Motietekst
Volledige tekst
Nr. 440 GEWIJZIGDE MOTIE VAN DE LEDEN BOOMSMA EN STOFFER TER
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland een verklaring tot interventie heeft ingediend bij het Internationaal Gerechtshof in de zaak Zuid-Afrika tegen Israël betreffende de toepassing van het Genocideverdrag;
constaterende dat Nederland daarmee een specifieke rechtsopvatting over de interpretatie van het Genocideverdrag bij het Hof naar voren brengt, waarbij duidelijke inhoudelijke keuzes zijn gemaakt;
overwegende dat een dergelijke keuze onderwerp dient te zijn van parlementaire controle en debat;
overwegende dat eventuele verdere Nederlandse schriftelijke of mondelinge inbreng bij het Hof nieuwe of nadere standpunten over de interpretatie van het Genocideverdrag kan bevatten;
verzoekt de regering voortaan als Nederland voornemens is te interveniëren bij het Internationaal Gerechtshof met betrekking tot de interpretatie van het Genocideverdrag, de inhoudelijke strekking en keuzes daarbinnen eerst voor te leggen aan de Kamer;
verzoekt de regering eventuele verdere Nederlandse inbreng in de procedure van Zuid-Afrika tegen Israël, als de Nederlandse interventie wordt toegelaten, voorafgaand aan indiening bij het Gerechtshof eerst aan de Kamer voor te leggen en de Kamer voldoende gelegenheid te bieden hierover met de regering van gedachten te wisselen,
en gaat over tot de orde van de dag.
Boomsma
Stoffer
kst-32735-440
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2026
Tweede Kamer, vergaderjaar 2026–2027, 32 735, nr. 440


