Vragen en antwoorden
10 vragen
1
Vraag
Herinnert u zich uw antwoorden op Kamervragen over de status en rol van de IHRA-definitie bij de strafrechtelijke beoordeling of uitlatingen discriminatoir zijn?[1]
Antwoord
Ja.
2
Vraag
Herinnert u zich uw positionering «oordeel Kamer» bij de motie die de regering verzoekt «te bevorderen dat deze [IHRA] definitie voortvarend en herkenbaar in uitvoering komt in de opsporing en vervolging van antisemitisme»?[2]
Antwoord
Ja.
3
Vraag
Doet deze positionering «oordeel Kamer» in enige vorm afbreuk aan uw antwoorden op de Kamervragen vermeld onder vraag 1? Zo ja, op welke wijze?
Antwoord
Nee, ik zie niet in hoe mijn appreciatie van betreffende motie afbreuk zou kunnen doen aan mijn antwoord op vraag 1 van betreffende set Kamervragen.
4
Vraag
Kunt u uitleggen hoe de IHRA-definitie «herkenbaar in uitvoering» zou kunnen komen in de opsporing en vervolging van antisemitisme, als die definitie juridisch niet bindend is en naast het geldende juridische beoordelingskader geen juridisch relevante rol speelt?
Antwoord
Dat zal uit de concrete casuïstiek moeten blijken. Ik verwijs in dit verband graag naar mijn antwoord op vraag 4 van de hierboven, in vraag 1, genoemde set Kamervragen.
5
Vraag
Heeft u met het Openbaar Ministerie (OM) overleg gepleegd over de toepassing van de IHRA-definitie door het OM bij de beoordeling van de strafbaarheid van discriminatoire uitlatingen? Zo ja, wat is het standpunt van het OM betreffende de rol die de IHRA-definitie speelt, c.q. dient te spelen, bij deze strafrechtelijke beoordeling?
Antwoord
Ja, hierover is met het OM gesproken en gecorrespondeerd. Het OM stelt zich op het standpunt dat de definitie zelf en de indicatoren behorende bij de IHRA-definitie behulpzaam kunnen zijn om alert te zijn op feiten en omstandigheden die een indicatie zouden kunnen vormen van discriminerende uitingen of delicten met een discriminatie-aspect. Of een uiting of handeling een strafbaar feit is, betreft een juridische beoordeling waarbij wordt getoetst aan het Wetboek van Strafrecht en relevante jurisprudentie. Een uiting of handeling wordt daarbij beoordeeld in het geheel van feiten en omstandigheden en in de context waarin deze is gedaan. Overeenkomst met de lijst met uitingen en gedragingen van de IHRA-definitie zal nimmer automatisch leiden tot de conclusie dat sprake is van een strafbare discriminatoire/antisemitische uiting of gedraging.
6
Vraag
Beschikt u over informatie dat het OM de IHRA-definitie intussen heeft gebruikt? Zo ja, welke informatie, en hoe heeft het OM de IHRA-definitie gewogen en ingezet?
Antwoord
De werkdefinitie kan gebruikt worden als mogelijke signalering voor discriminatie. Zoals ik uiteen heb gezet in de beantwoording van vragen 4 en 6 van de hierboven, in vraag 1, genoemde set Kamervragen, leidt dit niet tot een andere weging van het bepalen of een bepaalde uiting of gedraging als strafbaar moet worden beschouwd dan wel aanleiding vormt om een hogere straf te eisen. Dit betreft een strafrechtelijke juridische beoordeling. De werkdefinitie verandert niets aan het beoordelingskader of sprake is van een strafbaar feit zoals dat voortvloeit uit de wet en de jurisprudentie («wettige beoordelingskader») en de beleidsregels van het OM zoals bijvoorbeeld de Aanwijzing Discriminatie («beleidsmatige beoordelingskader»). In zoverre wordt de IHRA-definitie niet zelfstandig gebruikt bij de beoordeling van de strafbaarheid door het Openbaar Ministerie.
7
Vraag
Heeft u kennisgenomen van het volgende standpunt van de European Commission against Racism and Intolerance (ECRI): «ECRI strongly emphasises that any attempts to misuse the [IHRA] Working Definition and its examples to stifle, or stigmatise as antisemitic, legitimate criticism of Israel and its policies, in particular towards the Palestinian people and in the context of the Israeli occupation of Palestinian territories, will jeopardise efforts to combat antisemitism and should therefore be rejected.»? Deelt u dit standpunt? Zo neen, waarom niet?[3]
Antwoord
Ja, dat standpunt deel ik. Israël-kritiek gelijkstellen aan antisemitisme heeft een averechts effect op de bestrijding van antisemitisme.
8
Vraag
Herinnert u zich de volgende uitspraak van de VN-Speciaal rapporteur voor de Vrijheid van godsdienst of levensovertuiging: «Where public bodies use the [IHRA] definition in any regulatory context, due diligence must be exercised to ensure that freedom of expression within the law is protected for all»? Op welke wijze monitort en waarborgt u dat alle instanties in Nederland die de IHRA-definitie hanteren en/of daartoe door het kabinet zijn aangespoord, hun verplichting tot deze «due dilligence» nakomen? Kunt u uw antwoord toelichten?[4]
Antwoord
De VN-Speciaal Rapporteur plaatst haar opmerking in een context waarbij het gebruik van de IHRA-definitie gereguleerd is. Daar is in Nederland geen sprake van.
9
Vraag
Wat is uw reactie op berichten dat de Amerikaanse regering overweegt om vooraanstaande internationale NGO's zoals Amnesty International, Human Rights Watch en Oxfam als «antisemitisch» te classificeren, op grond van hun werkzaamheden in Israël en Palestina, waarbij de IHRA-definitie volgens mediaberichten als maatstaf zou dienen?[5]
Antwoord
Zolang berichten zich niet vertalen in concreet beleid, acht ik het niet opportuun een inhoudelijke reactie te geven.
10
Vraag
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, graag binnen de reguliere termijn?
Antwoord
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de reguliere termijn te beantwoorden. Ik heb de vragen wel afzonderlijk beantwoord.
