Motietekst
Volledige tekst
Nr. 792 MOTIE VAN HET LID CEDER C.S.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het kabinet stelt dat er geen directe internationaalrechtelijke verplichting bestaat om eraan bij te dragen dat Israël alle meer dan 700.000 Israëlische settlers uit de Oude Stad van Jeruzalem en de Westbank evacueert en dat de invulling van de evacuatie pas na en uit overleg tussen Israël en de PA zou moeten voortvloeien;
constaterende dat dit kabinetsstandpunt niet uit de tekst van het IGH-advies 2024 noch uit de tekst van VN-resolutie ES-10/24 voortvloeit, die in volledige zin mede de grondslag vormen voor het sanctiebesluit;
overwegende dat het kabinet niet kan uitsluiten dat de juridische grondslag in het sanctiebesluit een toekomstig precedent schept waarbij externe partijen elk kabinet kunnen houden aan sanctiemaatregelen tot volledige en directe naleving van het IGH-advies uit 2024 en VN-resolutie ES-10/24, inclusief directe evacuatie;
verzoekt de regering vóór inwerkingtreding nader internationaalrechtelijk spoedadvies aan te vragen over de vraag of het kabinet bij het onderschrijven van het IGH-advies van 2024 en punt 2 van VN-resolutie ES-10/24, namelijk dat Israël alle Israëlische settlers dient te evacueren, beleidsruimte behoudt om de uitwerking van de evacuatie van settlers over te laten aan mogelijke toekomstige gesprekken tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit;
verzoekt de regering zich vóór inwerkingtreding van het sanctiebesluit ervan te vergewissen dat er geen precedentwerking kan ontstaan waarbij een eventuele afschaling of afschaffing van sancties door externe partijen kan worden aangevochten op grond van dezelfde juridische grondslag als waarop het kabinet het besluit baseert,
en gaat over tot de orde van de dag.
kst-23432-792
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2026
Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 23 432, nr. 792
1
Ceder
Hoogeveen
Stoffer
Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 23 432, nr. 792
2



