Vragen en antwoorden
6 vragen
1
Vraag
Bent u bekend met het besluit van TivoliVredenburg om de finale van het EK debatteren (EUDC), die op 31 juli 2026 zou plaatsvinden, te annuleren omdat teams van Israëlische universiteiten zouden deelnemen?[1] Zo ja, erkent u dat dit een vorm van selectieve uitsluiting is die haaks staat op de kernopdracht van universiteiten om pluraliteit van meningen te beschermen en een open debat mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Ja, ik ben bekend met dit besluit. Het annuleren van de finale van de debatwedstrijd is gedaan door TivoliVredenburg. UCU en UU hebben hun steun aan de wedstrijd ingetrokken. TivoliVredenburg heeft een grote vrijheid in het bepalen van wat zij programmeren en met wie zij samenwerken. Bij die vrijheid hoort een grote verantwoordelijkheid. Universiteiten hebben de institutionele autonomie om te bepalen welke samenwerkingen zij op instellingsniveau aangaan. De uitgangspunten voor samenwerking die zijn meegegeven in de brief over de stand van zaken omtrent de veiligheid op universiteiten en hogescholen n.a.v. de protesten over de situatie in Gaza van 31 mei 2024 blijven voor mij belangrijk.
2
Vraag
Hoe is het te verdedigen dat universiteiten en culturele podia die zichzelf presenteren als bolwerken van academische vrijheid en diversiteit van perspectieven, in de praktijk een internationaal debattoernooi afbreken zodra Israëlische instellingen meedoen? Deelt u de mening dat dit pure hypocrisie is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Net als vele anderen, hecht ik grote waarde aan een pluriforme sector waarin ruimte is voor verschillende geluiden en het debat in alle scherpte kan worden gevoerd. Culturele en academische internationale samenwerking draagt daar in belangrijke mate aan bij. Tegelijk hebben instellingen een grote vrijheid en daarmee ook een belangrijke verantwoordelijkheid in het bepalen wat zij programmeren en met wie zij samenwerken. Die vrijheid is belangrijk en hoort bij een open en democratische samenleving. Dat instellingen zorgvuldig naar hun programmering kijken, zeker in het licht van het aanhoudende conflict in het Midden-Oosten, hoort bij het nemen van hun verantwoordelijkheid. Besturen dienen transparant te zijn over de afwegingen die zij maken. Ik vind het in dat verband goed dat TivoliVredenburg publiekelijk heeft toegelicht hoe zij tot hun besluit zijn gekomen. De overheid moet afstand houden van de afwegingen die instellingen maken. Juist die terughoudendheid is van belang om de fundamentele vrijheden van onze democratie te beschermen.
3
Vraag
Deelt u de mening dat de Universiteit Utrecht en University College Utrecht hun academische verantwoordelijkheid ernstig verzaken door mee te werken aan de uitsluiting van Israëlische studenten en instellingen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Zie het antwoord op vragen 1 en 2.
Zie antwoord op vraag 1
4
Vraag
Hebt u kennisgenomen van het feit dat meer dan 700 culturele organisaties zich hebben aangesloten bij een boycot die uitsluitend tegen Israëlische instellingen is gericht? Erkent u dat een dergelijke collectieve en selectieve uitsluiting de academische vrijheid, internationale samenwerking en verscheidenheid van standpunten rechtstreeks ondermijnt? Zo ja, waarom accepteert u dat Israëlische instellingen wél mogen worden uitgesloten?
Antwoord
Ja. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 hebben instellingen een grote vrijheid in het bepalen wat zij programmeren en met welke internationale partners zij samenwerken. Die vrijheid is belangrijk en hoort bij een open en democratische samenleving.
5
Vraag
Bent u bereid TivoliVredenburg, de organisatoren van het EUDC, de Universiteit Utrecht en University College Utrecht per direct op te roepen de finale alsnog doorgang te laten vinden en de deelname van Israëlische teams onvoorwaardelijk te respecteren? Zo nee, waarom laat u politieke uitsluiting prevaleren boven een vrij en open debat?
Antwoord
Het is niet aan mij als minister om in te grijpen in de individuele keuzes van academische en culturele instellingen.
6
Vraag
Bent u bereid universiteiten die Israëlische studenten en instellingen uitsluiten daarop keihard aan te spreken als zij daarmee doorgaan en financiële consequenties te verbinden aan deze discriminatoire boycot? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Het is aan instellingen om autonoom te handelen binnen de marges van de geldende wettelijke kaders en internationale afspraken. Daarnaast vertrouw ik erop dat bij het vormgeven van hun internationale beleid instellingen zorgvuldig handelen en de uitgangspunten die vanuit OCW zijn meegegeven (in de brief over de stand van zaken omtrent de veiligheid op universiteiten en hogescholen n.a.v. de protesten over de situatie in Gaza, aan uw kamer van 31 mei 2024) meenemen. Ik zie geen aanleiding om universiteiten aan te spreken op hun beleid of hen financiële consequenties op te leggen.

