Inhoud
> Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag
de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Bezuidenhoutseweg 67
2594 AC Den Haag
Datum
30 juni 2026
Betreft
Verzamelbrief vastgoed en leefomgeving
Ministerie van DefensiePlein 4MPC 58 BPostbus 207012500 ES Den Haagwww.defensie.nlOnze referentieMINDEF20260032756D2026-002391Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.
Geachte voorzitter,
Een toekomstbestendige krijgsmacht vraagt om meer mensen, modern materieel, innovatie en de randvoorwaarden om realistisch te oefenen, trainen en opleiden. Defensie zet in op een krijgsmacht met een wendbare en robuuste ondersteuning die kan opschalen. Gevormd door militairen, reservisten en burgers met bijbehorende logistiek, munitie en voorraden, IT, verbindingen, vastgoed en oefenruimte. De uitdaging is omvangrijk. Defensie wil versneld gereedstellen en groeien in balans met onze leefomgeving. Sinds de laatste verzamelbrief van 12 februari 2026 hebben zich op dit domein nieuwe ontwikkelingen voorgedaan. In deze brief informeer ik uw Kamer over de ontwikkelingen op de volgende onderwerpen op het gebied van vastgoed en leefomgeving waarin Defensie werkt aan die balans:
Vastgoed:
Commandopost Vastgoed (CPV);
Standaardisatie;
Energiezekerheid en autonoom voortzettingsvermogen;
Verduurzaming vastgoed Defensie.
Leefomgeving:
Ondertekening van het Afsprakenkader tussen provincie Gelderland en Defensie;
Natuurbranden op Defensieterreinen;
PFAS;
Regio Amersfoort tot Zeist;
Voorrang op het spoor;
Compensatie Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD).
Vastgoed: Commandopost Vastgoed
In de verzamelbrief van februari 2026 is uw Kamer geïnformeerd over de oprichting van de Commandopost Vastgoed (CPV): de regieorganisatie tussen Defensie, het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en de markt. Het doel van de CPV is om de realisatie van de vastgoedbehoefte van Defensie structureel te verhogen en te versnellen. Deze grotere vastgoedbehoefte komt mede vooruit uit de groei en versnelde gereedstelling van de krijgsmacht.
Sinds de oprichting van de CPV is gewerkt aan het verbeteren van de vastgoedketen van Defensie en het RVB door de beweging te maken van saneren naar investeren. Hiervoor is onder andere de behoefte van de groeiende krijgsmacht nader in beeld gebracht. Hieruit blijkt dat een groot deel van deze behoefte te standaardiseren en te industrialiseren is, wat in de alinea over standaardisatie uitgebreider wordt toegelicht.
In 2025 zijn rondetafelconferenties georganiseerd met marktpartijen, zoals bouwbedrijven en ingenieursbureaus, rond de vraag hoe de samenwerking met de markt kan worden versterkt. Deze worden nu omgezet naar markttafels, op specifieke thema’s zoals energie, standaardisering, gebiedsontwikkeling, die breed toegankelijk zijn zodat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de kennis en potentie in de markt. De projectrealisatie via het RVB is gestegen van circa 400 miljoen euro in 2024 naar circa 575 miljoen euro in 2025. Dit is exclusief de uitgaven voor onderhoud. In de realisatie is vertraging als gevolg van de problematiek rond stikstofdepositie merkbaar. Het ambitieniveau ligt hoger wat noodzakelijk is om de vastgoed- en infra opgave te kunnen realiseren. De doelstelling voor de komende jaren is door te groeien naar uiteindelijk 2 miljard euro projectrealisatie. Hiervoor is het nodig dat de samenwerking met de markt verder wordt geïntensiveerd en dat de markt vroeger in het proces wordt betrokken. De genoemde markttafels is één van de instrumenten. Vigerende wet- en regelgeving zijn hierbij vanzelfsprekend het uitgangspunt.
Tevens is een inventarisatie gedaan van 30 locaties om te analyseren op welke van deze bestaande en nieuwe locaties de geplande behoefte aan renovatie en nieuwbouw kan worden geaccommodeerd en wat de impact is van de omgevingsfactoren op de realisatie hiervan. De conclusie van deze eerste inventarisatie is dat van de verschillende belemmerende factoren stikstof en netcongestie ook voor deze locaties de belangrijkste zijn om op korte termijn tot de realisatie van de opgave te komen. Voor netcongestie zullen alternatieve energiescenario’s vanuit Defensie een deel van de oplossing moeten vormen. Stikstof is de grootste uitdaging waarvoor een oplossing moet worden gezocht, omdat de Defensie-locaties veelal in of dichtbij Natura 2000-gebieden liggen waardoor de vergunningverlening voor renovatie en nieuwbouw hier stokt. Defensie onderzoekt in nauwe samenwerking met de betrokken ministeries welke mogelijkheden er per locatie zijn. In de Stand van Defensie in het najaar informeren wij u over de voortgang.
Vastgoed: Standaardisatie In de verzamelbrieven van juli 2025 en februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de ingezette versnellingsmogelijkheden voor ons vastgoed. Standaardisatie van nieuwe gebouwsoorten is een van de manieren om te versnellen. Dit stelt Defensie in staat sneller en in grotere volumes nieuw vastgoed te realiseren door de ontwerp-, besluitvormings- en bouwtijd te verkorten. In de afgelopen periode is uitvoering gegeven aan het standaardiseren en het industrialiseren van legeringsgebouwen. De behoefte hiervoor is door het RVB aanbesteed en in opdracht gegeven. De planning is dat eind 2026, in Leeuwarden, het eerste gestandaardiseerde legeringsgebouw in gebruik wordt genomen, en in Volkel in 2027. Naast legering worden op dit moment ook standaarden ontwikkeld voor de gebouwcategorieën kantoren, leslokalen, werkplaatsen en magazijnen.
Vastgoed: Energiezekerheid en autonoom voorzettingsvermogen
Energie is een essentiële randvoorwaarde voor de gevechtskracht en het voortzettingsvermogen en de groei van Defensie. Kazernes, trainingslocaties, kampementen, vaartuigen, vliegtuigen, voertuigen en informatietechnologie moeten tijdig, betrouwbaar en veilig van energie worden voorzien. Verstoring of uitval van de energievoorziening op defensielocaties leidt tot het stagneren of stoppen van essentiële processen zoals commandovoering, informatievoorziening, communicatie en ondersteuning en vormt daarmee een gevaar voor de nationale veiligheid.
De komende jaren neemt de elektriciteitsvraag van Defensie toe door groei en elektrificatie. Defensielocaties zijn daarvoor in sterke mate afhankelijk van externe ketens (het elektriciteitsnet, fossiele brandstoffen en kritieke grondstoffen). Tegelijkertijd staan die ketens onder toenemende druk door netcongestie, geopolitieke spanningen en hybride dreigingen. Defensie zet daarom in op energiezekerheid en -onafhankelijkheid voor haar locaties, om de weerbaarheid te vergroten, afhankelijkheid van kwetsbare ketens te verminderen en uitbreiding te faciliteren ondanks beperkte netcapaciteit.
Voor het faciliteren van de groeiopgave heeft Defensie aanvullende netcapaciteit nodig. Vanaf 1 juli 2026 zal de beschikbare ruimte op het net conform het prioriteringskader van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) worden uitgegeven. Binnen dit kader doet Defensie een beroep op haar prioriteitsstatus (ACM-categorie 2: veiligheid – Krijgsmacht). De gevraagde capaciteit wordt voor 1 januari 2027 aangescherpt en verfijnd. Capaciteit die hierdoor mogelijk vrijvalt, kan alsnog tijdig worden toegewezen aan andere prioriteiten.
Daarnaast werkt Defensie met behulp van energiemasterplannen maatregelen uit die de energiezekerheid en -onafhankelijkheid vergroten. Uitgangspunt daarbij is om nieuwe en bestaande locaties netbewust te ontwikkelen en waar mogelijk als congestieverzachter op te treden. Deze plannen geven inzicht in de benodigde infrastructuur en maatregelen op het gebied van opwek, opslag, energiebesparing, vraagsturing en noodvoorzieningen. Dit jaar wordt gestart met een eerste tranche locaties. Bij de uitwerking zoekt Defensie actief de samenwerking op met regionale partners, via bestaande contacten uit lopende projecten en gebiedsontwikkelingen.
Ook op het gebied van fossiele brandstoffen, waarvan de beschikbaarheid sterk wordt beïnvloed door geopolitieke onzekerheden, wil Defensie minder kwetsbaar zijn. De afhankelijkheid hiervan voor rijden, vliegen en varen wordt verminderd door het diversifiëren van energiebronnen. Bijvoorbeeld door bijmengen van biobrandstoffen, synthetische en geavanceerde biobrandstoffen (E-fuels, met name voor vliegtuigen) en elektrificatie, mits dit passend is in de operationele context.
Zoals benoemd in de Uitvoeringsagenda Energie en Duurzaamheid, ontwikkelt Defensie een Roadmap Energiezekerheid. Een eerste versie hiervan publiceert Defensie in juli van dit jaar. Deze Roadmap schetst op hoofdlijnen de huidige situatie, de verwachte ontwikkelingen en de belangrijkste doelen van Defensie op het gebied van energiezekerheid. De inhoud van de Roadmap wordt jaarlijks geactualiseerd.
Vastgoed: Verduurzaming vastgoed Defensie Uw Kamer is eerder geïnformeerd dat Defensie zal voldoen aan de energiebesparingsplicht door het realiseren van de Erkende Maatregelen (EML) en de energielabel C-verplichting voor kantoren. Met bijna 55.000 te nemen maatregelen in ongeveer 3.500 gebouwen, waarvan 351 kantoren is dit een forse operatie. Over het tempo van de verduurzamingsmaatregelen zijn afspraken gemaakt met de bevoegde gezagen (gemeenten, omgevingsdiensten en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)). In 2025 is de omslag gemaakt van de opstartfase naar de inrichtingsfase en in 2026 is de realisatiefase gestart.
In 2025 is de realisatie op de energiebesparingsplicht opgelopen van 0,2% naar 4% en in het eerste tertiaal van 2026 naar 5%. Dit percentage is uitgedrukt in de realisatie van de (potentiële) CO2-reductie. De gerealiseerde voortgang is vooral te danken aan de uitvoering van EML-maatregelen binnen instandhouding en reguliere investeringsprojecten/-programma’s, waaronder het Bliksembeveiligingsprogramma (LED-verlichting en drogeluchtsystemen) en het Programma ‘Verbetering Legering Defensiebreed’ (onder andere LED-verlichting). In 2025 zijn (vrijwel) alle kantoorgebouwen van Defensie geïnspecteerd op hun energielabel. Het aantal kantoorgebouwen dat minimaal energielabel C heeft en daarmee voldoet aan de wetgeving is groter dan in 2024 werd ingeschat, namelijk 154 kantoren. De opgave blijft ondanks de gereduceerde omvang aanzienlijk, omdat voor 197 kantoren een Energielabel D-G is vastgesteld.
In het tweede tertiaal van 2026 starten de EML-inspecties, waarbij de verwachting is dat parallel aan de inspecties ook de uitvoering aanvangt. De prognose is dat in het tweede tertiaal van 2026 daarom de realisatie toeneemt en in het laatste tertiaal van 2026 nog verder oploopt, tot minimaal 25% van de totaalopgave. Dit komt overeen met het doel zoals dat de bevoegde gezagen is overeengekomen, namelijk 100% realisatie in 2029. Uitdagingen in de uitvoering hebben helaas een negatief effect op het realisatievermogen. Binnen het kantorenspoor is de verwachting dat ongeveer 100 van de (maximaal) 197 energielabel D-G kantoorgebouwen nog in 2026 op minimaal label C-niveau worden gebracht om zo koers te houden richting 100% realisatie in 2027. Defensie en RVB bewaken, in nauw contact met de bevoegde gezagen, actief de voortgang op doelstellingen en werken aan een geactualiseerde prognose. Uw Kamer wordt over de voortgang in de Stand van Defensie in het najaar opnieuw geïnformeerd.
Leefomgeving: Ondertekening Bestuurlijk Afsprakenkader Defensie – provincie Gelderland
Op 20 mei 2026 hebben de gedeputeerde van provincie Gelderland, de heer Peter Drenth, en ik een Bestuurlijk Afsprakenkader ondertekend. Dit afsprakenkader legt vast hoe Defensie en de provincie de komende periode gezamenlijk uitwerking gaan geven aan de uitbreidingsplannen van Defensie in deze provincie. Zo is overeengekomen dat tijdig afspraken worden gemaakt over de inzet van planologische procedures en vergunningen en dat er oog is voor de cumulatie van activiteiten en effecten op de Veluwe. Tevens is overeengekomen dat wordt verkend welke initiatieven nodig zijn voor een goede bereikbaarheid van militaire objecten en dat Defensie werkt aan de diversificatie van energiebronnen voor eigen opwekking van energie, onder andere als deeloplossing voor de netcongestieproblematiek. Daarnaast heeft Defensie aandacht voor de mogelijkheden binnen het aanbestedingsrecht op basis waarvan lokale en regionale leveranciers in aanmerking kunnen komen voor Defensie-opdrachten. Wensen en voorkeuren vanuit de omgeving worden zorgvuldig gewogen en waar mogelijk meegenomen.
Om de uitbreidingslocaties van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) en de overige defensieopgaven effectief en efficiënt te kunnen realiseren, bereiden de provincie Gelderland en Defensie zich – ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid – gezamenlijk voor op de uitvoeringsfase. Daarbij wordt aansluiting gezocht met de ‘Gelderse Aanpak Veluwe’, met als insteek een structurele stikstofreductie te borgen op en rond de Veluwe. De ondertekening van het Bestuurlijk Afsprakenkader markeert de bestendiging van een structurele samenwerking gericht op verdere duurzame verankering van Defensie in de provincie Gelderland.
Leefomgeving: Natuurbranden op Defensieterreinen
Dit voorjaar heeft Nederland te maken gehad met enkele natuurbranden op defensieterreinen. Naar aanleiding van deze branden heeft Defensie een evaluatie uitgevoerd om eventuele verbeterpunten te identificeren. In de Kamerbrief verzonden op 11 mei jl. is toegezegd uw Kamer nader te informeren over deze evaluatie. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen verzonden op 11 mei jl. is Defensie door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) gevraagd om voor 1 juli a.s. verbetervoorstellen op te stellen en deze met de ILT te delen. Op 15 juni hebben Defensie en ILT de eerste bevindingen met elkaar besproken, waarbij is bevestigd dat de evaluatie eind juni gereed is en dat Defensie dit ook bespreekt met de Veiligheidsregio’s.
Naast de evaluatie is de Inspectie Veiligheid Defensie (IVD) gestart met een thematisch onderzoek naar natuurbranden. Naar verwachting is dit onderzoek eind 2026 afgerond.
Evaluatie
Het huidige protocol is geëvalueerd op basis van de evaluaties van de oefenende eenheid op het Artillerie Schietkamp (ASK), dossiers van de twee branden uit 2025 (Ginkelse Heide en Oirschotse Heide) van het Openbaar Ministerie (OM) en de processen-verbaal van de branden uit 2026 (Oirschotse Heide en Weerterheide) van het OM.
De bevindingen uit deze evaluaties zijn als volgt:
Het protocol biedt een dekkend kader voor diverse scenario’s, maar qua kennis over de toepassing ervan zijn er verbetermogelijkheden.
De omschrijving van pyrotechnische middelen in het protocol vraagt om aanscherping.
Bij vervanging of (tijdelijke) afwezigheid van in het protocol opgenomen functionarissen zoals Leider der Oefening (LDO) of de terreinopzichter kunnen risico’s ontstaan. Verdere borging van deze rollen en bijbehorende verantwoordelijkheden in het protocol en in de praktijk is nodig.
Verbetervoorstellen
Op basis van deze bevindingen is het protocol aangescherpt. De concrete aanpassingen zijn:
Er is een scherper onderscheid gemaakt tussen pyrotechnische middelen en oefenmunitie;
Bij gebruik van oefenmunitie bij brandrisicofase 2 moeten binnen een straal van 25 meter brandbestrijdingsmiddelen aanwezig zijn;
De terreinopzichter heeft het mandaat om de geplande of reeds aangevangen oefening te staken. Dit besluit moet vooraf in overleg met de verantwoordelijke C-BaseCo, of zijn/haar vervanger, worden afgestemd.
Naast deze aanpassingen in het protocol zal tijdens opleidingen meer aandacht worden gegeven aan het risico van natuurbranden. Ook zal jaarlijks in het voorjaar een sessie worden georganiseerd voor de terreinopzichters en vertegenwoordigers van de diverse Defensie-eenheden om het protocol, en de toepassing daarvan te bespreken.
Specifiek voor het ASK is het protocol voor het gebruik van de springput aangepast. In brandrisico fase 2 zal voortaan altijd een peloton Natuurbrandbestrijding van de Defensie Brandweer (NBB DBW) op korte afstand stand-by staan. Zowel vanuit Defensie als vanuit de contacten met de Veiligheidsregio’s wordt een behoefte onderkend om tot een vroegtijdige signalering van een toegenomen brandrisico te komen. Op dit moment loopt een pilot in samenwerking met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om te bezien op welke wijze in brandrisico fase 1 bij militaire activiteiten kan worden opgeschaald naar een brandrisico fase 2 situatie, nog voordat de Veiligheidsregio deze heeft afgekondigd. De eerste resultaten van deze pilot verwacht ik in Q3 2026.
Met het implementeren van deze verbetervoorstellen kan de krijgsmacht ten tijde van natuurbrandrisicofase 2 blijven oefenen en wordt het risico op natuurbranden verder beperkt.
Herstel van de oefenterreinen
Direct na de branden zijn diverse maatregelen genomen om natuurherstel te bevorderen. Zo zijn er op ASK-terrein enkele honderden stobben neergelegd om schuilplaatsen te creëren voor fauna zoals insecten en hagedissen. In de weken na de brand zijn in het getroffen gebied diverse hagedissen waargenomen. Ook zijn op een aantal heideterreinen vliegdennen neergelegd. Het oefenterrein staat bekend om zijn hoge aantallen broedgevallen van de grauwe klauwier. Uit onderzoek in voorgaande jaren van deze populatie is bekend dat de soort een voorkeur voor nestgelegenheid heeft in een omgezaagde of omgewaaide vliegden. Op het moment van de brand waren de vogels nog niet terug van de trek en daardoor niet getroffen. In de weken na de brand zijn meerdere exemplaren waargenomen op de neergelegde vliegdennen. Daarnaast zijn klauwieren waargenomen op locaties op het defensieterrein die nog niet eerder waren bezet door deze soort.
Op het moment werken we aan een plan waarin de getroffen bossen worden herbebost. Dit zal zowel door aanplant als natuurlijke vestiging van bomen geschieden. Deze bossen bestonden nagenoeg alleen uit grove den, een naaldboomsoort. Bij de herbebossing zal er veel meer gebruik gaan worden gemaakt van loofhout, waardoor uiteindelijk meer waardevolle en biodiverse bossen ontstaan, die ook een brandvertragende functie hebben
Voor herstel van de heidetreinen zal er worden ingezet op meer (structuur)variatie. Een op het ASK-terrein aanwezige landschappelijke erosiewatergeul zal worden benut om middels maaibeheer een meer natte variant van heidebegroeiing te realiseren. Voordeel hiervan is de brandremmende werking en de bijdrage aan meer biodiversiteit.
Leefomgeving: PFAS
Uw Kamer is op 31 maart 2025, 3 juli 2025 en 12 februari 2026 geïnformeerd over de programmatische PFAS-aanpak van Defensie. In deze aanpak is aandacht voor het verkrijgen van inzicht en kennis, het uitvoeren van onderzoek, communicatie en het voorkomen van zowel blootstelling aan als de verspreiding van PFAS. Onderdeel van de aanpak is met een risicogestuurd saneringsplan PFAS-risico’s in bodem en water (grond en oppervlakte) te beheersen. Defensie is met de laatste stap van het risicogestuurd saneringsplan bezig, waarbij een kosten-baten-afweging wordt gemaakt om te komen tot de meest effectieve en financieel duurzame oplossing per locatie. De ILT beoordeelt de resultaten hiervan. Zodra deze bekend zijn, informeer ik uw Kamer hierover in de volgende verzamelbrief. In de vorige Kamerbrief informeerde ik uw Kamer over de pilot in Leeuwarden voor het verwerken van verontreinigde klei. De afgelopen maanden is onder andere samen met het RVB gewerkt aan een saneringsplan voor vliegbasis Leeuwarden. De ILT geeft voor de zomer een beoordeling waarna het plan kan worden uitgevoerd. Daarnaast heeft Defensie via een maatwerkvoorschrift toestemming gekregen van de gemeente Leeuwarden om een beperkte hoeveelheid gezuiverd grondwater op het riool te lozen. Deze stap was nodig voor de voortzetting van een pilot die in 2025 is gestart en waarbij circa 99% van de PFAS uit het grondwater kon worden verwijderd door middel van actieve koolfilters.
Leefomgeving: Regio Amersfoort tot Zeist (A-Z) Defensie werkt in de gebiedssamenwerking Amersfoort tot Zeist (A-Z) met de provincie Utrecht, de gemeenten Amersfoort, Leusden, Soest, Zeist, het waterschap Vallei en Veluwe en het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden aan de uitbreidings- en intensiveringsopgave van Defensie. Hierover heb ik uw Kamer op 16 september 2025 geïnformeerd in de Stand van Defensie. Op 13 februari 2026 zijn het Bestuurlijk Akkoord 2.0 (BAK 2.0) en drie clusterovereenkomsten door de betrokken partijen ondertekend, waarmee een belangrijke stap is gezet in het vervolgproces en de basis is gelegd om de groei van Defensie in dit gebied mogelijk te maken.
Door de inzet van ontwerpend onderzoek is gewerkt aan een gezamenlijk gebiedsperspectief voor het gebied A-Z, waarin rekening is gehouden met natuur, wonen, werken, water, recreatie en Defensie. Hierdoor kan de opgave van Defensie in dit gebied in samenhang met regionale opgaven worden opgepakt, voor een toekomstbestendige en duurzame inrichting van de Utrechtse Heuvelrug. Het gebiedsperspectief vormt met de gesloten overeenkomsten het bestuurlijk fundament voor de verdere samenwerking. Per deelgebied (Oost, Midden en West) zijn concrete vervolgstappen, inspanningsverplichtingen en rollen en verantwoordelijkheden vastgelegd in de drie clusterovereenkomsten. Voor Defensie betekent dit concreet een verschuiving van eenheden met logistieke taken naar de concentratie van eenheden met operationele taken. Logistieke taken worden overwogen wanneer zij een directe meerwaarde bieden voor operationele taken.
Voor de gebiedssamenwerking A-Z is bewust gekozen voor een andere werkwijze dan de reguliere planvorming binnen Defensie. Door bij de start van het proces, binnen bestuurlijk vastgestelde kaders en met geborgd draagvlak, planologische ontwikkelpotentie en het laadvermogen (maximaal benutten van het gebied) per kazerne vast te leggen, is vooruitgelopen op toekomstige operationele keuzes. Deze aanpak vergroot de strategische handelingsruimte van Defensie, maakt versnelling mogelijk zodra concrete vastgoedbehoeften ontstaan en voorkomt dat bij toekomstige groei opnieuw langdurige planprocedures moeten worden doorlopen. Waar opportuun zullen we deze aanpak vaker toepassen.
Naast het creëren van planologische ruimte worden lopende en geplande projecten apart uitgewerkt en uitgevoerd. Dit betreft onder andere de verhuizing van het 45e Pantserinfanteriebataljon, het Technologie Centrum Land, het Logistiek Centrum Soesterberg en de revitalisering van de Bernhardkazerne. Hierover bent u in de Stand van Defensie Najaar 2025 geïnformeerd..
Leefomgeving: Motie-Boon inzake Voorrang op het spoor
Tijdens het Notaoverleg Definitief NPRD op 13 april jl. heeft het lid Boon c.s. een motie ingediend, die is aangenomen, die het kabinet verzoekt om het transport van militair materieel naar redelijkheid prioriteit te geven op het spoor (36592, nr. 67). In dat kader wordt momenteel door de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met het ministerie van Defensie en in nauwe afstemming met ProRail, gewerkt aan de wijziging van het ‘Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur’. Hiervoor heeft recent een internetconsultatie plaatsgevonden. Het doel van de wijziging is een juridisch instrument te creëren waarmee in specifieke, urgente gevallen capaciteit kan worden vrijgemaakt voor militair transport. De uitvoering van de motie wordt in dit lopende traject meegenomen. Uw Kamer wordt later dit jaar geïnformeerd over de uitkomsten van de internetconsultatie de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.
Leefomgeving: Volledige schadeloosstelling, nadeelcompensatie en schaduwschade in relatie tot uitbreidingen Defensie
De uitbreiding van Defensie in de fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor personen of bedrijven. In het Notaoverleg Definitief NPRD op 13 april jl. heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over hoe Defensie met deze gevolgen omgaat. In de Omgevingswet is geregeld hoe schade die ontstaat door overheidsingrijpen in de fysieke leefomgeving kan worden behandeld. De wet maakt daarbij onderscheid tussen schadeloosstelling bij onteigening, nadeelcompensatie en schaduwschade. In lijn met de Omgevingswet hanteert Defensie zowel schadeloosstelling bij onteigening als nadeelcompensatie.
Volledige schadeloosstelling
Defensie heeft een proces ingericht om op een zo vroeg mogelijk moment een volwaardig en waardig perspectief te kunnen schetsen en bieden aan getroffenen die hun eigendom of zakelijk recht verliezen vanwege de uitbreiding van Defensie. Waar het gaat om grondverwerving is dat perspectief in beginsel gericht op volledige schadeloosstelling. Dit betekent dat niet alleen de waarde van de grond en opstallen wordt vergoed, maar ook andere schadeposten worden meegenomen. Bijvoorbeeld misgelopen omzet of investeringen die niet kunnen worden terugverdiend. Het uitgangspunt is dat Defensie zich inspant om zoveel als mogelijk tegemoet te komen aan de wensen van partijen en personen die door de ruimtevraag van het NPRD hun grond, bedrijf of woning verliezen. Zo heeft Defensie rentmeesters aangesteld die als vast aanspreekpunt dienen voor betrokkenen. De rentmeesters zetten zich actief in om toekomstperspectief te bieden aan de betrokkenen door bijvoorbeeld kansen voor bedrijfsverplaatsing te identificeren. Indien betrokkenen de wens hebben om naast de rentmeester elders onafhankelijk advies in te winnen, dan wordt dit vergoed door Defensie.
Nadeelcompensatie
Nadeelcompensatie is een vergoeding voor schade die wordt veroorzaakt door rechtmatig overheidshandelen dat burgers, bedrijven of organisaties onevenredig zwaar treft en waarbij de schade uitgaat boven het normaal maatschappelijk (ondernemers)risico. Een benadeelde kan hiervoor een verzoek indienen bij de betrokken overheid, in dit geval Defensie. In de Algemene wet bestuursrecht en de Omgevingswet is bepaald onder welke voorwaarden iemand in aanmerking komt voor nadeelcompensatie. Voorzienbaarheid speelt hierbij een belangrijke rol: als de schade redelijkerwijs te verwachten was, vervalt het recht op nadeelcompensatie. Defensie zal vanwege de aanstaande uitbreidingen te maken krijgen met verzoeken om nadeelcompensatie. Om die reden werkt Defensie momenteel aan beleidsvorming en de organisatorische inrichting van de behandeling van nadeelcompensatieverzoeken.
Schaduwschade
Schaduwschade is schade die ontstaat vóórdat een formeel besluit is genomen, bijvoorbeeld door de aankondiging of voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling. Schaduwschade komt niet voor vergoeding in aanmerking. In de Omgevingswet is bepaald dat nadeelcompensatie alleen mogelijk is bij schade die het rechtstreeks gevolg is van een besluit dat is vastgesteld en in werking getreden is. Zowel eigenaren als gebruikers kunnen daarom geen vergoeding claimen zolang een ontwikkeling nog een beleidsvoornemen is. De wetgever heeft dit bewust zo geregeld, onder meer om te voorkomen dat beleidsvorming en participatie worden belemmerd.
Defensie streeft ernaar dat betrokkenen zich bij de uitvoering van het NPRD gehoord voelen en weten dat Defensie zich inspant om transparante en zorgvuldige oplossingen te bieden binnen de wettelijke kaders.
Tot slot
Alle bovengenoemde ontwikkelingen dragen voor Defensie bij aan het sneller gereed zijn voor de
toekomst. Onze mensen zijn daarbij het hart van de organisatie. Zij hebben werkomstandigheden nodig waarin zij optimaal hun belangrijke werk kunnen uitvoeren. Materieel en munitie dient veilig te kunnen worden opgeslagen en onderhouden. Defensie wil een vastgoedportefeuille die financieel in balans is en kan bijdragen aan duurzaamheid. Modern en toekomstbestendig vastgoed en een goede samenwerking met de leefomgeving zijn randvoorwaarden voor een groeiende krijgsmacht. Op deze manier kan Defensie nu en in de toekomst blijven beschermen wat ons dierbaar is.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE
Derk Boswijk
