Vragen en antwoorden
12 vragen
1
Vraag
Bent u bekend met het bericht 'Ter Apel stroomt vol mensen met 'onbekende nationaliteit': 'Grootste deel is Palestijn'?[1]
Antwoord
Ja.
2
Vraag
Hoe verhoudt het aantal asielaanvragen van januari en februari 2026 dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is geregistreerd onder de noemer 'onbekende nationaliteit' zich tot dezelfde periode in 2025? Is er sprake van een stijging, en zo ja, met hoeveel procent?
Antwoord
In 2026 tot en met februari werden 750 eerste asielaanvragen geregistreerd van vreemdelingen met een onbekende nationaliteit. In dezelfde periode in 2025 waren dat nog ca. 130 eerste asielaanvragen. Het aantal in 2026 tot en met februari is daarmee 489% hoger dan in dezelfde periode in 2025. (Bron: IND Asylum Trends, januari 2026 en maart 2026. Cijfers afgerond op tientallen)
3
Vraag
Hoeveel van de asielaanvragen in januari en februari 2026 die zijn geregistreerd onder de noemer 'onbekende nationaliteit' zijn afkomstig van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode in 2025?
Antwoord
De gevraagde cijfers kunnen niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden. Iemand staat in dit geval immers geregistreerd onder 'onbekende nationaliteit'. Vanwege de toename van registraties onder 'onbekende nationaliteit' heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft. Voor de aanvragers die al bescherming hebben in Griekenland onderzoekt de IND of de aanvraag in Nederland ontvankelijk moet worden geacht, omdat de vreemdelingen niet naar Griekenland kunnen terugkeren, of dat de aanvraag als niet-ontvankelijk moet worden afgedaan. Zie ook het antwoord op vraag 7. Daarnaast is de relatief hoge instroom van (staatloze) Palestijnen in de afgelopen jaren te verklaren door de conflicten in Syrië en, recenter, Libanon en de Palestijnse gebieden.
4
Vraag
Wat zijn andere verklaringen voor de stijging van het aantal asielaanvragen die door de IND zijn geregistreerd onder de noemer 'onbekende nationaliteit'?
Antwoord
Zie antwoord vraag 3.
Zie antwoord op vraag 3
5
Vraag
In hoeverre heeft de IND inzicht in de samenstelling van de asielaanvragen die worden geregistreerd onder de noemer 'onbekende nationaliteit?' Beperkt deze vorm van registratie de mogelijkheid van de IND en van uw ministerie om bij te sturen bij een plotselinge en onverwachte toename van de asielinstroom?
Antwoord
Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten, om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld of om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt. Dat een Palestijn geregistreerd staat onder 'onbekende nationaliteit' wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en waar hij zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. In dat geval kan het asielrelaas tegen deze achtergrond beoordeeld worden.
6
Vraag
Welk beoordelingskader past de IND toe bij het beoordelen van asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond die al decennia in Syrië of Libanon verblijven? Heeft deze groep een grotere kans op een verblijfsvergunning dan Syriërs of Libanezen? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak?
Antwoord
In elke asielaanvraag beoordeelt de IND eerst wat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is. Voor Palestijnen geldt dat dit, waar het om nationaliteit en herkomst gaat, sterk uiteenloopt en afhankelijk is van het land waar iemand zich bevond en het nationaliteitsbeleid dat daar wordt gevoerd. Daarom beoordeelt de IND eerst uit welk land de vreemdeling met een Palestijnse achtergrond afkomstig is en of hij de nationaliteit van dat land heeft of dat hij staatloos is. Wanneer een Palestijn de nationaliteit heeft verkregen van een land, dan toetst de IND de asielaanvraag op dezelfde wijze als de aanvragen van andere asielzoekers uit dat land. Bij de beoordeling van een asielaanvraag van een Palestijn zonder nationaliteit van een land, toetst de IND altijd eerst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hiermee wordt vastgesteld of diegene onder het mandaat van UNRWA valt. Personen die bescherming of bijstand genieten van UNRWA zijn namelijk uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Kortweg geldt dat deze personen direct recht hebben op de vluchtelingenstatus wanneer de bescherming of bijstand door de UNRWA ophoudt, om redenen buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de staatloze Palestijn (bijv. wegens een gewapend conflict), tenzij een andere uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Als artikel 1D niet van toepassing is op de asielaanvraag van een staatloze Palestijn, toetst de IND de asielaanvraag binnen de standaard asielprocedure aan de hand van het geldende kader of landenbeleid.
7
Vraag
Bent u van plan om lessen te trekken uit de door België in augustus 2025 getroffen maatregelen om het voor asielzoekers met een Palestijnse achtergrond lastiger te maken om een verblijfsvergunning te krijgen?
Antwoord
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleend aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd. Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven. Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.). Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek "niet-ontvankelijk" worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep. Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
8
Vraag
Bent u van plan om soortgelijke maatregelen te treffen om het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond ook in Nederland te laten afnemen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Zie antwoord vraag 7.
Zie antwoord op vraag 7
9
Vraag
Welke andere maatregelen kan Nederland verder nemen om het aantal asielzoekers met een Palestijnse achtergrond dat naar Nederland komt zoveel mogelijk te beperken? Bent u van plan deze maatregelen ook daadwerkelijk te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Buiten de beschreven situatie van de Griekse statushouders, geldt dat de instroom van asielzoekers afhankelijk is van een groot aantal interne en externe op elkaar inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en EU-maatregelen, is instroom in belangrijke mate afhankelijk van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. In het bijzonder is dat het geval als wordt gekeken naar de redenen van asielmigranten om te vertrekken. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkele afzonderlijke maatregelen, maar met een samenhangend pakket aan maatregelen op het brede terrein van migratie en asiel, zowel nationaal als in EU-verband. De inwerkingtreding van het Pact op 12 juni aanstaande is daarbij belangrijk, net als de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel.
10
Vraag
In hoeverre kan de uitbreiding van het 'veilig derde landen-concept' ertoe leiden dat asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond sneller kunnen worden afgewezen? Wanneer denkt u dat de effecten hiervan zichtbaar zullen zijn in de instroomcijfers?
Antwoord
Vanaf 12 juni 2026 is het bandencriterium niet langer een verplichtende voorwaarde om het veilig derde land-concept te kunnen toepassen. Onder het Pact kan de IND een derde land tegenwerpen als veilig derde land: als er een band bestaat tussen de vreemdeling en het derde land, op grond waarvan het redelijk zou zijn naar dat land terug te keren, als de vreemdeling op weg naar de lidstaat door het land is gereisd, of als er sprake is van een overeenkomst tussen de Unie, een of meer lidstaten of een of meer lidstaten en derde landen, enerzijds, en het betreffende derde land anderzijds. De overige bestaande voorwaarden blijven daarbij van toepassing, zoals het vereiste dat de vreemdeling in het derde land kan verzoeken om effectieve bescherming. De IND maakt steeds een individuele beoordeling. Het bovenstaande is van toepassing op alle verzoekers die om internationale bescherming vragen, dus ook op asielzoekers met een Palestijnse achtergrond.
11
Vraag
Hoe groot schat u het risico dat een stijging van het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond kan leiden tot extra gezinshereniging en nareis vanuit Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke wijze wordt hierbij voorkomen dat gezinshereniging wordt misbruikt om terroristen naar Nederland te laten komen?
Antwoord
Nareis is een bijzondere vorm van gezinshereniging die bedoeld is om het gezinsleven van de asielstatushouder zoals dat bestond vóór de vlucht te herstellen. Wanneer iemand een nareisaanvraag indient, beoordeelt de IND of de statushouder en de potentiële nareizigers aan de voorwaarden voor nareis voldoen. Dat is steeds een individuele toets. Daarbij beoordeelt de IND op basis van alle feiten en omstandigheden of er daadwerkelijk sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit houdt in dat de referent daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan de gezinsband. De referent moet de feitelijke gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen onderbouwen. Het is mogelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken wanneer de gezinsleden lang gescheiden van elkaar hebben geleefd. Ook beoordeelt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire. Onder meer bij brief van 27 juni 2025 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
12
Vraag
Klopt het dat een groot deel van de asielzoekers met een Palestijnse achtergrond verblijvend in Syrië en Libanon al decennialang gescheiden leven van eventuele gezinsleden in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, deelt u de opvatting dat nareisaanvragen hierdoor nauwelijks kans van slagen zouden mogen hebben?
Antwoord
Zie antwoord vraag 11.
Zie antwoord op vraag 11

