Vragen en antwoorden
5 vragen
1
Vraag
Kunt u de interne juridische adviezen over het kabinetsstandpunt dat vermoedelijk sprake is van genocide en andere ernstige internationale misdrijven door de Islamitische Staat in Irak en Syrië, alsmede de mogelijke internationaalrechtelijke verplichtingen die daaruit voortvloeien, aan de Kamer doen toekomen?[1]
Antwoord
De interne juridische adviezen hierover dienen vertrouwelijk te blijven voor een onbelemmerde interne beleidsvorming.
2
Vraag
Wanneer heeft u om een extern volkenrechtelijk advies gevraagd, wat was de vraag en wanneer is/wordt dat uitgebracht?
Antwoord
De extern volkenrechtelijk adviseur is op 29 augustus jl. gevraagd om advies te geven over onderstaande vragen: 1) Hoe beoordeelt u de in artikel I van het Genocideverdrag neergelegde verplichting tot voorkoming van genocide, in het bijzonder in het licht van de uitleg die hieraan is gegeven door het Internationaal Gerechtshof in de zaak Bosnië-Hercegovina tegen Servië-Montenegro van 26 februari 2007? 2) Wat betekent artikel I voor de omvang van deze verplichting voor Nederland in het specifieke geval van de situatie in Noord-Irak? Het advies is op 3 september jl. ontvangen.[1]
3
Vraag
Kunt u het volkenrechtelijke advies per ommegaande aan de Kamer doen toekomen?
Antwoord
Het advies is op 5 september jl. aan de Kamer aangeboden (kenmerk BPZ-2014/167).
Antwoord
De desbetreffende uitspraak van het Internationaal Gerechtshof is niet bindend voor Nederland, maar bevat gezaghebbende uitspraken over de volkenrechtelijke verplichtingen van verdragspartijen in relatie tot het voorkomen van het misdrijf genocide. Het Hof benadrukt in deze uitspraak dat niet alle verdragspartijen daadwerkelijk een verplichting hebben om te handelen bij dreigende genocide. Volgens het Hof rust deze verplichting alleen op staten die het vermogen hebben om het handelen van deze groep effectief te beïnvloeden. Het kabinet acht dit niet van toepassing op Nederland, hetgeen ook wordt geconcludeerd door de extern volkenrechtelijk adviseur in bovengenoemd advies. Het kabinet is evenwel van mening dat het vermoeden van zeer ernstige misdrijven noodzaakt tot inzet op preventie, het voorkomen van escalatie en het bieden van hulp. De inspanningen van het kabinet zijn daarop gericht.
5
Vraag
Kunt u deze vragen voor het plenaire debat over ISIS/Irak van 10 september a.s. beantwoorden?
Antwoord
Ja.
