Document
Verslag
8 sprekers · 140 bijdragen
ONGECORRIGEERD STENOGRAM
Verslag OSV 47 (2025-2026) van 18 juni 2026
Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft op 18 juni 2026 overleg gevoerd met de heer Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, over:
het wetsvoorstel Jaarverslag en slotwet Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025 (36945-XVII);
de brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 20 mei 2026 inzake jaarverslag Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025 (36945-XVII, nr. 1);
de brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 11 juni 2026 inzake beantwoording vragen commissie over het jaarverslag Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025 (Kamerstuk 36945-XVII, nr. 1) (36945-XVII, nr. 7);
de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d. 20 mei 2026 inzake aanbieding van het rapport resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (36945-XVII, nr. 2);
de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d. 9 juni 2026 inzake beantwoording vragen commissie, gesteld aan de Algemene Rekenkamer, over het rapport resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36945-XVII, nr. 2) (36945-XVII, nr. 6);
de brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 11 juni 2026 inzake beantwoording vragen commissie, gesteld aan de regering, over het rapport resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36945-XVII, nr. 2) (36945-XVII, nr. 8);
de brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 7 mei 2026 inzake rapportage over economische missies in 2025 (36800-XVII, nr. 70);
de brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 13 april 2026 inzake Nederlandse deelname Expo 2025 Osaka (36800-XVII, nr. 68);
de brief van de staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp d.d. 26 januari 2026 inzake voortgang Nationaal Actieplan bedrijfsleven en mensenrechten (NAP) 2022-2026 (32735, nr. 423);
de brief van de staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp d.d. 17 december 2025 inzake modernisering DRIVE (36180, nr. 184);
de brief van de staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp d.d. 17 december 2025 inzake toetsingskader DRIVE garantiefaciliteit 2022 (aangepast) (36180, nr. 185);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 16 december 2025 inzake decemberbrief Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025 (36800-XVII, nr. 17);
de brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 11 mei 2026 inzake uitwerking verbeterde verantwoordingssystematiek (jaarverslag BHOS) (31865, nr. 302);
de brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 12 mei 2026 inzake rapport van ECDPM-WUR over voedselexporten naar Afrika (29237, nr. 258);
de brief van de minister van Economische Zaken en Klimaat d.d. 20 mei 2026 inzake kabinetsreactie op de Monitor Brede Welvaart & de Sustainable Development Goals 2026 (34298, nr. 42);
de brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 29 mei 2026 inzake revolverende fondsen (36800-XVII, nr. 72).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
Den Hollander
De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
Van der Leeden
Den Hollander
Griffier: Van der Leeden
Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Bamenga, Den Hollander, Hoogeveen, Kröger, Lohman en Verkuijlen,
en de heer Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Aanvang 15.04 uur.
Dames en heren, van harte welkom bij het wetgevingsoverleg over de Jaarverantwoording Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025. We hebben vandaag een debat over de jaarverantwoording, waarbij we starten met de wetgevingsrapporteurs. Dat zijn de heer Bamenga en mevrouw Teunissen, maar zij komt iets later. Dus de heer Bamenga begint zo meteen met een toelichting op zijn wetgevingsrapporteurschap. Daar vindt eerst een soort van gesprek, debat, over plaats met de minister. Daarna gaan we over naar de eerste termijn van de Kamer.
Ik wil dus starten door het woord te geven aan de heer Bamenga.
De heer BamengaD66Dank u wel, voorzitter. Namens de commissie dank ik de minister en de Algemene Rekenkamer voor de constructieve samenwerking en gesprekken van het afgelopen jaar. Die werksessies zijn nuttig gebleken. Ze helpen de Kamer om meer grip te krijgen op een begroting die inhoudelijk en financieel behoorlijk complex is. Juist daarom hopen de rapporteurs dat deze manier van werken wordt voortgezet. Verder wil ik de Dienst Analyse en Onderzoek bedanken voor de fantastische ondersteuning die zij de rapporteurs hebben geboden.
Ik ga namens de commissie in op drie punten: de verbeterde verantwoordingssystematiek, de revolverende fondsen en tot slot de ODA-berekening en de koppeling met het bni.
Voorzitter. Allereerst de verbeterde verantwoordingssystematiek. Laat ik benadrukken dat er over de BHO-begroting al veel verantwoording plaatsvindt. Het doel van de rapporteurs is dan ook niet om daar simpelweg nog meer aan toe te voegen. Het doel is juist dat die verantwoording de Kamer een beter en samenhangender beeld geeft van de complexe werkelijkheid achter deze begroting. Dat is extra belangrijk bij internationaal beleid, waar resultaten vaak indirect zichtbaar zijn en zich pas op langere termijn laten meten. Juist dan is de kwaliteit van inzicht essentieel: welke doelen worden gesteld, welke middelen worden ingezet, welke resultaten worden verwacht en hoe kan de Kamer beoordelen of beleid werkt?
De rapporteurs zien dat de minister stappen zet richting een verbeterde verantwoordingssystematiek. Dat is een belangrijke ontwikkeling. Tegelijkertijd constateren de rapporteurs dat de uitwerking nog vrij abstract blijft. De brief van 11 mei schetst de hoofdlijnen, maar geeft nog onvoldoende inzicht in hoe dit er concreet uit gaat zien in de begroting zelf. Daarom heb ik hierover een aantal vragen.
Kan de minister toelichten waarom bij de brief van de 11 mei geen concreet voorbeeld van de nieuwe systematiek is opgenomen, maar is volstaan met een beschrijving op hoofdlijnen? Is de minister bereid om nog voor het zomerreces een uitgewerkt voorbeeld van een begrotingsartikel met de Kamer te delen? Kan de minister daarnaast toelichten hoe in de nieuwe systematiek wordt geborgd dat doelstellingen, nulmetingen en streefwaarden helder en consistent worden opgenomen bij de indicatoren? Juist die elementen zijn essentieel om beleid toetsbaar te maken en om de relatie tussen middelen en resultaten inzichtelijk te maken.
De rapporteurs constateren ook dat wordt voorgesteld de huidige tabel met indicatoren te laten vervallen, terwijl nog onduidelijk is welke indicatoren daarvoor in de plaats komen. Kan de minister toelichten waarom deze tabel nu al wordt losgelaten en kan de minister de Kamer per brief nog voor het zomerreces informeren over welke indicatoren en bijbehorende streefwaarden in de nieuwe begroting zullen worden opgenomen?
Voorzitter, dan de revolverende fondsen. Ook op dit punt zien de rapporteurs dat de minister stappen wil zetten in de verantwoording. Dat waarderen wij. Tegelijkertijd blijft dit voor de Kamer een ingewikkeld terrein: geld wordt gedoteerd, komt deels terug en wordt opnieuw ingezet. De vraag is steeds: wat kan de Kamer daarvan goed volgen? Daarom ook hierover een aantal concrete vragen. Kan de minister toezeggen dat vanaf de begroting 2027 in de memorie van toelichting een overzicht wordt opgenomen van de dotaties aan de verschillende revolverende fondsen? Dan kan de Kamer in één oogopslag zien wat er jaarlijks aan deze fondsen wordt toegevoegd. Kan de minister ook bevestigen dat de factsheets voortaan zowel bij de begroting als bij het jaarverslag worden opgenomen?
Dan de uitvoeringskosten. De rapporteurs begrijpen dat de minister voorzichtig is met het delen van gedetailleerde informatie. Tegelijkertijd moet de Kamer wel kunnen zien hoe die kosten worden betaald. Gebeurt dat uit de opbrengst van een fonds of op een andere manier? Is de minister bereid om dit in de factsheets op te nemen?
Voorzitter, dan het belangrijkste punt bij deze fondsen: de mate van revolverendheid. Dat is namelijk uiteindelijk de kern van zo'n fonds: komt het geld terug, in welke mate en wat betekent dat voor de doelstelling van het fonds? De minister stelt voor om dit mee te nemen in de evaluaties. Dat is goed, maar voor de rapporteurs is de informatie alleen bij evaluaties eigenlijk te laat. Kan de minister daarom per fonds in de factsheets opnemen wanneer de evaluatie plaatsvindt? Worden deze evaluaties ook opgenomen in de Strategische Evaluatie Agenda? Is de minister daarnaast bereid om nog eens goed te kijken welke informatie over revolverendheid al eerder in de factsheets kan worden opgenomen, bijvoorbeeld met een korte duiding van de fase waarin een fonds zich bevindt en wat die fase betekent voor de mate waarin het fonds al kan revolveren? Tot slot op dit punt. Kan de minister in het factsheet ook opnemen wat uit eerdere informatie is gebleken over de revolverendheid en of dat aanleiding heeft gegeven om de doelstelling van een fonds bij te stellen?
Voorzitter. Dan tot slot het ODA-budget en de koppeling met het bni. De rapporteurs hebben gezien, mede op basis van het werk van de Algemene Rekenkamer, dat de huidige systematiek onvoldoende inzicht biedt in hoe het ODA-budget zich verhoudt tot de internationale norm en welke beleidskeuzes daarin doorwerken. Het gaat hier om internationale solidariteit, klimaatrechtvaardigheid en het nakomen van afspraken die juist voor kwetsbare landen van groot belang zijn. Transparantie over deze cijfers is daarom essentieel.
De huidige presentatie in de HGIS-nota maakt het voor de Kamer moeilijk om de ontwikkeling van het ODA-budget goed te volgen en te controleren. Dat geldt zeker waar het gaat om de effecten van gewijzigde rekenmethodes en eerdere beleidskeuzes. Daarom de volgende vragen. Kan de minister toezeggen om de tabel met het ODA-budget in de HGIS-nota bij de begroting 2027 zo aan te passen dat deze inzicht geeft in vier elementen: de OESO-norm, zowel in percentage als in miljoenen euro's, de raming van het bni, in miljoenen euro's, de zogenoemde "gemiste bijstelling", analoog aan de tabel van de Algemene Rekenkamer, en de doorwerking van maatregelen uit vorige kabinetten, eveneens in miljoenen euro's?
Dat waren de vragen van de rapporteurs. Ik wil u graag danken.
Hartelijk dank, meneer Bamenga en ook mevrouw Teunissen voor het harde werk dat verricht is aan de voorkant voor deze verheldering. Dan kijk ik even naar de minister. Is er een schorsing nodig om aan alle vragen en toezeggingen tegemoet te komen of kunt u dat gelijk doen?
Aan de toezeggingen tegemoetkomen, dat durf ik nog niet te zeggen, maar ik zal zeker proberen tegemoet te komen aan de vragen. Ik wil uiteraard ook de rapporteurs graag danken voor hun werk en overigens alle begrip dat rapporteur Teunissen hier vandaag niet kan zijn of nog niet kan zijn vanwege haar nieuwe rol in haar fractie.
Dank in ieder geval ook aan het lid Bamenga voor deze uitgebreide introductie en de aandacht die daarbij is gegeven aan diverse onderwerpen uit de jaarverslagen, waaronder revolverende fondsen. Ik wil daarbij graag benadrukken dat revolverende fondsen echt een belangrijk instrument zijn, cruciaal voor de beleidsdoelen voor handel én ontwikkelingssamenwerking — klimaat, voedselzekerheid en financiering — en ook een belangrijk onderdeel van de economische partnerschappen waar Nederland op inzet. Ook voor samenwerking met de private sector, lokale en Nederlandse bedrijven, zijn de fondsen bij uitstek geschikt en die samenwerking is ook in deze huidige wereld van groot belang.
Ten slotte is natuurlijk een van de mooiere karakteristieken van deze fondsen dat op deze manier middelen meerdere keren kunnen worden ingezet, waardoor ook de ontwikkelingsimpact van het geld groter wordt. Ik snap tegelijkertijd dat die kracht ook reden is om om meer inzicht te vragen. In mijn brief heb ik uiteengezet hoe ik het beleid ten aanzien van die fondsen eenduidiger ga maken, afspraken ga versterken en ook de informatieverstrekking ga verbeteren. Ik deel zeer de wens die de rapporteurs op tafel leggen voor transparante begrotingen en goed navolgbare cijfers.
Er werd ook gesproken over de verbeterde verantwoordingssystematiek. Dat is eigenlijk het resultaat van twee jaar lang heel goede samenwerking tussen rapporteurs en de Algemene Rekenkamer. Daar ben ik natuurlijk ook zeer voor, voor het werk van beide. In dit geval moet ik ook de Algemene Rekenkamer bedanken. Die verbeterde samenwerking via het jaarverslag heeft natuurlijk als doel een completer en samenhangender verhaal over de behaalde resultaten. Ik hoop dat we via de aankomende begroting en het jaarverslag de dialoog over wat we bereiken op ontwikkelingssamenwerking nog beter kunnen voeren.
Dan de vragen. Ik zal proberen om die op te delen. Misschien eerst de revolverende fondsen. Wat werd gevraagd ten aanzien van de dotaties kan ik toezeggen. Wij zullen vanaf de begroting 2027 de dotaties opnemen in de factsheets bij de memorie van toelichting. Dat gebeurt dan per fonds. Er kan ook een tabel worden opgenomen om dit voor alle fondsen overzichtelijk weer te geven. De tweede vraag die daar gesteld was, is of de minister kan bevestigen dat factsheets voortaan zowel bij de begroting als bij het jaarverslag worden opgenomen. Ik zou dit graag iets amenderen. Laten we niet de factsheets als geheel bij het jaarverslag opnemen, maar zowel bij de begroting als bij het jaarverslag een tabel opnemen met de financiële gegevens voor alle fondsen. Dan wordt de Kamer twee keer per jaar over de financiële voortgang geïnformeerd op een manier die goed vergelijkbaar is. Dat scheelt in alle eerlijkheid veel tijd, terwijl de belangrijkste updates eigenlijk in deze cijfers zitten.
Ook de vraag over de uitvoeringskosten begrijp ik goed. We zullen ervoor zorgen dat de gevraagde informatie in de factsheets wordt opgenomen. Het is misschien in algemene zin goed om te zeggen dat die uitvoeringskosten uit de opbrengst van het fonds worden betaald, maar dat we, waar dat niet zo is, dat zullen uitleggen.
En dan misschien het belangrijkste punt: de mate van revolverendheid. Daar zijn een aantal vragen over gesteld. Er is gevraagd om de data van de evaluaties mee te nemen in de factsheets. Dat zullen we doen. We kunnen dit ook opnemen in de Strategische Evaluatie Agenda, voor zover dat nog niet gedaan is. Ik ben uiteraard bereid om meer informatie over de revolverendheid op te nemen in de factsheets. Ik heb daar in mijn brief al een voorstel voor gedaan, maar ik neem het verzoek van de rapporteurs daar graag in mee.
In de vragen van de rapporteurs over het ODA-budget en de koppeling met het bni wordt gevraagd om in de HGIS-nota inzicht te geven in vier afzonderlijke elementen. Ik herken overigens de complexiteit en de toerekeningswijze en hoe ingewikkeld het soms is om het overzicht precies helder te krijgen. Ik neem ook hier het verzoek van de rapporteurs graag mee en zal dat betrekken bij de totstandkoming van de volgende HGIS-nota.
Dat brengt mij bij het laatste onderwerp, de verbeterde verantwoordingssystematiek. De eerste vraag van rapporteur Bamenga was waarom we geen concreet voorbeeld van de nieuwe systematiek hebben opgenomen. Daarover twee dingen. Eén is dat het jaarverslag van 2027 de eerste keer zal zijn dat er conform de verbeterde verantwoordingssystematiek zal worden gewerkt. Dat is omdat het jaarverslag een spiegel is van de begroting. Het is dus helaas niet mogelijk om dat al eerder te doen. Een kleine teleurstelling voor de rapporteurs, maar het is niet haalbaar om voor toekomstig beleid een voorbeeld van verantwoording op te stellen als die begroting nog niet gemaakt is.
Dan wordt er gevraagd hoe in de nieuwe systematiek wordt geborgd dat doelstellingen, nulmetingen en streefwaarden helder en consistent worden opgenomen, en of die niet verdwijnen. Ik zou willen zeggen dat in die verbeterde verantwoordingssystematiek de indicatoren en streefwaarden verschuiven van de tabel naar de hoofdtekst, maar niet verdwijnen. Ze zullen worden aangevuld met andere relevante ontwikkelingen binnen een bepaald beleidsterrein aan de hand van data en resultaten, die dan weer niet uniform meetbaar zijn, maar wel heel veel zeggen over het behalen van de doelstellingen binnen dat beleidsterrein.
De zorg is uitgesproken dat de huidige tabel met indicatoren komt te vervallen. Ja, de tabel wordt losgelaten, maar dat betekent niet dat de indicatoren en streefwaarden in die tabel als zodanig worden losgelaten. Die worden juist in een narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst, met uitzondering van de indicatoren die hun relevantie verloren hebben ten aanzien van de huidige of gewijzigde beleidsdoelstellingen. Maar dat zullen we uiteraard ook onderbouwen. Dat maakt het ook mogelijk om flexibeler in te spelen op de verschillende doelstellingen en de resultaten die behaald zijn. Het maakt ook de introductie van nieuwe indicatoren eenvoudiger.
Tot slot. Er werd gevraagd of ik per brief en nog voor het zomerreces kan laten weten welke indicatoren en bijbehorende streefwaarden in de nieuwe begroting kunnen worden opgenomen. Ik zeg graag toe dat we dat voor het zomerreces doen. Ik hoop dat ik daarmee de vragen van beide rapporteurs heb beantwoord.
Hartelijk dank, minister, voor het beantwoorden van al deze vragen. Dan kijk ik even of de rapporteur nog aanvullende vragen heeft op dit moment.
De heer BamengaD66Ik heb proberen bij te houden welke toezeggingen ik heb gekregen als rapporteur. Als het goed is, heb ik vrijwel op alle punten een toezegging gekregen, waarvoor dank aan de minister. Zijn inleiding gaf een andere indruk. Ik dacht na zijn inleiding dat het lastig zou worden om toezeggingen te krijgen van de minister, maar dat is anders gebleken.
Dan een punt waarop nog geen toezegging is verkregen. Begrijp ik goed dat het eigenlijk qua uitvoering niet mogelijk is? Dat is wat ik terugkrijg van de minister. Het is niet mogelijk om een concreet voorbeeld te geven, omdat het hier gaat om toekomstig beleid. Mijn vraag aan de minister is of er een mogelijkheid is om ons daarin mee te nemen. Op een gegeven moment zul je namelijk toch moeten bepalen hoe je die verantwoording wil vormgeven. Wellicht wil de minister de toekomstige rapporteurs daarin in ieder geval meenemen wanneer het duidelijk wordt of wanneer het in ontwerp is. Dat is één.
Het andere gaat over de tabel, die losgelaten wordt. Daar heeft de minister volgens mij al een toezegging over gedaan. De minister geeft aan: ja, de tabel wordt losgelaten, maar de indicatoren niet; daar wordt zeker goed naar gekeken. Eigenlijk blijft er dus nog maar één vraag vanuit onze kant over. Ik ben benieuwd hoe de minister daarin staat.
Minister, dan ga ik u deze laatste vraag nog doorpassen.
Het is makkelijk om hier welwillend op te zijn, omdat het goed beredeneerde en logische suggesties zijn om deze systematiek te verbeteren. Wat betreft het voorbeeld zeg ik het volgende. De begroting van 2027 zal voor de eerste keer langs deze systematiek worden gemaakt. Dat betekent dat u al dit najaar, vrij kort in het nieuwe parlementaire jaar, niet alleen een voorbeeld zult zien van één artikel, maar van alle artikelen. De eerste keer dat we dit in het jaarverslag zullen zien, is dus in het jaarverslag van 2027. Ik denk dat dat voer is om met elkaar te spreken over hoe die suggesties zijn verwerkt en hoe die worden ervaren, en of dat een nieuwe slag met zich mee kan brengen, los van deze suggesties. Wellicht hebben andere leden nog andere suggesties, maar dank.
Hartelijk dank, minister. Ik wil nogmaals namens de hele commissie de heer Bamenga en mevrouw Teunissen bedanken voor het harde werk en voor alle toezeggingen die zij hebben gekregen. Dat is een knappe prestatie.
Ik wil dan nu starten met de eerste termijn aan de kant van de Kamer, als daar verder geen bezwaar tegen is. Ik zie geen bezwaren. Dan wil ik graag als eerste mevrouw Kröger het woord geven voor haar termijn. Gaat uw gang.
Dank u wel, voorzitter. Na het verhitte debat van de afgelopen weken over meer geld voor ontwikkelingssamenwerking, spreken we vandaag eindelijk over wat ontwikkelingssamenwerking daadwerkelijk oplevert. Dat is heel erg veel.
Ontwikkelingssamenwerking ligt onder een vergrootglas. Diverse partijen zetten dat vergrootglas ook stevig aan. Het is daarom een van de meest geëvalueerde beleidsterreinen die we hebben. Natuurlijk kan verantwoording altijd beter. De heer Bamenga heeft daar net als rapporteur een aantal waardevolle suggesties voor gedaan. Ook hebben we net van de minister gehoord wat hij daarmee gaat doen. Ik moet zelf zeggen dat ik de duidelijke rapportage over hoe Nederland zich verhoudt tot de 0,7%-norm, het daar heel duidelijk en transparant over rapporteren, van groot belang vind.
Maar wat ik in de evaluatie zie, is vooral dat ontwikkelingssamenwerking echt de levens van mensen verbetert. Het is echt geld voor echte mensen. Kijk maar in het jaarverslag: 32 miljoen mensen zijn bereikt met voedselhulp, het gebruik van anticonceptie steeg in alle landen waar Nederland hieraan werkte en 11,8 miljoen mensen kregen toegang tot duurzame energie. Dat zijn echte resultaten voor miljoenen mensen wereldwijd. Tegelijkertijd kunnen we nog zo veel meer doen, in de eerste plaats door niet zo harteloos te bezuinigen. We zien namelijk nu, op korte termijn, al de effecten van de bezuinigingen. Als we het jaarverslag van 2025 naast het jaarverslag van 2024 leggen, dan zien we dat minder vrouwenorganisaties zijn versterkt: 12% eraf. Er zijn minder successen behaald op het gebied van vrouwenrechten: 50% eraf. Minder mensen kregen sanitaire voorzieningen: 31% eraf. Maar wat betekent dit nou voor de langetermijneffecten? De Rekenkamer concludeert dat een analyse daarvan ontbreekt. Wat betekenen de bezuinigingen, die ook dit kabinet nog voornemens is, voor de positie van vrouwen en meisjes, voor minderheden, voor democratie, voor klimaat, voor vrede en stabiliteit? Wat betekenen ze voor de positie van Nederland in de wereld? Is de minister bereid om deze langetermijneffecten in kaart te brengen en een analyse hiervan met de Kamer te delen?
De inzet van PRO is helder: voor 2026 is aan onze eisen voldaan, maar de minister blijft met een groot probleem zitten. De koppeling moet structureel worden hersteld. Er is geen steun voor de monsterbezuinigingen zoals ze nu in de boeken staan. Wie het debat in de Eerste Kamer volgde, zag dat de VVD echt alleen staat binnen de minderheidscoalitie, want ook het CDA heb ik vurig horen pleiten voor het structureel herstel van de koppeling en de 0,7%-norm. De minister heeft dit jaar met de hakken over de sloot zijn begroting gered, maar het is duidelijk dat er in het najaar een scherpe keuze voorligt. Krijgt de VVD haar zin en gaat de coalitie over rechts, of staan D66 en CDA voor ontwikkelingssamenwerking en krijgen we eindelijk de koerswijziging die zo hard nodig is?
Voorzitter. Dat was het over de bezuinigingen. Dan over het volgende. Nederland kan zo veel meer goed doen in de wereld met coherenter beleid. Nederland als open economie en handelsland heeft wereldwijd een grote impact op mens en natuur. Ontbossing, mensenrechtenschendingen, watervervuiling, kinderarbeid: ze komen via internationale handelsketens ook onze economie binnen. Als open handelseconomie dragen we daarom verantwoordelijkheid. Die nemen we nog onvoldoende. Aan de ene kant bezuinigen we op ontwikkelingssamenwerking en aan de andere kant stimuleren we handel zonder afdoende waarborgen. Dat is wat ons betreft geen verantwoordelijkheid nemen. De nationale SDG-rapportage, over de Sustainable Development Goals, dus de rapportage over duurzame ontwikkelingsdoelen, laat zien dat Nederland met de ene hand aan ontwikkelingshulp doet en met de andere hand schade veroorzaakt. Zo investeert Nederland 900 miljoen in publieke klimaatfinanciering, terwijl we tegelijkertijd zo'n 30 miljard aan fossiele subsidies verstrekken. We investeren in mensenrechten, maar ondersteunen ook projecten waarbij er serieuze zorgen bestaan over mensenrechten en milieu. Terwijl we investeren in gezondheidszorg en onderwijs in ontwikkelingslanden, lopen die landen alleen al door Nederland 59 miljard euro mis door belastingontwijking via constructies op de Zuidas. Dat zijn miljarden euro's die zij niet zelf in hun publieke diensten kunnen investeren.
Mijn vraag aan de minister is de volgende. Hoe komt de minister op voor de belangen van ontwikkelingslanden als het de portefeuilles van zijn collega-ministers betreft? Ik heb vaak klimaatdebatten gevoerd. Dan is de minister van Klimaat coördinerend minister. Deze minister is coördinerend minister voor onze relatie met een heleboel landen op deze wereld. Spreekt hij dan ook collega-ministers aan als hun beleid het ontwikkelingsbeleid van deze minister doorkruist? Hoe zorgt de minister dat de verplichte Toets Effecten op Ontwikkelingslanden consequent toegepast wordt? Hoewel deze toets, een initiatief van de Kamer, verplicht is voor nieuwe wet- en regelgeving van meerdere ministeries — dan gaat het om LVVN, BZ, dit ministerie, Financiën en EZK — is die volgens de verantwoordingsstukken in heel 2025 maar één keer gebruikt. Klopt dat? Hoe kan dat? Hoe kijkt de minister hiernaar? Wat gaat hij eraan doen zodat dat volgend jaar niet weer zo is? Hoe zorgt de minister dat bedrijven zich ook aan de OESO-richtlijnen voor verantwoord ondernemen houden? Het aantal bedrijven dat die richtlijnen onderschrijft, blijft steken op 41%, terwijl de doelstelling 90% is. Hoe kijkt de minister naar dit immense gat?
Achter het woord "beleidsincoherentie" — dat is een heel Haags woord — gaat een gruwelijke werkelijkheid schuil. Een voorbeeld daarvan is de zaak van Berta Cáceres. Met de ene hand investeren wij in mensenrechten, maar met de andere hand investeren wij via FMO in grote infrastructuurprojecten, zoals een waterkrachtproject in Honduras, waar deze milieuactiviste tien jaar geleden vanwege haar verzet vermoord werd. Een onafhankelijke expertgroep deed onderzoek naar deze moord en concludeerde dat de huurmoordenaars betaald werden met geld dat via FMO liep. Dat is een gruwelijke bevinding. Ik wil de minister vragen om zorg te dragen dat FMO volledig meewerkt aan het verdere onderzoek. Ik wil ook vragen wat voor beleid FMO heeft op remedy en reparaties op het moment dat er iets misgaat. Voldoet dit beleid, als het er al is, aan de internationale standaarden, zoals de VN-richtsnoeren? Kan de minister bij FMO aandringen op een commitment naar remedy op het moment dat investeringen negatieve gevolgen hebben? Kan de minister hierop een toezegging doen?
Voorzitter. Dan het derde punt. Het eerste was bezuinigen, het tweede was beleidscoherentie en het derde gaat wat mij betreft om het belang van het maatschappelijk middenveld in onze democratie. In de Nationale SDG-rapportage staat klip-en-klaar dat maatschappelijke ruimte inkrimpt, zowel internationaal als in Nederland zelf. Het maatschappelijk middenveld is echt essentieel. Een gezonde democratie biedt gezonde ruimte voor tegenspraak. Hoe in de afgelopen jaren maatschappelijke organisaties onder druk zijn komen te staan, baart mij echt heel veel zorgen. Het inperken van maatschappelijke organisaties is een inbreuk op onze democratie. Gelukkig hebben wij in de begroting voor 2026 het verbod op lobbyen met subsidie van de vorige twee PVV-ministers terug kunnen draaien. Dat is wat mij betreft echt een belangrijke stap, omdat het over iets heel wezenlijks gaat, maar er is echt veel meer nodig. Ik wil de minister vragen om een duidelijke agenda neer te leggen. Hoe gaat hij maatschappelijke organisaties, zowel in Nederland als in landen waarmee we samenwerken, ondersteunen? Wat is zijn blik op die shrinking civic space? Wat gaan we daar als Nederland tegenoverstellen? Wat gaan we allemaal doen om die shrinking civic space terug te dringen en ervoor te zorgen dat we democratieën juist ondersteunen? Zowel de Nationale SDG-rapportage als eerder het advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken zegt: zorg er nou voor dat je die maatschappelijke organisaties gaat ondersteunen. Dat kan bijvoorbeeld via ambassades. Daar hadden we vroeger het Civic Space Fund voor. Dat is wegbezuinigd, maar er zijn wellicht ook andere manieren. Op welke manier kan deze minister toch dat maatschappelijk middenveld met flexibele middelen gaan ondersteunen?
Voorzitter. Dan …
Mevrouw Kröger, heel even tussendoor. U had acht minuten opgegeven. U zit nu bijna op negen minuten. Bent u een eind op weg of gaat u nog even door?
Ik ben best een eind onderweg …
Oké, maar u hebt nog wel even nodig?
… maar ik werd enthousiast in mijn voorbereiding.
Oké.
Het laatste punt, voorzitter. Dat punt betreft vrouwenrechten. Ik denk dat deze minister in de debatten die hij tot nu toe heeft gedaan, heeft kunnen zien dat het onderwerp vrouwenrechten de Kamer van links tot rechts verbindt. Ik zie de heer Verkuijlen naast mij knikken. Ik denk dat het heel mooi is dat dit een agenda is die breed gedragen wordt. Ik ben er heel blij mee dat de minister heeft geluisterd naar de oproep van de Kamer en zich nu weer geschaard heeft bij de SheDecides-koplopergroep. Ik ben ook blij dat de Kamer net een motie van ons heeft aangenomen om aandacht te hebben voor gezondheidszorg voor slachtoffers van seksueel geweld en daar specifiek zorg voor te dragen, juist omdat die zorg zo onder druk komt te staan door de agenda van Trump, waarbij abortuszorg en SRGR gepolitiseerd worden. Dat heeft echt een sterk weerwoord nodig, zowel financieel als politiek. Daarom was ik er eigenlijk heel erg verbaasd over dat Nederland dit jaar opeens niet meer staat onder het statement over feministisch buitenlandbeleid. Nederland heeft daar altijd onder gestaan, zelfs onder PVV-ministers. Nederland heeft wel deelgenomen aan de conferentie — dat is hartstikke goed — maar heeft niet het publieke statement ondertekend. Mijn vraag is: waarom niet? In een tijd waarin rechten van vrouwen en minderheden zó onder druk staan, moet Nederland laten zien waar het voor staat.
Dank u wel.
Hartelijk dank, mevrouw Kröger. Ik kijk even of er nog interrupties zijn. Die zie ik niet. Dat betekent dat wij overgaan naar de eerste termijn van de heer Bamenga, die spreekt namens de fractie van D66. Hij heeft aangegeven ongeveer tien minuten spreektijd te hebben. We gaan kijken hoe dat loopt. Gaat uw gang.
De heer BamengaD66Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen met iets wat niet vaak genoeg wordt gezegd: ontwikkelingssamenwerking en een positieve handelsagenda zijn geen liefdadigheid; het gaat over stabiliteit en veiligheid, over hoe handel kan leiden tot kansen en over het voorkomen van de menselijke ellende die zo vaak leidt tot conflict, humanitaire crisis en gedwongen migratie.
Juist daarom kijk ik met gemengde gevoelens terug op 2025. Als ik het jaarverslag lees, dan zie ik veel professionals die met grote inzet goed werk verrichten, maar ik zie ook een kabinet dat miljarden aan structurele bezuinigingen aankondigt, terwijl de wereld steeds instabieler wordt, terwijl andere donoren wegvallen en terwijl voedselonzekerheid, conflict en klimaatverandering juist toenemen. Dat is een ongemakkelijke erfenis, waarmee deze minister nu aan de slag moet. Maar laat het hem dan goed doen.
Ter illustratie noem ik voedselzekerheid. Nederland investeerde vorig jaar wereldwijd ruim 360 miljoen euro in voedselzekerheid. Dat is volkomen terecht. Honger is een primaire bron van instabiliteit, conflict en gedwongen migratie. Bovendien heeft Nederland unieke kennis, sterke uitvoeringsorganisaties en een internationaal netwerk dat echt verschil kan maken. Maar de vraag is niet alleen hoeveel geld we uitgeven; de vraag is of al die potjes samen meer opleveren dan de som der delen. Juist daarbij wringt het. De IOB constateert inmiddels al jaren dat programma's langs elkaar heen werken, dat samenhang tussen centraal aangestuurde programma's en ambassades beperkt is en dat duurzaamheid na afloop van Nederlandse financiering eerder uitzondering is dan regel. Dat is geen verwijt aan deze minister, want dit patroon bestond allang voor zijn aantreden, maar het is wel een opdracht. Als beschikbare middelen de komende jaren schaarser worden, kunnen we ons versnippering simpelweg niet meer veroorloven.
Ik ben blij dat we voor dit jaar meer geld hebben geregeld, maar dat moet ook op de goede plaats terechtkomen. In tijden van wereldwijde schaarste aan ontwikkelingsbudgetten moeten we slimmer investeren. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat programma's beter op elkaar aansluiten? Hoe voorkomt hij dat verschillende organisaties in dezelfde landen en waardeketens naast elkaar werken, zonder gezamenlijke strategie? En misschien nog belangrijker: hoe zorgen we ervoor dat succesvolle projecten niet verdwijnen zodra de Nederlandse subsidies afgelopen zijn?
Voorzitter. Wat me aanspreekt in de koers die de minister heeft ingezet, is de nadruk op effectiviteit, duurzaamheid en lokaal eigenaarschap. Maar dan moeten we ook durven doorpakken. Kan de minister daarom toezeggen dat in de nieuwe meerjarenstrategie nadrukkelijk wordt gekeken naar sterkere samenwerking tussen ambassades en centraal beheerde programma's, betere gezamenlijke monitoring van resultaten en vooral duidelijke routes van donorfinanciering naar lokale markten, ondernemers, coöperaties en financieringsinstellingen? Uiteindelijk moet succes niet worden afgemeten aan hoeveel Nederlandse projecten er draaien, maar aan hoeveel lokale systemen zonder ons verder kunnen.
Voorzitter. Als ik verder terugkijk op het afgelopen jaar, zie ik dat er harde klappen vielen in de OS-plannen van de voorganger van de minister. De artikelen Vrouwenrechten en Onderwijs zouden verdwijnen. Over het lhbti'ers werd gezegd: we zijn de derde donor ter wereld en dat kan wel een tandje minder. Maar zoals ik toen ook al zei: er is een hele goede reden dat Nederland zo'n grote donor is voor lhbti'ers wereldwijd. Dit gaat om de meest kwetsbare mensen in de meest kwetsbare situatie, die door veel andere donoren niet worden gezien en niet worden gehoord. Dat wij de derde donor ter wereld zijn richting deze mensen moet ons niet doen twijfelen, maar ons sterken in de overtuiging dat Nederland het land is en blijft dat wereldwijd ervoor knokt dat iedereen zichzelf kan zijn. Daarom vraag ik aan de minister of hij kan toezeggen dat hij breekt met deze keuzes van het PVV-kabinet. Investeert dit kabinet weer zonder schroom in de positie van lhbti'ers wereldwijd? Investeert dit kabinet weer in vrouwenrechten, kinderen en onderwijs?
Maar er zijn ook bemoedigende tekens voor dit jaar en de aankomende jaren. Kijk bijvoorbeeld naar hiv/aids. Nooit eerder was de wereld zo dicht bij een vorm van een behandeling of genezing van hiv/aids, maar ook dit blijft een geldkwestie. Is de wereld bereid te blijven investeren in onderzoek en innovatie? Graag een toezegging van de minister dat dit bovenaan de agenda blijft op het gebied van gezondheid.
Meneer Bamenga, u heeft een interruptie van mevrouw Kröger.
Ik hoorde D66 oproepen tot meer investeren in een aantal zaken die wij ook ongelofelijk belangrijk vinden. We concluderen ook met elkaar dat er voor 2026 meer geld is. Maar mijn vraag is eigenlijk de volgende. Volgens mij heeft de VVD afgelopen dinsdag bij de stemmingen kleur bekend: wat de VVD betreft mag er geen extra geld meer naar deze begroting. Wat is de inzet van D66?
De heer BamengaD66De insteek van D66 is altijd helder geweest. Dat kunt u zien in ons verkiezingsprogramma en dat kunt u ook zien in ons stemgedrag. Volgens mij heb ik afgelopen dinsdag gezien dat er wel een meerderheid was van mensen die graag meer willen investeren.
Heeft u een aanvullende vraag, mevrouw Kröger? U lijkt wat te twijfelen.
Nee. Ik zat even te denken over de interpretatie. Inderdaad, een weggestemde motie is ook een signaal, dus er is inderdaad een meerderheid die zegt dat er wel degelijk geld bij moet. In de Eerste Kamer was er een vurig pleidooi van het CDA dat de koppeling hersteld moet worden, structureel. Dat is echt fundamenteel voor het CDA. Is dat ook hoe D66 in de wedstrijd zit?
De heer BamengaD66Al die jaren dat ik hier heb gezeten, heb ik volgens mij altijd gepleit voor meer ontwikkelingssamenwerking, omdat ik vind, zoals ik ook in het begin zei, dat het geen liefdadigheid is. Het is, denk ik, heel erg noodzakelijk. Zeker nu, in een samenleving waarin sprake is van zo veel instabiliteit en zo veel conflicten, moeten we er alles aan doen om juist die grondoorzaken aan te pakken. Dat kan alleen maar door meer investeren.
Ik ben vergeten om aan de voorkant de orde van de vergadering te schetsen. In principe gaan we uit van vier interrupties. U mag dus nog een aanvulling doen, maar dat doen we altijd. Dit wordt uw derde interruptie. Gaat uw gang.
Dan eerst heel even een punt van orde. Dit is een wetgevingsoverleg. We zitten met weinig sprekers. Ik zie dus eigenlijk geen noodzaak om het nu al te beperken tot vier interrupties. Ik ben niet van plan om er achttien te doen, maar nu beperken tot vier lijkt me niet nodig bij een wetgevingsoverleg. Dat is ook niet gebruikelijk.
Het is uw interpretatie of dat wel of niet gebruikelijk is. Ik kreeg van de griffier te horen dat we in principe gewoon beginnen met vier interrupties, maar dat we kijken hoe het loopt. U gaat nu uw derde interruptie doen. Gaat uw gang.
Sorry, toch dit punt van orde, want als het er maar vier zijn, moet ik een afweging maken. Bij wetgeving hebben we in principe gewoon een debat.
Prima, we gaan u tegemoetkomen. Gaat uw gang. Als het uit de hand loopt, gaan we ingrijpen.
Daar bent u voor. Heel fijn.
Ik stelde een hele concrete vraag aan de heer Bamenga en ik kreeg geen concreet antwoord. Ik ben blij dat de heer Bamenga ook vindt dat er meer geïnvesteerd moet worden in BHO. Mijn vraag was of D66 het vurige pleidooi van het CDA deelt om de koppeling te herstellen.
De heer BamengaD66Volgens mij vinden wij het ontzettend belangrijk dat er voldoende geïnvesteerd wordt in ontwikkelingssamenwerking. Wij vinden het ook belangrijk dat er gewoon voldaan wordt aan alle internationale afspraken. Als dat betekent dat de koppeling hersteld moet worden, vinden wij zeker dat je dat zou moeten doen. De vraag is natuurlijk altijd hoe je dat doet. Dat is volgens mij iets waarover we samen in gesprek moeten gaan.
Meneer Bamenga, u mag doorgaan met uw betoog.
De heer BamengaD66Voorzitter. 2025 was in veel opzichten een jaar van terugtrekkende bewegingen: minder middelen, meer onzekerheid en een wereld die niet veiliger werd. Juist daarom hoop ik dat 2026 het jaar wordt waarin we scherper kiezen, beter samenwerken en iedere euro ontwikkelingsgeld harder laten werken. Daar zie ik bij deze minister de ambitie voor.
Voorzitter. Bij het terugkijken van vandaag hoort ook de ambitie om dingen anders te doen. Tien jaar geleden werd de Hondurese mensenrechtenactiviste Berta Cáceres vermoord vanwege haar verzet tegen een waterkrachtproject, dat mede werd gefinancierd door onze eigen ontwikkelingsbank FMO. Nederland nam die zaak destijds serieus. Het ministerie hield contact met FMO. De ambassade werd betrokken en Nederland sprak zich in Honduras uit voor onafhankelijk onderzoek en zorgvuldige waarheidsvinding.
Tien jaar later is die zaak voor de nabestaanden echter nog altijd niet afgerond. Ik heb hen onlangs zelf gesproken, hier in Nederland, samen met mevrouw Kröger. Hun boodschap was helder: er is nog steeds geen duidelijkheid en geen geloofwaardige afsluiting. Sterker nog, een onafhankelijke expertgroep, ingesteld onder de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens, stelt dat geld voor FMO werd doorgesluisd naar vennootschappen in belastingparadijzen en dat betalingen zijn gebruikt voor intimidatiecampagnes tegen de inheemse Lenca-bevolking en uiteindelijk zelfs om de moordenaars van Cáceres te betalen. FMO koos ervoor niet mee te werken aan dat onderzoek.
Dit is geen verwijt om het verwijt, maar waar misstanden hebben plaatsgevonden met Nederlands geld, dragen wij verantwoordelijkheid. Juist een land dat internationaal pal staat voor mensenrechten, transparantie en verantwoord ondernemen mag hier niet voor wegkijken. Daarom mijn vragen aan het kabinet. Welke verantwoordelijkheid ziet de minister voor Nederland om tien jaar na dato bij te dragen aan een zorgvuldige en geloofwaardige afronding van deze zaak in Nederland? Is de minister bekend met de bevindingen van deze expertgroep en met signalen dat FMO niet of niet volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek, terwijl zij mogelijk beschikt over informatie die van groot belang kan zijn voor het onderzoek? Is de minister bereid hierover in gesprek te gaan met FMO? Is de minister bereid te verkennen welke mogelijkheden er zijn om de nog openstaande vragen van de commissie onafhankelijk te laten beantwoorden en welke rol FMO daarin kan spelen? Is de minister bereid in gesprek te gaan met de experts van de commissie en de nabestaanden van Berta Cáceres? Ik hoop dat dit kabinet de actieve betrokkenheid van tien jaar geleden voortzet, helpt rechtzetten wat rechtgezet kan worden en hier lering uit trekt voor de toekomst.
Dank u wel.
Hartelijk dank, meneer Bamenga. Ik kijk even of er nog interrupties zijn. Die zijn er niet. Dan gaan we naar de heer Hoogeveen van JA21 voor zijn eerste termijn.
De heer HoogeveenJA21Dank, voorzitter. We genieten deze begroting nog na van de relikwieën van het kabinet-Schoof. We gaan uiteraard met plezier een D66-minister bevragen over de verantwoording van de PVV-bezuinigingen. Zoals bekend onderschrijft mijn fractie die bezuinigingen. Wat JA21 betreft moeten we het klassieke model van ontwikkelingshulp gaan uitfaseren.
Onlangs werd in een reportage in EW-magazine over Sierra Leone goed opgetekend dat hypocrisie en opportunisme daar in de hand worden gespeeld. Hele samenlevingen en economieën zijn scheefgegroeid door onze goedbedoelde geldinjecties. Volgens Saidu Dumbuya, docent geschiedenis op een middelbare school in de hoofdstad Freetown, zijn — ik citeer — "niet klimaatverandering of te weinig ontwikkelingshulp maar graaiende bestuurders de oorzaak van de aanhoudende armoede in Sierra Leone". De critici en hervormers die er zijn, worden ingekapseld in het systeem. Klokkenluiders krijgen geld om hun mond te houden. Hij besluit met de woorden "hebzucht is een wereldwijd probleem".
Ik maak van deze gelegenheid maar meteen gebruik om te vragen hoe het kabinet invulling wil geven aan de gisteren aangenomen motie van Diederik van Dijk over het korten van ontwikkelingshulp aan een land als Sierra Leone, dat niet meewerkt aan de bestrijding van internationale drugscriminaliteit.
Mijn inleiding raakt een cruciaal probleem van ontwikkelingssamenwerking: verantwoording. De minister schrijft het zelf ook al: het ministerie zet subsidies in om onder meer via maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen BHO-beleidsdoelen te halen. Maar die subsidies kenmerken zich door een beperkte sturingsmogelijkheid en niet-afdwingbaarheid.
Een concreet voorbeeld van hoe het wél moet, zien we in de beweging in de zogenaamde combinatielanden. Daar probeert Nederland hulp en handel te combineren. Niet eindeloos geld overmaken via de klassieke hulpkanalen, maar werken aan marktontwikkeling, investeringen en lokale werkgelegenheid, en dus ook aan kansen voor Nederlandse bedrijven. In het jaarverslag wordt gewezen op combitracks in onder meer Kenia, Zuid-Afrika, Vietnam en Nigeria. Daar zijn inmiddels honderden Nederlandse bedrijven bij betrokken. Het gaat om sectoren als agrologistiek, tuinbouw en zonne-energie. Dat is wat JA21 betreft veel meer de richting: landen helpen om economisch zelfstandiger te worden, met wederzijds belang.
Als ik spreek over het uitfaseren van het klassieke model, bedoel ik dus ook het minder van die subsidie afhankelijk zijn en meer handel en investeringen en harde verantwoording. Tegen die achtergrond kijken wij met belangstelling naar de verbetering van die verantwoordingssystematiek. De minister laat de indicatorentabel vervallen om meer ruimte te maken voor toelichting, duiding en middellangetermijnresultaten. Op zich begrijp ik die beweging, want ontwikkelingshulp vindt vaak plaats in complexe omstandigheden, waar niet elk resultaat zich laat vangen in één jaarlijkse indicator.
Meneer Hoogeveen, u heeft een interruptie van mevrouw Kröger.
Ik luister naar het betoog en deels is dat een bekend betoog. Erkent JA21 dat er sectoren en onderwerpen zijn waarbij je via ontwikkelingshulp echt direct impact maakt? Ik geef als voorbeeld het feit dat nu abortuszorg niet meer mag worden aangeboden aan jonge vrouwen die in Sudan in een gruwelijk conflict zijn verkracht. Dat is het beleid van de regering-Trump. Ik ben heel blij dat Nederland aan de kant staat die zegt: nee, we moeten juist wél zorgen dat die vrouwen de hulp krijgen die ze nodig hebben. Ik vind daar overigens ook de VVD bij aan mijn zijde. Hoe kijkt JA21 naar zo'n voorbeeld?
De heer HoogeveenJA21Dit zijn concrete voorbeelden, waar je per casus naar kunt kijken. Als het over Sudan gaat, zal dat meer richting humanitaire hulp gaan. Wij zijn niet per se tegen humanitaire hulp. Wij zijn ook niet tegen de bezuinigingen op de vaccinaties, zoals je in de Verenigde Staten hebt gezien vanuit USAID. Wat JA21 betreft kijken we daar kritisch naar. Ik probeer met mijn betoog te zeggen dat we in het jaarverslag van de minister zien dat daar al keuzes zijn gemaakt. Dat zijn keuzes waar wij als JA21 ook achter staan, juist door meer in te zetten op handel en minder in te zetten op eenzijdige subsidiestromen, waardoor je een betere wederkerigheid creëert.
Maar nu noemt de heer Hoogeveen gewoon twee grote posten op de begroting van BHO, namelijk humanitaire hulp en zeg maar het hele onderwerp medische zorg. Daarover zegt hij eigenlijk: nee, daarvan vinden we wel dat het moet doorgaan. Toch? Ik zoek dus even. Er wordt heel stellig gezegd dat we ontwikkelingssamenwerking moeten afbouwen. Vervolgens stel ik een vraag en geef ik een voorbeeld, namelijk dat van verkrachte vrouwen in Sudan, en dan zegt hij: o ja, nee, dat moeten we wel houden.
De heer HoogeveenJA21Ik denk dat het verschil is dat wij keuzes maken. Je ziet dat er vanuit de vorige begroting forse bezuinigingen zijn gedaan op de BHO-begroting. Je ziet dan dus ook dat dat scherpere keuzes inhoudt. Dat betekent niet dat je alles afbouwt. Als je bijvoorbeeld onze doorrekening van de afgelopen campagne bekijkt, dan zie je dat wij humanitaire hulp gewoon overeind hebben gehouden. Los van de humanitaire hulp, de gelden en de keuzes die daarbij worden gemaakt, zien we wel degelijk ook ... Ik kan op allerlei individuele projecten ingaan, maar ons principe is in ieder geval om scherpere keuzes te maken en ervoor te zorgen dat dat uiteindelijk meer uitmondt, dus los van de humanitaire hulp, in wederzijdse afhankelijkheid en ontwikkeling van marktprincipes.
U zondert nu humanitaire hulp uit, maar noemt vervolgens de vaccinatieprogramma's. Dat is mondiale gezondheidszorg. Ik ben heel benieuwd hoe JA21 bijvoorbeeld kijkt naar de programma's die we hebben op het gebied van onderwijs. Daarmee zorgen we dat een jonge beroepsbevolking juist wel onderwijs geniet en daardoor ook de kansen heeft in het land zelf om dat land op te bouwen. Volgens mij is het dus moeiteloos mogelijk om een heleboel voorbeelden op deze begroting aan te geven waarvan JA21 dan toch zegt: ja, nee, dat moet wel. Dan is het toch een beetje voor de bühne om te zeggen dat we van die ontwikkelingssamenwerking af moeten. Ik hoop dat de heer Hoogeveen de eigen inconsistentie ziet.
De heer HoogeveenJA21Ik zie geen inconsistentie, omdat wij niet zeggen: we moeten van ontwikkelingshulp af. Nee, we moeten af van het klassieke model. Het voorbeeld dat mevrouw Kröger nu net geeft, vind ik een uitstekend voorbeeld. Neem onderwijs. We hadden onlangs in de Tweede Kamer ook een sessie met hulporganisaties uit de Sahel en die zeiden dat het uiteindelijk heel goed werkt als je gaat kijken vanuit ontwikkelingsbudgetten hoe je bijvoorbeeld de lokale bedrijven, die werknemers in dienst hebben, kan aanmoedigen om on the job beter onderwijs te geven. Daarmee ben je dus effectief bezig met iedere euro uitgeven, bijvoorbeeld zorgen dat een bedrijf zich meer ontwikkelt, dat er een multipliereffect ontstaat en dat personeel beter geschoold is. Dat is een andere manier van ernaar kijken, dus meer richting bedrijvigheid en minder geld storten aan hulporganisaties en hun een vrije kaart geven om projecten op te zetten vanuit de subsidiegelden.
Meneer Hoogeveen, u mag door met uw betoog.
De heer HoogeveenJA21Even kijken, waar was ik? Op zichzelf begrijpen we dus de afweging, want, nogmaals, zoals ik net al zei, ontwikkelingshulp vindt vaak plaats in complexe omstandigheden waar niet elk resultaat zich laat vangen in één indicator. Voor mijn fractie is het dus vooral belangrijk dat de Kamer straks niet alleen beter kan lezen wat er goed is gegaan, maar ook kan zien waar doelen bijvoorbeeld niet zijn gehaald, waar risico's zich hebben voorgedaan en welke consequenties daaraan zijn verbonden. Anders kan het gebeuren dat we situaties zien zoals in Sierra Leone, die onbedoeld langer in stand worden gehouden.
In plaats daarvan is het belangrijk dat de transitie van hulp naar handel wordt versneld. Er bestaan al controles op fraude en corruptie en er zijn mogelijkheden om betalingen stop te zetten of middelen terug te vorderen, maar voor de Kamer moet het ook zichtbaar zijn wanneer tegenvallende resultaten, uitvoeringsproblemen of misbruik daadwerkelijk leiden tot verlaging, beëindiging of niet-verlenging van financiering.
Daarom heb ik nog de volgende vraag aan de minister. Hoe voorkomt de minister dat de nieuwe narratieve verantwoording selectief wordt? Zullen in het nieuwe format per beleidsartikel niet alleen bereikte resultaten, maar ook standaardtegenvallers, beperking en risico's worden benoemd? Is de minister bereid om in het jaarverslag in aanvulling op het overzicht aan fraudezaken een overzicht op te nemen van subsidies die wegens onvoldoende resultaat of ernstige uitvoeringsproblemen zijn verlaagd, beëindigd of niet verlengd, inclusief het financiële verslag?
Daar houd ik het bij, voorzitter. Ik wil nog even aangeven dat ik straks door moet naar een ander debat, Financiën. We luisteren uiteraard wel met de antwoorden mee.
Dank u wel, meneer Hoogeveen. U bent uiteraard verexcuseerd als het zover is. Er zijn geen aanvullende vragen, zie ik. Dan gaan we naar de heer Verkuijlen van de VVD. Gaat uw gang.
De heer VerkuijlenVVDDank u wel, voorzitter. Laat ik nog iets zeggen over de verhitte discussie waar mevrouw Kröger het over had. Misschien moet ik even een misvatting de wereld uit helpen. Het is niet zo dat de VVD tegen ontwikkelingssamenwerking is; wij maken alleen keuzes om daar minder geld aan uit te geven. Daarbinnen ... Daarbinnen, mevrouw Kröger, maken wij andere keuzes. Dat even vooraf.
Voorzitter. Ik wil vandaag stilstaan bij twee onderwerpen die op het eerste gezicht verschillend lijken, maar die in werkelijkheid nauw met elkaar samenhangen: de doorvoer van strategische goederen en de toekomst van ons beleid op het gebied van hulp en handel.
Voorzitter. Nederland heeft terecht een stevig exportcontrolebeleid voor strategische goederen, maar als de Rekenkamer constateert dat we onvoldoende zicht hebben op de werking van het systeem, moeten we onszelf de vraag stellen: hoe kunnen we vaststellen dat het beleid daadwerkelijk doet wat het beoogt te doen? Voor de VVD staat echter ook een andere vraag centraal: hoe voorkomen we dat goederen en technologie die in Nederland zijn ontwikkeld, uiteindelijk bijdragen aan de Russische oorlogsmachine? De minister stelt dat aanvullende controles op doorvoer disproportioneel zouden zijn en dat bovendien een duidelijke wettelijke basis ontbreekt. Ik kan die juridische en praktische bezwaren deels volgen, maar juist daarom wil ik van de minister weten hoe hij vaststelt dat het huidige systeem effectief is. Kan de minister aangeven op basis van welke concrete indicatoren hij concludeert dat het huidige stelsel voldoende werkt? Welke gegevens heeft hij over naleving, risico's, omzeilingsroutes en mogelijke sanctieontwijking bij de doorvoer van dual-usegoederen?
Voorzitter. De Financial Times berichtte dat Nederlandse technologie nog altijd wordt aangetroffen in Russische Kh-101-kruisraketten. De complexiteit van mondiale waardeketens ontslaat Nederlandse ondernemers niet van hun verantwoordelijkheid. Bedrijven moeten actief eigenaarschap tonen, kritisch kijken naar hun distributienetwerken en hun due diligence serieus nemen. Wat de VVD betreft is dit geen kwestie van overheid tegenover bedrijfsleven. Dit vraagt juist om samenwerking. De overheid beschikt over informatie over sanctierisico's, geopolitieke ontwikkelingen en ontwijkingsconstructies die individuele bedrijven vaak niet hebben. Daarom vraag ik de minister of hij bereid is om op korte termijn een structureel overleg met de Nederlandse chipsector te organiseren, gericht op sanctienaleving, ketentransparantie en het voorkomen van doorvoer naar Rusland. Welke concrete ondersteuning biedt het kabinet momenteel aan bedrijven die willen voorkomen dat hun producten via derde landen alsnog in Rusland terechtkomen?
Dit brengt mij direct bij de positie van onze defensie-industrie en strategische industrie. We moeten onze eigen ondernemers niet onnodig de pas afsnijden. Mijn fractie blijft signalen ontvangen dat Nederland een aanzienlijk restrictievere exportcontroletoetsing hanteert dan andere partnerlanden, zoals Duitsland en Frankrijk. Dit zet onze defensieondernemers op een flinke achterstand. Het vermindert hun concurrentiepositie en maakt hen in de ogen van buitenlandse partners onbetrouwbaar. Om onze defensie-industrie te laten groeien, moeten onze bedrijven kunnen exporteren en handelen. Is de minister zich bewust van deze scheve verhoudingen? Is hij bereid deze nationale kop weg te nemen, zodat we weer toe gaan naar een gelijk speelveld, een level playing field, in Europa?
Voorzitter. De VVD is ervan overtuigd dat duurzame ontwikkeling uiteindelijk niet voortkomt uit permanente afhankelijkheid van hulp, maar uit economische groei, ondernemerschap en sterke instituties. Klassieke ontwikkelingshulp heeft in sommige gevallen te lang geleid tot afhankelijkheid van subsidies en donorfinanciering. Dat moeten we durven benoemen. Het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking valt of staat met de integriteit en doelmatigheid van de bestedingen. Er bestaat in onze samenleving al brede scepsis over het nut van deze miljardenstroom. Dat draagvlak brokkelt in sneltreinvaart volledig af wanneer we geconfronteerd worden met dieptrieste misstanden bij organisaties die wij in Nederland met belastinggeld steunen. Het recente, schokkende en wat mij betreft ontluisterende, nieuws over systematisch seksueel misbruik en uitbuiting van Sudanese vluchtelingen door medewerkers van Artsen zonder Grenzen in Tsjaad toont aan dat de huidige toezichtkaders tekortschieten. Dat is voor ons onacceptabel.
Het kabinet heeft de plicht om te voorkomen dat er Nederlands belastinggeld vloeit naar of samengewerkt wordt met organisaties waarbinnen zulk ernstig wangedrag plaatsvindt, of die op wat voor wijze dan ook gelieerd zijn aan terrorisme. Hoe gaat de minister er vanaf vandaag op toezien dat onze partnerorganisaties keiharde, aantoonbare maatregelen nemen om dit soort mensonterend misbruik te voorkomen?
Voorzitter. Nederland is een handelsnatie. Onze welvaart wordt over de grens verdiend. Door nieuwe handelsrelaties aan te gaan, bouwen we onze afhankelijkheden af en vergroten we de keuze voor Nederlandse consumenten. Het is dan ook een uitstekende zaak dat de EU-Mercosur-overeenkomst uiteindelijk is aangenomen. We kijken met gezonde ambitie uit naar de voortgang en naar positief nieuws over de handelsbesprekingen met Indonesië, India en Australië.
Maar het tempo in Brussel is vaak laag. De tijd die verstrijkt tussen een politiek akkoord en de uiteindelijke ratificatie is onacceptabel. Een belangrijke oorzaak hiervan is de langdurige procedure van legal scrubbing bij de verplichting om verdragsteksten in alle 24 officiële EU-talen te vertalen. Wat de VVD betreft beginnen we in de eerste fase direct met één werkbare Engelse versie. Deze procedurele vertragingen kosten onze exporteurs kostbare tijd en marktaandeel. Hoe kijkt de minister hiernaar? Is hij bereid om zich er in Brussel hard voor te maken dat de verplichte vertalingen in de beginfase omzeild worden, zodat we verdragen sneller kunnen toepassen op basis van de geaccordeerde Engelse tekst?
Voorzitter. Ook dichter bij huis liggen er kansen om handelsbarrières te slechten. Sinds het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie worden onze exporteurs geconfronteerd met aanzienlijke grenscontroles en administratieve rompslomp aan de overkant van het Kanaal. Het verminderen van deze handelsbelemmeringen levert direct tastbare voordelen op voor onze ondernemers. Het drukt de kosten, versnelt de doorloop van goederen, versterkt de ketenweerbaarheid en vergroot de keuzevrijheid voor de consument. Ik wil de minister daarom in algemene zin vragen hoe op dit moment de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk lopen om deze handelsbarrières weg te nemen. Welke prioriteiten stelt het kabinet hierin? Welke kansen ziet de minister om op korte termijn concrete stappen te zetten?
Voorzitter. Nederland heeft belang bij een buitenlandbeleid dat onze veiligheid versterkt, onze economische kansen vergroot en tegelijkertijd bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. Dat vraagt om effectieve sanctiehandhaving, sterke samenhang met het bedrijfsleven en een ontwikkelingsbeleid dat landen uiteindelijk minder afhankelijk maakt van hulp en meer in staat stelt om op eigen kracht te groeien. Dat is de koers die de VVD voorstaat.
Dank u wel, voorzitter.
Dank u wel, meneer Verkuijlen.
Op eigen kracht groeien is uiteraard altijd het beste, maar daarvoor is het natuurlijk wel nodig dat landen belasting kunnen innen, zodat ze zelf kunnen investeren in hun publieke voorzieningen. Hoe kijkt de VVD dan naar het feit dat 59 miljard euro wordt misgelopen via belastingconstructies via de Zuidas?
De heer VerkuijlenVVDDank voor deze vraag. Ik heb hier onlangs in het rondetafelgesprek, volgens mij samen met mevrouw Kröger, ook naar de Dutch Diamond gekeken. Ik was erg onder de indruk van de bijdrage die de VNG levert op dit gebied, met name om ervoor te zorgen dat er een goed bestuur komt in die landen, waardoor een aantal van dit soort wezenlijke voorzieningen worden geïnstitutionaliseerd. Ik denk dat dat een heel belangrijk deel is van de ontwikkelingssamenwerking.
Mevrouw Kröger, aanvullend.
Het werk van VNG International is geweldig. Het is heel fijn dat daar gelukkig nog steun voor is, alhoewel dat volgend jaar, als er 2,4 miljard wordt bezuinigd, alweer een beetje meer onder druk komt te staan. Mijn vraag was de volgende. Je ziet dat ontwikkelingslanden enorm veel belastinginkomsten mislopen doordat er via belastingontwijkingsconstructies op onze Zuidas belasting wordt ontweken. Daardoor kan dat geld niet worden ingezet door landen om zelf te investeren in ziekenhuizen, scholen en alles wat wij belangrijk vinden. Deelt de VVD dat dit een probleem is dat we zouden moeten aankaarten in het kader van beleidscoherentie?
De heer VerkuijlenVVDIk ben niet bekend met de exacte omvang en aard van wat mevrouw Kröger zegt, dus ze overvraagt me, maar laat ik in algemene zin antwoorden. Het is aan de fiscus om na te gaan of er misstanden zijn en of er belastingontduiking plaatsvindt. Wij zullen altijd voor handhaving zijn, omdat ieder bedrijf en iedere Nederlander gewoon belasting dient te betalen.
Dank u wel, meneer Verkuijlen. Dan gaan we naar de laatste spreker van de kant van de Kamer, de heer Lohman. Gaat uw gang.
De heer LohmanCDADank u wel, voorzitter. 2025 was een jaar met grote turbulentie. Dat is ook te zien in het jaarverslag, waarin gesproken wordt over de toename van gewelddadige conflicten in Oekraïne, Sudan en Gaza, van de toenemende handelsconflicten wereldwijd en van een onvoorspelbaar handelsbeleid van de Verenigde Staten. Tegelijkertijd lezen we in bijna elk beleidsartikel de zinsnede "conform de bezuinigingsopdracht". Er wordt bezuinigd op voedselzekerheid, op water, op vrouwenrechten, op onderwijs. Het CDA staat voor een buitenlandbeleid dat realistisch is over de Nederlandse belangen, maar ook eerlijk over onze verantwoordelijkheid in de wereld. De balans moet kloppen. Die klopte in 2025 niet.
Voorzitter. Ik wil beginnen met een rapport dat los van het jaarverslag verschenen is, maar op het gebied van voedselzekerheid wat mij betreft essentieel is. Ik heb het over het onderzoek van ECDPM en Wageningen University naar de structurele effecten van Nederlandse voedselexporten naar kwetsbare Afrikaanse landen. De hoofdbevinding is helder: er is geen statistisch bewijs dat de Nederlandse uienexport naar Senegal of aardappelexport naar Ivoorkust de lokale productie structureel verdringt. In beide gevallen is er sprake van complementariteit. Nederlandse producten vullen in wat lokaal niet beschikbaar is of komen het land binnen buiten het oogstseizoen. Dat is goed nieuws voor onze exporteurs. Het kan ook goed nieuws zijn voor de Senegalese consument die in de droge maanden afhankelijk is van dat aanbod.
Maar ik wil hier wel kanttekeningen bij zetten. Het rapport kijkt naar de twee gevallen met het grootste Nederlandse marktaandeel: 71% voor uien in Senegal en 84% voor aardappelen in Ivoorkust. Dat zijn uitzonderlijk hoge percentages. De conclusie dat er in die gevallen geen verdringing plaatsvindt, is geen vrijbrief voor alle andere exportstromen. De onderzoekers zeggen zelf ook: de effecten zijn contextspecifiek en complex. Wat het CDA betreft is dit rapport een uitnodiging om het monitoringssysteem aan te scherpen, want we moeten structureel over de hele keten kunnen aantonen dat handel complementair is aan lokale ontwikkeling.
Bij het rondetafelgesprek over dit onderwerp — dat was vorige week, geloof ik; de tijd gaat snel — hoorden we ook de zorgen van professor Uche van het African Studies Centre in Leiden: geef Afrikaanse landen de mogelijkheid om meer waarde toe te voegen aan primaire producten en let op de impact van het Europese landbouwbeleid op de Afrikaanse markten. Ik heb daarover een vraag aan de minister. Is het kabinet bereid om op basis van dit rapport te werken aan een periodiek monitoringskader voor de effecten van de Nederlandse agrifoodexport op kwetsbare markten, juist zodat we eventuele problemen vroegtijdig signaleren en ons beleid kunnen bijstellen?
Voorzitter. Ik wil ook iets zeggen over de rol van kennisoverdracht. Hetzelfde rapport maakt iets zichtbaar wat we als Nederland soms onderschatten. Nederlandse uitgangsmaterialen zoals zaaiuien en pootaardappelen worden door Senegalese en Ivoriaanse partijen gezien als essentiële input voor hun eigen productiviteitsverbetering. Onze sector exporteert daarmee niet alleen uien en aardappelen, maar ook kennis. Dat is precies het soort handel waar het CDA warm van wordt: geen afhankelijkheid creëren, maar capaciteit opbouwen. Uireka, 150 uienexperts die samen de export vooruit helpen, is daar een goed voorbeeld van. Dat verdienvermogen en die kenniscomponent moeten we koesteren, ook in het handels- en ontwikkelingsbeleid.
Terug naar het jaarverslag. De economische missies. Het jaarverslag bevestigt dat het streven van tien missies in 2025 is gehaald: Kenia, Italië, Frankrijk, Indonesië … Ik ga ze niet allemaal opnoemen. Maar het jaarverslag voegt er direct een relativering aan toe: vanwege wisselingen van bewindspersonen was het een uitdaging om voldoende economische missies op te zetten. Het doel is uiteindelijk gehaald door inzet van andere bewindspersonen of een directeur-generaal. Dat is winst op papier, maar het bevestigt precies het knelpunt dat ook uit een aparte effectmeting van deze missies naar voren komt: de rol van de bewindspersoon is niet voor iedereen helder en matchmaking kan scherper. Diezelfde effectmeting laat zien dat er 668 deelnemers waren en 436 unieke bedrijven, waarvan 57% mkb. Dat is een goede ontwikkeling, maar die mkb-bedrijven voelen zich soms achtergesteld bij grotere bedrijven. Juist het mkb heeft een brugfunctie die van de handelsmissies meer maakt dan alleen pr. Het jaarverslag meldt dat er nu nauwer wordt samengewerkt met VNO-NCW in de planningsfase. Hoe wordt geborgd dat die nauwe samenwerking ook specifiek het mkb versterkt en niet vooral de grote bedrijven en brancheorganisaties?
Wat bijzonder opvalt, is de Indonesiëmissie. Daarbij ging het om drie sectoren — tuinbouw, waterbeheer en maritiem — en ging men langs vier locaties. De missie heeft een potentiële exportwaarde van 650 miljoen euro. Het jaarverslag zelf noemt dat er inmiddels meer dan 600 bedrijven betrokken zijn bij de combitracks, met concrete voorbeelden in Kenia met agrologistiek, in Zuid-Afrika met tuinbouw, in Vietnam met aquacultuur en in Nigeria met zonne-energie. Dat is precies de aanpak waarvan het CDA zegt: dit is duurzame economische diplomatie. De missie naar Indonesië liet zien dat sectorspecifieke voorbereiding via combitracks aanzienlijk betere resultaten oplevert. Mijn vraag aan de minister is: is de minister bereid om voor de agri- en watersector een meerjarige missiestrategie te ontwikkelen, gekoppeld aan de combinatielanden, die voortbouwt op het bestaande combitrackinstrumentarium?
Voorzitter. Ik kan niet voorbijgaan aan de bevindingen van de regenkamer. Ik bedoel de Rekenkamer. Een interessante verspreking, zeker met dit weer. Het jaarverslag bevestigt die zelf. Er is een verklaring met beperking afgegeven, met als voornaamste reden de onzekerheid rondom de door Invest International en RVO gerapporteerde cijfers van de regelingen die zij onder mandaat uitvoeren. Het jaarverslag schrijft dat Invest International nog een jaar nodig heeft om de gevraagde versnelling te kunnen bereiken, met de verwachting dat alle verbetermaatregelen in 2026 zijn doorgevoerd. Dat is dus een toezegging die het kabinet zichzelf al doet, maar dat hebben we eerder gehoord. Ook over het verslagjaar 2025 zijn er rechtmatigheidsoverschrijdingen op artikel 1, deels omdat er nog geen formele afspraken zijn tussen Buitenlandse Zaken en Invest International over het aantonen van de rechtmatigheid. Mijn vraag aan de minister is: wanneer is dit opgelost? Graag niet in vage termen, maar met een concrete datum en concrete maatregelen. Wat is de consequentie als er ook in het jaarverslag van 2026 opnieuw een onvolkomenheid is?
Voorzitter. Ik sluit af. Het rapport van ECDPM en Wageningen liet zien dat de Nederlandse handel en lokale ontwikkelingen elkaar kunnen versterken in plaats van verdringen, maar alleen als we dat structureel blijven monitoren, juist ook bij markten met het grootste Nederlandse aandeel. Dat is precies waar het CDA voor staat: handel als motor voor ontwikkeling, niet als excuus om zij die onze hulp het meest nodig hebben weg te bezuinigen, maar als instrumentarium om duurzame partnerschappen te bouwen, met de toevoeging van waarde in de keten, de kennisoverdracht en de monitoring die daarbij horen. Ik hoor dan ook graag of de minister bereid is om de toezegging over een periodiek monitoringskader hier te bevestigen.
Dank u wel.
Dank u wel, meneer Lohman. U heeft nog een interruptie van mevrouw Kröger.
Helemaal aan het begin van het betoog schetste de heer Lohman dat hij vindt dat in 2025 de balans ontbrak. Ik ben heel benieuwd hoe hij kijkt naar de begroting die eraan komt voor 2027 en ik ben met name benieuwd of het herstel van de koppeling, waarvoor het CDA in de Eerste Kamer ook een pleidooi heeft gehouden, ook de inzet van het CDA is.
De heer LohmanCDADank u wel voor de vraag. Het is genoegzaam bekend dat het CDA wil bewegen richting de 0,7%. Dat staat ook in ons verkiezingsprogramma. Wij denken dat er in deze begroting en in het regeerakkoord sprake is van herstel als het gaat om de grote bezuinigingen. Ook in de Eerste Kamer werd een dilemma geschetst. We moeten naar een compromis toe. Wij vinden dat er nu langzamerhand stappen zijn gezet. Uiteindelijk zou onze langetermijnrichting wel zijn om die koppeling te herstellen, maar daar zijn we het komende jaar inderdaad nog niet.
Mevrouw Kröger, nog aanvullend?
Ik weet niet of de heer Lohman het debat heeft gevolgd, maar mevrouw Van Toorenburg was best uitgesproken over dat ze eigenlijk best wel kritisch keek naar de afspraak die gemaakt is — laat ik het zo zeggen — over deze begroting om voor dit jaar de koppeling te herstellen, omdat ze vond dat die koppeling langjarig, structureel, hersteld moet worden. Is dat dus de mening van het CDA?
De heer LohmanCDAIk heb niet het hele debat gevolgd, maar wel de inbreng bekeken. Daarin werd inderdaad een dilemma geschetst. Nogmaals, daar werd het punt gemaakt dat wij als CDA uiteindelijk voor de koppeling en voor investeren in ontwikkelingssamenwerking zijn; daar heeft nooit een geheim over bestaan. De Eerste Kamer maakt een andere afweging dan de Tweede Kamer. Wij hebben te maken met beperkte middelen en een compromis. Wij vinden dat daarmee een deel van de begroting is hersteld en dat daarmee langzamerhand stappen worden gezet richting een balans die wij beter achten.
Mevrouw Kröger nog een keer.
Inderdaad heeft de Eerste Kamer een andere rol dan de Tweede Kamer, maar we hebben allebei te maken met beperkte middelen. Dat hebben beide Kamers gemeen. Ik probeer het heel scherp te krijgen. Voor dit jaar is er 328 miljoen geïnvesteerd. Daarmee is voor dit jaar de koppeling de facto hersteld. Als je dat voor de komende jaren weer wil doen, heeft de Rekenkamer gewoon in een tabel uitgerekend hoeveel miljoenen dat per jaar is. Mevrouw Van Toorenburg riep ons eigenlijk op om dat structureel aan te pakken. Is dat ook de inzet van de heer Lohman of heeft het CDA dualisme een nieuw gezicht gegeven?
De heer LohmanCDADat laatste weet ik niet. Ik heb net een andere interpretatie van die oproep. Het was inderdaad zeker een oproep, maar er is ook geschetst dat het een dilemma is, dat de stemming over twee weken is en dat het CDA overwegend positief is en positief wil gaan stemmen. Vanuit de Tweede Kamer vonden we dat we met een ongebalanceerde begroting werkten en dat we in het nieuwe regeerakkoord en zeker na de afspraken die mede door PRO voor elkaar zijn gekomen, voor dit jaar een herstel hebben. Onze inzet in de Kamer, in de coalitie en volgens mij ook in dit debat zal zijn dat wij ontwikkelingssamenwerking belangrijk vinden en dat wij daar meer aan zouden willen besteden. Maar nogmaals, er zijn ook andere dingen waar we geld aan moeten besteden. Ik ga daar ook niet in mijn eentje over. Daar gaan we dit debat over voeren, maar de inzet en de richting van het CDA zijn in de Eerste Kamer en de Tweede Kamer dezelfde.
De heer HoogeveenJA21Ik vind het een positief punt in de bijdrage van de heer Lohman dat hij net als JA21 de combitracks heeft aangekaart. Dat is juist een succes, waarbij je ontwikkelingshulp en handel combineert in verschillende landen. Je ziet dat Nederland daar ook weer bedrijvigheid uit kan halen. Maar erkent de heer Lohman ook dat dit juist laat zien dat je ook met een wat beperktere omvang van de gelden die naar ontwikkelingshulp gaan, juist heel veel voor elkaar kan krijgen en dat extra geld dus niet altijd nodig is?
De heer LohmanCDAIk ben het met meneer Hoogeveen eens dat er langzamerhand eigenlijk een nieuw beeld nodig is van de balans tussen hulp en handel. Ik denk dat we hier theoretisch over kunnen spreken in de politiek, maar dat je in de praktijk inderdaad ziet dat die knip niet zo makkelijk te maken is. Ik denk dat projecten en hulp geven vaak juist gericht moeten zijn op gezamenlijk met ondernemers economische waarde creëren. Daarom vind ik het goed dat we hier ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse handel samen behandelen. We zijn volgens mij ook bezig met het opzetten van nieuwe kennis over wat de ontwikkelingssamenwerking en de buitenlandse handel van de toekomst zijn. Volgens mij zitten wij ook samen in die voorbereidingsgroep. Ik kijk ernaar uit om daar meer resultaten uit te halen.
Meneer Lohman, ik wist niet dat wij samen in een voorbereidingsgroep zaten. U spreekt natuurlijk via de voorzitter.
De heer LohmanCDAJa, via de voorzitter.
Ik neem aan dat u met meneer Hoogeveen in die voorbereidingsgroep zit. Als u het allemaal maar begrijpt …
Dat was de eerste termijn van de Kamer. Ik kijk naar de minister: hoelang heeft u nodig voor de voorbereiding van uw eerste termijn?
Ik denk ongeveer 25 minuten. Er zijn ook vrij veel vragen buiten het jaarverslag gesteld. Dat misgun ik de leden natuurlijk niet, maar dat vraagt wel iets meer voorbereiding.
Dan gaan we hier uiterlijk om 16.45 uur weer verder.
De vergadering wordt van 16.16 uur tot 16.46 uur geschorst.
Goedemiddag allen. Welkom terug bij het wetgevingsoverleg Jaarverantwoording Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2025. We hebben de eerste termijn van de Kamer zojuist gehad en we gaan nu luisteren naar de beantwoording van de minister in eerste termijn. Minister, aan u het woord.
Voorzitter, dank u. Dank ook aan de leden voor de gestelde vragen. Uiteraard nogmaals dank aan de rapporteurs. We hebben het in het stukje met de rapporteurs nadrukkelijk gehad over de systematiek. Het is ook goed om het daarover te hebben. Ik zal in de introductie daar nog één enkele opmerking over maken. Het is echter ook goed om, zoals enkele van uw leden al hebben gedaan, kort stil te staan bij waar het om gaat, namelijk om mensen en om resultaten. Ik heb uw geluiden gehoord, maar op het gebied van handel, handelsmissies, van het aantal mensen dat is bereikt met ontwikkelingsprogramma's, of het nou duurzame voedselinterventies zijn, toegang tot schoon water of toegang tot anticonceptie, in de wijze waarop het Nederlandse bedrijfsleven wordt gepositioneerd, in hoe we Oekraïne helpen de winter door te komen — ik licht er maar een paar voorbeelden uit — hebben we resultaten geboekt om trots op te zijn.
En procedureel: ik denk dat ontwikkelingssamenwerking — ik heb dat ook in eerdere debatten gezegd — behoort tot het meest geëvalueerde overheidsbeleid in Nederland. Het nawoord van de Algemene Rekenkamer bij het verantwoordingsonderzoek 2025 wil ik hier maar volledig citeren: "Met een zekere ironie stellen we vast dat er zo mogelijk soms meer inzicht ontstaat op resultaten van Nederlands belastinggeld in het buitenland dan op de resultaten van de besteding van het belastinggeld in het binnenland." Dat betekent niet dat we op onze lauweren gaan rusten, maar het betekent misschien wel dat het binnenland een beentje bij moet trekken om dezelfde standaard te halen die dit ministerie en anderen weten te halen.
Voorzitter, dan de blokken van beantwoording. Ook omdat de vragen wat breder zijn dan alleen het jaarverslag zelf, heb ik de blokken handel, ontwikkelingssamenwerking, coherentie en overig. Ik begin met handel en een vraag van de heer Lohman over het belang van samenwerking met het mkb bij de planning van economische missies. MKB Nederland is natuurlijk een belangrijk onderdeel van VNO-NCW. Met hen brengen wij de voorbereiding, planning en organisatie van die missies in kaart. 57% van de deelnemers van deze missies betreft mkb-bedrijven. De bedrijfslevenprogramma's zijn in toenemende mate toegespitst op deelnemende mkb-bedrijven. Mijn eigen ervaring is dat het over het algemeen mkb-bedrijven zijn die daaraan deelnemen.
Ik zie dat er nog iets van verwarring is, maar de blokjes zijn dus: handel, ontwikkelingssamenwerking, coherentie en overig.
Mevrouw Kröger vroeg: hoe zorgt de minister ervoor dat Nederlandse bedrijven zich ook aan de OESO-richtlijnen houden? Wij verwachten van alle Nederlandse bedrijven die internationaal opereren dat zij de OESO-richtlijnen toepassen. Wij ondersteunen bedrijven daarbij op verschillende manieren: sectorale samenwerking samen met de SER — laatst hebben we met de voorzitter van de SER besproken dat wij onze ambities omhooggooien — en ondersteuning via de mvo-steunpunten en de subsidieregeling. In alle eerlijkheid moet ik zeggen dat ik merk dat bedrijven het ondersteunende geluid van de overheid hebben gemist dat dit van belang is. Ook daar zal ik mij persoonlijk voor inzetten, ook omdat ik vanuit uw Kamer ... Ik refereer maar aan een motie van de VVD over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen gaat over mens en milieu, maar gaat ook weerbaarheid, en die combinatie is cruciaal. Dat is waarom het van groot belang is.
Er is een interruptie van mevrouw Kröger.
Ja. Goed om te horen. De minister zegt: de ambitie gaat omhoog. Nou, op dit moment zitten we op 41% en de doelstelling is 90%, dus wat gaat de minister concreet doen om dat gat te overbruggen?
Het is wel goed om te zeggen, zoals ook eerder aan de Kamer is gecommuniceerd, dat die doelstelling in 2023 voor het laatst gemonitord is. Daarmee is dus niet gezegd dat dit ook de huidige stand van zaken is. Dat komt door de komst van Europese wet- en regelgeving. Dit jaar gaan wij de imvo-wetgeving evalueren. De uitkomsten zal ik uiteraard gebruiken om te bepalen hoe we dit beleid kunnen versterken. Ik zal ook bekijken of er misschien een andere indicator is die iets beter werkt dan deze. Maar heel precies zijn een aantal zaken van groot belang. We zullen daar op korte termijn, denk ik, wat uitgebreider bij de Kamer op terugkomen. Dat gaat over het narratief wat we hierover vertellen: mens, milieu en weerbaarheid, ook vanuit de overheid. Dat gaat ook over steun vanuit de overheid richting de SER als het gaat over de sectorale samenwerking. Daar zie ik nu nog ruimte om twee sectoren toe te voegen; dat is essentieel. Ik was anderhalve week geleden bij een grote groep bedrijven, variërend van multinationals tot Fairphone, bij wijze van spreken, die onderdeel zijn van de ComPAct, om samen met die bedrijven het enthousiasme dat ze hebben te gebruiken om weer andere bedrijven in Nederland in de positieve zin van het woord te infecteren om zich hier ook aan te houden. Ik denk ook in alle eerlijkheid dat we zelfs zonder deze plannen van de zijde van het kabinet in toenemende mate zullen zien dat bedrijven zich aan deze richtlijnen willen gaan houden, omdat het ook simpelweg eigenbelang is.
Voorzitter. Dan zijn we bij de heer Verkuijlen, die het had over het stelsel voor de exportcontrole, met name op strategische goederen. Daar wil ik een paar dingen over zeggen. De exportcontrole op strategische goederen is niet hetzelfde als het tegengaan van omzeiling van Europese sancties tegen Rusland met betrekking tot kritieke goederen. Beide zijn een grote prioriteit; laat dat helder zijn. Maar op strategische exportcontrole hebben we hele grote grip, omdat we daarvoor een kader hebben en omdat vergunningen simpelweg langs mijn ministerie moeten. Die aanvragen worden, afhankelijk van het soort, toegekend of afgewezen, maar daarop staat de nationale veiligheid in hoofdletters, dikgedrukte letters, geschreven.
Hetzelfde geldt natuurlijk voor omzeiling. Het tegengaan daarvan is een topprioriteit. Dat proberen wij op een veelvoud van manieren te doen: diplomatiek natuurlijk, maar ook via de douane. Die is behoorlijk effectief, getuige de grote douaneactie van vorige week. Die heeft de heer Verkuijlen ook gezien, denk ik. Ook geven we actieve voorlichting aan Nederlandse bedrijven. Ik zeg dat ook omdat omzeiling van deze sancties strafbaar is. Daar staat een heel serieuze strafmaat op. Als mij hierover iets wordt gevraagd, probeer ik ook continu te benadrukken dat die strafmaat zo sterk is, omdat ik ervan uitga dat die ook een afschrikwekkende werking heeft op hoe bedrijven hiernaar kijken.
Voorzitter. De volgende vraag neem ik meteen mee. Er zijn ook gesprekken met de chipsector over dit soort zaken. Ik kan u vertellen dat er op alle niveaus, van technisch, politiek tot CEO-niveau, ontzettend regelmatig contact tussen is de Nederlandse overheid en de chipsector precies over dit soort zaken, omdat daar ook een heel groot gezamenlijk belang zit.
De heer Verkuijlen vroeg ook naar signalen dat Nederland een restrictiever wapenexportbeleid zou hanteren dan Duitsland. Wij toetsen zorgvuldig, maar over de gehele linie absoluut niet restrictiever dan andere landen. Wij zetten in op convergentie van de toepassing van de Europese gemeenschappelijke wapenexportcriteria. Dat doen we ook zelf heel actief door bijvoorbeeld nadrukkelijk meer informatie te delen met andere lidstaten over de toepassing. Wij hebben ons ook met succes hardgemaakt voor de herziening van die criteria. Tot slot wil Nederland toetreden tot het Verdrag van Aken. Ik denk dat dat ook voor een deel tegemoet zal komen aan de vraag van de heer Verkuijlen.
De heer Verkuijlen had in het kader van handel ook een belangrijke vraag over handelsverdragen en legal scrubbing. Hij vroeg of de eerste versies van handelsverdragen niet in bijvoorbeeld slechts één taal zouden kunnen worden gepresenteerd. Ik heb daar toevallig bij de laatste Handelsraad ook over gesproken en ik heb de Commissie vriendelijk verzocht om dat te doen, omdat het enorm veel tijd kan schelen. Dat is absoluut waar. Wij willen dat proces versnellen. Ik moet daarbij wel zeggen, zonder dat ik die landen in een kwaad hoekje wil plaatsen, dat er natuurlijk landen in de Unie zijn die misschien toch in het bijzonder eraan hechten dat dit ook in hun eigen taal plaatsvindt. Maar wij zijn ervan overtuigd dat ook daar een creatieve oplossing mogelijk is en dat we dat zouden moeten doen. De Commissie is daar overigens ook hartstochtelijk van overtuigd.
De heer Verkuijlen had ook een vraag over de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk en het verminderen van de handelsbarrières. Ik moet daar twee dingen over zeggen. Eén. Het Verenigd Koninkrijk heeft zelf gekozen voor de brexit. De consequenties daarvan zijn dat er handelsbarrières zijn. Dat vindt Nederland, het kabinet, niet leuk. Dat vindt het Nederlands bedrijfsleven niet leuk. We kunnen de consequentie van de politieke keuze die in het Verenigd Koninkrijk is gemaakt, echter niet geheel wegnemen. Er is wel een positief momentum in het Verenigd Koninkrijk over het aanhalen van de banden op economisch terrein, waarbij vooral wordt ingezet op de integriteit van de interne markt, het behoud van het gelijke speelveld, maar natuurlijk ook de ondeelbaarheid van de vier vrijheden. Daar wringt de schoen soms. Op 22 juni is er weer een top EU-VK. Ik hoop dat we dan wat stappen kunnen zetten. Ik weet dat de heer Verkuijlen ernaar uitkijkt, maar dat doet het kabinet ook.
De heer Lohman vroeg naar het rapport over de exporten van de Nederlandse agrifood naar kwetsbare markten: of daar niet een periodiek monitoringskader voor zou moeten komen. In alle eerlijkheid, op basis van het rapport dat de heer Lohman aanhaalt, zien wij dat niet. Dat heeft eigenlijk te maken met het feit dat in dit onderzoek de meest dominante en potentieel ook meest problematische exportstromen zijn geanalyseerd, met als uitkomst — en de heer Lohman verwoordde dat zelf zeer treffend, vond ik — dat er geen structureel negatieve effecten zijn gevonden. En ik denk dat ook de onderzoekers de eventuele negatieve effecten van andere, kleinere exportstromen onwaarschijnlijk achten, of hooguit zeer beperkt. Dan zien wij de noodzaak van een aanvullend niet, gelet op wat de onderzoekers zelf constateren.
De heer LohmanCDADank u wel voor het antwoord. Dit is natuurlijk een vrij complexe en afgewogen situatie. Ik zat in de voorbereiding zelf ook een beetje te worstelen met het oordeel daarover, omdat we tijdens de rondetafel de inbreng van de heer Uche hebben gehoord, die eigenlijk best een heel ander beeld — ik zei "genuanceerd" — van onze export in algemene zin schetste. Misschien kunt u daar toch nog even op reflecteren.
Ja, dat kan ik. Misschien doe ik dat dan in heel algemene zin. Ik snap namelijk de vraag achter de vraag: je wilt niet dat wat wij hier produceren, leidt tot ontwrichting in landen met markten die op een bepaalde manier kwetsbaar zijn; je zou daar het liefst niet aan willen bijdragen. Ik heb hier wel even over nagedacht naar aanleiding van de vragen van de heer Lohman. Wat kan je daar nou mee? Ik kom er dan toch op terug, en ben dat ook ambtelijk even langs gelopen, dat het gewoon echt heel complex is om handelseffecten die sterk product- en landafhankelijk zijn, in een generiek, periodiek Nederlands toetsings- en monitoringskader te plaatsen. Ik zie in alle eerlijkheid gewoon niet voor me hoe ik dat zou moeten doen, en ik zie de winst daarvan ten aanzien van de kosten als te beperkt.
Dus ik vind zelf het rapport dat de heer Lohman aanhaalt zeer nuttig, omdat het voor ons aangeeft dat er, zelfs in die zwaardere situaties, van verdringing nog geen sprake is. Maar ik vind wel, en wil dat ook toezeggen, dat op het moment dat ons concrete, verifieerbare signalen bereiken over dat we wel te maken hebben met iets wat structureel ontwrichtend werkt, we dan natuurlijk wel even moeten nagaan of dat een gewenste situatie is. Maar dan moeten die signalen ons wel bereiken.
Nog een aanvullende vraag van de heer Lohman.
De heer LohmanCDAVoor een deel kreeg ik, met dat laatste, daar al een antwoord op. Ik wilde nog even benadrukken dat dit thema zowel vanuit de sector als vanuit bepaalde maatschappelijke organisaties inderdaad naar voren gebracht blijft worden. Dus als de minister kan toezeggen dat hij dat in de gaten gaat houden, dan neem ik daar voor nu genoegen mee.
Als die signalen er in zo'n heftige mate zijn dat ze misschien ook aanleiding zijn voor onderzoek, komen we daarop terug. Maar dat hadden we überhaupt gedaan, want dat is in zekere zin staand beleid.
De heer Lohman vroeg ook nog of wij bereid zijn om de meerjarige handelsmissiestrategie van de agri- en watersector te koppelen aan de combilanden. Daarvoor heb ik op zich goed nieuws. De manier waarop die handelsmissieagenda wordt vormgegeven, is in heel nauwe samenwerking met alle sectoren, waarbij die sectoren ook input hebben op niet alleen de frequentie, dus het ritme van de bezoeken, maar ook de bestemming van de bezoeken. Dus die strategie is er eigenlijk al, en eigenlijk al meerjarig gecombineerd.
Dus een aparte strategie vind ikzelf niet echt nodig. En ik moet ook eerlijk zeggen dat ik naar aanleiding van mijn ervaring met de planning van bijvoorbeeld de missies van de land- en tuinbouwsector — wat niet helemaal is waar de heer Lohman het over had — het idee heb dat dat op een adequate manier gebeurt. Mochten er vanuit de sector signalen zijn dat zij dat niet vinden, dan gaan we nog even herbronnen. Maar mijn eigen ervaring is dat dat ritme echt goed gekaderd wordt en dat dat in heel goed overleg plaatsvindt.
De heer Lohman vroeg ook nog — en dat was een terechte vraag — iets over de onzekerheid van de cijfers van Invest International. Een: dat is een ontzettend belangrijk instituut. Twee. In 2025 kwamen we samen met Invest International dicht bij een oplossing, maar helaas kwam de controle van de cijfers door de externe accountant eigenlijk net te laat. Tja, dan kunnen ze dus ook niet meer worden meegenomen. Het is dan dus niet dat die cijfers slecht zijn. Die cijfers zijn goed, maar het moment waarop ze nog kunnen worden meegenomen — maar ik weet niet of er dan sprake is van een valbijl — hebben ze dan niet gehaald. Dat betekent dat Invest International — de heer Lohman vroeg naar een specifieke datum — uiterlijk 28 februari volgend jaar de gecontroleerde cijfers voor dit jaar moet aanleveren. Ik ga ervan uit dat dit lukt. We zitten er ook achteraan dat het lukt. Ik weet ook dat het bestuur van Invest International wil dat het lukt. Dan zou ook deze onvolkomenheid in het eerstvolgende jaarverslag moeten zijn opgelost.
Voorzitter. Enkele van uw leden hebben gevraagd naar FMO en de casus die in Costa Rica heeft gespeeld. Die is verschrikkelijk; laat ik dat als eerste zeggen. Excuus, ik zeg het verkeerd: het was in Honduras. De casus is natuurlijk buitengewoon verschrikkelijk. Het is ook buitengewoon verschrikkelijk dat de nabestaanden het gevoel hebben dat ze hier ook al heel lang mee bezig moeten zijn. Ik vind het ontzettend belangrijk dat er een oplossing komt waarin alle partijen zich kunnen vinden. Ik denk dat de bevindingen van het rapport ook daarbij kunnen helpen. Over het imvo-beleid in het algemeen ben ik voortdurend in gesprek met FMO. FMO heeft het beleid overigens behoorlijk aangescherpt. Mijn ministerie is ook in overleg en in dialoog met de dochter. Ik kan niet helemaal namens FMO spreken, want het is een zelfstandige onderneming. De Staat is geen partij in de juridische procedures. Wel denk ik dat het belang van een zorgvuldige afwikkeling hierbij bij alle partijen vooropstaat. Daarmee is niet gezegd dat dit binnen afzienbare tijd gebeurt, maar wij zullen dit zeker in de gaten houden.
Mevrouw Kröger heeft nog een interruptie.
Ik probeer heel even te beluisteren wat de minister nou precies zegt. Ik heb twee vragen gesteld. De ene is of FMO volledig mee gaat werken aan informatie delen et cetera. De tweede is of FMO een fatsoenlijk en afdoende beleid voor remedy heeft op het moment dat er iets misgaat. Dat probeer ik even scherper te krijgen.
Als het gaat over die informatiedeling het volgende. Ik heb vernomen dat FMO in gesprek is gegaan met deze expertgroep. Dat gesprek heeft ook in Nederland plaatsgevonden omdat zij bereid waren om, uiteraard, ondersteuning te verlenen aan het onderzoek. Daarnaast is er verzocht om klantspecifieke documenten. FMO heeft gemeend die te moeten weigeren. Dat staat, in alle eerlijkheid, los van alles wat ik daar eventueel van zou kunnen vinden. Dat ligt bij FMO als derde partij, als zelfstandige onderneming. Dat is één. Twee: over de remedy. Ik wil het nog wel een keertje navragen. Ik heb begrepen dat het beleid hierop echt is aangescherpt in de afgelopen tien jaar, niet alleen aan de preventieve kant, maar ook aan de kant van wanneer er echt iets fout is gegaan en moet worden rechtgezet. Mocht ik daar nog van denken dat er daarin nog stappen moeten worden gezet, dan zal ik dat uiteraard met FMO opnemen.
Mevrouw Kröger nog aanvullend.
Volgens mij hebben de heer Bamenga en ik allebei gesproken met de dochter van Bertha. Dat was een heel indrukwekkend gesprek. Het is een meisje, een jonge vrouw die al tien jaar op zoek is naar gerechtigdheid. Dat zit zowel in de informatie, in het meewerken van FMO, als in een vorm van remedy. Ik zoek even naar wat Nederland gaat doen om te zorgen dat we niet over een jaar nog een keer dit gesprek moeten voeren.
Ik snap dit goed, want het leed dat daar is aangericht en het leed dat nog steeds zichtbaar en voelbaar is bij de nabestaanden is echt ontzettend groot. Tegelijkertijd — dat maakt het natuurlijk iets lastiger — staat FMO hier in Nederland wel echt op afstand. Dat betekent dat ik niet zomaar opdrachten kan verlenen en tegen FMO kan zeggen: doe dit of doe dat. Ik heb geproefd uit mijn gesprekken met FMO, en volgens mij is dat ook ambtelijk het geval, dat daar ook de wens is om dit op een goede manier af te ronden. Tegelijkertijd is daarmee natuurlijk ook niet gezegd dat de stappen die zijn gezet — dat heeft u ook geproefd — meteen leiden tot tevredenheid of tot afronding. Dat is een proces dat wij in de gaten zullen houden maar dat misschien ook iets van tijd nodig zal hebben. Die tijd is al heel lang. Dat vind ik zelf ook frustrerend, maar wat dit ingewikkelder maakt, is — los van wat ik hier als minister van zou kunnen vinden — dat er tegelijkertijd een rechtszaak hierover loopt. Zolang deze zaken onder de rechter zijn, kan ik met FMO praten over het algemene beleid. Ik kan FMO uiteraard aansporen om te doen wat nodig is, maar die rechtszaak moet ook zijn beloop krijgen. In alle eerlijkheid verwacht ik ook dat, als er ergens gerechtigheid komt, dat van daaruit gaat komen, maar ik heb ook in mijn contacten met FMO geproefd dat zij dit ook graag op een goede manier wil afwikkelen.
Voorzitter. Dat was FMO. Dan komen we bij …
Nog een momentje, minister. U heeft ook nog een interruptie van de heer Bamenga.
De heer BamengaD66Dank voor de antwoorden van de minister. Als belangrijk punt hierin neem ik mee dat we dit zeker goed in de gaten zullen houden, dat het proces door de minister in ieder geval verder in de gaten gehouden zal worden en dat de doelstelling zou moeten zijn dat dit zo wordt opgelost dat alle partijen zich daarin kunnen vinden. Ik heb van de dochter in ieder begrepen dat drie dingen heel erg belangrijk zijn: de waarheid, die reparatie en ook preventie. Die dragen bij aan het gevoel van gerechtigheid. Nu de minister het proces verder in de gaten gaat houden en daar zeker ook zo veel mogelijk aan wil bijdragen in overleg en in dialoog, vraag ik hem op welke manier wij daar iets over terug zouden kunnen krijgen, zodat wij in ieder geval weten wat er is gebeurd en of de uitkomst daarvan op een goede manier is afgerond.
Die vraag snap ik goed. Tegelijkertijd is het niet de allermakkelijkste vraag. Nogmaals, het is een zelfstandige organisatie. Er zijn ook een aantal vragen gesteld over een andere zelfstandige organisatie, waar ik ook niet rechtstreeks over ga. Dat betekent dat de handelingsopties voor mij op dat punt relatief beperkt zijn, zeker omdat er nu een rechtszaak is. Maar ik denk dat het helder is dat de drieslag van waarheid, reparatie en preventie essentieel is; die boodschap leggen de heer Bamenga en ook andere Kamerleden nu neer. Ik zal er in ieder geval voor zorgen — laat dat mijn stap zijn — dat ik in mijn eerstvolgende contact met FMO ook de boodschap van de Kamerleden overbreng dat daar ook vanuit de Kamer aan wordt gehecht. Tegelijkertijd zeg ik nog één keer, ook voor de zekerheid, dat ik niet door die rechtszaak heen wil lopen. Dat is ook echt belangrijk, hoezeer ik in dezen ook meevoel met de nabestaanden. Als ik dat zou doen, word ik partij in iets waarin de Staat feitelijk geen partij is.
Voorzitter. Dan zijn we gekomen bij het tweede blok: ontwikkelingssamenwerking. Daarover zijn een aantal vragen gesteld. Ik zou die vragen langs willen lopen. Mevrouw Kröger vroeg of we bereid zijn om te onderzoeken wat de bezuinigingen tot gevolg hebben; daarmee parafraseer ik haar vraag. Dat is in alle eerlijkheid geen sinecure — laat ik dat maar even vooropstellen — omdat het ook allerlei counterfactuals met zich meebrengt in de zin van: maar als het zo was geweest, wat zou er dan gebeurd zijn? Tegelijkertijd snap ik de vraag best goed, omdat er natuurlijk ook soortgelijk onderzoek is gedaan naar bijvoorbeeld de gevolgen van de bezuinigingen van USAID. Ik ga twee dingen doen. Ik ga toezeggen dat we ernaar kijken of we zo'n soort onderzoek kunnen doen, dus of dat mogelijk is. Daar komen we dan bij de begroting op terug. Twee: wat betekenen de bezuinigingen voor de positie van vrouwen, meisjes, minderheden, democratie, klimaat, vrede en recht? We gaan de begroting voor 2027 nog maken. Wat betreft de vraag in welke opzichten die bezuinigingen wel of niet worden doorgezet, heb ik u al gezegd dat zowel in 2026 als in 2027 bij de Voorjaarsnota de inzet op vrouwenrechten en gendergelijkheid met 5 miljoen per jaar is opgeplust. Verdere plannen zullen we echt bij de begroting voor 2027 met elkaar moeten delen. De betekenis van eventuele staande bezuinigingen of bezuinigingen die overblijven zullen we dan betrekken bij het onderzoek.
Er is ook een vraag gesteld over onderzoek en innovatie binnen het gebied van hiv/aids. Het is overduidelijk dat onderzoek en innovatie daar een essentieel onderdeel van zijn en heel veel potentieel bieden voor de preventie van hiv. Toegang tot innovatie is de sleutel tot resultaat. Daarnaast zetten we met 100 miljoen ook in op een heel groot hiv/aids-programma in Zuidelijk Afrika.
Mevrouw Kröger vroeg ook op welke wijze de minister de maatschappelijke organisaties kan blijven ondersteunen met flexibele middelen. Daarover een paar dingen. Eén is dat maatschappelijke organisaties natuurlijk met smart zitten te wachten op de verschillende maatschappelijke organisatieprogramma's Focus, die voor een deel nog afhankelijk zijn van de goedkeuring van de begroting in de Eerste Kamer. Dat is natuurlijk de allergrootste brok aan financiering. Twee. Als het gaat over financiering, biedt het Mensenrechtenfonds flexibele gedelegeerde middelen aan ambassades om in te zetten. Helaas is het Civic Space Fund, dat ambassades flexibele middelen voor ondersteuning van maatschappelijke organisaties bood, eind 2025 afgelopen. Dat is een vervelende stap, helaas.
Er werd ook nog gevraagd, door de heer Bamenga volgens mij, in hoeverre wij breken met de keuzes ten aanzien van het lhbtiq+-beleid. Wij vinden het ontzettend belangrijk dat Nederland daarvoor opkomt. We zijn een van de weinige landen die daar hartstochtelijk voor opkomt. We doen dat vanuit een positie waarin wij ... Ja, hoe zal ik het zeggen? Als voorloper op deze rechten zit het, denk ik, in ons DNA om dat te doen. We worden ook wereldwijd gezien als een land dat dat met overtuiging kan doen.
Voorzitter. Dat was het blok ontwikkelingssamenwerking. Dan gaan we naar het blok coherentie. De heer Bamenga vroeg hoe de minister ervoor gaat zorgen dat programma's op het terrein van voedselzekerheid beter op elkaar aansluiten, maar ook voorkomt dat verschillende organisaties in dezelfde landen en waardeketens naast elkaar werken. Hier is cruciaal dat we echt, zeker in tijden van minder geld, inzetten op een integraal landenbeleid. Dat betekent dat je per land een strategie moet hebben, gericht op de Nederlandse belangen en de belangen van het land, en dan sturen op de samenhang daartussen. We hebben nu ook scherpe afspraken gemaakt voor de afstemming tussen Den Haag en de posten over nieuwe projecten, zodat daar meer sturing is en het niet zo kan zijn dat een ambassade plotseling wordt geconfronteerd met een heel groot programma, waarbij ze er dan na drie jaar achter komen dat het eigenlijk vanuit Nederlandse middelen wordt gefinancierd. Dat zijn echt zaken die je niet wil zien.
Dan ook over coherentie, maar misschien een ander soort coherentie. De heer Hoogeveen vroeg naar de aangenomen motie-Van Dijk over het korten van ontwikkelingssteun aan Sierra Leone vanwege het niet meewerken aan drugsbestrijding. Daar zit natuurlijk ook een coherentie in. Overigens gaat dat over Europees geld, omdat Nederland geen steun verleent aan Sierra Leone, op een heel klein journalistiek programma na. Dat gaat erover dat je niet met de ene hand een overheid kan steunen als je ziet wat er met die overheid gebeurt, namelijk dat Sierra Leone eigenlijk in heel belangrijke mate in handen is of onder controle staat van een Nederlandse crimineel, waarbij sprake is van een verregaande mate van state capture. Dat kan niet. Ik was zelf niet bij het debat, maar collega Van Weel en ikzelf hadden de aanmoediging in die motie denk ik ook niet nodig om dit met onze Europese counterparts en de Commissie te bespreken. Ik heb zelf ook tweemaal bij Commissaris Síkela opgebracht dat ik het onuitlegbaar vind dat op het moment dat een land zo vergaand onder controle staat van een Nederlandse drugsbaron, de Europese Unie dan klakkeloos zou doorgaan met de steun. Dat is onverstandig. Dat zeg in de richting van de heer Hoogeveen.
De heer Bamenga zei nog: succesvolle projecten moeten niet verdwijnen zodra Nederlandse subsidies aflopen. Dat is eigenlijk de kern van wat ontwikkelingssamenwerking is. Je wil dat je interventies doet die het liefst op een gegeven moment geen financiering meer nodig hebben. Zo moeten die interventies ook worden opgebouwd. Je wil dat de interventies worden gericht op een manier dat ze duurzaam zijn en dat ze uiteindelijk zelf te dragen zijn door het land of de regio, de gemeenschap waar het om gaat. Mevrouw Kröger zei dat ook. In de kern gaat het erover dat ze hun eigen belastinggeld kunnen ophalen, dat een land het zo goed doet dat ze het met eigen belastinggeld mogelijk maken. Maar dat kan niet in alle landen. Voor de duidelijkheid: er zijn ook echt hele fragiele contexten waarin dit zeer nodig is. Maar ook daar moet je toch kijken hoe je dat op een duurzame manier kan doen. De kern is wel, en dat vind ik ook belangrijk, dat ontwikkelingssamenwerking … Het is misschien een beetje een vergelijking die mank gaat, maar als je ontwikkelingssamenwerking zou zien als een aandelenportefeuille, dan zijn sommige onderdelen van ontwikkelingssamenwerking heel stabiel. Je weet dan zeker dat het rendeert om daarop in te zetten. Maar er zijn ook gebieden op de wereld waar het zo fragiel en zo onvoorspelbaar is, dat je inzet niet rendeert of dat het niet lukt. Dat komt simpelweg door de context van fragiele staten. Dat karakter van ontwikkelingssamenwerking moeten we natuurlijk wel in de gaten blijven houden, want ook het investeren in die extra fragiele staten is een belangrijk onderdeel van waar Nederland voor staat.
Over de verbeterde verantwoordingssystematiek zei de heer Hoogeveen: voorkom nou dat de nieuwe narratieven in de verantwoordingssystematiek selectief worden. Ik zou hier toch wel graag teruggrijpen op iets wat ik in mijn inleiding zei over de Algemene Rekenkamer: het belastinggeld dat in het buitenland wordt uitgegeven, wordt volgens de Rekenkamer beter verantwoord dan belastinggeld in Nederland. Als er dingen niet goed gaan, dan is het niet alleen de ervaring van mijn ministerie, maar ook mijn ervaring met diverse organisaties en bedrijven dat daar eigenlijk linea recta op wordt gerapporteerd en op wordt geacteerd.
De subsidies. Ik moet stellen dat tegenvallende resultaten van subsidiekaders eigenlijk pas na een jaar kunnen worden beoordeeld. Die kunnen dus bij uitstek beter worden meegenomen in evaluaties en periodieke rapportages. Daarbij wil ik ook nog verwijzen naar de motie-Van der Lee over de begrotingsvoorschriften, maar die motie wordt momenteel nog uitgewerkt door de minister van Financiën. Dus daar zou ik zelf niet heel veel aan willen wijzigen.
Mevrouw Kröger vroeg wat meer in het algemeen naar beleidscoherentie. Ik denk dat het van belang is dat Nederland wereldwijd een belangrijke bijdrage levert aan de SDG's. Maar ze heeft ook gelijk dat ons eigen beleid natuurlijk nog steeds leidt tot negatieve spillovers op andere landen. Met het Actieplan Beleidscoherentie richten wij ons op drie knelpunten: onze klimaat-, land- en watervoetafdruk, belastingontwijking en illegale geldstromen, en mondiale gezondheidsongelijkheid. Daar hebben we een aantal instrumenten voor. De Wet verantwoord en duurzaam internationaal ondernemen en het Nationaal Programma Circulaire Economie moeten die negatieve effecten in internationale ketens beperken en het positieve effect voor mens en milieu vergroten.
Tegelijkertijd denk ik dat het ook belangrijk is om te erkennen dat wij nog niet altijd de impact van onze voetafdruk overal voldoende in beeld hebben. Daarom investeren wij ook in betere data en indicatoren, bijvoorbeeld via de Monitor Brede Welvaart. Maar wij doen dat ook in samenwerking met de OECD, de OESO in het Nederlands.
Voorzitter, dat was het blok coherentie.
Een momentje. Er is nog een vraag van mevrouw Kröger.
Ik had een hele specifieke vraag gesteld over de verplichte Toets Effecten Ontwikkelingslanden. Die toets is één keer toegepast. Hoe kijkt de minister daarnaar en wat gaat hij doen om te zorgen dat die toets vaker wordt toegepast?
Een paar dingen. Ik zie mezelf, ook in de ministerraad, natuurlijk in de eerste plaats als een vertegenwoordiger van de Nederlandse belangen en waarden. In de tweede plaats zie ik me, daar waar dat soms nodig is, misschien ook als een spreekbuis van ontwikkelingslanden die door ons geraakt worden. Zo zie ik ook mijn rol in de komende periode. Ik zal af en toe in herinnering moeten brengen dat onze voetafdruk hier consequenties heeft elders.
Tegelijkertijd kan ik in alle eerlijkheid niet helemaal herleiden wat mevrouw Kröger zegt over deze verplichte toets. Misschien kan zij dat nog met mij delen. Wat wel zo is, is dat bij het aanbieden aan de ministerraad aangegeven moet worden dat het Beleidskompas is gevolgd en in dat Beleidskompas zit weer vervat dat de aandacht voor potentiële effecten voor ontwikkelingslanden gevolgd moet worden. Dus in algemene zin moet dat eigenlijk altijd expliciet. Maar als mevrouw Kröger andere aanwijzingen heeft, dan neem ik die graag tot mij.
Mevrouw Kröger is volgens mij nog niet helemaal tevreden met het antwoord. Een aanvullende interruptie.
Er is een Toets Effecten Ontwikkelingslanden. Dat is een toets die de Nederlandse overheid heeft en die is in 2025 één keer toegepast op wetgeving. Mijn vraag is of de minister er vanaf nu voor gaat zorgen dat die toets gewoon consequent wordt toegepast.
Ik zou hier graag het volgende op willen zeggen. Ik kan in alle eerlijkheid niet overzien welke wetgeving de ministerraad in 2025 allemaal is gepasseerd. Het moet wel gaan over wetgeving die relevant is voor deze toets. Ik kan wel zeggen dat wij uiteraard in de gaten zullen houden dat deze toets daar waar het relevant is wel consequent wordt toegepast bij alle wetgeving die de ministerraad nu passeert. Ik denk dat dat het belangrijkste is.
De heer BamengaD66Ook dank voor de antwoorden op het gebied van beleidscoherentie. Ik hoorde de minister eigenlijk wel bevestigen wat ik zelf ook heb aangegeven, namelijk het belang om dat in de praktijk te doen en dat het bij lange na niet coherent is. De minister kwam zelf met het antwoord: we gaan aan de slag met het integrale landenbeleid. Ik wil graag weten of dat landenbeleid een soort nieuw beleid is, dat niet eerder is gedaan. Zo ja, wat is daar dan anders aan dan in het verleden, waarin het dus heel vaak niet altijd even goed ging?
Laten we ook niet al te streng zijn, want het gaat bijna altijd goed. Wel zijn er ook gevallen waarin het niet goed gaat. Er is dus geen sprake van een ongelofelijke beleidswijziging. Er is sprake van het besef dat is ingedaald in dit ministerie dat aangezien … Kijk, belastingmiddelen moeten altijd effectief, efficiënt en doelmatig besteed worden. Als je naar het jaarverslag kijkt, dan zie je dat dat ook op een aanbevelenswaardige manier gebeurt, maar het kan altijd beter. Een van de manieren waarop het beter kan, zo hebben wij geconstateerd, is dat we er echt voor moeten zorgen dat je op landenniveau precies weet hoe het zit. Daarin maken de mensen een slag. Ik verwacht niet meteen dat we nu schokkende dingen gaan ontdekken over dat we helemaal langs elkaar heen werken, want er wordt echt goed samengewerkt tussen de posten en het ministerie. Wel is het goed om die samenwerking nog een beetje aan te trekken. Dat gebeurt eigenlijk constant.
Ik zie geen verdere vragen, dus gaat u door naar het laatste blokje. Dat is het blokje overig.
Ik zie nu dat die eigenlijk gaat over de vraag van de heer Verkuijlen over Artsen zonder Grenzen. Ik kon die niet ergens anders onderbrengen. Ik wil daar een aantal dingen over zeggen. Allereerst wil ik zeggen dat het verschrikkelijk is wat daar is gebeurd. Daar hoeven we … Misschien moeten we daar gewoon een punt achter zetten. Dat is gewoon verschrikkelijk. Punt. Ten tweede is het cruciaal dat er wordt geacteerd daar waar de dingen niet goed gaan. Ik wil daar wat betreft onze eigen begroting een aantal dingen over zeggen. Daarna ga ik een knip maken en ga ik naar wat daar gebeurd is.
Ik vind het namelijk van belang om dat algemene beleid nog een keer goed te schetsen. Activiteiten die binnen mijn begroting plaatsvinden, vinden altijd plaats binnen een hele kwetsbare context. Dat bekent één ding, namelijk dat risico's nooit honderd procent kunnen worden uitgesloten. Dat betekent dat bij de risico's aan de voorkant de monitoring van programma's en de adequate opvolging van incidenten cruciaal is. Dat geldt zeker ook voor risico's op het gebied van de partnerorganisaties, de context en de programma's. Daarnaast vinden er nog aparte risicowegingen plaats op het gebied van seksuele uitbuiting, abuse en harassment en fraude. Ik wil hier heel helder zeggen dat dit ministerie, dit kabinet, op deze onderwerpen in actie een zerotolerancebeleid heeft. Dat hebben we ook vastgelegd in alle financieringsovereenkomsten met onze partners. Dat is echt heel streng. Dat betekent ook dat onze partners de verplichting hebben om ons direct te informeren bij incidenten, zodat wij kunnen meedenken over de opvolging daarvan. Het is niet iets om trots op te zijn, maar dat is de maat die wij hanteren. Dat is een zeer strenge maat.
Het is goed om te weten dat wij Artsen zonder Grenzen niet financieren. Artsen zonder Grenzen is over het algemeen een organisatie die werk doet onder zeer moeilijke omstandigheden en wat mij betreft telt het dat zij — nogmaals, het is verschrikkelijk wat hier is gebeurd — ook acteren. Zover ik nu kan zien, hebben zij geacteerd, in die zin dat ze achttien medewerkers hebben ontslagen en hebben uitgesloten van toekomstig werk en uitgebreid onderzoek hebben gedaan. Wij zien dat hun due diligence over het algemeen robuust is, maar nogmaals, wij financieren deze organisatie niet. We hebben dus ook geen zeggenschap over wat zij doen.
De heer VerkuijlenVVDDank voor dat antwoord van de minister. Het ging mij er geenszins om een organisatie als Artsen zonder Grenzen, waarvan we allemaal weten dat ze belangrijk en waardevol werk doen, te bashen. Het gaat uiteindelijk om de vraag, precies zoals de minister zegt, wat het vermogen van die organisaties is om dit soort dingen te voorzien en te voorkomen. Ik ben blij met de opmerking van de minister over gefinancierde organisaties, maar het gaat juist ook om partnerorganisaties, want dit is een van de grote, echt belangrijke organisaties, die veel belangrijk werk doet. Ziet de minister ook richting dat soort partnerorganisaties nog een rol vanuit zijn functie?
Voor de duidelijkheid: wij financieren deze organisatie niet. In dat opzicht is het dus geen partnerorganisatie van Nederland. Wat ik wel kan zeggen, is dat deze organisatie in veel omstandigheden buitengewoon belangrijk en nuttig werk doet. In algemene zin, vanuit de Nederlandse optiek van wat nodig is aan noodhulp, kijken wij daar met waardering naar. Zonder dat ik nu contact heb gehad met de top van Artsen zonder Grenzen, durf ik te stellen dat zij ongelofelijk balen van wat hier is gebeurd en dat ze daar woedend over zijn. Dat is ook de reden waarom hier meteen is opgetreden, want juist dit soort organisaties staan erop dat de meest kwetsbare mensen in deze kwetsbare gebieden goed worden beschermd. Als dat dan niet gebeurt, en al helemaal als er dingen gebeuren door eigen toedoen, raakt hen dat diep in hun eer. Nogmaals, in dat opzicht hebben wij geen zeggenschap over Artsen zonder Grenzen, maar mocht ik bij gelegenheid vertegenwoordigers van Artsen zonder Grenzen tegenkomen, dan zal ik uiteraard vragen naar de opvolging hiervan. Dat is dan meer van op afstand, want we hebben geen financieringsrelatie.
Nog een aanvullende vraag van de heer Verkuijlen.
De heer VerkuijlenVVDIk sluit mij heel graag aan bij de waardevolle woorden van de minister met betrekking tot Artsen zonder Grenzen. Dank voor de bereidheid om, als het zich voordoet, een dergelijk gesprek nog even te voeren.
Minister, gaat u verder.
Voorzitter. Ik ben aan het einde gekomen van de beantwoording in eerste termijn.
Dank u wel, minister, maar u bent nog niet helemaal klaar, want mevrouw Kröger heeft nog een vraag.
Volgens mij zijn twee vragen van mij niet beantwoord. Eén ging over het hele onderwerp van shrinking civic space: wil de minister daarop een soort agenda maken? Er gebeurt natuurlijk al heel veel op dit onderwerp, maar zou de minister toch een beeld willen schetsen van hoe wij ons als Nederland, in een tijdsgewricht waarin de democratie onder druk staat, daartegen verzetten? Dat was een vraag.
Dat is een goede vraag, en die gaat over meer dan alleen de financiering van deze organisaties. Zelf zie ik het, in meer algemene zin, zo. Shrinking civic space zien we op heel veel terreinen en in heel veel landen. Het is geen eenduidige problematiek, behalve dat het vaak gaat over landen die in meer of mindere mate autoritaire trekjes hebben en waar weinig behoefte bestaat aan tegenspraak, in welke vorm dan ook; laat ik het zo maar zeggen. Daarom kon ik het ook waarderen — laat ik in eigen land beginnen — dat er een amendement is ingediend om ook hier tegenspraak van maatschappelijke organisaties mogelijk te maken, niet omdat mijn ministerie of ikzelf altijd zit te wachten op kritiek, maar wel omdat ik vind dat je, als je andere landen erop wilt aanspreken dat zij kritiek van het maatschappelijk middenveld moeten dulden, zelf het goede voorbeeld moet geven. Dat is één.
Twee. Als het gaat over de manier waarop we deze organisaties ondersteunen — dat is op zich wel staand beleid; dat zal mevrouw Kröger ook niet verbazen — kan ik zeggen dat onze diplomaten in heel veel gebieden ter wereld ontzettend actief zijn om deze organisaties te ondersteunen. Soms gaat dat om ondersteuning op het gebied van veiligheid. Soms is er gewoon veiligheid geboden omdat mensen vervolgd worden. Soms gaat het over het bijwonen van rechtszaken. Soms gaat het over het diplomatiek steunen van organisaties.
Daarnaast is er de meer politieke kant; dat ziet meer op mijn rol. Ik vind het belangrijk om te kijken of het lukt — maar goed, we moeten even kijken hoe dat lukt — om hierin met gelijkgezinde landen gezamenlijk op te trekken, of het nou gaat om bepaalde landensituaties of om beleidsdiscussies in de VN.
Tot slot. In die grote opgave die wij wereldwijd zien, met meer autocratieën, zie ik ook de samenwerking met maatschappelijke organisaties als een partnerschap. Daar waar wij als land misschien geen ingang meer hebben, is financiering van deze organisaties een methode om ons model, onze waarden en onze vrijheden toch een steuntje in de rug te geven in landen die daar misschien in het algemeen niet op zitten te wachten. Dat is in het kort mijn visie daarop.
Aanvullend van mevrouw Kröger.
Een heel mooi antwoord. We hebben als Kamer gevraagd of de beleidsbrief nog wat extra body kan krijgen. Ik hoop dit daar ook in terug te zien. Mijn andere niet beantwoorde vraag ging over het feministische buitenlandbeleid. Het is goed dat Nederland naar zo'n conferentie gaat, maar waarom ondertekenen we zo'n statement dan niet?
Excuus, ik heb de vraag nu voor me. Ik heb hem in mijn blaadjes met notities per ongeluk overgeslagen. Mevrouw Kröger en ik hebben eerder wat gewisseld over hoe deze minister en dit kabinet daarin staan. Mevrouw Kröger en anderen kunnen ervan op aan dat dit kabinet en dit ministerie pal staan voor de activiteiten die daarbij horen. Deze verklaring wordt echter zó breed getrokken. Ze gaat ook over onderwerpen die niet zien op het onderwerp dat mevrouw Kröger aanhaalt. Het gaat bijvoorbeeld over bepaalde belastinghervormingen en financiële hervormingen. Dan moet Nederland even afhaken. Dat heeft niks te maken met ons commitment of met hoe wij erin staan. In alle eerlijkheid ... Hoe zal ik het zeggen? "Irriteert" is een groot woord. Ik vind het jammer dat sommige verklaringen zo breed moeten worden en dat er zo veel onderwerpen bij moeten worden betrokken dat het niet mogelijk is om je erbij aan te sluiten. Tegelijkertijd wil ik het volgende zeggen. Dit is cruciaal, denk ik. Ik weet hoe mevrouw Kröger en haar partij, maar overigens ook andere partijen in deze Kamer, in de strijd zitten die hieronder ligt. Ik denk in alle eerlijkheid dat die strijd nu echt iets anders vraagt dan verklaringen. Daarover zou ik tegen mevrouw Kröger willen zeggen: ze weet dat ze mij en mijn ministerie daarin aan haar zijde heeft. Elke verklaring die langskomt en die op die dingen ziet, zullen we echt ondertekenen. Maar het wordt in toenemende mate moeilijk om ervoor te zorgen dat het ook echt ziet op alleen deze onderwerpen en dat er niet andere, aanpalende onderwerpen bij worden gehaald die hier eigenlijk niet mee te maken hebben.
Dank u wel, minister, voor uw beantwoording in de eerste termijn.
We gaan over naar de tweede termijn van de Kamer. Daarmee draag ik het voorzitterschap over aan de vertrouwde handen van meneer Bamenga. Ik word namelijk ergens anders verwacht. Ik wens u dus verder een hele goede tweede termijn.
Bamenga
Dank u wel, minister, voor het beantwoorden van alle vragen in de eerste termijn. We gaan nu door naar de tweede termijn. Als eerste spreker krijgen we mevrouw Kröger.
Dank, voorzitter. Ik denk dat het een goed debat was. We hebben teruggekeken op het belang van ontwikkelingssamenwerking, op wat er allemaal mee bereikt kan worden, maar ook op de effecten van bezuinigingen. We maken ons grote zorgen over de bezuinigingen die op stapel staan. Ik ben dan ook blij dat de minister heeft aangegeven dat hij bij de Kamer terugkomt over een onderzoek naar de langetermijneffecten van dat soort bezuinigingen.
Ik heb nog een paar specifieke punten. Ik ben blij met de toezegging over de impacttoets op ontwikkelingslanden. Als er een wetsvoorstel bij de ministerraad ligt, gaat de minister checken of de impacttoets gedaan is. Dat zullen wij ook blijven doen.
De antwoorden over FMO. De minister zegt dat FMO beleid heeft op remedy en dat dat allemaal goed geregeld is. Daarover zou ik eigenlijk toch wat meer op papier van hem willen hebben. Ik denk dat het belangrijk is dat als wij investeringen doen, het op het moment dat er iets misgaat ook echt aangepakt wordt. Ik weet dat er bij maatschappelijke organisaties zorgen leven over dat dat beleid op dit moment nog niet genoeg is.
Met betrekking tot Berta Cáceres denk ik dat het heel belangrijk is dat de minister zelf het gesprek met de dochter aangaat, als dat mogelijk is. Daar zit namelijk gewoon een enorme open wond. Die wond is mede toegediend door Nederlands belastinggeld. Dat is hoe cru het is.
Voorzitter. Ik hoor de minister zeggen dat hij het statement niet ondertekend heeft omdat hij het statement te breed vond. Dat vonden landen als Frankrijk, Spanje, Ierland, Portugal en het Verenigd Koninkrijk allemaal niet. Ik merk dus dat ik een beetje zoekende ben: wat is er dan zo anders aan ons feministisch buitenlandbeleid dan dat van die landen? Om de minister toch aan te moedigen om geen terughoudendheid te hebben op dit vlak, heb ik de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet de ambitie heeft om zich internationaal actief uit te spreken tegen het inperken van vrouwenrechten, lhbtiq+-rechten, seksuele rechten en reproductievegezondheidrechten, samen met gelijkgezinde partners;
constaterende dat Nederland deelnam aan de bijeenkomst in Madrid over feministisch buitenlandbeleid, maar de politieke verklaring niet tekende;
overwegende dat internationaal leiderschap nodig is nu vrouwenrechten wereldwijd onder druk staan;
verzoekt de regering niet terughoudend te zijn en Nederland internationaal duidelijk politiek te positioneren als voorvechter van vrouwenrechten, onder andere door het steunen van gezamenlijke verklaringen waar passend,
en gaat over tot de orde van de dag.
Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger.
Zij krijgt nr. 9 (36945-XVII).
Daar zit natuurlijk een afweging in: waar passend. Het is dan aan de minister om aan de Kamer uit te leggen wanneer hij dat passend vindt.
Voorzitter. Ik ben blij dat de hele agenda van civic space en het tegengaan van shrinking civic space een hoge prioriteit voor de minister heeft. Hij schetste daar heel duidelijk drie paden in, waarin ik mij ook goed kan vinden. Ik hoop ook echt dat die terug gaan komen in verdere beleidsstukken, waardoor we daar echt coherent beleid op gaan voeren. Ik denk dat dat ongelofelijk belangrijk is. Vandaar de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat wereldwijd de ruimte voor het maatschappelijk middenveld onder druk staat, met negatieve gevolgen voor democratie, mensenrechten en stabiliteit;
constaterende dat zowel de nationale SDG-rapportage als de Adviesraad Internationale Vraagstukken het belang benadrukken van flexibele financiering voor maatschappelijke actoren, onder meer via ambassades;
overwegende dat het voormalige Civic Space Fund ambassades in staat stelde om lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen op thema's als mensenrechten, klimaat, vrouwenrechten en vrijheid van meningsuiting;
verzoekt de regering om voor het debat over de beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 met een beleidsagenda te komen voor het tegengaan van krimpende maatschappelijke ruimte;
verzoekt de regering voorts om als onderdeel hiervan te bezien hoe een soortgelijk fonds opgezet kan worden, beheerd door een gespecialiseerde organisatie, waarmee maatschappelijke organisaties en lokale initiatieven worden ondersteund op het gebied van democratie en maatschappelijke ruimte,
en gaat over tot de orde van de dag.
Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger.
Zij krijgt nr. 10 (36945-XVII).
Voorzitter. Dan rest mij dank te zeggen voor de antwoorden en te bedanken voor het feit dat wij een goed debat hebben gevoerd over ontwikkelingssamenwerking. Ik weet zeker dat deze … nog veel vervolg zullen krijgen.
Dank u wel. De heer Bamenga ziet af van zijn tweede termijn. Dan ga ik dus meteen door naar de heer Verkuijlen.
De heer VerkuijlenVVDDank u, voorzitter. Allereerst dank aan de minister voor de beantwoording en ook voor de betrokkenheid op dit dossier. Ik denk dat dat heel belangrijk is, zeker als het gaat om zowel ontwikkelingssamenwerking als buitenlandse handel.
Voorzitter. Ik heb een tweetal moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de periode tussen een politiek akkoord over een EU-handelsverdrag en de uiteindelijke voorlopige toepassing ervan onacceptabel lang is;
overwegende dat de juridische opschoning en de vertaling van de verdragsteksten in alle 24 officiële EU-talen een grote vertragende factor vormen in dit proces;
overwegende dat deze procedurele vertragingen Nederlandse exporteurs kostbare tijd en marktaandeel kosten op de wereldmarkt;
verzoekt het kabinet om zich er in Europees verband hard voor te maken dat handelsakkoorden in de beginfase sneller voorlopig kunnen worden toegepast op basis van de geaccordeerde Engelse tekst,
en gaat over tot de orde van de dag.
Deze motie is voorgesteld door de leden Verkuijlen, Hoogeveen, Stoffer en Lohman.
Zij krijgt nr. 11 (36945-XVII).
De heer VerkuijlenVVDDe tweede motie, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederlandse ondernemers sinds het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie worden geconfronteerd met grenscontroles en hoge administratieve lasten;
overwegende dat het wegnemen of verminderen van deze handelsbarrières kan leiden tot lagere kosten, een kortere logistieke doorlooptijd en een sterkere ketenweerbaarheid;
verzoekt het kabinet om zich actief in te zetten om lopende onderhandelingen en afspraken die handelsbelemmeringen tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk wegnemen zo snel mogelijk over de eindstreep te trekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
Deze motie is voorgesteld door de leden Verkuijlen, Hoogeveen, Lohman en Bamenga.
Zij krijgt nr. 12 (36945-XVII).
De heer VerkuijlenVVDIk dank u wel, voorzitter.
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan ga ik door naar de heer Lohman.
De heer LohmanCDADank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording van de vragen. Wat mij betreft was het ook een goed debat, waarin we samenwerking weer wat meer aan het opzoeken zijn. Persoonlijk ga ik me nog wat verdiepen in die ui- en aardappelketens. Ik ben ook van plan om samen met maatschappelijke organisaties en de sector een werkbezoek in Nederland te organiseren. Als ik dus zelf iets rapporteer, laat ik dat ook aan de minister weten. Verder laat ik het daarbij.
Bedankt voor het debat.
Dank u wel voor uw bijdrage. Ik kijk even naar de minister om te zien hoelang de minister nodig heeft.
Nou, ik ga het gewoon proberen.
Voorzitter. Dank voor de vragen die vanuit de leden zijn gekomen. Ook dank voor het debat tot nu toe. Mevrouw Kröger had een vraag over het remedybeleid, het reparatiebeleid, van de FMO. Daarover kan ik zeggen dat dat een integraal onderdeel is van FMO's sustainability policy. Daarmee voldoen ze op dit moment qua beleid aan de VN-richtsnoeren, inclusief de Ruggie-principles wat betreft remedy. Ik denk dat dat ook belangrijk en goed is. Excuses voor de Engelse termen. Ik weet in alle eerlijkheid niet wat de Nederlandse terminologie hierbij is.
De tweede vraag van mevrouw Kröger was of ik bereid ben om de nabestaanden te spreken. Naast dat mijn ministerie en onze ambassade in Costa Rica dat hebben gedaan, ben ik daar natuurlijk toe bereid. Ik ben natuurlijk niet doof voor het verdriet dat er is. Tegelijkertijd hoop ik dat de Kamer het ongemak begrijpt. Ik heb haar niks te bieden, in die zin dat ik niet ga over de FMO of over de rechtsgang. Als mens en als betrokkene ben ik uiteraard bereid om naar haar en haar verhaal te luisteren. Als dat kan helpen, dan doe ik dat ontzettend graag.
Mevrouw Kröger had het nog over die verklaring van Spanje en een aantal landen die voortkwam uit die conferentie. Ja, het klopt. Ik heb dat ook gezien. Het kan zijn dat landen daar andere afwegingen in maken en misschien denken: we zijn het wel eens met die financiële maatregelen die erin staan. Dat zou kunnen. Misschien doen ze het zo en denken ze: nou, we richten ons even op het gewone gedeelte. Ik wijs er ook op dat bijvoorbeeld mijn zeer gewaardeerde collega in Duitsland, die er op dezelfde manier in zit als ik, helaas ook niet kon tekenen op deze manier. Ik wil toch even aangeven dat het essentieel is hoe je dat weegt. Ik hoop dat mevrouw Kröger snapt waar deze minister en dit kabinet staan. Vandaar dat ik van harte bereid ben om haar motie op stuk nr. 9, die ziet dit op onderdeel, met de woorden "waar passend", uiteraard met oordeel Kamer te voorzien.
Haar tweede motie, de motie op stuk nr. 10, over de maatschappelijke ruimte, krijgt ook oordeel Kamer. Ik ga goed kijken naar een dergelijk fonds. Ik weet niet of dat beleid over het maatschappelijk middenveld een beleidsagenda behoeft. Ik denk dat we dat gewoon zullen meenemen in …. We hebben nog een vraag uitstaan bij de AIV over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking. Daar zullen we het netjes in meenemen. Ik denk dat dat ook belangrijk is en een goede gelegenheid is.
Dan kom ik bij de heer Verkuijlen. Hij had ook twee moties. Omwille van de tijd zeg ik: zeer eens met beide moties. Ik beschouw ze ook als een steuntje in de rug. Dat is in mijn geval dubbel prettig. Ik geef ze beide oordeel Kamer.
De heer Lohman dank ik uiteraard voor de debatinbreng. Mochten onderzoekers dan wel uzelf iets te rapporteren hebben, dan kijkt het ministerie daar uiteraard naar uit.
Tot slot uiteraard dank aan allen voor het prettige debat.
Dank aan de minister. Ik zal eerst eventjes de administratie doen en dan kom ik zo direct bij de heer Verkuijlen.
De motie op stuk nr. 9 heeft oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 10 heeft ook oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 11 heeft oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 12 heeft ook oordeel Kamer.
Dan kom ik nu bij de heer Verkuijlen.
De heer VerkuijlenVVDIk ben vergeten om bij mijn tweede motie, op stuk nr. 12, ook de heer Bamenga te noemen als mede-indiener. Dat wil ik graag bij dezen rechtzetten.
Oké, ik denk dat dat bij dezen is rechtgezet. Ik kijk nog of er andere vragen en opmerkingen zijn. Ik zie dat mevrouw Kröger nog iets wil zeggen.
Allereerst ben ik blij dat de twee moties oordeel Kamer krijgen. Ik ben er ook blij mee dat de minister aangeeft als mens het gesprek aan te gaan met de dochter van Bertha Cáceres. Ik worstel een beetje met de woorden: "Ik heb haar niets te bieden." Als je in het verleden kijkt, dan zie je namelijk dat er in de afgelopen tien jaar, juist ook onder politieke druk, wel degelijk fact-finding missions op gang zijn gekomen. Als beleidsverantwoordelijk minister … Ik zeg niet dat dít het moment is. Ik begrijp ook de overwegingen die hij aangeeft over de lopende rechtszaak, maar ik denk dat hij als beleidsverantwoordelijk minister wel degelijk iets te bieden heeft.
Als mevrouw Kröger denkt dat ik meer te bieden heb, dan zal ik haar daarin meteen volgen. Tegelijkertijd wil ik wel benadrukken dat er een rechtszaak gaande is. Dat is een rechtszaak waarin de Staat geen partij is; het is een rechtszaak tussen de nabestaanden en FMO. Ik zal daar afstand toe moeten bewaren. Ik snap de wens vanuit de Kamer en ook de gevoelens, maar ik kan daar niet zomaar in treden. Ja, uiteraard vind ik het ook een logische oproep. We zullen haar ontvangen, desgewenst, want die vraagt moet er wel zijn. Dat is het kader waarbinnen ik dit zal moeten doen, omdat ik haar anders — dat vind ik ook belangrijk … Dit soort gesprekken kunnen goeddoen, in de zin dat je je gehoord voelt, maar op het moment dat mensen het idee krijgen dat hun een rad voor ogen wordt gedraaid, omdat ze bepaalde verwachtingen hebben die ik niet kan waarmaken, dan kan het ook schade toebrengen. Dat zou ik ten koste van alles willen voorkomen, gelet op wat er al gebeurd is in deze familie.
Dank u wel. Ik zie verder geen opmerkingen of vragen. Dan zou ik graag naar de toezeggingen willen gaan.
Toezegging één. Voor het zomerreces komt er een brief waarin duidelijk wordt welke indicatoren worden opgenomen in de begroting 2027.
Toezegging twee, met betrekking tot revolverende fondsen: de mate van revolverendheid en uitvoeringskosten meenemen in de evaluaties, de factsheets van de revolverende fondsen opnemen in de begroting en het jaarverslag, een overzicht van dotaties en onttrekkingen aan de revolverende fondsen opnemen in de memorie van toelichting, de begroting en het jaarverslag, en de voortgang van de fondsen zonder exitstrategie opnemen in een factsheet.
De derde toezegging: de Kamer informeren over de doorwerking van maatregelen die het verschil tussen de OESO-norm en de ODA-prestatie verklaren.
En dan was er nog een vierde toezegging: het onderzoeken van de mogelijkheden om de gevolgen van de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking in kaart te brengen. De minister komt daarop terug in de begroting.
Dinsdag zijn de stemmingen over de moties. Ik zie nog een vraag van mevrouw Kröger over de toezeggingen.
Volgens mij was er een toezegging om ervoor te zorgen dat er in de ministerraad, waar relevant, een toets over de impact op ontwikkelingslanden voor wetsvoorstellen wordt toegepast.
Het tweede punt is dat ik de opmerking van de minister dat hij bereid is om in gesprek te gaan met de dochter van Berta Cáceres, ook een toezegging vind.
Ik hoor nog twee punten waarvan mevrouw Kröger zegt dat het concrete toezeggingen zijn. Ik kijk even naar de minister om te zien of dat het geval is.
Voorzitter, we hoeven niet te dimdammen over woorden. De wetsvoorstellen worden natuurlijk in alle transparantie aan de Kamer aangeboden. Dan is het zichtbaar of dit wordt gedaan of niet. Als er gevallen zijn waarbij het niet is gedaan, ondanks de haviksogen van mijn medewerkers en ikzelf, dan weet ik zeker dat mevrouw Kröger aan de bel zal trekken. Maar het in gesprek gaan met de nabestaanden — nogmaals: desgewenst, want daarin wil ik enige voorzichtigheid betrachten — is een toezegging. Dat gesprek zal dan plaatsvinden op een moment dat de nabestaanden dat wensen en ons ministerie en de agenda dat op een goede manier toelaten, zodat we er voldoende aandacht aan kunnen besteden.
Oké. Dan rest mij de formele vraag te stellen of u ermee instemt dat aan deze bewindspersoon voor de slotwet en het jaarverslag decharge wordt verleend. Ik zie de leden ja knikken. Dan doen we dat.
Ik wil iedereen bedanken voor hun bijdrage, de minister voor de antwoorden, en iedereen die meegekeken heeft. Ik sluit bij dezen de vergadering.
Sluiting 17.52 uur.
