. Dit raakt direct het Russische vermogen om hun oorlog tegen Oekraïne te financieren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe waarborgt de minister de uitvoerbaarheid van de plannen, de doelmatigheid en doeltreffendheid van de investeringen en de transparantie over de resultaten? En hoe wordt de Kamer tussentijds geïnformeerd, zodat we tijdig kunnen bijsturen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie heeft een proces voor strategieontwikkeling, een proces voor investeringsbeheer, inkoopbeleid en het proces beleid, plannen en begroten. Hiermee borgen we de doelmatigheid en doeltreffendheid van de plannen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Kamer wordt op verschillende manieren geïnformeerd, over voorgenomen investeringen in materieel en wapensysteem gebonden IT via zogenoemde Defensie Materieel Proces-brieven. Met het Defensie Materieel Proces heeft de Kamer de mogelijkheid om tussentijds bij te sturen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Kamer wordt met het Defensie Projectenoverzicht en het Defensiematerieelbegrotingsfonds geïnformeerd over de investeringsprojecten en ontvangt separate voortgangsrapportages onder de Regeling Grote Projecten. Voor IT-projecten vanaf enige omvang wordt een Bureau ICT-toets uitgevoerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Omdat technologie zo snel voortschrijdt, is het bestedingsplan ook deels gebaseerd op welk operationeel effect nodig is. Defensie bepaalt van daaruit welke mensen, middelen en manieren van optreden daarbij passen. Zo wordt de krijgsmacht meer gericht op wat zij daadwerkelijk moet kunnen bereiken. Afwijkingen in de voortgang van projecten met gevolgen voor de kas- en verplichtingenbudget worden conform begrotingsregels verwerkt in de begroting en voorzien van een toelichting.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe krijgt de ambitie van Samen Voorwaarts (Defensienota) concreet vorm? En welke afspraken maakt het kabinet over maatschappelijke betrokkenheid met defensie? Maatschappelijke organisaties hebben dagelijks contact met mensen en weten wat er leeft, maar worden ze ook echt betrokken en krijgen ze ruimte en middelen om bij te dragen? Welke afspraken maakt het kabinet over verantwoordelijkheden en het tijdpad en wat gebeurt er met de uitkomsten van de weerbaarheidstop eind deze maand?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie heeft als kerntaak Nederland te beschermen, maar kan dat niet alleen. Nationale veiligheid is een taak van de hele overheid en de samenleving. Daarom staat defensie midden in de samenleving met haar mensen, fysieke aanwezigheid en de actieve bijdrage die zij vanzelfsprekend levert, niet alleen in tijden van crises of conflict. In de praktijk werkt defensie al nauw samen met de samenleving, waaronder diverse maatschappelijke organisaties, bijvoorbeeld door de ondersteuning aan civiele partners in crisissituaties en het inzetten op het versterken van weerbaarheid van jongeren. Ook heeft defensie verschillende wederkerige samenwerkingsverbanden, zoals de samenwerking tussen de civiele en militaire zorgketen, het ecosysteem logistiek gericht en de samenwerking met verschillende opleidingsinstituten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast zet defensie zich actief in om de verbinding met de samenleving verder te versterken, onder andere met lokale gemeenschappen rondom onze kazernes en door middel van succesvolle initiatieven met de samenleving. Voorbeelden hiervan zijn Sport en Defensie Maken Weerbaar, de Nationale Weerbaarheidstraining, de Maatschappelijke Diensttijd Missie en de intentieverklaring die recent getekend is tussen defensie en de KNVB.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarbij richt defensie zich op wat de samenleving nodig heeft. Immers, een weerbare maatschappij vormt het fundament voor de individuele en collectieve weerbaarheid tegen onverwachte crises of een militair conflict. Voor een groot deel ontstaat die weerbaarheid van onderaf, vanuit de maatschappij zelf. defensie juicht dat zeer toe, want daar weet men het beste wat nodig is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie werkt ook actief samen met andere ministeries om de nationale veiligheid te beschermen en bevorderen. Een voorbeeld hiervan is de Rijksbrede weerbaarheidsaanpak die Defensie samen met het ministerie van Justitie en Veiligheid coördineert. De Defensienota gaat specifiek over de taken en verantwoordelijkheden van Defensie, vanuit de verantwoordelijkheid voor het militaire machtsinstrument.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De ambitie Samen Voorwaarts krijgt eveneens concreet vorm door een voortdurende dialoog met diverse maatschappelijke partners, de industrie en kennisinstellingen. Ter voorbereiding op de Defensienota 2026 zijn hiervoor diverse bijeenkomsten georganiseerd met een breed scala aan belanghebbenden, waaronder medeoverheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en jongerenvertegenwoordigers.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook organiseren Defensie en de NCTV samen met VNO-NCW, MKB-Nederland, het Oranje Fonds, het Rode Kruis en de Vereniging Nederlandse Gemeenten de Top Nationale Weerbaarheid met als doel om maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven kennisinstellingen en medeoverheden te betrekken bij de maatschappij brede weerbaarheidsaanpak. Deze Top wordt onder meer gebruikt om het gesprek te voeren met de deelnemers over de hernieuwde weerbaarheidsaanpak tegen militaire en hybride dreigingen die in ontwikkeling is, en waar de samenwerking met de partners verder versterkt kan worden. Deze uitkomsten en afspraken worden verwerkt in de hernieuwde weerbaarheidsaanpak die in het eerste kwartaal van 2027 met de Kamer wordt gedeeld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie wil de samenwerking met haar stakeholders en partners in de komende jaren verder uitbouwen en intensiveren, om zo de verbinding tussen de krijgsmacht en de bredere samenleving te borgen. Te denken valt daarbij aan het verkennen van burgerparticipatietrajecten, het maken van afspraken rondom de inzet van Defensie voor transport (dual use), een bijdrage te leveren aan het tegengaan van drone dreiging, het versterken van de dialoog met de samenleving, het houden van commando-overdrachten in openbare ruimte, en samenwerkingsverbanden met sportorganisaties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waar mogelijk wegen we daarnaast mee hoe de investeringen in defensie ook breder kunnen bijdragen aan de Nederlandse economie, welvaart en samenleving. Defensie heeft de samenleving namelijk veel te bieden op allerlei vlakken, zoals industrie en verdienvermogen, sociale cohesie, kennis en innovatie, natuur, digitale infrastructuur en opleidingen. Door zichtbaar en transparant in de maatschappij te staan, versterken we de samenleving en de krijgsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid Boon (PVV)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NAVO capaciteitsdoelstellingen zijn leidend, maar hoe zorgt de minister dat de NAVO planning meebeweegt en deze aansluit bij de lessons learned uit Oekraïne en deze zich ook direct aanpast aan de praktijk?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Nederland ontvangt live feedback van de drones en andere middelen die we voor Oekraïne financieren. Met die input verbeteren we onze eigen drones ook weer. Daarnaast onderstrepen de ervaringen uit Oekraïne onder meer het belang van een goede mix van onbemenste, relatief goedkope en schaalbare systemen en technologisch geavanceerde systemen. De NAVO verwerkt deze lessen steeds nadrukkelijker in conceptontwikkeling, experimenten en daarmee in de ontwikkeling van militair vermogen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In het NAVO planningsproces worden de vereiste militaire vermogens en capaciteiten toegewezen aan de bondgenoten. Daarin staat het bondgenoten vrij om deze capaciteiten innovatief en effect-based in te vullen als aangetoond kan worden dat het vereiste militaire effect kan worden bereikt. Zodoende behoudt defensie de flexibiliteit om in te spelen op actuele ontwikkelingen en onzekerheden, door zich te richten op de effecten die het wil kunnen bereiken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland zet er binnen de NAVO op in dat deze ontwikkeling ook doorwerkt in de eisen die binnen het defensieplanningsproces worden gesteld. Daarbij moet het te bereiken operationeel effect centraal staan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid de Groot (VVD)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat kan het kabinet diplomatiek en op EU-niveau doen om de technologieoverdracht te versnellen en welke obstakels ervaren bedrijven en hoe kan dit kabinet dit wegnemen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord Het kabinet hecht veel waarde aan de samenwerking met Oekraïense bedrijven. Er wordt actief ingezet op het versterken van samenwerking tussen bedrijven uit beide landen om samen te produceren en van elkaar te leren. Een concreet voorbeeld van deze samenwerking is het programma Build with Ukraine. Binnen dit programma vindt de productie van Oekraïense drones plaats op Nederlands grondgebied voor levering aan Oekraïne. We onderzoeken ook hoe we dit soort drones voor onze eigen krijgsmacht verwerven. Dat is een win-win-win situatie: voor Nederland, voor Oekraïne, en voor de Nederlandse defensie-industrie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast hebben we met Oekraïne een drone-deal gesloten, die randvoorwaardelijk is voor het faciliteren van verdere technologie uitwisseling. Dit doen we op nationaal niveau, niet op Europees niveau. Bij de uitvoering van dergelijke projecten kunnen barrières optreden, zoals beperkingen op de export van bepaalde technologieën. Daarover zijn we met Oekraïne en andere partners in gesprek. Een ander voorbeeld is de samenwerking met Oekraïne op het terrein van interceptors en industrie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op Europees niveau zet het kabinet in op gebruik van EU-instrumenten om technologieoverdracht te bevorderen. Een voorbeeld is Agile and Rapid Defence Innovation (AGILE), een toekomstig instrument dat de Europese Commissie heeft ontwikkeld om ondernemers in de defensiemarkt te ondersteunen. AGILE beoogt de snelle ontwikkeling van baanbrekende producten en technologieën voor defensie die inspelen op snel veranderende uitdagingen waarmee de strijdkrachten van de lidstaten worden geconfronteerd. Met name de uitdagingen die voortvloeien uit de agressieoorlog van Rusland tegen Oekraïne. Daarnaast volgt het kabinet wetgeving en beleid per technologiegebied nauwgezet. Een goed voorbeeld is de rol van Nederland in de oprichting van European Chips Act 2.0 om technologieoverdracht in het semiconductor-domein te versnellen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Krijgt de opschalingsautoriteit ook ruimte om beproefde technologie snel op te schalen en op welke manier laten we de industrie en het bedrijfsleven hierop aansluiten?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Voortdurende doorontwikkeling en innovatie van militair vermogen zijn essentieel om relevant te blijven. Defensie is hier dan ook actief mee bezig. De kern van de activiteiten van de Defensie Innovatie en Opschaling Autoriteit richt zich op de ontwikkeling van militaire capaciteiten die nog niet bestaan, of waarvoor de technologische basis er ligt, maar waar doorontwikkeling nodig is voor toepassing door onze krijgsmacht. Dit zal in volle samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellingen gebeuren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast is het ook noodzakelijk om productiecapaciteit van bestaande technologie te vergroten. De manier waarop Defensie dit gaat doen wordt uiteengezet in het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie, dat begin november met uw Kamer gedeeld zal worden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kunt u de Defensienota omzetten tot een concreet plan waarbij de ambitie om binnen 5 jaar meer dan de helft van de operationele effecten met behulp van onbemande systemen te bereiken?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De ambitie om binnen vijf jaar meer dan de helft van de operationele effecten te bereiken met behulp van onbemenste systemen is een kernonderdeel van de koers voor de krijgsmacht. Defensie wil dit doen op basis van de gewenste operationele effecten die noodzakelijk zijn op het gevechtsveld. Defensie bekijkt momenteel hoe onbemenste systemen in alle domeinen, waaronder drones, onbemenste vaartuigen en grondvoertuigen hierin een rol kunnen spelen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Om deze ambitie te realiseren door middel van innovatie, ontwikkeling, implementatie en opschaling zet defensie in op een versnelling van het grootschalig gebruik van onbemenste systemen in de krijgsmacht en de versterking van een Nederlands ecosysteem voor drones. De Nederlandse industrie is hierin zeer sterk vertegenwoordigd door middel van het Actieplan Productiezekerheid Onbemenste Systemen, samen met onze operationele eenheden. Bovendien hebben onze defensieonderdelen al concrete operationele concepten uitgewerkt om meer met onbemenste systemen te werken in alle domeinen (bijv. de Taskforce Drones of Taskforce Maritime Uncrewed).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarnaast is defensie bezig met het in kaart brengen van kritieke afhankelijkheden binnen de toeleveringsketens van drones. Er worden diverse investeringen gedaan in de productie van componenten om de strategische autonomie te vergroten. Ook wordt er gewerkt aan de integratie van een mix van communicatiemiddelen en de ontwikkeling van effectieve tegenmaatregelen tegen drones. Daarbij brengen we in Nederland en Europa test- en experimenteercentra in kaart waar we samen met de industrie en de operationele eenheden kunnen testen en doorontwikkelen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke belemmeringen moeten worden weggenomen om fragmentatie door gesloten defensiemarkten tegen te gaan en hoe zet het zich in voor ook een deelname aan het Verenigd Koninkrijk aan SAFE?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet zet in op het openbreken van toeleveringsketens binnen Europa. Met onder andere het industrieel participatiebeleid positioneren we Nederlandse toeleveranciers bij Europese fabrikanten. Ook beschermen we de Europese en Nederlandse markt door Europese herkomsteisen te stellen (bijvoorbeeld bij supervezels).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Indien er een volgend Security Action for Europe instrument (SAFE) wordt opgezet, zal Nederland belangrijke partnerlanden, wederom actief benaderen voordat de financieringsaanvragen voor een volgend SAFE-programma worden ingediend, om samenwerkingsmogelijkheden te verkennen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wil de minister samen met minister van Justitie en Veiligheid een concreet voorstel uitwerken voor gegarandeerde lucht capaciteit voor specialistische teams? Wat vraagt dit aan personeel en middelen en op welke termijn kunnen ze beschikbaar zijn als daar geld voor vrijgemaakt moet worden?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Recentelijk heeft de minister een werkbezoek gebracht aan de Dienst Speciale Interventies (DSI). Hierbij trekt defensie samen op met Justitie en Veiligheid. De minister was daarbij zeer onder de indruk van wat ze daar heeft gezien en van het belangrijke werk dat zij doen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De minister heeft tijdens het werkbezoek ook enkele suggesties meegekregen van het personeel. Adequate middelen voor DSI zijn voor defensie en Justitie en Veiligheid prioritair en continu wordt bezien of deze belangrijke dienst voldoende middelen heeft. Samen met de minister van JenV kom ik hier spoedig op terug in een brief.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Fragmentatie door gesloten nationale defensiemarkten moeten open worden gebroken. Welke belemmeringen gaat het kabinet wegnemen? En hoe zet het zich in voor deelname van het Verenigd Koninkrijk aan SAFE?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet zet in op het openbreken van toeleveringsketens binnen Europa. Open, Europese toeleveringsketens bieden meer kansen voor ons MKB én maken toeleveringsketens weerbaarder.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met onder andere het industrieel participatiebeleid positioneren we Nederlandse toeleveranciers bij Europese Original Equipment Manufacturers. Ook beschermen we de Europese en Nederlandse markt door Europese herkomsteisen te stellen (supervezels).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Indien er een volgend Security Action for Europe instrument (SAFE) wordt opgezet, zal Nederland belangrijke partnerlanden, waaronder het VK, wederom actief benaderen voordat de financieringsaanvragen voor een volgend SAFE-programma worden ingediend, om samenwerkingsmogelijkheden te verkennen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan het kabinet met Europese partners uiterlijk in 2030 een succesvol demonstratiesysteem en een gezamenlijke verwervingsbeslissing realiseren? Met een concreet tijdpad naar operationele inzetbaarheid? En hoe sluit onze bijdrage aan het Oekraïense Freyja-project daarop aan?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Op gebied van geïntegreerde luchtverdediging kiest defensie waar mogelijk en passend voor Europese leveranciers. Nederland werkt hiervoor nauw samen met (Europese) bondgenoten, bijvoorbeeld in de recent opgezette Anti Ballistic Missile Coalition bestaande uit 9 Europese landen en Oekraïne om gestalte te geven aan het Oekraïense Freya-project. Daarnaast zet de coalitie zich in voor het project “Bliksem EXO”, dat wordt uitgevoerd door een consortium van Europese bedrijven onder leiding van het Nederlandse bedrijf Destinus. Dit consortium werkt aan de ontwikkeling van Europese antiballistische exo-atmosferische capaciteiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Door het bijeenbrengen van industrie (vanuit Europa), research &amp; development en operationele ervaring (vanuit Oekraïne) is het doel een Europese Anti Ballistic Missile capaciteit voor inzet binnen- (FREYA) en buiten de atmosfeer (BLIKSEM EXO) te bouwen. De Anti Ballistic Missile Coalition is een kans meer operationele kennis vanuit Oekraïne op te halen, alsmede een kans voor de Nederlandse en Europese defensie industrie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid Nanninga (JA21)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waar maakt de volgende defensie euro het grote verschil? Is dat een gepantserde eenheid of om de beste luchtverdediging van Europa te bouwen en daarmee de Rotterdamse haven en andere vitale knooppunten te beschermen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord De verdeling van defensie middelen is gebaseerd op de noodzaak om de meest urgente tekortkomingen in de krijgsmacht en vooral de prioritaire capability targets van de NAVO te adresseren. Er is geen sprake van een keuze tussen enkel één type inzet; de investeringen zijn erop gericht een gebalanceerde en inzetbare krijgsmacht te realiseren die kan afschrikken en verdedigen en die alle hoofdtaken van defensie kan uitvoeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Lucht- en raketverdediging is één van de belangrijkste prioriteiten binnen de Defensienota 2026. Dit is essentieel voor de bescherming van het Nederlandse grondgebied, eigen eenheden en vitale infrastructuur, zoals de haven van Rotterdam, tegen moderne dreigingen. Tegelijkertijd is de ontwikkeling van capaciteiten, in alle domeinen, noodzakelijk om de bredere veiligheidstaken en de NAVO-doelstellingen te kunnen uitvoeren en ons zo goed mogelijk voor te bereiden op een grootschalig conflict.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De geplande investeringen zijn erop gericht om een evenwichtige mix van vermogens te realiseren, waarbij de nadruk ligt op de effecten die de krijgsmacht moet kunnen bereiken. Hierbij worden zowel de korte- als langetermijnprioriteiten, waaronder de versterking van de grondgebonden luchtverdediging en de inzetbaarheid van onze eenheden, integraal aangepakt om de nationale veiligheid en de collectieve verdediging te waarborgen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de vertrouwelijke bijlage van de Defensienota vindt de Kamer een overzicht van de NAVO-capaciteitsdoelstellingen, onze investeringen per domein en de mate (percentage) waarin defensie invulling geeft aan de NAVO-doelen per domein in 2025, 2030 en 2035.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid van Lanschot (CDA)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan de staatssecretaris toezeggen dat er regionale bestuurlijke overleggen zijn waar niet alleen maar defensie is, maar ook de andere ministeries? Het gaat daarbij niet om bewindspersonen, maar ambtenaren met mandaat en doorzettingsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie voert jaarlijks met elke provincie een bestuurlijk overleg. Waar relevant kunnen andere departementen hierbij aansluiten, zoals bij het overleg met Flevoland over Lelystad Airport. Omgekeerd sluit defensie aan bij de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, waarbij defensieonderwerpen in samenhang met andere regionale ruimtelijke opgaven worden besproken. Het kabinet is bereid om andere departementen bij de overleggen van defensie te laten aansluiten als dit meerwaarde biedt voor de verdere uitwerking van projecten. Daarnaast benadrukt het kabinet dat ambtenaren van defensie doorlopend met de regio&#x27;s in gesprek zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een tweesporenbeleid klinkt goed, maar op het moment dat we dat doen betaal je op de korte termijn wel meer. Wie pakt het bonnetje op?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Er is momenteel geen volwaardig alternatief voor Palantir beschikbaar. Daarom zet defensie in op meerdere Europese oplossingen en vermindert zij de afhankelijkheid van een leverancier. Uiterlijk 1 juli 2028 moet een digitaal alternatief beschikbaar zijn waarmee verschillende defensie onderdelen kunnen werken en waarmee afhankelijk van Palantir kan worden afgebouwd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie moet altijd een afweging maken tussen strategische autonomie, operationele kwaliteit en beschikbaarheid. Inzetten op strategische autonomie brengt mogelijk hogere kosten met zich mee. Defensie is bereid om in voorkomend geval deze kosten te dragen bij bedrijven duurzaam kunnen bijdragen aan strategische autonomie. Per project wordt een afweging gemaakt hoe deze kosten worden gedragen. Defensie zet ook in op Europese producten die betaalbaar en schaalbaar zijn, ook wanneer deze niet voldoen aan de hoogste technische eisen. Dat draagt ook bij aan onze Europese autonomie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tegelijkertijd stellen we al scherpere eisen waar nodig. Zo zijn Europese herkomsteisen gesteld voor supervezels. Het uitgangspunt daarbij is dat Europese of Nederlandse producenten worden gebruikt bij de aanschaf van eindproducten waar supervezels in verwerkt zijn, tenzij er juridische of operationele redenen zijn om daar vanaf te zien.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De mogelijk extra kosten die dit met zich meebrengt, vragen van defensie dat we onze innovatie- en industriemiddelen scherp prioriteren. Zo bouwen we aan de Europese systemen van de toekomst.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie trekt op met KPN en Thales bij het maken van een soevereine cloud. Kunnen andere ministeries en overheden daar straks ook van profiteren?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord Defensie ontwikkelt, in samenwerking met KPN en Thales, een staatsgeheime cloud die losgekoppeld is van het internet en wordt gehost in een eigen defensie-datacenter. Dit betreft een eerste opzet en beproeving.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De realisatie staat gepland voor rond 2028\u002F2029. Voor zover de classificatie dit toelaat, kan Defensie kennis en ervaringen delen. Mogelijke deelname van andere departementen is afhankelijk van de planning, de resultaten van de evaluatie en de randvoorwaarden voor een permanente oplossing.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onlangs heeft de voorzitter van de Europese Commissie tijdens de Europese State of the Union enkele voorstellen gedaan op het gebied van defensie, namelijk een European Security Protocol als Europese variant van artikel 4 van de NAVO en het opzetten van een Europese veiligheidsraad. Ook over een nieuw instrument voor strategic enablers. Kan de minister deze punten langslopen en haar reactie hierop geven?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de ideeën die Commissievoorzitter Von der Leyen tijdens de Staat van de Unie heeft aangestipt. Gelet op de verslechterde veiligheidssituatie verwelkomt het kabinet de urgentie die uitgaat van de toespraak van de Europese voorzitter van de Commissie. Het kabinet deelt het belang om Europa meer verantwoordelijkheid te laten nemen voor zijn eigen veiligheid. Nederland zet daarbij in op een sterke en besluitvaardige Europese Unie, in nauwe samenwerking met de NAVO.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet kijkt daarom met interesse naar haar ideeën over een Europese Veiligheidsraad en naar een nadere uitwerking van het European Security Protocol, het is op dit moment nog niet duidelijk hoe dit er precies uit zal zien. Op basis daarvan zal het kabinet zijn positie bepalen. Daarbij is het belangrijk om bestaande instrumenten en samenwerkingsverbanden goed te benutten en daarop voort te bouwen en dubbelingen met reeds bestaande instrumenten te voorkomen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook wat betreft het door de Voorzitter van de Europese Commissie aangekondigde Instrument for Stategic Enablers wacht het kabinet het concrete wetsvoorstel af. Het in Europa kunnen beschikken over strategic enablers is essentieel voor de Europese veiligheid. Het kabinet zal als gebruikelijk een BNC–fiche hierover opstellen. Het is op dit moment niet bekend wanneer de Commissie voornemens is dit voorstel te delen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Als we met Europese bondgenoten houwitzers en munitie gaan inkopen, dan wordt de prijs lager en is de samenwerking in het veld straks makkelijker. Van weinig geld, weten we allemaal, word je creatief. Alleen die prikkel is er straks wat minder. Dus kan defensie straks voor de vraag komen te staan: Moet ik nog 12 maanden door onderhandelen in een kamertje zonder ramen over het standaardiseren van een mortiergranaat of koop ik nu alvast deze variant voor Nederland?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Allereerst is het kabinet het met u eens dat defensie moet versnellen en dat het voorbeeld wat u geeft niet wenselijk is. defensie moet zo snel mogelijk het militair vermogen versterken en het snel kunnen aanschaffen van materieel is daarbij nodig. Zoals toegelicht in de Kamerbrief over de stand van zaken rondom de diverse initiatieven op het gebied van Europese defensiesamenwerking kan alleen door samen te werken op een efficiënte en kosteneffectieve manier invulling worden gegeven aan de nationale NAVO-doelstellingen. Hier steekt defensie dan ook op in.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Schaarse middelen en expertise kunnen worden gebundeld om capaciteiten te ontwikkelen die Europese landen afzonderlijk niet of slechts beperkt kunnen realiseren. Gezamenlijke aanschaf van militair materieel en langdurige materieelsamenwerking tussen landen dragen ook bij aan de Europese militaire gereedheid en interoperabiliteit, de opschaling van de defensie-industrie en daarmee aan een sterkere Europese veiligheid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het aanschaffen van materieel met dezelfde specificaties, bijvoorbeeld na gezamenlijke capaciteitsontwikkeling, vergroot de interoperabiliteit tussen krijgsmachten waardoor deze makkelijker samen kunnen optreden en economische schaalvoordelen kunnen benutten. Als meerdere landen hetzelfde materieel gebruiken leidt dit tot meer vraagzekerheid op de lange-termijn voor de defensie-industrie, wat investeren gemakkelijker maakt en fragmentatie tegengaat.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waarom richten we niet een dependance op van het Europese Agentschap voor cybersecurity dat nu in Athene gevestigd is? Met andere woorden, een ‘EU Cyber Warfare Centrum’. Zou Breda daar geen uitstekende stad voor zijn?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet steunt de ambitie van het CDA. De bijgestelde Defensie Cyber Strategie onderstreept de grote ambitie van Defensie in het cyberdomein. ENISA is een civiel EU-agentschap; in Nederland werkt het National Cyber Security Center nauw samen met het Defensie Cybersecurity Centrum, met behoud van ieders eigen verantwoordelijkheid. Dit model heeft de voorkeur van het kabinet boven het oprichten van een dependance van het EU-agentschap.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Cybersecurity bereiken we inderdaad niet alleen. Defensie neemt daarom deel in samenwerkingsinitiatieven voor cybersecurity in Europees en NAVO-verband, op interdepartementaal niveau en in publiek-private samenwerking. Zo is defensie lid van de Cyber Security Raad, onderdeel van de NATO Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence en defensie neemt deel aan Europese projecten op dit gebied. Nederland neemt ook deel aan internationale cyberoefeningen zoals Locked Shields en Crossed Swords.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Offensieve cybercapaciteiten vallen buiten het mandaat van ENISA en zijn een nationale bevoegdheid, nauw verbonden met onze inlichtingenpositie. Het Defensie Cyber Commando ontwikkelt deze capaciteiten, beoefent ze met operationele eenheden en werkt daarbij nauw samen met bondgenoten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij effectiviteit kijken we naar cultuur en onafhankelijke denkkracht. We zien dat de strategische richting van Defensie wordt gedragen door onze bewindspersonen, ambtelijke top, Commandant der Strijdkrachten en generaals. Maar strategische richting loopt te vaak vast op verstikkende regels, perfectionisme en risico-aversie. Hoe zorgen we ervoor dat op het cruciale uitvoeringsniveau van kolonels, aanbestedingsjuristen, businesscontrolers, privacy-officers en projectleiders ook daadwerkelijk voortgang op dossiers wordt geboekt?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet erkent dat de uitvoering van de strategische ambities in de praktijk complex kan zijn. Defensie moet na decennialange krimp en bezuinigingen nu in rap tempo groeien. Er wordt daarom op verschillende terreinen actie ondernomen om processen te versnellen en de slagkracht te vergroten. Snelheid en zorgvuldigheid moeten daarin hand in hand gaan. Defensie is goed op weg, zo zoekt Defensie de maximale ruimte binnen de aanbestedingsregelgeving en hanteert een risicogerichte aanpak voor de beoordeling van inkoopdossiers waardoor er meer snelheid ontstaat (Kamerstuk 36 800, nr. 17). Daarnaast worden privacyprocessen vereenvoudigd en wordt er meer capaciteit ingezet ter ondersteuning van deze processen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tevens is het IT-accreditatieproces versneld. Dit stelt Defensie in staat om bij innovatieve projecten met kunstmatige intelligentie snel van start te gaan, zonder de beveiligingseisen uit het oog te verliezen. Het uitgangspunt hierbij is dat de controle in gelijke tred met het risico verloopt. Dit stelt de organisatie in staat effectief en voorwaarts te werken aan dossiers, met behoud van een verantwoorde bedrijfsvoering.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Daarom is de afgelopen periode het versnellingsprogramma Quantum Leap doorgelopen en is met deze Defensienota geïnvesteerd in een cultuurverandering waarbij er ruimte is om te sturen op effect, hiervoor hebben we het interne versnellingsprogramma Voorwaarts gelanceerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tijdens het rondetafelgesprek over de Defensienota werd gepleit voor het volledig integreren van de Landmacht in de Bundeswehr. Het CDA ziet potentie bij commandovoering, logistiek en inkoop. Hoe kijkt de staatssecretaris daarnaar?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De Duits-Nederlandse defensiesamenwerking is een van de meest vergaande en geïntegreerde militaire samenwerkingen in Europa. Beide landen werken al sinds de vroege jaren &#x27;90 nauw samen om hun militaire capaciteiten, operationele gereedheid en de Europese pijler binnen de NAVO te versterken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet is het eens met het CDA dat de samenwerking met Duitsland grote kansen biedt. Onze brigades maken onderdeel uit van Duitse divisies en we werken op landmachtgebied intensief samen. Die samenwerking wordt alleen maar sterker. We vullen elkaar aan. We werken ook nauw samen op het gebied van gereedstelling en opleiden. Op het gebied van commandovoering werken we ook al nauw samen met Duitsland in het Duits\u002FNederlandse hoofdkwartier (1GNC) dat, als het erop aan komt leiding gaat geven aan een internationale troepenmacht ter verdediging van ons bondgenootschappelijk grondgebied. De diepgaande samenwerking levert ons dus militaire slagkracht, interoperabiliteit en schaalvoordelen op.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Volledige integratie van de Nederlandse landmacht in de Bundeswehr is niet het uitgangspunt. Nederland is een soevereine staat en moet zelf verantwoordelijkheid kunnen blijven nemen voor zijn krijgsmacht en de inzet van Nederlandse eenheden. Een eigen krijgsmacht, en daarmee een eigen landmacht, biedt de mogelijkheid om politieke invloed uit te oefenen, wat past bij onze democratie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>We hebben ook een verantwoordelijkheid voor de verdediging van Nederlandse belangen (Koninkrijk), Host Nation Support en de logistieke ondersteuning van onze eenheden. Eigen eenheden met nationale aansturing blijven daarom van belang.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op het gebied van inkoop en logistiek werken we al nauw samenwerken met Duitsland. Dat levert ons kennis en schaalvoordelen op. Die samenwerking willen we maximalieren, maar tegelijkertijd willen we andere partners niet uitsluiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan de staatssecretaris een oogje in het zeil te houden bij toetreding van betrouwbare investeerders?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het is uiteraard van belang dat Nederlandse defensiebedrijven over betrouwbare investeerders beschikken. Daartoe beschikt de Nederlandse overheid over diverse instrumenten. Zo is er bijvoorbeeld onder de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet vifo) een veiligheidstoets voor investeringen, fusies en overnames die een risico kunnen vormen voor de nationale veiligheid. Afhankelijk van de activiteiten van het bedrijf en de precieze vormgeving van een investeringstransactie vallen ook bedrijven die actief zijn in de defensie-industrie onder de reikwijdte van deze wet. En alhoewel het kabinet over individuele bedrijfscasussen geen uitspraken kan doen, volgen wij deze ontwikkelingen nauwgezet.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe gaat het kabinet om met onze motie over investeringen in relatie tot het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie maximaal inzetten voor civiele meerwaarde?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het Nationaal Programma Ruimte voor defensie (NPRD) bestaat uit meer dan 50 uitbreidingsopgaven. De realisatie van deze opgaven vindt plaats in samenspraak met de omgeving om zorg te dragen voor een zo goed mogelijke inpassing. Sommige opgaven zijn complexer dan andere waardoor een bredere gebiedsontwikkeling noodzakelijk is. Hierbij worden de gerelateerde behoeften in beeld gebracht, waaronder infrastructuur en bereikbaarheid, en vindt afstemming plaats over hoe alle behoeften kunnen worden gerealiseerd. Daarmee creëren we in zekere zin ook civiele meerwaarde. In de eerstvolgende verzamelbrief vastgoed en leefomgeving gaan we in op de motie van het CDA om een fast track in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport-proces in te richten voor NPRD- infra. Het kabinet verwacht deze brief in november aan de Kamer te sturen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onze fractie begrijpt dat Defensie terughoudender is in het delen van het delen van informatie. Tegelijkertijd hebben we ook baat bij een bloeiend ecosysteem van kritische en originele denkers. Het helpt dan om de feiten op tafel te hebben. Daarom vraag ik de minister of zij kan toezeggen om in 2026 een pragmatische NAVO benchmark analyse te verrichten naar de omvang van denktank-capaciteit in relatie tot personeelsomvang van de krijgsmacht en de kamer daar per brief over te informeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet deelt het standpunt van het CDA dat een grote organisatie als defensie baat heeft bij kritisch (tegen)denken. Daarom investeert defensie in de samenwerking met denktanks en adviesorganen zoals de AIV, en breder in onderzoek.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Natuurlijk hebben we allemaal tabak van bureaucratische inkoopprocessen. Bij een dure straaljager is het goed langjarig te overwegen, maar voor trucks en tenten is dit misschien niet nodig. In die gevallen maakt defensie gebruik van uitzonderingen, maar blijkt administratie onvoldoende. De Rekenkamer wijst daar terecht op. Kamerleden staan vooraan om defensie op die fouten te wijzen, maar houden we dan ook rekening met het noodzakelijke tempo om af te kunnen schrikken?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet is het met de heer van Lanschot eens dat het tempo waarmee we defensie moeten versterken van belang is. Defensie moet zo snel mogelijk het militair vermogen versterken en het snel kunnen aanschaffen van materieel is daarbij nodig. De aanschaf van een onderzeeboot is uiteraard anders dan van een tent. We kijken voor standaard materieel meer dan voorheen bij aanvang van het inkooptraject of gebruik kan worden gemaakt van bestaande contracten of dat de aanschaf Military of the Shelf kan plaatsvinden in plaats van aanpassingen op het materieel te verlangen of ontwikkeltrajecten te starten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Naast het zoeken van ruimte in de aanbestedingsregelgeving versnellen we ook het eigen inkoopproces door bijvoorbeeld het verminderen van het aantal beoordelingsmomenten van inkoopdossiers. Complexe dossiers behouden een strengere beoordelingssystematiek en voor eenvoudigere dossiers wordt de beoordelingssystematiek versoepeld, bijvoorbeeld door minder controlemomenten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vanzelfsprekend blijft defensie ook onder deze omstandigheden toezien op een doelmatige, rechtmatige en navolgbare besteding van overheidsmiddelen. Voor het kabinet gaan snelheid van handelen en verantwoording hand in hand. Met de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk zijn constructieve gesprekken gevoerd over de onderbouwing in de inkoopdossiers van het gebruik van uitzonderingsbepalingen op de Europese aanbestedingsregelgeving. Het kabinet heeft uw Kamer hier recentelijk over geïnformeerd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid van Baarle (Denk)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Kamer heeft in juli mijn motie aangenomen voor een versterkt plan van aanpak voor inclusie sociale veiligheid, de bestrijding van discriminatie binnen defensie en in 2024 is een vergelijkbare motie aangenomen. Wanneer kunnen we de uitvoering tegemoet zien van die plannen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord Binnen Defensie is er geen plaats voor racisme en discriminatie. Dit is vastgelegd in onze Gedragscode. Het kabinet heeft uw motie voor een versterkt plan voor inclusie, sociale veiligheid en bestrijding van discriminatie, gericht op het beschermen en behouden van personeel ontvangen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onze huidige maatregelen omvatten de actualisatie van de Gedragscode inclusief normstelling, objectieve werving en selectie, specifieke trainingen, versterkt leiderschap en de inzet van het Multicultureel Netwerk Defensie. Om onze aanpak te versterken, loopt er momenteel een inclusiebelevingsonderzoek. Aan de hand van de gestelde maatregelen wordt het versterkt plan integraal ingezet binnen diversiteits- en inclusiebeleid. De resultaten en de maatregelen deelt het kabinet eind 2026 met uw Kamer.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het tegengaan van discriminatie en racisme, sociale veiligheid en inzet van inclusie vraagt om blijvende aandacht en is een gezamenlijke opdracht voor mij en alle medewerkers en leidinggevenden binnen Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe kunnen we de maatregelen die we nemen om meer vrouwen bij Defensie te krijgen, zodat zij breder ingezet worden, ook gebruiken om een bredere diversiteit te vergroten? Waarom zijn er wel streefcijfers voor meer vrouwen bij Defensie maar niet op andere vlakken?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie heeft hiermee te maken met de AVG. Anders dan geslacht vindt er geen registratie plaats op bijvoorbeeld de geloofsovertuiging of seksuele geaardheid. Andere vormen van diversiteit zijn daardoor nauwelijks meetbaar en inzichtelijk te maken. Defensie neemt overigens wel deel aan de CBS Culturele Barometer, waarin de culturele diversiteit binnen defensie wordt gemeten. De informatie die we tot onze beschikking hebben wordt al ingezet binnen ons beleid en HR-processen. Defensie zet zich in om een afspiegeling van de samenleving te zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waarom bestaat er nog steeds een militair verdrag met Israël? Wat is het standpunt van de regering over de wenselijkheid van het verdrag?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet vindt dit verdrag wenselijk. Dit statusverdrag betreft een bilaterale overeenkomst waarmee de juridische status van in dit geval Nederlands respectievelijk Israëlisch defensiepersoneel op het grondgebied van de ontvangende staat wordt geborgd. Met het oog op personeelszorg en goed werkgeverschap streeft het kabinet ernaar met zoveel mogelijk landen statusverdragen af te sluiten, zodat de juridische status van Nederlands defensiepersoneel bij aanwezigheid in het buitenland goed geregeld is. Dit is nodig wanneer defensiepersoneel bijvoorbeeld in Israël aanwezig zou zijn om te ondersteunen bij de repatriëring van Nederlanders of het leveren van humanitaire hulp. In een statusverdrag worden geen afspraken gemaakt over de inhoud van de samenwerking en wordt geen verplichting tot militaire samenwerking aangegaan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid van Dijk (SGP)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe realistisch is de ambitie om zo snel te groeien? Zijn hier überhaupt genoeg opleiders voor of genoeg bedden?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord De ambitie is realistisch. Defensie telt momenteel ruimt 85.000 medewerkers en verwacht een groei van circa 6.000 medewerkers dit jaar. Dat zijn forse stappen. In 2030 groeit defensie richting ruim 100.000 en mensen richt zich zo in dat de krijgsmacht in een conflictsituatie verder kan opschalen. Deze schaalbaarheid wordt onder meer vormgegeven met reservisten en burgers. Daardoor hoeft niet voor de volledige omvang van een opgeschaalde krijgsmacht permanent en gelijktijdig opleidings- en legeringscapaciteit beschikbaar te zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De beschikbare capaciteit wordt afgestemd op het tempo van de personele groei. De personele groei vraagt ook om het gelijktijdig meegroeien van de randvoorwaarden. Defensie vergroot daarom de capaciteit voor selectie, keuring en opleiding en schaalt ook de instructiecapaciteit, uitrusting, oefenfaciliteiten en het vastgoed, waaronder legeringscapaciteit, op. Waar de eigen opleidingscapaciteit onvoldoende is, wordt aanvullend gebruikgemaakt van civiele opleiders en samenwerking met onderwijsinstellingen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welk budget en personele activiteiten zijn nodig om deze verdiepingsmodule om de Nationale Weerbaarheidstraining verder uit te rollen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Voor de Nationale Weerbaarheidstraining is in 2027 circa € 62 miljoen gereserveerd voor een beoogde instroom van 1.800 deelnemers. Hiervoor zijn 1.800 opleidingsplaatsen nodig. Defensie streeft naar een instructeur-leerlingratio van 1:8 en begroot 96 vte aan instructeurs. Om schaarse militaire instructiecapaciteit te ontzien, wordt deze capaciteit veelal ingehuurd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De NWT groeit volgens het huidige groeipad van 1.800 deelnemers in 2027 naar ruim 2.100 deelnemers per jaar. Voor deze opschaling zijn naast financiële middelen ook schaarse capaciteiten nodig, waaronder instructeurs, oefenlocaties, wapens en munitie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor de Verdiepingsmodule Defensie is geen afzonderlijk budget of structurele personele capaciteit begroot. De militaire instructiecapaciteit is schaars en de prioriteit ligt bij de groei van Defensie zelf. Defensie beziet de mogelijkheden voor de verdiepingsmodule naar aanleiding van de motie-Ceder. De Kamer is hierover nader geïnformeerd in de brief Ontwikkelingen op personeelsgebied najaar 2025.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe gaat het kabinet voldoende onderofficieren en soldaten werven en opleiden?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie heeft diverse instroomsporen die moeten voorzien in de vraag naar onderofficieren en soldaten, waaronder de Nationale Weerbaarheidstraining en Veiligheid en Vakmanschap (VeVa). Bij zowel de externe instroom als de interne doorstroom wordt steeds meer gekeken naar competenties, talenten en skills. Ook passen we de instroomeisen aan voor bepaalde opleidingen, zonder aan kwaliteit te verliezen, zodat meer mensen de mogelijkheid krijgen om in te stromen, zich te ontwikkelen en door te stromen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe krijgt de staatssecretaris onderwijsinstellingen mee in het uitrollen van de verdiepingsmodule en de nationale weerbaarheidstraining? En welke Europese landen lopen hier voorop en bieden inspiratie?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie werkt actief samen met onderwijsinstellingen en sluit daarbij zoveel mogelijk aan bij bestaande onderwijsprogramma’s en -structuren. Voor de Nationale Weerbaarheidstraining (NWT) gebeurt dit onder meer via minors in het hoger onderwijs, keuzedelen in het mbo en stages. Inmiddels hebben bijna 50 mbo-, hbo- en wo-instellingen aangegeven deel te willen nemen aan de NWT. Dit aantal neemt nog toe. De animo onder onderwijsinstellingen is daarmee geen beperkende factor voor de verdere groei van de NWT.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voor het voortgezet onderwijs wordt, in overleg met het ministerie van OCW, bezien hoe weerbaarheid binnen bestaande onderwijsprogramma’s kan worden versterkt. Het huidige curriculum biedt geen ruimte om een aanvullende module verplicht te stellen, maar een schooleigen verdiepingsmodule in het vrije deel behoort wel tot de mogelijkheden. De Kamer is hierover geïnformeerd in de brief Ontwikkelingen op personeelsgebied najaar 2025, naar aanleiding van de motie-Ceder. Verschillende landen zoals Polen bieden hiervoor inspiratie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid Bikker (CU)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De vastgoedrealisatie moet naar twee miljard euro. Wanneer denkt de staatssecretaris dit te realiseren en hoe gaat Defensie dit realiseren gegeven netcongestie en wet- en regelgeving op het gebied van stikstof?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord Er is een andere manier van werken met de markt nodig. Deze is gericht op het vroegtijdiger inschakelen van de expertise en de capaciteit van de markt. Daarnaast is ook anders werken binnen de vastgoedketen rand voorwaardelijk. Defensie en het Rijksvastgoedbedrijf hebben hiervoor in 2025 de Commandopost Vastgoed opgericht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Netcongestie en wet- en regelgeving op het gebied van onder andere stikstof hebben, naast diverse andere omgevingsfactoren, een vertragende werking op de realisatie van vastgoedprojecten. Voor vrijwel alle defensielocaties in Nederland is uitbreiding van de elektriciteitsaansluiting nodig. Voor circa 10% is de gevraagde uitbreiding van de elektriciteitsaansluiting direct beschikbaar, bij de overige 90% van de defensielocaties loopt defensie tegen de problematiek van netcongestie aan. In januari 2027 wordt meer duidelijkheid verwacht vanuit de netbeheerders over welke aangevraagde capaciteit van de wachtlijst daadwerkelijk kan worden toegekend. Het uitgangspunt van defensie is om de netbelasting te beperken door nieuwe en bestaande locaties standaard netbewust te ontwikkelen en, waar mogelijk, als congestieverzachter op te treden. Defensie heeft daartoe regelmatig overleg met het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) van het ministerie Economische Zaken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij de realisatie, renovatie en exploitatie van vastgoedprojecten zijn vaak ook omgevings- en natuurvergunningen nodig. Dit leidt, mede doordat veel locaties liggen in of nabij Natura 2000-gebieden, tot grote vertraging bij de realisatie van projecten. De wet op defensiegereedheid (Wodg) beoogt voor specifieke projecten die juridische of procedurele belemmeringen ondervinden vanuit het omgevingsrecht, deze weg te nemen. Het gaat hierbij op specifieke locaties om bijvoorbeeld sloop, renovatie en nieuwbouw van bestaande verouderde infra (niet zijnde monumenten), zoals legeringsgebouwen, kantoorgebouwen en hangars ten behoeve van stalling en onderhoud van luchtvaartuigen. Maar ook om realisatie van ondergrondse infra, het moderniseren van schietbanen, of het fysiek geschikt maken van opslaglocaties voor veilige opslag van grotere munitievoorraden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan de staatssecretaris met bedrijven om tafel gaan om afspraken te maken over de beveiliging van Defensievastgoed en de defensie-industrie?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderkennen de hybride dreiging tegen de defensie-industrie. Om de weerbaarheid van defensiebedrijven te verhogen, worden eisen gesteld ten aanzien van de fysieke- en digitale bescherming via de Algemene Beveiligingseisen Rijksopdrachten (ABRO). Hierbij kunnen deze bedrijven ook advies van Defensie krijgen over de afscherming van gegevens. Dit is niet in iedere situatie wenselijk of nodig. Het is uiteindelijk aan defensiebedrijven zelf om over te gaan tot het nemen van maatregelen op basis van het advies. Over het algemeen worden deze adviezen door bedrijven opgevolgd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoeveel belastinggeld wordt nu uitgekeerd als winst aan aandeelhouders van de wapenindustrie in de VS terwijl onderbouwing ontbreekt? Kan de minister daar duidelijkheid over geven?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Er wordt geen Nederlands belastinggeld rechtstreeks als winst uitgekeerd aan aandeelhouders van de wapenindustrie in de VS. Defensie schaft met de middelen die ter beschikking zijn gesteld producten aan bij diverse bedrijven. Zowel in Nederland, Europa als elders in de wereld. Dit draagt bij aan onze veiligheid en verdediging.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het klopt dat deze bedrijven veelal een winstoogmerk hebben. Echter, wanneer defensie aanbesteedt, doet zij dat veelal in concurrentie. De marktwerking zorgt ervoor dat defensie een prijs betaalt die passend is bij de vraag van defensie. Als defensie niet onder concurrentiestelling aanbesteedt, zoals bij directe gunning onder art. VWEU 346, dan doet Auditdienst Rijk onderzoek naar de offerte en prijsopbouw daarvan van het bedrijf. Defensie neemt de resultaten van dit onderzoek mee in de beoordeling van het aanbod en het onderhandelingsproces.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie onderschrijft hierbij ten zeerste het belang van zorgvuldig omgaan met publieke middelen. Het is daarbij ook van belang dat bedrijven financiële ruimte hebben, onder andere in de vorm van winst, om te kunnen investeren in de opschaling en innovatie die de krijgsmacht van hen vraagt. Hierbij moet de balans worden bewaard tussen financiële ruimte bij bedrijven voor investeringen en winst die bedrijven maken bij opdrachten vanuit Defensie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid Dobbe (SP)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Verzoek om een lobbyregister over alle activiteiten aangaande defensie te maken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer heeft Defensie hun beleid omtrent fraude en corruptie op orde?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord Het Defensiebudget is flink gegroeid de afgelopen jaren. Om draagvlak te behouden, transparant budget te besteden en misbruik hiervan te voorkomen is het belangrijk dat wij de fraude- en corruptierisico’s inzichtelijk hebben en effectief beheersen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>We zijn voortvarend aan de slag om de onvolkomenheid op het gebied van fraude en corruptie op orde te brengen. Daar heeft defensie ook extra capaciteit voor vrijgemaakt. Per defensieonderdeel worden de fraude en corruptierisico’s en de volwassenheid van onze huidige fraude en corruptie-aanpak in kaart gebracht. Dit gaat ook tot concrete adviezen leiden om deze aanpak te verbeteren en om te zetten in een verbeterplan, die eind 2026 ter informatie aangeboden zal worden aan de Algemene Rekenkamer.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De eindverantwoordelijkheid voor het beheersen van risico’s op fraude en corruptie wordt eenduidig belegd binnen de organisatie. Hierover heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd in de verzamelbrief “ontwikkelen veiligheid en integriteit”. Daarnaast komt Defensie, zoals eerder toegezegd, eind dit jaar met aangescherpt fraude- en corruptiebeleid.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Graag ontvang ik alle informatie over kernwapens op NL grondgebied en nucleaire samenwerking door Nederland. En ik wil ook de garantie van de minister dat deze Kamer zich kan uitspreken voordat besluiten hierover worden genomen.\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie doet vanwege veiligheidsoverwegingen geen uitspraken over aantallen en locaties van Amerikaanse kernwapens in Europa. Over nucleaire samenwerking heeft het kabinet de Kamer, voor zover rubricering dat toestaat, geïnformeerd. De intentie is om dat ook te blijven doen op passende wijze.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zowel in NAVO-kader als in bilaterale contacten spreekt Nederland met bondgenoten over nucleaire zaken en de versterking van nucleaire afschrikking. Nederland blijft gecommitteerd aan NAVO’s nucleaire afschrikking en de kernwapentaak.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Uw Kamer is eerder dit jaar geïnformeerd over de strategische dialoog die Nederland aangaat met Frankrijk. De beoogde samenwerking met Frankrijk betreft een aanvulling op de collectieve verdediging en de nucleaire afschrikkingscapaciteiten van de NAVO. Met de beoogde samenwerking wordt nadrukkelijk niet gewerkt aan het produceren of ontwikkelen van aanvullende nucleaire capaciteiten. Het verdiepen van de dialoog met Frankrijk hoort ook bij meer verantwoordelijkheid nemen voor de eigen Europese veiligheid. De VS en de NAVO zijn vooraf op de hoogte gebracht van deze voorgenomen samenwerking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe zit het met wapens uit de VS? Eerste helft van dit jaar kocht Defensie meer uit de VS dan afgelopen jaren. Is dit het beeld van een succesvolle lobby? Waarom gebeurt dit?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Zie antwoord op de vraag van het lid Dassen (Volt)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke investeringen worden vanuit defensie gedaan om ons te beschermen tegen sabotage in Nederland?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie beschermt de eigen militaire objecten tegen sabotage. Op hoe we dat doen, kan Defensie vanuit operationele vertrouwelijkheid niet dieper ingaan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij het tegengaan van sabotage tegen civiele objecten ligt de primaire rol bij de civiele autoriteiten. Als de civiele autoriteiten zelf niet over genoeg of de juiste capaciteiten beschikken, kan er een bijstandsverzoek aan Defensie worden gedaan. Defensieoptreden vindt dan plaats onder het gezag van civiele autoriteiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Voorbeelden van investeringen die defensie met de Defensienota 2026 doet en die op verzoek van de civiele autoriteiten ook kunnen worden ingezet tegen sabotageaanslagen, zijn: (1) investeringen in de Koninklijke Marechaussee in het kader van bewaken en beveiligen, (2) extra MIVD-capaciteit om een beter beeld te krijgen van hybride dreigingen, (3) bemenste en onbemenste systemen voor de bescherming van kritieke infrastructuren op de Noordzee, (4) een brede set aan uitrusting voor counter-dronecapaciteit, (5) de bescherming van kritieke havens in Nederland en (6) de versterking van de Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie, die de Defensieterreinen beveiligt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid Struijs (50PLUS)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Kan het kabinet meer laten weten over ondermijning en de invloed van misdaad binnen Defensie?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord Om de invloed van ondermijnende criminaliteit binnen defensie tegen te gaan worden zowel preventief als reactief maatregelen genomen. Een belangrijke preventieve maatregel is de screening van defensiemedewerkers door de MIVD, zowel bij instroom in de organisatie als periodiek.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wanneer er aanwijzingen bestaan dat een defensiemedewerker zichzelf\u002Fhaarzelf schuldig maakt aan strafbare feiten, wordt in beginsel onderzoek gedaan door de Koninklijke Marechaussee.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Gaan we intensiveren op de samenwerking tussen civiel en Defensie, zodat we bijvoorbeeld beter voorbereid zijn op sabotage van stroom of water? En ook om bijvoorbeeld duidelijk te maken waar de kwetsbaarheden liggen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie werkt nauw samen met onder andere de NCTV, de Nationale Politie en civiele partijen om de weerbaarheid van Nederland en Nederlandse bedrijven te beschermen. Dit doen we onder andere met de Rijksbrede aanpak Weerbaarheid Tegen Militaire en Hybride Dreigingen. Bedrijven zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het nemen van fysieke- en digitale beschermingsmaatregelen tegen hybride en militaire dreigingen, zoals opgenomen in de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en de Cyberbeveiligingswet (Wbw). Het Ministerie van Justitie en Veiligheid werkt op dit moment de benodigde ondersteuning in het kader van de Wwke verder uit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij een concrete hybride dreiging die niet kan worden ondervangen met de bestaande beveiligingsmaatregelen van het bedrijf zelf, kan de politie bijstand verlenen. In uiterste gevallen kunnen de lokale autoriteiten Defensie om bijstand vragen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Waar staan we nu met de toepasbaarheid en de bruikbaarheid van de nieuwe innovaties? En wat zit er nu nog aan te komen? Is daar een beeld van te geven?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie werkt intensief samen met de kennisinstellingen om samen te komen tot de ontwikkeling en toepassingen van innovaties. In het bijzonder met de TNO, NLR en MARIN waar ruim 200 miljoen euro per jaar besteed wordt aan kennisopbouw en toepassing. Recente voorbeelden hiervan zijn de Memorandum of understanding Dutch tech industry realisation program die met TNO is afgesloten voor de ontwikkeling van defensietechnologieën door Nederlandse bedrijven (o.a. een microfabriek voor explosieven en de doorontwikkeling van de onderwatersensor van Optics11.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met alleen een product of nieuwe technologie beschikbaar, is defensie er nog niet: het moet op schaal, voor de eindgebruiker, in een operationele setting. Dat betekent dat niet alleen de innovaties moeten versnellen, maar ook het testen en experimenteren met eenheden en een focus op implementatie.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie lanceert defensie een gecoördineerde aanpak om het innovatievermogen van de krijgsmacht te versterken. Het programma zal in november naar de Kamer worden gestuurd. Ook de defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit gaat hier nadrukkelijk een rol in spelen door rijpe technologie door te ontwikkelen en snel tot implementatie te brengen. Met de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit zal defensie haar ervaring uitbreiden met het versneld ontwikkelen van innovaties in Nederland en dit breder toepassen in al haar kennis- en innovatie activiteiten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid Dassen (Volt)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zijn de minister en staatssecretaris van mening dat er een eindverantwoordelijke moet komen voor het gebruik, de regulering en de opschaling van AI binnen het defensieapparaat?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord Ja, Defensie heeft een Chief Information Officer (CIO). De CIO voert de centrale sturing, coördinatie en toezicht uit op het digitaliseringsdomein. Hieronder valt ook AI. De CIO werkt hierbij nauw samen met de Commandant der Strijdkrachten en de defensie onderdelen. Omdat Defensie graag meer snelheid wil maken op de implementatie van AI, zowel in de operatie als bedrijfsvoering, lopen er verschillende initiatieven. Hiervoor blijft de CIO eindverantwoordelijk.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe combineer je innovatie en opschaling? Uiteindelijk zal één van de twee dominant zijn als het in dezelfde organisatie zit. Wat kunnen we leren van NADI en hoe werkt die samenwerking?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit krijgt een duidelijk mandaat, waarin de bijdrage uit de Defensiebegroting komt en dus ten goede moet komen aan de Nederlandse krijgsmacht. Innovatie en opschaling wordt gecombineerd door activiteiten te verdelen in twee verschillende onderdelen. Eén gericht op disruptieve innovatie, en de ander op de opschaling van innovaties, met directe koppeling aan behoefte van de krijgsmacht waarvoor opschaling nodig is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Met het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) wordt op bepaalde vlakken nauwe samenwerking voorzien. Qua onderzoek zal dat vooral op de laag-Technology Readiness Level dual use trajecten zijn. Ik ben daarover in nauw contact met het ministerie van EZK en die samenwerking wordt de komende maanden uitgewerkt. De defensiecontext en –doelstellingen rechtvaardigen echter wel een eigen vormgeving en aansturing van de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit. Waar wij elkaar kunnen versterken, doen we dat om samen de beste resultaten te behalen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De gezamenlijke aankoop van defensiemateriaal loopt spaak omdat lidstaten weigeren om inkoopdata met elkaar te delen. De Europese investeringsbank berekende twee weken geleden dat de EU-lidstaten door betere coördinatie van defensie-uitgaven zo&#x27;n drie miljard euro kunnen besparen. Herkent de minister dit gebrek aan transparantie ook en wat is haar inzet om dit op EU-schaal glad te strijken?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Europese samenwerking bij inkoop is een belangrijk streven van dit kabinet en wij vinden het ook belangrijk om inkoop data te delen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>We zijn ervan overtuigd dat we dit het beste bereiken door niet alleen bij de inkoop, maar juist in een eerder stadium informatie te delen met andere landen ten behoeve van gezamenlijke ontwikkeling en vraagbundeling. Op die manier kunnen we veel meer stappen in het aanschafproces van materieel gezamenlijk zetten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie zet zich in om makkelijker aan te kunnen sluiten bij contracten van andere lidstaten, zoals wij ondanks hebben gedaan met het Nederlands contract voor de Multi-Missie Radar van Thales, waarbij Noorwegen, Litouwen en Denemarken ook radars afneemt via het Nederlandse contract.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Welke stappen zijn er nu genomen over de status van Militair Schengen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Om de Nederlandse en Europese veiligheid te beschermen, is het noodzakelijk dat Europa snel en krachtig investeert om meer bij te dragen aan geloofwaardige afschrikking en collectieve verdediging via de NAVO.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onderdeel daarvan is het verbeteren van de militaire mobiliteit binnen Europa. Het tijdig en efficiënt kunnen verplaatsen van militair materieel en personeel is noodzakelijk voor een geloofwaardige afschrikking en verdediging van het grondgebied van de lidstaten, ook in NAVO-verband.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Eind vorig jaar heeft de Europese Commissie het voorstel voor het militaire mobiliteitspakket gepubliceerd. Doel van het pakket is om gegeven de urgentie, huidige EU-wetgeving aan te passen en nieuwe te introduceren via een verordening om voor eind 2027 een EU-breed militaire mobiliteitsgebied op te zetten en daarmee dichter tot een militair Schengen te komen. Inmiddels is een Raadsstandpunt bereikt en lopen de trilogen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Wat Nederland betreft is deze verordening nodig om de wet- en regelgeving te harmoniseren om de militaire mobiliteit te bevorderen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland is de initiatiefnemer en voorzitter van het Permanent Structured Cooperation-project voor militaire mobiliteit (sinds de oprichting en start van de projecten in 2018, na de totstandkoming van de Permanent Structured Cooperation in december 2017).\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook binnen het Priority Capability Area militaire mobiliteit neemt Nederland een voortrekkersrol, gezien Nederland daar co-lead is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe kan de minister nog geloofwaardig verkondigen dat zij toewerkt naar Europese onafhankelijkheid, nu blijkt dat het kabinet sindsdien veel minder is gaan inkopen bij Europese bedrijven en juist veel meer bij de Amerikanen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Zoals in het regeerakkoord is afgesproken, wil het kabinet eenzijdige afhankelijken afbouwen. Het kabinet zet verschillende stappen om onafhankelijker te worden, zoals het toevoegen van de herkomsteis bij de inkoop van de kritieke grondstof supervezels. Voor sommige capaciteiten blijven we op korte termijn afhankelijk van partners buiten de Europese Unie, zoals op het gebied van Patriots. Zo kan het dus gebeuren dat in sommige jaren het percentage aankopen toch hoger uitpakt. Zo kocht Defensie in 2026 31,8% van het totale inkoopformule (in financiële omvang) van producten die bijdragen aan de militaire gereedheid en gevechtskracht in bij bedrijven die in de Verenigde Staten gevestigd zijn en onderdeel zijn van een eigendomsstructuur in de Verenigde Staten. In 2025 betrof dit 12,8%, in 2024 9,5%. Het hogere percentage in 2026 is te verklaren door onder andere de aanschaf van Patriots.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het volledige percentage van 2026 kan pas aan het einde van 2026 worden bepaald. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de beantwoording van de feitelijke vragen over de Defensienota. Belangrijke kanttekening hierbij is dat trends vooral over langere perioden kunnen worden waargenomen. In algemene zin geldt dat defensie contracteringen, bijvoorbeeld voor defensiematerieel en –munitie, een forse financiële omvang kennen. De spreiding van de contracteringen in de tijd en wijzigingen in bestelorders kunnen leiden tot schommelingen tussen de verschillende jaren. Pas wanneer de trend over enkele jaren wordt bezien geeft dat een realistisch beeld.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie koopt nog altijd materieel bij Amerikaanse leveranciers. Een deel gaat naar het uitbreiden en versterken van huidige wapensystemen en voorraden, waarvoor we op sommige gebieden afhankelijk zijn van leveranciers van buiten Europa. Tegelijk is het huidige beleid van defensie erop gericht om zoveel te mogelijk te kopen bij leveranciers uit Nederland of Europa. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Bij dit gehele proces loopt defensie dus twee sporen af. Om het gevecht van vandaag zo goed mogelijk te voeren, kan het zo zijn dat we materieel kopen bij landen buiten Europa. Omdat die nu kunnen leveren, of capaciteiten leveren die nog niet in Europa beschikbaar zijn. Daarnaast bekijken we daar waar strategische afhankelijkheden bestaan naar de gezamenlijke ontwikkeling en aanschaf van Europese of Nederlandse alternatieven, om zo meer verantwoordelijkheid te nemen en afhankelijkheden af te bouwen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hoe voorkomen we dat we afhankelijk worden van Amerikaanse technologie bedrijven, en heeft Defensie hier een realistisch afbouwplan voor klaarliggen waarbij gereedheid wordt afgedwongen tegen risico&#x27;s van een lock in van die immorele techbedrijven? En ligt er ook een opbouw-pad klaar voor eigen rekenkracht voor het aantrekken van talent, voor het krijgen van eigen data?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Binnen Defensie zijn er de afgelopen maanden diverse initiatieven genomen om de afhankelijkheid van grote Amerikaanse technologische bedrijven te mitigeren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op het gebied van strategische leveranciersmanagement wordt momenteel gewerkt aan beleid waarin eisen worden gesteld aan leveranciersrelaties, zodanig dat Defensie de regie kan behouden. Hierbij gaat het onder andere over datasoevereiniteit: op de bescherming, controle en onafhankelijkheid van data activa en AI diensten binnen de EU. Denk aan controle over fysieke en logische data locatie en rechtsmacht.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ook gaat het over operationele soevereiniteit: het meten van de praktische mogelijkheid om een technologie zelfstandig te exploiteren, te ondersteunen en verder te ontwikkelen, zonder buitenlandse controle. De focus ligt op continuïteit van de operatie, beschikbaarheid van vaardigheden en veerkracht tegen externe afhankelijkheden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Hierbij zijn ook de mogelijke risico’s onderkent en zijn mitigerende maatregelen uitgewerkt.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Naast de opbouw van technologische capaciteiten, wordt ook geïnventariseerd welke kennis noodzakelijk is en welke daarvan al binnen Defensie aanwezig is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is het kabinet bereid om extra financiële steun voor Oekraïne naar voren te halen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord Hoewel Oekraïne moedig stand houdt en bijvoorbeeld aan het front bij Lyman zelfs terreinwinst boekt, is de situatie onverminderd zorgelijk. Rusland produceert gigantische aantallen drones en raketten, die ook nog eens steeds lastiger te verdedigen zijn. Dat is een donker vooruitzicht voor komende winter. De verwachting is dat Rusland de Oekraïense energie- en logistieke infrastructuur wil lamleggen, met name in Kyiv, Kharkiv en Odessa. Rusland probeert de wil van de Oekraïense bevolking te breken.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zeker met het oog op de luchtverdediging en de voorziene vernietiging van de energie-infrastructuur is altijd meer steun nodig. Dat Oekraïne daarom vraagt kan ook niet anders: het land is verwikkeld in een existentiële strijd voor het eigen voortbestaan.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland blijft gecommitteerd aan het steunen van Oekraïne en dit kabinet heeft €9 miljard aan steun toegezegd, verdeeld over de komende drie jaar. De militaire steun door Nederland stijgt daardoor naar een totaal van €21,6 miljard. Voor 2026 is er voor €3,4 miljard bruto kasuitgaven aan militaire steun voorzien. Daarmee is Nederland een van de koplopers in Europa voor steun aan Oekraïne.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>We zullen de komende periode bekijken wat nodig en mogelijk is. Daarbij blijft Nederland erop aandringen dat andere landen hun steun aan Oekraïne intensiveren. Oekraïne vraagt ons om budget uit latere jaren naar voren te halen. Om de Oekraïense behoefte tegemoet te komen hebben we al bedrag van €687 miljoen naar voren gehaald, van 2029 naar 2026. Hiermee heeft Nederland drones en een Amerikaans PURL-pakket bekostigd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Onze vitale infrastructuur wordt in de begrotingsplannen door het nationaal maritiem security center en nationaal territoriaal commando beschermd. Is dit voldoende, gezien ok Polen en Frankrijk extra plannen en investeringen aankondigen.\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet doet de investeringen die nodig zijn in het licht van de dreiging.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Defensie werkt aan de oprichting van een Nationaal Territoriaal Commando (NTC). Dit commando zal zich focussen op het plannen, voorbereiden en uitvoeren van inzet van grondgebonden capaciteiten op Nederlands grondgebied en draagt daarmee direct en indirect bij aan de bescherming van vitale infrastructuur.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Tevens investeert het kabinet structureel in de bescherming van vitale infrastructuur op de Noordzee. Het kabinet heeft hiervoor structurele financiering vrijgemaakt. Onderdeel hiervan is de oprichting van een Nationaal Maritime Security Centrum (NMSC). Dit centrum zal bijdragen aan een compleet beeld van dreigingen en snelle respons bij incidenten op de Noordzee.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Verder investeert het kabinet, net als civiele partners, in de bescherming van Noordzee infrastructuur. Zo investeert defensie in additionele waarnemingscapaciteit (sensoren, satellietcapaciteit) op zee, zodat dreigingen sneller in beeld zijn. Defensie investeert ook in meer responscapaciteit, zoals multifunctionele ondersteuningsvaartuigen, die verdachte situaties op de Noordzee nader kunnen onderzoeken en waar benodigd kunnen ingrijpen. Daarnaast ontwikkelt de marine innovatieve bemenste en onbemenste technologieën voor toekomstige maritieme operaties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het wetsvoorstel schaduwvloot en de wet bescherming nationale veiligheid zijn tevens voorbeelden van initiatieven die het kabinet neemt om Nederlandse vitale infrastructuur blijvend te beschermen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Ik lees dat nieuwe initiatieven vooral draaien om fysieke infrastructuur. Welke stappen worden er genomen als het gaat om het cyberdomein? Wat kunnen we bijvoorbeeld leren van het Franse instituut VIGINUM, dat desinformatie actief bestrijdt en daar actief op inzet, juist omdat ze zien dat desinformatie in verschillende landen op social media verder gaat en bijdraagt aan de afkalving van de steun aan Oekraïne en dus ook aan de weerbaarheid van de samenleving?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Rusland probeert ons direct te beïnvloeden met desinformatie, onder andere om de steun voor Oekraïne te ondermijnen. Dit neemt het kabinet zeer serieus; we hebben de aanpak van desinformatie dan ook vastgelegd in ons regeerakkoord. Daarom werkt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) nu aan een permanent orgaan tegen Foreign Information Manipulation and Interference (FIMI). Dit orgaan gaat onder andere desinformatie opsporen en geeft het kabinet de handvatten om de schade aan onze samenleving te beperken. Defensie werkt hierbij nauw samen met BZK.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet kijkt hierbij ook naar het Franse VIGINUM, zoals de heer Dassen terecht opmerkt. Omdat we voor een vergelijkbare organisatie nieuwe wetgeving nodig hebben, wordt hier onder leiding van BZK aan gewerkt. We verwachten dit eind 2027 aan de Tweede Kamer te kunnen presenteren.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Op het gebied van het cyberdomein worden diverse stappen ondernomen om de weerbaarheid te versterken en de dreiging van actoren in de zogenaamde grijze zone aan te pakken. Defensie investeert in lijn met de Defensie Cyberstrategie in cybercapaciteiten op alle niveaus van militair optreden en werkt aan de integratie van deze slagkracht in de besluitvorming, planning en uitvoering van militaire operaties. Dit omvat ook defensieve cyberoperaties om cyberdreigingen te neutraliseren voordat zij schade aanrichten.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Partijen als Clingendael waarschuwen voor de reflex dat Europese landen defensiemiljarden niet investeren in gezamenlijke veiligheid maar vooral in zichzelf of in incidentele samenwerkingsverbanden. Wil Europa in staat zijn zichzelf te beschermen, dan moeten we dit regelen op Europese schaal. Juist met dit soort plannen organiseren we onze eigen verdediging. Is de minister het met mij eens dat de Europese veiligheidsraad er nu echt moet komen en dat de Europese commandostructuur zo snel mogelijk van de grond moet komen?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Het kabinet deelt het belang om Europa meer verantwoordelijkheid te laten nemen voor zijn eigen veiligheid. Nederland zet daarbij in op een sterke en besluitvaardige Europese Unie, in nauwe samenwerking met de NAVO. Dat doen we door een versnelde opbouw van Europese defensiecapaciteiten en verstevigde Europese samenwerking.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Het kabinet kijkt daarom met interesse naar het idee van Commissievoorzitter Von der Leyen over een Europese Veiligheidsraad. Het is op dit moment nog niet duidelijk hoe dit er precies uit zal zien. Op basis van het uiteindelijke voorstel zal het kabinet zijn positie bepalen. Daarbij is het belangrijk om bestaande instrumenten en samenwerkingsverbanden goed te benutten en daarop voort te bouwen en dubbelingen met reeds bestaande instrumenten te voorkomen. De NAVO blijft de hoeksteen van onze collectieve verdediging, wel is reeds in het Strategisch Kompas besloten om de commandostructuren van de EU te versterken om EU missies en operaties beter te kunnen aansturen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Techbronnen krijgen steeds meer macht. Voornamelijk op het gebied van buitenlandse AI-bedrijven zijn we heel kwetsbaar. Hoe staat het met het tweejarig afbouw pad van Palantir? Zitten we op schema: zijn we over twee jaar volledig onafhankelijk van Palantir? En hebben we dan volledig opgebouwd met Europese alternatieven?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord We kiezen voor een modulaire aanpak, waarbij de benodigde mate van autonomie bepaalt welke technologieën en partners nodig zijn.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De strategische roadmap richt zich op zowel het afbouwen van de technologische afhankelijkheid als het opbouwen van de kennis die nu door Palantir-consultants wordt ingebracht. De grootste afhankelijkheden krijgen daarbij prioriteit.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Een belangrijke mijlpaal is 1 juli 2028: dan moet een digitaal fundament beschikbaar zijn waarmee de afhankelijkheid van Palantir binnen Defensie kan worden afgebouwd.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De planning is ambitieus en daar houd ik aan vast. Waar mogelijk versnellen we , maar we kunnen niet garanderen dat Nederland binnen twee jaar volledig onafhankelijk van Palantir is.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Vragen van het lid Keijzer (Keijzer)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Nederland geeft volgend jaar een kleine 30 miljard euro uit aan defensie. Ruim 14 miljard daarvan gaat naar nieuw materiaal en innovatie. Waar landt dat geld voor nieuw materieel en innovatie? Gaat dat naar fabrieken in het buitenland of op werkplaatsen in Brabant, Twente en Zeeland? Kan de minister of de staatssecretaris daar een percentage voor noemen?\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Antwoord In de Stand van Defensie licht Defensie deze cijfers toe. Dit kabinet streeft ernaar om 50% in Nederland en Europa in te kopen. In de eerste helft van 2026 kocht Defensie 59,0% van het totale inkoopvolume (in financiële omvang) voor militaire gereedheid en gevechtskracht in Nederland en Europa. In 2025 was dit 77,4%, in 2024 78,9%.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Concreet leidde dat er toe dat Defensie in 2025 voor € 4,09 miljard inkocht aan capaciteiten die bijdragen aan de militaire gereedheid en gevechtskracht bij bedrijven die in Nederland gevestigd zijn en onderdeel zijn van een Nederlandse eigendomsstructuur. Enkele voorbeelden zijn onbemenste systemen (drones) en maritieme capaciteiten. Hoe het beeld zich in de periode 2026-2030 ontwikkelt, hangt samen met het tempo waarop Nederlandse en Europese alternatieven beschikbaar komen op de defensiemarkt. Defensie zet met het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie in op meer innovatie, opschaling en productie in Nederland. Daarbij zetten we nadrukkelijk in op de opbouw en versterking van regionale ecosystemen, zoals in Noord-Brabant en Overijssel. Hiermee beoogt defensie de doelstellingen in het coalitieakkoord duurzaam te borgen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De Defensienota belooft een parallel traject naar Nederlandse productie als Defensie in het buitenland koopt. Waar is het traject voor de 3D-printers waar de staatssecretaris eerder een rapport over heeft gestuurd?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>Defensie heeft 3D-printers aangeschaft om de operationele toepassingen van 3D printtechniek te onderzoeken. De leverancier van Defensie heeft de printers in China laten assembleren. De kritieke componenten van het systeem zijn afkomstig uit Europa en Japan. Met de software kan op een afgesloten netwerk worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers moeten draaien. Verder gebruikt Defensie deze printer uitsluitend voor het opdoen van kennis over een productietechniek van metaal printen. De printers worden niet in staatsgeheime trajecten, bij kritieke processen of voor strategische doeleinden binnen Defensie gebruikt. Er kan geen informatie-uitwisseling tussen Defensie en China plaatsvinden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Desalniettemin verkent Defensie de mogelijkheden om strengere eisen om strategische autonomie en Europese herkomst bij aanbesteding van een eindproduct te waarborgen. Defensie moet altijd een afweging maken tussen strategische autonomie en operationele kwaliteit en beschikbaarheid. Inzetten op strategische autonomie brengt mogelijk hogere kosten met zich mee. In voorkomend geval is Defensie bereid om deze kosten te dragen bij bedrijven die duurzaam kunnen bijdragen aan strategische autonomie. Per project wordt een afweging gemaakt hoe deze kosten worden gedragen.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Is de minister bereid minstens de helft van de drie miljard voor Oekraïne in Nederland te besteden?\u003C\u002Fp>\n\u003Ch4 class=\"vso-antwoord\">Antwoord\u003C\u002Fh4>\n\u003Cp>De strijd van Oekraïne gaat ook over de veiligheid van Nederland, van Europa, en de grondbeginselen van de internationale rechtsorde. Onze eigen vrijheid en waarden staan op het spel. De steun aan Oekraïne is geen liefdadigheid, maar in het belang van Nederland.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>In de besteding van de middelen ligt onze focus uiteraard op de Nederlandse defensie-industrie. We hebben grote orders geplaatst voor Nederlandse drones, radar detectiesystemen, batterijen – allerlei zaken die onderdeel zijn van moderne oorlogsvoering. Wij steunen Oekraïne met ons eigen ecosysteem in het achterhoofd. De Oekraïense behoeftes staan voorop. Als wij Patriot-munitie kunnen aankopen doen we dat, ook al komen die raketten uit de VS. Hetzelfde geldt voor F-16 munitie of artillerie-munitie. Die worden niet geproduceerd in Nederland, maar zijn wel hard nodig om Oekraïne te helpen onze directe vijand buiten de deur te houden.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>De uitkomst van deze oorlog bepaalt op wat voor continent wij wonen. In vrede of onder constante dreiging. Daarbij passen geen beperkingen in ons aankoopbeleid. Waar Nederlandse bedrijven passend en tijdig kunnen leveren, zal het kabinet die mogelijkheden nadrukkelijk benutten. Bovendien gaat Nederland vanaf 2035 19 miljard euro extra aan defensie uitgeven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Amendementen\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Amendement 37 020-X-4 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027 – van het lid Keijzer\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit amendement wordt ontraden. Hiervoor zijn meerdere redenen: Allereerst is het continueren van de militaire steun aan Oekraïne noodzakelijk. Oekraïne vecht op dit moment voor de vrijheid en veiligheid voor hun eigen land, maar ook voor die van Europa en daarmee dus ook die van Nederland. We blijven dat onverminderd steunen. Het kabinet heeft met deze doelstelling dan ook de middelen hiervoor gereserveerd. Daarnaast is de voorgestelde dekking tegenstrijdig met de begrotingsregels. Een lastenverlaging mag - door de scheiding van inkomsten en uitgaven - niet gedekt worden met het verlagen van de uitgaven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Amendement 37020-X-44 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027 – van het lid van Baarle (DENK)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit amendement wordt ontraden. Defensie is samen met Buitenlandse Zaken, het Rijksvastgoedbedrijf en de Gemeente Den Haag structureel in overleg met Stichting Nationaal Monument Srebrenica Genocide ’95. Het rijk staat positief t.o.v. de totstandkoming van een Srebrenicamonument in Den Haag. Dat blijkt ook uit de betrokkenheid bij de onthulling van de plaatsmarkering. Tegelijkertijd ligt deze plek in de internationale zone van Den Haag en dient er rekening gehouden te worden met de veiligheidseisen van het tribunaal en omliggende intergouvernementele organisaties.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Zodra de plannen van de stichting gevorderd en subsidiabel zijn, hebben Defensie en Buitenlandse Zaken een positieve grondhouding voor een financiële bijdrage. Hiervoor is al budget gereserveerd op artikel 9 Algemeen. Het initiatief voor de totstandkoming van een permanent monument, het opstellen van een plan en het aanvragen van eventuele subsidies bij overheden, ligt bij de genoemde stichting, in overleg met betrokken organisaties. Zodra er een uitgewerkt en goedgekeurd plan voor de voorbereiding en realisatie van het monument ligt, is Defensie bereid om daaraan bij te dragen. Daar is nu nog geen sprake van.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Amendement 37 020-X-45 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027 – van het lid Dobbe (SP)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit amendement wordt ontraden. Het budget is toegewezen aan de Defensiebegroting voor werving van eigen benodigd personeel en andere benodigde uitgaven. Een verlaging van deze uitgaven heeft consequenties voor eigen wervingsdoelstellingen uit het Coalitieakkoord voor de groei van het personeel en benodigde groei voor het verdedigen en veilig houden van ons Koninkrijk en is daarom ongewenst.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Amendement 37 020-X-46 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027 – van het lid ten Hove (Groep Markuszower)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit amendement wordt ontraden. Hiervoor zijn meerdere redenen: Allereerst is het continueren van de militaire steun aan Oekraïne noodzakelijk. Oekraïne vecht op dit moment voor de vrijheid en veiligheid voor hun eigen land, maar ook voor die van Europa en daarmee dus ook die van Nederland. We blijven dat onverminderd steunen. Een verlaging van deze steun, zoals lid Ten Hove voorstelt, is dan ook ongewenst. Daarnaast is de voorgestelde dekking tegenstrijdig met de begrotingsregels. Een lastenverlaging mag - door de scheiding van inkomsten en uitgaven - niet gedekt worden met het verlagen van de uitgaven.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Amendement 37 020-X-47 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027 – van het lid Boon (PVV)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit amendement wordt ontraden. Het continueren van de militaire steun aan Oekraïne is noodzakelijk. Oekraïne vecht op dit moment voor de vrijheid en veiligheid voor hun eigen land, maar ook voor die van Europa en daarmee dus ook die van Nederland. We blijven dat onverminderd steunen. Een verlaging van deze steun, zoals lid Boon voorstelt, is dan ook ongewenst.\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Amendement 37020-X-54 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027 – van het lid van Baarle (DENK)\u003C\u002Fp>\n\u003Cp>Dit amendement wordt ontraden. Eerdere kabinetten hebben reeds middelen toegekend om de fysieke en sociale veiligheid en integriteit te verbeteren. Binnen de gehele Defensieorganisatie is de Veiligheidsorganisatie vergroot. De Inspectie Veiligheid Defensie en de Centrale Organisatie Integriteit Defensie hebben extra personele capaciteit gekregen en de defensieonderdelen hebben specifieke functies aangemaakt. In de Ontwerpbegroting 2027 zijn er reeds middelen beschikbaar gesteld die ervoor zorgen dat de Inspectie Veiligheid Defensie en Centrale Organisatie Integriteit Defensie meegroeien met de krijgsmacht. Het voorgestelde amendement heeft daarom geen aanvullend effect op het zorgdragen voor een sociaal veilige werkomgeving.\u003C\u002Fp>\n\u003C\u002Fdiv>","\u002Fmedia\u002Fbrieven_pdfs\u002Fsf-br-2026Z21454.pdf",[33,34,36],{"label":25,"term":25},{"label":35,"term":35},"genocide",{"label":37,"term":37},"erkent",[],[]]