Inhoud
36 918Wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding in verband met de permanentmaking van die wet en enkele andere wijzigingen
Nr. 5Verslag
Vastgesteld 24 april 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.
I. Algemeen2
1. Inleiding3
2. Terroristische dreiging en contraterrorisme 4
2.1 Aanhoudende dreiging4
2.2 Terrorismeveroordeelden met hoger dreigingsprofiel uit detentie5
3. De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelenterrorismebestrijding 6
3.1 Onderdeel van de persoonsgerichte aanpak6
3.2 Doelstelling6
3.3 De bestuurlijke maatregelen7
4. Evaluatie Twbmt, beleidsreactie en voorgestelde maatregelen 8
4.1 Conclusies evaluatierapport8
4.2 Beleidsreactie8
4.2.1 Noodzaak behoud vrijheidsbeperkende maatregelen8
4.2.2. Schrappen grondslag afwijzen aanvraag voor een besluit af te wijzen, of een genomen besluit in te trekken9
4.2.3 Evalueren11
II. Overig11
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding in verband met de permanentmaking van die wet en enkele andere wijzigingen (hierna: het wetsvoorstel). Deze leden onderschrijven het belang van een doelmatige en efficiënte aanpak van terrorisme en extremisme om de nationale veiligheid te garanderen. Tegelijkertijd constateren voornoemde leden dat het wetsvoorstel ingrijpende maatregelen bevat die tot een beperking van diverse grondrechten kunnen leiden, wat vraagt om een uitgebreide onderbouwing van de noodzaak van het wetsvoorstel. De aan het woord zijnde leden zijn daarnaast van mening dat een doelmatige aanpak van terrorisme vraagt om zowel het nemen van maatregelen met betrekking tot de veiligheid als maatregelen met betrekking tot preventie. In dat kader hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij delen de noodzaak die de regering beschrijft om de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (hierna: Twbmt) permanent te maken. Deze leden zien met de regering de blijvende noodzaak om te kunnen beschikken over bestuurlijke maatregelen ter bescherming van de nationale veiligheid. Zij stellen nog enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling en ook enige verbazing kennisgenomen van het wetsvoorstel. De oorspronkelijke wet kende vanwege het vergaande karakter van de in die wet opgenomen bestuurlijke maatregelen die meerdere grondrechten raakten, een horizonbepaling die de wet in 2022 deed vervallen. Uit de kritische evaluatie van die tijdelijke wet bleek toen al dat de bestuurlijke maatregelen te weinig toegevoegde waarde hadden. Het wetsvoorstel tot verlenging van de wet stuitte ook op kritiek van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling achtte het verlengingsvoorstel onvoldoende onderbouwd. De toen nog beide fracties van GroenLinks en PvdA stemden tegen het wetsvoorstel tot verlenging. Desalniettemin werd de tijdelijke wet in 2022 met vijf jaar verlengd.
De tweede evaluatie van de Twbmt uit 2024 is wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreft duidelijk: de evaluatie wijst erop dat de tijdelijke wet nauwelijks is “toegepast en dan vaak ook nog in aanvulling op een strafrechtelijk traject. De wet voorziet kennelijk niet in een werkelijke behoefte”. Bovendien is uit de evaluatie niet gebleken “dat er terroristische activiteiten zijn ontplooid die met toepassing van de Twbmt hadden kunnen worden voorkomen”. En “[g]een van de door ons geïnterviewde professionals van gemeenten, de politie of Zorg- en Veiligheidshuizen, die op lokaal niveau betrokken zijn bij de aanpak van radicalisering, heeft aangegeven grote behoefte te hebben aan de wet. Dit rechtvaardigt de algemene conclusie dat de Twbmt geen noodzakelijk instrument is in de bestrijding van terroristische activiteiten”. Daarnaast is gebleken dat ook de rechter in meerdere gevallen heeft geoordeeld dat er onvoldoende onderbouwing was voor een maatregel. Ook wordt er in de evaluatie op gewezen dat artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht inmiddels is gaan voorzien in de mogelijkheid “om in afgeronde strafzaken met betrekking tot terroristische misdrijven (mits uitgemond in een veroordeling tot een vrijheidsstraf of tbs) blijvend gedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende maatregelen toe te passen”. En als er in een strafzaak met betrekking tot een terroristisch misdrijf geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, geldt ook naar de mening van deze leden dat het strafrecht het ultimum remedium moet blijven en is een bestuursrechtelijke maatregel die na een strafrechtelijk vonnis zou moeten komen, dus ongewenst. Ten slotte stuit het voorliggend wetsvoorstel nu wéér op een kritisch advies van de Afdeling. Voornoemde leden kunnen zich aansluiten bij de woorden van de Afdeling, namelijk dat er “geen reden [is] om af te zien van de eerder naar voren gebrachte vraagtekens bij deze wettelijke maatregelen, temeer niet nu wordt voorgesteld de wet permanent te maken”. Temeer ook daar de voorgestelde bestuurlijke maatregelen meerdere grondrechten raken, zien de aan het woord zijnde leden geen reden om de tijdelijke wet permanent te maken. Zij vragen de regering het wetsvoorstel beter te onderbouwen anders dan de redenering dat het handig kan zijn ‘voor het geval dat’ om de bestuurlijke maatregelen alvast in de spreekwoordelijke gereedschapskist te hebben.
Deelt de regering de mening van deze leden dat het in het kader van het voorkomen van terroristische aanslagen effectiever is om te voorkomen dat mensen afglijden naar terroristisch gedachtegoed en gedrag? Zo ja, hoe gaat de regering daar gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen aan de regering over dit wetsvoorstel.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie merken op dat bij de invoering van de Twbmt is benoemd dat de bestuurlijke maatregelen niet los kunnen worden gezien van het gehele palet aan maatregelen om radicalisering tegen te gaan. Deze leden delen de mening dat een effectieve aanpak van terroristisch en extremistisch gedachtegoed vraagt om zowel maatregelen met betrekking tot het beschermen van de nationale veiligheid als maatregelen ten behoeve van preventie. Voornoemde leden vragen de regering dan ook het volledige pakket aan maatregelen uiteen te zetten waarbinnen de bestuurlijke maatregelen een rol vervullen en vragen de regering daarbij expliciet uiteen te zetten welke maatregelen worden getroffen ten behoeve van preventie van radicalisering. Hoe beoordeelt de regering de balans tussen veiligheidsmaatregelen enerzijds en de inzet op preventie anderzijds? Is deze balans met het huidige wetsvoorstel voldoende gewaarborgd?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering de noodzaak van de Tijdelijke wet onderschrijft door te verwijzen naar het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (hierna: DTN) van juni 2025, waaruit blijkt dat de jihadistische dreiging van geradicaliseerde individuen in Nederland onverminderd hoog is. Kan de regering bevestigen dat dit beeld vrijwel onveranderd is aan de hand van het DTN van december 2025? Is er sindsdien sprake van andere soorten dreigingen, een afname of intensiteit van bepaalde vormen van jihadisme?
2. Terroristische dreiging en contraterrorisme
2.1 Aanhoudende dreiging
De leden van de D66-fractie lezen dat de regering onder andere het huidige dreigingsbeeld, de zorgen over online radicalisering en de relatief snel veranderende omstandigheden in de wereld benoemt als redenen om tot een andere weging te komen ten aanzien van de noodzaak voor behoud van de Tijdelijke wet dan de onderzoekers in het evaluatierapport. Deze leden onderschrijven het dreigingsbeeld dat de regering schetst met betrekking tot jihadistische, rechts-terroristische, anti-institutionele en andere groeperingen. Daarnaast delen voornoemde leden de zorgen over de snelheid van online radicalisering en de steeds grotere impact van sociale media op het ontwikkelen van extremistisch gedachtegoed. De aan het woord zijnde leden zien echter niet hoe deze problematiek wordt ondervangen met de permanentmaking van de Twbmt. Kan de regering uiteenzetten hoe de maatregelen in het onderhavige wetsvoorstel bijdragen aan het tegengaan van deze online ontwikkelingen?
De leden van de D66-fractie lezen voorts dat de regering concludeert dat de maatregelen nog steeds noodzakelijk zijn met het oog op het bestaande terroristische dreigingsniveau. Deze leden erkennen dat het dreigingsniveau van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (hierna: NCTV) onverminderd hoog is. Tegelijkertijd bestaat de mogelijkheid dat het dreigingsniveau in de toekomst zal afnemen. Kan de regering toelichten waarom desondanks is gekozen voor een permanente wet in plaats van een verlenging van de wet tot het dreigingsniveau substantieel is afgenomen? Is de regering van mening dat de voorgestelde maatregelen en de mogelijk daaraan verbonden inbreuk op grondrechten nog steeds noodzakelijk, proportioneel en uitlegbaar zijn wanneer het dreigingsniveau sterk is afgenomen? Kan de regering dit per bestuurlijke maatregel toelichten?
De leden van de VVD-fractie lezen in de beantwoording van feitelijke vragen bij de Voorjaarsnota 2026 dat er in 2023 vijfentwintig verdachten van terroristische misdrijven zijn geregistreerd bij het Openbaar Ministerie (hierna: OM). In 2024 waren dat er veertig. Er zijn nog geen cijfers beschikbaar uit 2025. Mede uit deze cijfers en de jaarrapporten van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en het recente DTN blijkt dat het dreigingsniveau substantieel blijft. Er is volgens het recente DTN een hoge voorstelbare terroristische dreiging en er is een reële kans dat een aanslag in Nederland zal plaatsvinden. Kan de regering ingaan op de maatregelen die tijdens de kabinetsperiode worden getroffen om deze dreiging te beperken? Welke maatregelen worden er naast permanentmaking van de Twbmt genomen om bijvoorbeeld de toegenomen snelle online radicalisering van eenlingen tegen te gaan?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de terroristische dreiging onverminderd actueel is en de kans op een aanslag reëel blijft. De dreiging komt vooral voort uit jihadistische groepen uit ISIS-provincies die jihadisten aansturen op aanslagen. Dit gedachtegoed wordt met name verspreid via sociale media, wat veel terechtkomt bij tieners en jongvolwassenen. Deze leden constateren dat eind 2022 de motie van het lid Kuik (Kamerstuk 29754, nr. 658) is aangenomen om een pilot te starten om de aanpak van online radicalisering te versterken door jongeren die radicaliserende content opzoeken, online om te leiden naar anti-extremistische content. Kan de regering al resultaten delen van deze pilot, die in januari 2026 is uitgerold op Instragram, Facebook en Threads? Zo nee, wanneer kan de Tweede Kamer de eerste resultaten verwachten?
De leden van de CDA-fractie vragen tevens of de regering bereid is te onderzoeken of met andere platformen vergelijkbare pilots kunnen worden opgezet om radicalisering tegen te gaan, zoals gamingplatformen of andere platformen waar veel jongeren actief op zijn. Daarnaast vragen deze leden, nu de regering in de memorie van toelichting schrijft dat de online radicalisering zich manifesteert over landsgrenzen heen, of de regering bereid is om de pilot onder de aandacht te brengen bij andere Europese lidstaten.
De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat op grond van de Tijdelijke wet in de afgelopen zes jaren slechts tweemaal een maatregel is opgelegd, te weten een meldplicht. Hoe verhouden deze cijfers zich tot de aanhoudende dreiging die beschreven wordt door de regering?
2.2 Terrorismeveroordeelden met hoger dreigingsprofiel uit detentie
De leden van de VVD-fractie stellen dat ook de komende jaren een aantal terrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel uit detentie zal komen. In het coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt over deze groep, waarbij specifiek aandacht is besteed aan de groep waarvan het Nederlanderschap is ingetrokken. Kan de regering een stand van zaken geven met betrekking tot de uitvoering van de afspraken uit het coalitieakkoord?
De leden van de VVD-fractie brengen in herinnering dat de rechter tegenwoordig ook de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) kan opleggen bij veroordeling wegens een terroristisch misdrijf. Hier is een specifieke wettelijke grondslag voor gecreëerd. Kan de regering toelichten hoe vaak inmiddels de GVM is opgelegd aan terrorismeveroordeelden? En hoe vaak is de tenuitvoerlegging van deze maatregel gelast? Acht de regering het wenselijk dat het OM bij het uitspreken van strafeisen wegens terrorismedelicten ook vaker aan de rechter verzoekt een GVM op te leggen? Hoe vaak is dat in 2024, 2025 en tot nu toe in 2026 gebeurd?
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij terrorismeveroordeelden die naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit hebben en binnenkort vrijkomen, het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Deze leden vragen hoeveel terrorismeveroordeelden de komende twee jaar vrijkomen en of voor elke terrorismeveroordeelde met een dubbele nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken. Ook vragen voornoemde leden hoe de regering gaat voorkomen dat wanneer het Nederlanderschap is ingetrokken maar het vertrek naar het derde land niet wordt gerealiseerd, deze persoon onder de radar verdwijnt en onrechtmatig in Nederland verblijft met het risico op radicalisering. Wordt over de terugkeer van deze groep veroordeelden afspraken gemaakt met derde landen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij terrorismeveroordeelden zonder dubbele nationaliteit door betrokken ketenpartners wordt ingezet op het houden van zoveel mogelijk zicht op deze personen. Kan de regering nader uiteenzetten welke ketenpartners hierbij betrokken zijn, hoe de informatie- en gegevensdeling op een adequate manier is ingericht en op welke manier zicht wordt gehouden op de veroordeelden die vrij zijn gekomen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat een GVM zoals opgenomen in de Wet langdurig toezicht, binnen het strafrechtelijk kader niet altijd kan worden toegepast op terrorismeveroordeelden. De regering benadrukt daarom het belang van de Twbmt, die ook ziet op preventieve werking en het voorkomen van recidive. Heeft de regering overwogen om de Wet langdurig toezicht aan te passen, zodat terrorismeveroordeelden die vrijkomen, vaker hieronder kunnen vallen en, zo nee, waarom niet? Kunnen de maatregelen in het wetsvoorstel de Wet langdurig toezicht nu doorkruisen of kan dit niet naast elkaar bestaan?
De leden van de SGP-fractie vragen de regering te reageren op kritiek dat de uitvoering van de meldplicht veel te wensen overlaat en dat de wijze van uitvoeren vaak niet bijdraagt aan het daadwerkelijk verwerven van goede informatie. Welke inspanningen verricht de regering om dit te verbeteren?
De leden van de SGP-fractie constateren op basis van het evaluatieonderzoek dat in acht van de negen gevallen een bestuurlijke maatregel is ingezet na een strafrechtelijke procedure. Deze leden vragen of de regering kan duiden in hoeveel gevallen naar verwachting de inzet van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht soelaas had kunnen bieden.
3. De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding
3.1 Onderdeel van de persoonsgerichte aanpak
De leden van de CDA-fractie lezen dat in een casusoverleg gezamenlijk de aanpak van radicaliserende of geradicaliseerde personen wordt besproken tussen verschillende ketenpartners. Op welke manier is de gegevensdeling hierbij geborgd, zodat lokale partners uit het sociale en zorgdomein en nationale partners zoals de politie en reclassering, beschikken over voldoende en dezelfde informatie over de persoon in kwestie? Onder welke voorwaarden kan de NCTV aansluiten bij de casusoverleggen?
3.2 Doelstelling
De leden van de D66-fractie constateren dat met het onderhavige wetsvoorstel de minister van Justitie en Veiligheid de bevoegdheid krijgt vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen aan een persoon die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Het gaat daarbij om personen die in strafrechtelijke zin nog niets verwijtsbaars doen, maar wiens gedragingen wel een gevaar vormen voor de nationale veiligheid. Deze leden merken op dat onduidelijk is wanneer sprake is van het ‘in verband kunnen worden gebracht’ of ‘het ondersteunen’ van terroristische activiteiten, waarbij de gedragingen niet strafbaar zijn. Kan de regering daarom uiteenzetten welke activiteiten hieronder kunnen vallen? Wat wordt concreet bedoeld met ‘het ondersteunen’ van terroristische activiteiten? In welke concrete omstandigheden zou hier sprake van zijn zonder dat strafrechtelijk optreden mogelijk is? Kan de regering een aantal voorbeelden schetsen?
De leden van de BBB-fractie lezen dat met dit wetsvoorstel een tijdelijke wet permanent wordt gemaakt, terwijl uit evaluaties blijkt dat de wet slechts beperkt is toegepast en de effectiviteit moeilijk aantoonbaar is. Deze leden vragen de regering daarom allereerst om een nadere onderbouwing van de effectiviteit van de wet. Op basis waarvan concludeert de regering dat deze bevoegdheden daadwerkelijk bijdragen aan het voorkomen van terroristische dreiging?
3.3 De bestuurlijke maatregelen
De leden van de D66-fractie constateren uit de evaluatie van de Tijdelijke wet dat de meldplicht, die bedoeld is om zicht te krijgen op geradicaliseerde personen, op dit moment weinig effectief is, omdat de meldmomenten niet altijd zinvolle interactie opleveren. Zo ontbreken de noodzakelijke vaardigheden hoe om te gaan met geradicaliseerde individuen bij medewerkers waarbij een persoon zich moet melden. Deze leden zijn van mening dat de meldplicht extra waarde zou hebben als de contactmomenten die daaraan zijn verbonden, ook daadwerkelijk zicht geven op het gedachtegoed van de betrokken persoon en of (verdere) radicalisering plaatsvindt. Voornoemde leden vragen de regering dan ook toe te lichten hoe, met de permanentmaking van de meldplicht, extra kan worden ingezet op het vergroten van dergelijke vaardigheden bij relevante instanties en werkgevers. Welke concrete wijzigingen vinden plaats in de uitvoering van de meldplicht om het instrument te verbeteren?
De leden van de VVD-fractie constateren dat in het DTN vaak wordt geconstateerd dat er personen zijn die radicaliseren of sterk geradicaliseerd zijn en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Welke concrete gevolgen zouden er ontstaan als de Twbmt zou komen te vervallen per 1 maart 2027?
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering een voorbeeld kan geven van een hypothetische casus waarin andere middelen, zoals het strafrecht, niet kunnen worden ingezet en deze bestuurlijke middelen noodzakelijk zijn.
De leden van de CDA-fractie lezen dat een maatregel die opgelegd kan worden op basis van de Twbmt, noodzakelijk moet zijn met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid. Kan de regering ingaan op de zwaarte van die toets en wanneer er wel en niet sprake is van de bescherming van de nationale veiligheid.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de cijfers kan duiden rondom de aantal opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen tussen 2017 en 2027. Wat is de reden dat de aantallen relatief laag liggen? Heeft dat te maken met juridische of praktische bezwaren of heeft dit andere oorzaken?
De leden van de BBB-fractie vragen ten aanzien van het gebiedsverbod de regering te reflecteren op hoe vaak deze maatregel sinds de invoering van de wet is toegepast. Deze leden vragen hoe effectief een gebiedsverbod is in situaties waarin sprake is van een concrete terroristische dreiging. In hoeverre voorkomt een dergelijke maatregel daadwerkelijk dat iemand tot geweld overgaat? De aan het woord zijnde leden vragen daarnaast of in situaties van serieuze dreiging niet een zwaardere maatregel overwogen zou moeten worden. Waarom wordt niet gekozen voor een vorm van tijdelijke administratieve detentie of een andere administratieve vrijheidsbenemende maatregel indien sprake is van een concrete dreiging, maar strafrechtelijk ingrijpen (nog) niet mogelijk is?
De leden van de SGP-fractie maken uit de toelichting op dat inmiddels meer maatregelen zijn opgelegd dan in het evaluatieonderzoek uit 2024 te lezen valt. Deze leden vragen of de regering het overzicht zoals weergegeven op pagina 109 van het onderzoek, kan aanvullen met de nieuwe gegevens en of zij een duiding kan geven van de meest recente maatregelen die zijn opgelegd.
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre het doel van het gebiedsverbod op grond van de Tijdelijke wet ook bereikt kan worden met een gebiedsverbod door de burgemeester of burgemeesters dan wel op basis van een civielrechtelijke procedure.
De leden van de SGP-fractie vragen of het gebiedsverbod dat onder de Tijdelijke wet aan een drietal personen is opgelegd, ook gepaard ging met een enkelband. Eveneens vragen zij of de regering kan aangeven wat het geografische bereik was van de gebiedsverboden die zijn opgelegd.
De leden van de SGP-fractie of het toepassen van een enkelband volgens de regering in beginsel voor de hand ligt gezien het ernstige karakter van de maatregel van een gebiedsverbod op basis van de voorgestelde bijzondere bestuursrechtelijke regeling.
4. Evaluatie Twbmt, beleidsreactie en voorgestelde maatregelen
4.1 Conclusies evaluatierapport
De leden van de D66-fractie lezen in de wetsevaluatie dat de bestuurlijke maatregelen uit de Tijdelijke wet in de afgelopen jaren zelden zijn toegepast en als deze zijn toegepast deze vaak in aanvulling op een strafrechtelijk traject van toepassing waren. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat een van de argumenten vóór het wetsvoorstel juist is dat preventief ingrijpen mogelijk wordt als strafrechtelijk ingrijpen geen uitkomst biedt. Voornoemde leden vragen de regering dan ook te reflecteren op deze doelstelling van het wetsvoorstel. Welk gat vullen de maatregelen op als de maatregelen niet preventief maar in aanvulling op een strafrechtelijk traject worden opgelegd?
4.2 Beleidsreactie
4.2.1 Noodzaak behoud vrijheidsbeperkende maatregelen
De leden van de VVD-fractie stellen dat het contactverbod van de Twbmt in de huidige vorm fysiek van aard is. Tegelijkertijd hebben zij zeker in de afgelopen paar jaren gezien dat er een toename is van online radicalisering, met name bij jongeren. De aan het woord zijnde leden menen dat daarmee de aard van de dreiging van terrorisme is veranderd ten opzichte van 1 maart 2017, toen de Twbmt in werking trad. Heeft de regering onderzoek gedaan naar uitbreiding van het contactverbod uit de Twbmt naar online contacten? Zo nee, waarom niet? Voornoemde leden stellen dat een online contactverbod in sommige gevallen effectiever kan zijn om de nationale veiligheid te beschermen dan een fysiek contactverbod. Wat is hiervoor nodig? En is de regering bereid deze uitbreiding voor te bereiden?
De leden van de PVV-fractie lezen dat er in 2027 weer jihadistische terrorismeveroordeelden vrijgelaten zullen worden. Zij vragen de regering om hoeveel personen het gaat.
De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering of zij een update kan geven over potentiële uitreizigers uit Nederland of Europa richting Syrië, Somalië of Afghanistan met betrekking tot het aansluiten bij een kalifaat. Zijn sinds het DTN uit december 2025 nieuwe signalen binnengekomen over een stroom richting die gebieden?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering schrijft dat de handhaving van een gebiedsverbod met een enkelband ervoor zorgt dat tijdig ingegrepen kan worden bij een dreiging richting personen of objecten in het verboden gebied. Deze leden vragen of bij een gebiedsverbod als preventieve bestuurlijke maatregel een enkelband standaard onderdeel is van de maatregel.
De leden van de CDA-fractie vragen onder welke voorwaarden de NCTV kan aansluiten bij de casusoverleggen radicalisering.
De leden van de CDA-fractie constateren dat uit de evaluatie van de Tijdelijke wet blijkt dat de meldplicht maar beperkt leidt tot zicht op de persoon die zich moet melden en dat de regering uitvoeringspartijen heeft gevraagd om van de meldplicht een contactmoment te maken met professionals binnen de radicaliseringsaanpak. Kan de regering verder ingaan op de uitwerking van de meldplicht en op welke wijze meer zicht kan worden gekregen op de persoon die zich moet melden? Deze leden zijn vooral benieuwd of de meldplicht dus ook automatisch leidt tot individueel, inhoudelijk contact. Welke professionals zijn betrokken bij een dergelijk contactmoment en op welke manier wordt geborgd dat relevante informatie onderling wordt gedeeld tussen de instanties die hierbij betrokken zijn?
4.2.2. Schrappen grondslag afwijzen aanvraag voor een besluit af te wijzen, of een genomen besluit in te trekken
De leden van de VVD-fractie zijn niet overtuigd van de noodzaak van het schrappen van artikel 6 van de Twbmt, waarin een grondslag is geregeld voor het afwijzen of intrekken van een subsidie, vergunning of ontheffing als de aanvrager in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of als er een ernstig gevaar bestaat dat de subsidie of vergunning wordt gebruikt ten behoeve van (ondersteuning aan) terroristische activiteiten. Zij hebben hierover nog een aantal vragen.
De leden van de VVD-fractie merken op dat de tekst van het coalitieakkoord 2026 over de Twbmt helder is. In het coalitieakkoord is namelijk afgesproken dat de Tijdelijke wet permanent wordt gemaakt. Er is niet afgesproken dat een deel van de Tijdelijke wet permanent wordt gemaakt en een ander deel komt te vervallen. De tekst laat aldus geen ruimte om een deel van deze wet te laten vervallen. Kan de regering toelichten waarom zij desondanks voorstelt artikel 6 van de Twbmt te schrappen?
De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (hierna: NGB) in zijn consultatiereactie heeft gesteld dat het de onderbouwing van het schrappen ‘bijzonder matig’ vindt. Het enkele feit dat een bepaling niet is toegepast, is volgens het NGB geen gegronde reden om deze vervolgens te laten vervallen. Hoe kijkt de regering hiernaar? Als er bij bestuursorganen en/of vertegenwoordigers van veiligheidspartners zoals het NGB nog wel de behoefte bestaat aan dit instrument, kan de regering dan niet beter in gesprek gaan met alle relevante partners in de veiligheidsketen om te bezien hoe de bestaande bevoegdheid beter toepasbaar kan worden gemaakt voor de praktijk?
De leden van de VVD-fractie constateren dat bij de verlenging van de Twbmt (Kamerstuk 35917, nr. 6) de regering specifiek nut en noodzaak van artikel 6 verdedigde door dit onder andere te illustreren aan de hand van een voorbeeld. Toen schreef de regering dat bij deze bevoegdheid kan worden gedacht aan de verstrekking van een subsidie voor een stichting die activiteiten organiseert voor de jeugd in een wijk met problemen met hangjongeren, terwijl nadien blijkt dat (leden van) het bestuur van de stichting waaraan de subsidie is verleend, banden blijkt te hebben met een terroristische organisatie, zodat het ernstige gevaar bestaat dat de subsidie mede zal worden aangewend voor terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Is daar anno 2026 geen sprake meer van? Kan de regering volledig uitsluiten dat bovenstaand voorbeeld dat bij de verlenging van de Twbmt relevant werd geacht, zich ooit in de toekomst nog zal kunnen voordoen? En, zo nee, waarom kiest de regering er dan toch niet voor om artikel 6 in stand te laten?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering in de memorie van toelichting schrijft dat naast het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (hierna: WODC) ook ‘organisaties in het veiligheidsdomein’ geen meerwaarde zien in de maatregel van artikel 6 van de Twbmt. Kan de regering deze stelling nader onderbouwen met de adviezen van deze organisaties? Welke organisaties hebben in 2012 en 2017 nog wel positief geadviseerd over artikel 6 van de Twbmt en zien op dit moment geen meerwaarde?
De leden van de VVD-fractie constateren dat in het WODC-onderzoek is uitgevraagd of het intrekken of weigeren van een beschikking een effectief middel is om deelname aan of ondersteuning van terrorisme te verhinderen. 42% van de respondenten was het (helemaal) eens met de stelling dat dit een effectieve maatregel is, ondanks dat deze nog niet in de praktijk is toegepast. Meer respondenten verwachten zelfs dat deze maatregel effectiever is dan de meldplicht en het contact- en gebiedsverbod. Hoe kijkt de regering hiernaar?
In het WODC-onderzoek wordt voorts geconcludeerd dat er “blijkbaar geen situaties waren waarin er behoefte was aan de maatregel of waarin deze uitkomst bood”. Kan de regering toelichten of deze conclusie overeenkomt met de ervaringen uit de praktijk? De leden van de VVD-fractie benadrukken dat eenentwintig respondenten bij het WODC-onderzoek hebben laten weten dat er lokaal te weinig kennis is over de toepassing van de maatregelen en twintig respondenten aangaven dat de mogelijkheden die de Twbmt biedt, niet bekend waren. Zou dat ook niet een reden kunnen zijn waarom de maatregel van artikel 6 van de Twbmt nog niet is toegepast? Graag ontvangen de aan het woord zijnde leden een reactie van de regering op dit punt.
De leden van de VVD-fractie stellen dat de dreiging van terrorisme aan verandering onderhevig is. Hierdoor kunnen zich na verloop van tijd grotere kansen voordoen op situaties waarbij het noodzakelijk is om vrijheden van individuen te beperken zodra hun gedragingen in verband worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan en de nationale veiligheid beschermd moet worden. Daarom moet er wat deze leden betreft een wettelijke grondslag zijn om een aanvraag voor een besluit af te wijzen of een genomen besluit in te trekken als het ernstige gevaar bestaat dat de activiteit waarop het besluit betrekking heeft, (mede) zou worden gebruikt ten behoeve van terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Deze bevoegdheid biedt daartoe de mogelijkheid en maakt het mogelijk dat de overheid kan ingrijpen als ongewild en indirect wordt bijgedragen of dreigt te worden bijgedragen aan terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Kan de regering nader toelichten waarom de bevoegdheid jarenlang is verdedigd en nu zonder dragende motivering wordt geschrapt? Deelt zij de mening dat juist gelet op snelle fluctuaties van het dreigingsniveau, het noodzakelijk kan zijn om snel te handelen, ook ten aanzien van de bevoegdheid die is geregeld in artikel 6 van de Twbmt?
De leden van de PVV-fractie merken op dat in het oorspronkelijke voorstel de regering de noodzaak zag om een aanvullende weigerings- en intrekkingsgrond te creëren voor subsidies, vergunningen, ontheffingen of erkenningen. Zonder deze grondslag zou het namelijk niet toepasbaar zijn op alle vormen in voorgenoemde opsomming. Kan de regering aangeven of er bij het ontbreken van deze maatregel alsnog een grondslag bestaat om de aanvraag voor alle vormen van subsidie, vergunning, ontheffing of erkenning te weigeren of in te trekken. Zo nee, zou dit alsnog kunnen leiden tot het financieren of faciliteren van een terroristische organisatie?
De leden van de SGP-fractie vragen waarom volgens de regering niet het risico bestaat dat subsidies, vergunningen en erkenningen als noodzakelijk middel kunnen dienen om een bedreiging voor de nationale veiligheid te kunnen vormen. Mogelijk is hiervan minder sprake bij financiële middelen, maar een vergunning om in bepaald gebied activiteiten te ontplooien kan een relevant onderdeel zijn van de bedreiging. Zij vragen een nadere toelichting op het besluit om dit middel te schrappen, mede gezien het feit dat de regering erkent dat ook andere instrumenten in veel jaren niet of nauwelijks gebruikt worden.
4.2.3 Evalueren
De leden van de BBB-fractie vragen wie toezicht houdt op de inzet van de bevoegdheden uit deze wet. Welke instantie controleert de proportionaliteit en rechtmatigheid van de opgelegde maatregelen? In het bijzonder vragen deze leden wie toezicht houdt op de verwerking van persoonsgegevens binnen het kader van deze wet en hoe dit toezicht in de praktijk is ingericht.
II. Overig
De leden van de PVV-fractie vragen of de meest recente aantallen uitreizigers met de Kamer gedeeld kunnen worden.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij aan kan geven hoe vaak het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
De leden van de PVV-fractie vragen om het overzicht van terroristische arrestaties wegens aanslagplanning van de afgelopen vijf jaar uit te splitsen naar stroming.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij de mening deelt dat voorgestelde bestuurlijke maatregelen gewoonweg genegeerd kunnen worden en dat administratieve detentie daarom noodzakelijk is als preventieve maatregel om de nationale veiligheid te waarborgen.
De leden van de BBB-fractie vragen waarom de regering kiest voor permanentmaking van de wet. Gezien het ingrijpende karakter van de bevoegdheden en de blijvende discussie over nut en noodzaak, ligt een nieuwe verlenging met een horizonbepaling volgens deze leden meer voor de hand. Kan de regering toelichten waarom niet opnieuw wordt gekozen voor een verlenging met bijvoorbeeld vijf jaar, zodat het parlement periodiek opnieuw kan toetsen of deze wet nog noodzakelijk en proportioneel is?
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
De griffier van de commissie, Burger
